zamen doorbragten, zei don Miguel, het geheim behoort niet aan mij
alleen, ik had er geen vrijheid toe om het ruchtbaar te maken, zelfs
niet aan zulk een beproefd vriend als gij zijt.
--Bewaar uw geheim, vriend, ik ben in 't minst niet nieuwsgierig om
het te weten; intusschen blijft het bij onze oude afspraak, dat wij
elkander niet kennen, niet waar?
--Ja, dat is van het meeste belang.
--Welaan dan, adieu.
--Adieu.
Na elkander de hand te hebben gedrukt namen de twee ruiters afscheid
en verwijderden zich in tegenovergestelde rigting en in vollen galop.
XI.
HET VEER DEL RUBIO.
Het was een donkere nacht, geen ster blonk aan den hemel; de wind
blies met kracht door de digte takken van het eeuwenheugend woud,
en liet dat treurig en eentoonig geraas hooren, dat den naderenden
storm aankondigt; de wolken hingen laag en hunne bijzonder zwarte
kleur bewees duidelijk genoeg, dat zij sterk met electriciteit
waren bezwangerd; zij dreven snel door het luchtruim en bedekten
onophoudelijk de flaauwe halve maan, wier koude stralen nu en dan de
duisternis schenen te tergen; de dampkring was drukkend, en allerlei
naamlooze geluiden, die als het rommelen van den donder in de verte
weergalmden, verhieven zich uit het diepst der onbekende moerassen en
kreupelbosschen in de prairie; het wild gedierte huilde naargeestig
op de toonen van het ontstemde natuurorgel, terwijl de nachtvogels,
door het ongewone gebulder uit den slaap gewekt, hunne raauwe en
wanluidende kreten aanhieven.
In het kamp der Gambucinos was alles rustig; de schildwachten waakten,
op hunne buksen geleund, of nedergehurkt bij het smeulende vuur, dat
weldra geheel zou uitgaan. Te midden van het kamp zaten twee mannen
hunne Indiaansche pijp te rooken en zacht zamen te keuvelen.
Deze twee mannen waren Vrij-Kogel en Loer-Vogel. Eindelijk klopte
Vrij-Kogel zijn pijp uit, stak haar in zijn gordel, smoorde een
onwillekeurig geeuwen, en stond op, vadzig de armen en beenen
uitstrekkende om er den bloedsomloop te herstellen.
--Wat gaat gij doen? vroeg Loer-Vogel terwijl hij zich in achtelooze
houding half naar hem toewendde.
--Een weinig slapen, antwoordde de jager.
--Slapen?
--Waarom niet? het is reeds diep in den nacht, wij zijn zeker de
eenigen die nog waken; het is meer dan waarschijnlijk dat wij don
Miguel niet zien zullen eer de zon opkomt; het is dus beter, voor
het oogenblik althans, dat wij een poosje gaan slapen, zoo gij er
ten minste niets tegen hebt.
Loer-Vogel hield zich den voorvinger voor den mond, om zijn vriend
te beduiden dat hij op zijne hoede moest zijn.
--Het is reeds diep in den nacht, zeide hij met eene gesmoorde stem,
er broeit een geducht onweder. Waar of don Miguel toch blijft? Zijn
lange afwezigheid maakt mij ik weet niet hoe ongerust: hij is de man
niet om zijne kameraden anders dan om gewigtige redenen in 't onzekere
te laten, het zou wel kunnen zijn....
Hier zweeg de jager met een bedenkelijk hoofdschudden.
--Ga voort, zei Vrij-Kogel, zeg ronduit wat gij denkt.
--Welnu, ik vrees maar al te zeer dat hem een ongeluk overkomen is.
--O, ho! zoudt gij dat denken? Die don Miguel is toch, ten minste
naar hetgeen ik van hem gehoord heb, een hombre de a caballa, een
man van beproefden moed en buitengewone kracht.
--Dat alles kan wel waar zijn, antwoordde Loer-Vogel nog even bezorgd.
--Wel, denkt gij dan dat iemand die zoo goed gewapend is en het leven
der prairie zoo door en door kent, niet in staat zou zijn om zich te
redden, welk gevaar hem ook bedreigen mogt?
