--O! mompelde hij.

--De doodkist die heden morgen voor aller oog in den grafkelder

nederdaalde, vervolgde dona Luisa, bevatte werkelijk het lijk der

arme Laura; daar volgens het oude kloostergebruik, de dooden niet

anders dan in volle nonnenkleeding en met het aangezigt onbedekt mogen

begraven worden, kon men hier onmogelijk anders aanleggen; maar zoodra

was de plegtigheid niet afgeloopen en waren al de nonnen naar hare

cellen teruggekeerd, of de kerkdeuren werden voor de toeschouwers

gesloten en de abdis gaf bevel om den steen der grafkelder, die nog

niet verzegeld was, weder af te nemen, en het lijk naar het in pace in

het afgelegenst gedeelte van het klooster over te brengen. Maar--hier

zijn wij er reeds, riep zij stilstaande, terwijl zij met de hand eene

groote zerk aanwees, die plat op den vloer lag, midden in de ruime

zaal waar zij thans binnen traden.

Het tooneel had iets treurigs en huiveringwekkends: die holle,

geheel ledige zaal, die gemaskerde mannen, in groepen verzameld

rondom dat jeugdige, geheel in 't wit gekleede meisje, en alleen

verlicht door het roode schijnsel der walmende toortsen, dit alles

had eene treffende overeenkomst met de geheimzinnige veemgerigten

der middeleeuwen, wanneer de vrijmannen zich vergaderden om keizers

en koningen te vonnissen.

--Neem die zerk weg, riep don Torribio met eene doffe stem.

Na eenige krachtige pogingen was de steen afgetild, en nu opende

zich een donker keldergewelf, waar een laauwe walm uit opsteeg. Don

Torribio nam een toorts en bukte om in de opening te zien.

--Hoe is dat? vroeg hij een oogenblik later, die kelder is geheel

ledig.

--Ja, antwoordde dona Luisa eenvoudig, die gij zoekt ligt nog lager.

--Lager! wat bedoelt gij met lager? riep hij, terwijl hij zijne

ontroering naauwelijks meester bleef.

--Deze kelder is niet diep genoeg, men zou die te gemakkelijk

ontdekken, of het geschreeuw der martelaars daar buiten kunnen hooren

weergalmen: er zijn drie kelders van de zelfde grootte als deze, en

boven elkander gebouwd. Wanneer de abdis, om een of andere reden, een

der zusters wil doen verdwijnen en haar voor altijd van de levenden

afzonderen, wordt zulk eene non in den ondersten kelder gesloten,

dien men de hel noemt! Daar smoort ieder gerucht, iedere zucht blijft

onbeantwoord, iedere klagt is te vergeefs. O! de inquisitie wist

hare zaken wel te overleggen, en daarbij is zij nog te kort geleden

in Mexico opgeheven om al hare werktuigen in de kloosters te doen

verdwijnen; zoek dus lager, caballero, zoek dieper.

Bij deze woorden voelde don Torribio het koude zweet op zijn voorhoofd

parelen, hij dacht dat hij aan de nachtmerrie ten prooi was. Terwijl

hij met de uiterste inspanning zijne woede bedwong, klom hij langs een

touwladder, die aan een der wanden van het onderaardsch gewelf hing,

in den kelder af, door eenige zijner gezellen gevolgd.

Hier vonden zij een tweeden steen, volkomen gelijk aan den vorigen. De

steen werd opgeheven, en don Torribio stak zijn toorts in de holle

spelonk.

--Zij is ledig! riep hij verschrikt.

--Nog lager, zeg ik u! Zoek lager, herhaalde de zwakke stem van dona

Luisa die aan den rand van den bovenkelder stond.

--Wat had dit beminnelijke schepsel toch misdreven, dat zij dus

verdiende gemarteld te worden? brulde don Torribio bijna uitzinnig

van smart.

--Gouddorst en haat zijn twee helsche raadgevers, antwoordde het

jonge meisje; maar haast u, haast u toch! iedere minuut langer is

eene eeuw voor haar die u wacht.

Don Torribio, door eene ontembare woede beheerscht, ging terstond aan

't werk om den derden steen af te ligten. Na weinige oogenblikken

zag hij zijn arbeid bekroond.

Naauwelijks was de steen opgeheven, of zonder op de stiklucht acht

te geven die uit het open graf opsteeg en zijne toorts bijna deed

uitgaan, bukte hij voorover in de diepte.

--Ik zie haar! ik zie haar! brulde hij met eene stem die in het holle

gewelf meer geleek naar die van een tijger, dan van een mensch.

En zonder op antwoord te wachten, of zelfs vooraf de hoogte te meten,

sprong hij in den kelder.

Eenige minuten later klom hij naar boven en verscheen hij weder in

de zaal, met het levenlooze ligchaam van dona Laura in zijne armen.

--Terug, mijne vrienden! keeren wij terug! riep hij zijne medgezellen

toe; blijven wij geen sekonde langer dan noodig is, in dit verblijf

van wilde dieren met menschelijke aangezigten.

Op zijn gebiedenden wenk werd ook dona Luisa door een der bandieten

opgenomen, en allen verwijderden zich op een draf in de rigting van

het klooster. Weldra bereikten zij de plaats waar de abdis lag.

Zoodra deze hen gewaar werd, deed zij eene geweldige maar vruchtelooze

poging om hare banden los te rukken, en kronkelde zich als eene

geboeide slang, terwijl zij de mannen die hare snoode plannen hadden

vernietigd, een blik van magtelooze woede en haat toewierp.

--Armzalige! riep don Torribio, die haar digt voorbij ging en

verachtelijk met den voet schopte, wees vervloekt doemwaardige,

uw straf begint, daar uw slagtoffer u ontsnapt.

Door een dier pogingen, die alleen de haat wanneer hij zijn hoogste

toppunt bereikt, mogelijk maakt, gelukte het de abdis haar mondprop

een weinig te verschuiven.

--Misschien! krijschte zij met een gil, die don Torribio als een

doodkreet in de ooren klonk.

Door deze laatste inspanning uitgeput, zonk zij in flaauwte.

Vijf minuten daarna, was er in het klooster niemand behalve de gewone

bewoners overgebleven.

IX.

VRIJ-KOGEL EN LOER-VOGEL.

Op deze hoogte van zijn verhaal gekomen, hield Vrij-Kogel op, en begon

hij met een nadenkend gezigt zijn Indiaansche tabakspijp te stoppen.

Er volgde een ruime poos stilte.

Zijne toehoorders, nog geheel onder den indruk dezer ongewone

geschiedenis gebogen, veroorloofden zich geen enkele aanmerking.

Loer-Vogel hief eindelijk het hoofd op.

--Dat is wel eene zeer levendige en toch zeer treurige historie;

maar neem mij niet kwalijk, oude en dierbare kameraad, als ik zoo

vrij ben u aan te merken dat zij in geen het minste verband schijnt

te staan met hetgeen er rondom ons omgaat, noch met de gebeurtenissen

in welke wij waarschijnlijk geroepen zijn te deelen, of daar wij ten

minste belangstellende aanschouwers van zullen zijn.

--Alles wel ingezien, beweerde Ruperto, wat hebben wij woudloopers

met de gebeurtenissen te maken die er in Mexico, of in eenige andere

stad in het binnenland voorvallen? Wij zijn hier in de wildernis

om te jagen, strikken te zetten, of tegen de Roodhuiden te vechten,

alle andere zaken gaan ons volstrekt niet aan.

Vrij-Kogel schudde bedenkelijk het hoofd en legde, met een air van

gewigt, werktuigelijk zijne pijp naast zich neêr.

--Gij bedriegt u, mijne vrienden, hervatte hij; meent gij dan dat ik

over uw tijd zou hebben beschikt om u zulk een lang verhaal te doen

aanhooren, zoo het voor ons allen inderdaad geen hoogst gewigtige

beteekenis had?

--Verklaar u dan nader, vriend, zei Loer-Vogel, want, wat mij betreft,

moet ik u zeggen dat ik weinig of niets begrijp van al wat gij ons

verteld hebt.