--Ja, wanneer hij met een eerlijken vijand te doen had, die hem stout
onder de oogen zag en een strijd op gelijke kans met hem aanging.
--Welk ander gevaar zou hij kunnen loopen?
--Vrij-Kogel! Vrij-Kogel! riep de jager neêrslagtig, gij hebt u te
lang in de kantoren der pelterij-handelaars van de Missouri opgehouden.
--Daar wilt gij mede zeggen?.... vroeg de Canadees min of meer
gepikeerd.
--Nu, goede vriend, maak u toch niet boos om hetgeen ik zeg; ik zie
maar al te duidelijk dat gij de gebruiken der woestijn grootendeels
vergeten zijt.
--Hm! dat is geen onverschillige zaak voor een jager, hervatte
Vrij-Kogel; en waarin dan, als ik u vragen mag, ben ik die vergeten?
--Pardi! daarin, dat gij niet meer schijnt te weten, vriend, dat op
het terrein waar wij ons bevinden, ieder wapen voor geoorloofd wordt
gehouden, als het er op aankomt om zich van een vijand te ontslaan.
--Nu, dat weet ik even goed als gij, vriend, even goed als ik weet
dat er geen geduchter wapens zijn dan die zich in de duisternis
verschuilen.
--Sluipmoord namelijk.
De Canadees huiverde onwillekeurig.
--Vreest gij inderdaad voor sluipmoord? vroeg hij.
--Waar zou ik anders voor vreezen?
--'t Is waar, prevelde de jager, terwijl hij het hoofd liet hangen;
maar een oogenblik later vervolgde hij: Wat kunnen wij voor hem doen?
--Dat is juist wat mij in verlegenheid brengt; ik kan echter onmogelijk
langer hier blijven; het mag gaan zoo het wil, ik moet zien wat er
van is.
--Maar hoe zult gij dat zien?
--Ik weet het niet, God zal het mij ingeven.
--Gij hebt toch zeker het een of andere plan?
--Ja, dat wel.
--Wat dan?
--Gij zult het hooren; ik reken er zelfs op, dat gij het mij zult
helpen uitvoeren.
Vrij-Kogel drukte hem met warmte de hand.
--Gij kunt op mij rekenen; verklaar uw plan.
--Het is eenvoudig genoeg: wij zullen dadelijk het kamp verlaten,
en het terrein aan den rivierkant in alle rigtingen afloopen.
--Goed; maar ik moet u doen opmerken dat het onweder niet lang zal
uitblijven; het regent reeds met groote droppels.
--Een reden te meer om ons te haasten.
--Gij hebt gelijk.
--Vergezelt gij mij dan?
--Mijn hemel! twijfelt gij daar nog aan?
--Ik ben een domkop; vergeef mij, broeder, ik zeg u dank voor uwe
goedheid.
--Waarom dat? integendeel, ik ben u dank schuldig.
--Hoe zoo?
--Wel! gij geeft mij gelegenheid om een schoone wandeling te maken.
Loer-Vogel antwoordde niet; de komische toon van den Canadees strookte
te weinig met de sombere gemoedsstemming waarin hij zich op dit
oogenblik bevond.
Zij zadelden terstond hunne paarden, en na hunne wapens te hebben
nagezien, met al de naauwkeurigheid van mannen die er zich weldra van
meenden te bedienen, stegen zij te paard en reden stapvoets naar den
uitgang van het kamp.
De twee schildwachten die bij den slagboom op post stonden en streng
wacht hielden, stelden zich onmiddelijk voor de beide ruiters.
Deze waren in 't minst niet voornemens om stil weg te sluipen, daar
zij geen reden hadden om hun togt geheim te houden.
--Gaat gij vertrekken? vroeg een der schildwachten.
--Neen; wij gaan slechts op verkenning uit in den omtrek.
--Op dit uur?
--Waarom niet?
--Drommels! mij dunkt dat het in zulk weêr beter is om te slapen dan
de prairie af te loopen.
--In uw oog schijnt het verkeerd, kameraad, hernam Loer-Vogel op
een toon van gezag, maar onthoud dit: ik ben aan niemand rekenschap
van mijne daden schuldig; als ik op dit uur, bij zulk een dreigend
onweder uitga, is het wel waarschijnlijk dat ik er mijne goede
redenen voor heb; die redenen kan en behoef ik u niet te zeggen;
wilt gij mij dus doorlaten, ja of neen? maar weet dan vooraf dat ik
u verantwoordelijk stel voor de vertraging die gij in het volvoeren
mijner plannen veroorzaakt.
De ferme toon dien de jager aansloeg, scheen de twee schildwachten te
treffen; zij raadpleegden zamen eenige minuten in stilte; eindelijk
schenen zij het eens te zijn geworden en wendde de laatste woordvoerder
zich weder tot de beide ruiters, die bedaard den uitslag van hunne
overweging stonden af te wachten.
--Passeert, zeide hij; het staat u vrij om te gaan waar gij goedvindt;
ik heb mijn pligt gedaan met u te ondervragen, God geef dat gij den
uwen doet met op deze wijs uit te gaan.
--Gij zult het spoedig genoeg weten. Nog een woord.
--Ik luister.
--Onze afwezigheid, zoo God wil, zal van korten duur zijn; zoo niet,
dan komen wij toch stellig tegen zonsopgang terug; intusschen heb
ik u een ding aan te bevelen: wanneer gij driemaal, bij regelmatige
tusschenpoozen, een jaguar hoort huilen, stijg dan te paard en kom
in der ijl op ons af, en niet alleen gij, maar een tiental van uwe
kameraden; want als gij dat sein hoort, is uw kapitein in groot
gevaar. Hebt gij mij goed begrepen?
--Zeer goed.
--En zult gij doen, wat ik u aanbeveel?
--Ik zal het doen, omdat ik weet dat gij de gids zijt dien wij
verwachten, en omdat ik van uw kant geen verraad kan veronderstellen.
--Goed, tot wederziens!
--Goed geluk!
De jagers reden den slagboom door, die onmiddelijk achter hen
gesloten werd.
Naauwelijks kwamen zij in de prairie, of het onweder, dat sedert
zonsondergang gedreigd had, barstte met ontzettend geweld los.
Een schitterende bliksemstraal schoot door het luchtruim, bijna
onmiddelijk gevolgd door een klaterenden donderslag; de boomen bogen
zich onder het geweld van den wind en den regen, die met stroomen
begon te vallen.
Onder dezen strijd der woedende elementen hadden de avonturiers
veel moeite om verder te komen; hunne paarden, door het flikkeren
des bliksems en het geloei van den storm verschrikt, stampvoetten
en steigerden bij iederen tred. De duisternis nam dermate toe
dat de twee ruiters, ofschoon naast elkander rijdende, elkander
naauwelijks konden onderscheiden. De boomen, door het geblaas van den
stormwind geslingerd, zwiepten, kraakten en huilden als geteisterde
Titans, en stemden in ontzettende harmonie zamen met het brullen der
verschrikte roofdieren, het ratelen der donderslagen en het bulderen
der hooggezwollen rivier, wier schuimende golven klotsten en braken
tegen den zandigen oever.
Vrij-Kogel en Loer-Vogel, onder de ontzettingen der woestijn grijs
geworden, schudden moedig het hoofd bij iederen rukwind die hun als
een vurige sirocco tegenwoei, en vervolgden ongestoord hun togt. Met
strakken blik de duisternis doorborend en met gespitste ooren de
sombere geluiden beluisterend, die de naderende echoos elkander
vertienvoudigd toekaatsten, bereikten zij, zonder een woord gewisseld
te hebben, het veer del Rubio. Daar, als bezielde hen ééne gedachte,
bleven beiden plotseling staan.
De Rubio, een verloren en onbekende bijstroom van de groote Rio
Colorado, in welke hij zich na een moeijelijken loop van naauwelijks
twintig mijlen uitstort, is op gewone tijden slechts een smalle
watersprank, die de Indiaansche praauwen met moeite bevaren maar de
paarden des te gemakkelijker doorwaden, daar het water hun naauwelijks
tot aan den buik komt. Op dit oogenblik nogtans was de stille beek op
eens in een kokenden vloed veranderd, die met bulderend geruisch in
zijne bedding voortgestuwd, op zijne onstuimige wateren ontwortelde
boomstammen en zelfs veenblokken en rotsklompen medesleepte.