De oude Canadees stak het hoofd op, en scheen gedurende eenige

oogenblikken de hoogte der zon waar te nemen om het uur te berekenen.

--Het is omtrent half zeven voor den middag, zeide hij: gij hebt dus

nog meer tijd dan noodig is om het veer del Rubio te bereiken, waar

de karavaan u wacht die gij den weg moet wijzen; hoor mij dus nog een

poosje, want ik heb nog niet volkomen gedaan; wat ik u verteld heb

bevat wel het geheimzinnige gedeelte der geschiedenis, maar zoo gij

lust hebt, zal ik u thans melden wat tot nadere toelichting kan dienen.

Spreek op, antwoordde Loer-Vogel op den toon van iemand die zijn eigen

wil prijs geeft, om goedwillig naar eene vertelling te luisteren die

hij te voren weet dat hem weinig belang kan inboezemen.

Zonder veel op de trage nieuwsgierigheid van zijn vriend te letten,

of zich om zijne gedwongen inschikkelijkheid te bekommeren, nam

Vrij-Kogel den draad van zijn verhaal weder op, in dezer voege:

--Het zal uwe aandacht niet ontgaan zijn, dat don Torribio de zaken

behandeld had met eene voorzigtigheid en beleid die wel in staat

schenen om allen argwaan te verwijderen en zijn avontuur met een

ondoordringbaren sluijer te bedekken: ongelukkigerwijs echter was de

evangelista Leporello niet werkelijk door hem gedood; hij kon niet

alleen nog spreken, maar zelfs een duplicaat toonen van de brieven,

die hij alle dagen aan den jongman had ter hand gesteld,--brieven daar

deze hem zoo duur voor betaalde en die de oude rekestschrijver, met de

aangeboren voorzigtigheid van een Mexicaan, zoo zorgvuldig bewaard

had, om er des noods een wapen van te maken tegen don Torribio,

of zelfs, wat nog waarschijnlijker was, om zich te kunnen wreken,

wanneer hij het slagtoffer mogt worden van een of ander verraad. Dit

laatste was thans werkelijk gebeurd: de evangelista, den volgenden

morgen door een vroegkomenden client bijna zieltogend in zijn pothuis

gevonden, had nog de kracht om eene geregelde verklaring aan den

Juez de lettras (crimineele regter) af te leggen en hem de papieren

te overhandigen, eer hij stierf. Deze manslag, in verband met de

opligting der nachtwachts en den inval in het Bernardijnen-klooster

door een talrijken troep gemaskerden, wees de politie een gereed

spoor aan, dat zij met den meesten ijver begon te volgen, des te

meer daar de jonge dochter wier lijk zoo stoutmoedig werd weggeroofd,

veelvermogende ouders had, die, om zekere hun alleen bekende redenen,

dezen roof niet ongestraft wilden laten en er goud met volle handen

voor overhadden om den misdadiger te vinden. Weldra wist men dat

de bandieten, het klooster verlatende, paarden hadden genomen, die

hun door bestelde personen werden toegevoerd, en toen met gevierden

teugel waren weggereden in de rigting der presidios. Tevens gelukte

het, een der personen te ontdekken, die de paarden geleverd hadden;

dat individu, met name Pepito, nog meer aangelokt door het goud

dat men hem aanbood dan verschrikt door de bedreigingen der straf,

verklaarde, dat hij ten behoeve van don Torribio Carvajal, vijf en

twintig remonte paarden had verkocht, af te leveren des morgens ten

twee ure, onder de muren van het Bernardijnen-klooster; daar deze

paarden hem vooruit waren betaald, had Pepito zich niet veel bekommerd

over de zonderlinge plaats die men aanwees of het nog zonderlinger uur

der aflevering. Don Torribio en zijne kameraden waren gezien, dragende

twee vrouwen in hunne armen, waarvan de eene naar het scheen in onmagt

lag, en hadden zich oogenblikkelijk in vollen galop verwijderd. Het

spoor der schakers was nagegaan tot aan de presidio de Tubac, waar

don Torribio zijne bende eenige dagen had laten uitrusten; aldaar

had hij een gesloten palankijn aangekocht, een groote veldtent en

de noodige levensmiddelen voor eene langdurige reis in de woestijn;

en op zekeren nacht was hij plotseling verdwenen met zijn geheelen

troep, die intusschen uit de presidio door een aantal lieden van

dubbelzinnig karakter versterkt en vandaar vertrokken was zonder dat

iemand wist te zeggen waarheen. Deze narigten waren zeker onbestemd

genoeg, maar toch in zoo verre voldoende, dat zij de ouders van het

vermiste meisje aanleiding gaven om hunne nasporingen voort te zetten.

--Ik geloof nu dat ik begin te begrijpen waar gij heen wilt, vriend,

viel Loer-Vogel hem in de rede; maar ga voort met uw verhaal; als

gij gedaan hebt zal ik u eenige opmerkingen maken, waarvan gij,

zoo ik vertrouw, de juistheid zult moeten erkennen.

--Ik verlang niets liever, mijn goede kameraad, antwoordde Vrij-Kogel,

en hij vervolgde: Zeker iemand, die mij twintig jaar geleden een

gewigtige dienst had bewezen en dien ik sinds al dien tijd niet weder

ontmoette, zoodat ik hem zelfs niet zou hebben herkend, als hij mij

zijn naam niet genoemd en mij eenige bijzonderheden had aangegeven

die ik onmogelijk vergeten kon, kwam mij bij die gelegenheid opzoeken;

Ruperto en ik bevonden ons juist aan het presidio de Tubac om eenige

tijger- en pantervellen te verkoopen. De man dien ik bedoel deelde

mij alles mede wat ik u thans verteld heb; hij voegde er nog bij dat

hij een zeer naaste bloedverwant van het meisje was, en herinnerde

mij toen de dienst die hij mij eenmaal bewezen had; kortom, hij wist

mij zoodanig te bepraten, dat ik mij verbond om hem te helpen zich aan

zijne vijanden te wreken. Twee dagen later gingen wij zamen op weg om

de bandieten op te sporen; voor iemand die zoo bedreven is als ik,

om het spoor der Indianen te vinden, was het opsporen der bandieten

slechts kinderspel, en weldra bragt ik hem tot in de nabijheid der

Spaansche karavaan onder kommando van don Miguel Ortega.

--Maar die andere heette immers don Torribio Carvajal?

--Kon hij dan zijn naam niet veranderd hebben?

--Waartoe zou dat dienen in de woestijn?

--Uit voorzorg, in geval dat men hem wilde vervolgen.

--De ouders schijnen dan wel belang te hebben gehad bij die vervolging?

--Don José verzekerde mij dat hij de oom van het meisje was, en dat

hij haar altijd zoo lief had gehad als een vader.

--Maar zij was immers dood, ten minste ik meen dat gij mij dit gezegd

hebt, als ik mij niet vergis.

Vrij-Kogel krabde zich achter het oor.

--Dat is juist wat de zaak zoo duister maakt, zeide hij; het schijnt

dat zij alles behalve dood is, integendeel....

--Ei ei! riep Loer-Vogel, is zij niet dood! En die oom weet hij

dit, en is het dan met zijne toestemming geweest dat men het arme

schepsel levend heeft begraven! Maar als dat zoo is, dan steekt er

een verfoeijelijk geheim achter.

--Dat is waarachtig waar ook! stotterde de Canadees met eene onvaste

stem. Nu gij het zegt, moet ik bekennen dat gij gelijk hebt, en

dat ik er bang voor begin te worden! Intusschen heeft die man mij

eenmaal een groote dienst bewezen, ik heb geen de minste reden om

hem te verdenken, en....

Loer-Vogel stond op en plaatste zich vlak voor den jager.