Om in deze oogenblikken de Rubio te willen oversteken zou het werk
van een krankzinnige geweest zijn; wie het had durven wagen zou in
weinige minuten door den bruisenden stroom zijn weggesleept, welks
drabbige geele watermassa van minuut tot minuut breeder werd.
De jagers stonden eene poos onbewegelijk onder den stortregen die hen
overstelpte, en staarden met peinzende blikken naar het aanwassende
water, terwijl zij ter naauwernood hunne paarden inhielden, die
gedurig begonnen te steigeren, met dof en angstig gebriesch.
De menschelijke geest alleen scheen ongedeerd te midden van het woeden
der elementen. Twee bronzen standbeelden gelijk, stonden daar die
twee mannen, roerloos en onverschrokken, als bespeurden zij niets van
den vreeselijken storm die rondom hen huilde, en even kalm van ziel,
als zaten zij in een of ander ontoegankelijken schuilhoek, bij een
vrolijk-knappend en koesterend takkenvuur.
Zij hadden slechts ééne gedachte, namelijk hulp toe te brengen,
aan iemand dien zij vreesden dat op dit oogenblik in dreigend gevaar
verkeerde.
Eensklaps sidderden zij, hieven beiden tegelijk het hoofd op,
en vestigden hunne vlammende blikken strak voor zich uit; maar de
duisternis was te dik, zij konden onmogelijk iets onderscheiden.
Onder de duizend geluiden der natuur, had een enkele kreet beider
oor getroffen.
Die kreet was een laatste noodgeschrei, een scherpe, doordringende,
langdurige angstkreet, zoo als de sterke mensch, door het nog
sterker noodlot overwonnen uitstoot, wanneer hij gedwongen wordt te
erkennen dat hij onmagtig is, dat alles hem ontzinkt en dat hij geen
andere toevlugt heeft dan God alleen. De beide mannen bogen driftig
voorwaarts, hielden de handen aan den mond in den vorm van een roeper
en slaakten op hunne beurt een doorborenden en langdurigen kreet.
Omtrent een minuut later klonk er een tweede noodkreet door het
luchtruim, nog doordringender en wanhopiger dan de eerste.
--O! hoort gij dat? riep Loer-Vogel terwijl hij zich hoog in de
stijgbeugels oprigtte en de vuisten krampachtig zamenkneep, daar is
een mensch in doodsgevaar.
--Wie het ook wezen mag, wij moeten hem redden! antwoordde Vrij-Kogel.
Zij hadden elkander begrepen.
Maar hoe zouden zij dien man kunnen redden? Waar was hij? Welk gevaar
bedreigde hem? Wie was in staat al deze vragen, die zich onwillekeurig
aan hun verstand opdrongen, te beantwoorden?
Voor hen uit lag het onmogelijke.
Op gevaar af van door den stroom te worden medegesleept, dwongen de
jagers hunne paarden om in de rivier af te dalen, en schier tot op
den hals hunner edele maar angstige dieren gebogen, raadpleegden zij
den stand der wateren.
Maar wij hebben reeds gezegd dat de duisternis te dik was om iets te
kunnen onderscheiden.
--'t Is of de hel ons tegen houdt! riep Loer-Vogel wanhopig. Mijn
God! zullen wij dien man moeten laten omkomen zonder hem te hulp
te snellen?
Op dit oogenblik schoot er een schitterende bliksemschicht door
het zwerk.
Bij dit kortstondige licht zagen de jagers een ruiter hopeloos met
den stroom worstelen.
--Moed! moed! houd moed! riepen zij.
--Help! antwoordde de onbekende met eene gesmoorde stem.
Er viel hier niet te weifelen, iedere sekonde was zoo goed
als een eeuw. De onbekende ruiter kampte tegen de overmoedige
golven die hem wegsleepten. Oogenblikkelijk hadden de jagers hun
besluit genomen. Zij gaven elkander stilzwijgend de hand en drukten
gelijktijdig hunne paarden de sporen diep in de flanken; de paarden
steigerden met onwillig gebriesch; maar gedwongen om den ijzeren wil
en de onverbiddelijke hand van den mensch te gehoorzamen, sprongen
zij snuivend en sidderend in de rivier.