--Vrij-Kogel, zeide hij op strengen toon, wij zijn zamen landgenooten,

wij beminnen elkander als twee broeders; sedert vele jaren is de

prairie ons gezamentlijk nachtleger en deelen wij elkanders geluk en

ongeluk; honderdmaal hebben wij elkanders leven gered, hetzij in den

strijd met het wild gedierte, hetzij in den oorlog met de Indianen;

zeg ik de waarheid, of niet?

--'t Is de waarheid, Loer-Vogel, 't is de waarheid, en hij die anders

sprak zou moeten liegen! antwoordde de jager getroffen.

--Mijn vriend en broeder, eene groote misdaad is hier begaan of staat

op het punt van begaan te worden; laten wij op onze hoede zijn, laten

wij waken, zorgvuldig waken; wie weet of de Voorzienigheid ons niet

als middelen heeft uitverkoren om de schuldigen te ontmaskeren en de

onschuldigen te doen zegevieren. Die don José, zegt gij, heeft verlangd

dat ik mij met u zou vereenigen, ik neem het aan; gij, Ruperto en ik,

wij gaan zamen naar het veer del Rubio, en wees verzekerd, vriend,

nu ik weet wie de schuldige is, zal ik hem ook weten te vinden.

--Ik heb het liever zoo dan anders, antwoordde de jager ongedwongen. Ik

wil u wel zeggen dat de zonderlinge positie waarin ik mij bevond

mij zwaar op het hart woog. Ik ben maar een arme jager die van zulke

schandelijke streken uit de steden niets begrijp.

--Gij zijt een eerlijk man, Vrij-Kogel, uw hart en verstand zitten op

de regte plaats; maar intusschen verloopt onze tijd en ik geloof, nu

wij het over de zaken eens zijn geworden en elkander verstaan hebben,

dat wij wel zouden doen van dadelijk op weg te gaan.

--Ik zal vertrekken zoodra gij wilt.

--Een oogenblik nog! zoudt gij Ruperto een tijd lang kunnen missen?

--Opperbest.

--Waar is het u om te doen? vroeg Ruperto.

--Gij kunt mij eene dienst bewijzen.

--Spreek op, Loer-Vogel, ik ben bereid.

--Niemand weet wat er gebeuren kan: misschien hebben wij over een

paar dagen bondgenooten noodig op welke wij vast kunnen staat maken;

die bondgenooten zou het hier aanwezige opperhoofd, zoo wij er hem

om vragen, ons ligt kunnen verschaffen; vergezel hem dus naar zijn

dorp, en zoodra gij er hem gebragt hebt, verlaat hem dan om ons spoor

te volgen, zonder daarom echter dadelijk bij ons te komen, zoo gij

maar zorgt dat wij, wanneer het noodig mogt zijn, weten waar wij u

vinden kunnen.

--Ik heb u begrepen, zei de jager laconiek terwijl hij opstond;

stel u gerust.

Loer-Vogel wendde zich nu tot den Vliegenden-Arend en legde hem uit

wat hij van hem verlangde.

--Mijn broeder heeft de Wilde-Roos gered, antwoordde het opperhoofd

met edele waardigheid; de Vliegende-Arend is een Sachem in zijn stam;

tweehonderd krijgslieden zullen op den eersten wenk van mijn vader

het oorlogspad volgen; de Comanchen zijn mannen, de woorden die hun

mond uitblaast komen voort uit hun hart.

--Ik zeg u dank, hoofdman, hernam Loer-Vogel, met warmte de hand

drukkende die de Roodhuid hem toestak, dat de Wacondah u behoede

terwijl gij op weg zijt!

Na in der haast een stuk op kolen gebraden wild genuttigd en een teug

pulque gedronken te hebben, van welke laatste alleen de Roodhuid zich

onthield, daar hij tot den stam der Comanchen behoorde, die geen

sterken drank drinken, namen de vier mannen afscheid van elkander:

Ruperto en de Vliegende-Arend gingen met de Wilde-Roos in westelijke

rigting de prairiën in, terwijl Loer-Vogel en Vrij-Kogel, een weinig

links afgaande, integendeel oostwaarts trokken, om het veer del Rubio

te bereiken, waar de eerstgenoemde gewacht werd.

--Hm! ik geloof dat wij eene moeijelijke en ruwe taak op ons genomen

hebben, merkte Vrij-Kogel aan, terwijl hij zijn geweer onder den

linker arm nam en wegging met dien veerkrachtigen stap die den echten

woudlooper kenschetst.

--Wie weet, goede vriend, antwoordde Loer-Vogel op min of meer

bezorgden toon. In allen geval zullen wij een gewigtige waarheid

gaan ontdekken.

--Zoo denk ik er ook over, zeide de ander.

--Een ding is er dat ik vooral zou willen weten.

--En dat is?

--Wat er toch in die digt gesloten palankijn van don Miguel schuilt.

--Pardi! eene vrouw, zonder twijfel.

--Wie heeft u dat gezegd?

--Niemand, maar ik vermoed het.

--Laten wij niets vooruitloopen, vriend; met den tijd zal alles

zich ophelderen.

--God geve het!

--God ziet en weet alles, vriend. Geloof dus maar, als het Hem

behaagd heeft in onze harten de vermoedens te verwekken, die ons op

dit oogenblik verontrusten, dan is het, zoo als ik u daar even reeds

gezegd heb, omdat Hij ons tot werktuigen zijner geregtigheid wil maken.

--Zijn wil geschiede! antwoordde Vrij-Kogel, eerbiedig zijn muts

afnemende; ik ben bereid tot alles wat God van mij eischt.

Na deze ernstige gedachtenwisseling, namen de jagers, die tot hiertoe

naast elkander waren voortgestapt, de Indiaansche linie te baat,

en liepen de een achter den ander, om de moeijelijkheden van den weg

beter te vermijden.

Toen zij het bosch door waren en aan het hooge prairie-gras kwamen,

bleven zij een oogenblik staan om naar de zon te kijken.

--Het is reeds laat, zei Loer-Vogel.

--Ja, zei de andere, het is bij twaalven; volg mij dus, wij moeten

den verloren tijd weder zien in te halen.

--Hoe zoo?

--In plaats van te loopen, zouden wij kunnen rijden, wat dunkt u?

--Ja, als wij maar paarden hadden.

--Die denk ik u juist te bezorgen.

--Hebt gij dan paarden?

--Ik heb gisteren avond mijn paard en dat van Ruperto hier ergens

in den omtrek gelaten, om de plaats te bereiken waar don José mij

besproken had, eene plaats daar ik niet anders komen kon dan met

eene praauw.

--Ei, ei! die brave beestjes komen ons juist van pas; voor mijn part,

ik wil u wel zeggen dat ik doodaf ben; ik heb zoolang in de prairie

gemarcheerd dat mijne beenen mij naauwelijks willen dragen.

--Kom dezen weg; wij zullen ze spoedig vinden.

Werkelijk hadden de jagers geen drie honderd schreden in de door

Vrij-Kogel aangewezen rigting gedaan, of zij zagen de twee paarden

rustig grazen en peul-vruchten of jonge struiken knabbelen. De edele

dieren, toen zij het bekende fluitje hoorden, staken de fijne en

schrandere koppen op en galoppeerden de jagers vrolijk hinnekend te

gemoet. Volgens de gewoonte in de prairiën, waren zij niet gezadeld;

alleen hing de bossal (hoofdstel) hun over den hals. De jagers bragten

het tuig in orde, stegen in den zadel en stelden zich in beweging.

--Nu wij ieder een flink paard tusschen de beenen hebben, zijn wij

zeker in tijds te zullen aankomen, zei Loer-Vogel; wij behoeven

ons zelfs niet te haasten, maar kunnen op ons gemak zamen praten:

zeg eens, Vrij-Kogel, hebt gij don Miguel Ortega ooit gezien?

--Nooit, moet ik u zeggen.

--Dus kent gij hem niet.

--Als ik mij op don José beroepen mag, is hij een schurk; wat

mij zelven betreft, daar ik nooit iets met hem te doen heb gehad,

zou ik moeijelijk een eigen meening het zij goed of kwaad van hem

kunnen geven.

--Dat is bij mij anders, ik ken hem.

--Ei!

--Ja, door en door.

--Sinds lang reeds?

--Reeds lang genoeg; ik geloof ten minste dat ik in staat ben hem

te beoordeelen.

--Zoo; en wat denkt gij wel van hem?

--Veel goeds, maar ook veel kwaads.

--Te duivel!

--Waarom verwondert u dit? zijn niet alle menschen zoo wat in

hetzelfde geval?

--Min of meer, dat stem ik u toe.

--Welnu, hij is niet veel beter of slechter dan de meeste anderen;

toen ik dus dezen nacht begreep dat gij mij over hem wildet spreken,

heb ik u een uitwijkend antwoord gegeven en gezegd dat ik hem te

weinig kende, daar ik uwe vrijheid van handelen liefst niet wilde

belemmeren; maar het is zeer wel mogelijk dat uwe meening te zijnen

opzigte weldra geheel zal veranderen, en gij u misschien beklagen

zult over de hulp die gij tot hiertoe aan dien don José, zoo als gij

hem noemt, verleend hebt.

--Mag ik ronduit tot u spreken, Loer-Vogel, nu niemand ons hoort dan

God alleen?

--Spreek vrij, mijn vriend, het zal mij niet ongevallig zijn uw

gevoelen gansch en al te kennen.

--Hier is het: ik houd mij overtuigd dat gij van die geschiedenis

die gij mij dezen nacht verteld hebt, veel meer weet dan gij voorgeeft.

--Het kan wel zijn dat gij gelijk hebt, maar waarom denkt gij dat?

--Om meer dan eene reden, en vooreerst om deze:....

--Laat hooren.

--Gij schijnt mij veel te verstandig toe, en hebt te veel ondervinding

in wereldsche zaken opgedaan, om in goeden ernst de verdediging op u te

nemen van iemand, dien gij, volgens de beginsels welke wij hier in de

prairiën aankleven, veeleer moest beschouwen--zoo niet als een vijand,

dan toch als een van die lieden waarmede men zich niet gaarne verbindt,

en met welke het vaak zeer onaangenaam is in betrekking te staan.

Loer-Vogel begon te lagchen.

--Er is iets waars in hetgeen gij zegt, Vrij-Kogel, zeide hij.

--Niet waar?

--Ik zal er met u geen doekjes om winden, maar ik zeg u, er bestaan

goede redenen waarom ik de verdediging van dien man op mij heb genomen;

over die redenen kan ik mij echter thans niet uitlaten; zij zijn een

geheim dat mij alleen in bewaring is gegeven; ik hoop nogtans dat

gij spoedig alles weten zult, tot zoolang verzoek ik u in mijne oude

vriendschap te berusten en mij naar eigen goedvinden te laten handelen.

--Het zij zoo als gij zegt; intusschen begin ik nu meer licht in de

zaak te krijgen, en wat er ook gebeuren mag, gij kunt op mij rekenen.

--Ik wist wel, vriend, dat wij het zamen eens zouden worden; maar

houd u thans stil en laat niets blijken, wij zijn waar wij wezen

moeten.--Te duivel! de Mexicanen hebben zich niet laten wachten,

ik zie dat hun kamp reeds aan den oever der rivier is opgeslagen.

Werkelijk vertoonde zich op korten afstand een jagerskamp, dat aan de

eene zijde tegen de rivier en aan de andere tegen het bosch steunende,

in geregelde orde was aangelegd, als een verschanste redoute, met balen

en gekruiste boomstammen versterkt en front biedende aan de prairie.

De beide Canadezen lieten zich door een der schildwachten aanmelden,

en kregen zonder moeite verlof om binnen te komen.

Don Miguel Ortega was afwezig, de Gambucinos wachtten hem met ieder

oogenblik.

De jagers stegen af, kluisterden hunne paarden en zetten zich rustig

neer bij het kampvuur.

Don Stefano Cohecho was, zoo als hij den vorigen dag gezegd had,

des morgens vroeg reeds vertrokken.

X.

NIEUWE PERSONAADJEN.

De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis · 第 6 / 34 段