Plotseling vielen er twee geweerschoten, een kogel floot tusschen de
beide jagers door, en een smartelijke noodkreet verhief zich uit het
midden der golven.
De man die zij ter hulp kwamen was getroffen.
Het onweder was nog altijd klimmende, de bliksemflitsen volgden
elkander met ongemeene snelheid. De jagers zagen duidelijk dat de
onbekende zich aan de teugels van zijn paard vastklemde en zich door
hetzelve in het water liet voortsleepen.
Tevens bespeurden zij aan den anderen oever een man voorovergebogen,
met de buks aan den schouder, en gereed om op nieuw vuur te geven.
--Ieder zijn werk! riep Loer-Vogel lakoniek.
--Goed! was het niet minder korte antwoord van Vrij-Kogel.
De Canadees nam den lasso die aan zijn zadelknop hing, vierde hem in de
hand, liet hem over zijn hoofd zwaaijen en wachtte den eerstvolgenden
bliksemslag af om hem uit te werpen.
Hij behoefde niet lang te wachten, en hoe snel het licht ook voorbij
ging, Vrij-Kogel wist zijn oogenblik waar te nemen: het werptouw
snorde door de lucht en de loopende knoop slingerde zich om den hals
van het zwemmende paard, dat zoo moedig met den stroom kampte.
--Courage! juichte Vrij-Kogel, hier heen, Loer-Vogel, hierzoo!
Thans zijn eigen paard met kracht omwendende, deed hij het op de
achterbeenen volte maken, juist op het oogenblik toen het grond
dreigde te verliezen en dreef het met vaste hand naar den oever terug.
--Hier ben ik! antwoordde Loer-Vogel, die de eerste gelegenheid
afwachtte om vuur te geven. Heb even geduld! ik kom.
Een nieuwe bliksemvlam flikkerde.
Gelijktijdig drukte hij af, het schot viel, en van den anderen oever
klonk den jagers een kreet van woede en smart in de ooren.
--Ik heb hem geraakt! riep Loer-Vogel; morgen zal ik weten wie de
kerel is, en hiermede zijn buks achter den rug werpende, wendde hij
zijn paard naar Vrij-Kogel.
Zoodra het paard van den onbekende dat door den Canadees gelasseerd
was zich voelde ondersteunen en naar den oever slepen, verdubbelde
het met instinctmatige schranderheid de pogingen die men aanwendde
om het te redden.
De beide jagers hadden zich, om zoo te zeggen, voor den lasso
gespannen. Door de vereenigde krachten hunner paarden met die van
het gelasseerde paard, gelukte het hun den stroom te breken, en na
eene moedige worsteling van eenige minuten bereikten zij eindelijk
den oever. Naauwelijks waren zij behouden aan wal, of de Canadezen
stegen af en ijlden naar het paard van den onbekende.
Zoodra het moedige dier voelde dat het vasten grond onder de
voeten had, bleef het staan, als scheen het te begrijpen, dat het
door verder voort te gaan, gevaar liep zijn meester--die ofschoon
geheel bewusteloos, nog altijd de teugels in de gesloten vuist
vastklemde,--tegen de rotsklompen te verpletteren. De jagers sneden
thans de teugels los, namen den man dien zij zoo wonderbaar gered
hadden in hunne armen en droegen hem eenige passen van den rivierkant
onder een boom, waar zij hem zacht nederlegden. Beiden bleven met
gespannen aandacht bij dan gewonden drenkeling gebukt, den eersten
lichtstraal afwachten, die hun gelegenheid zou geven om het lijk
te herkennen.
--O! riep Loer-Vogel op eens opstaande met een kreet van smart en
verschrikking, het is don Miguel Ortega!
XII.
DON STEFANO COHECHO.
Zoo als wij aan het slot van ons IIIde hoofdstuk gezien hebben,
was don Stefano, nadat hij Vrij-Kogel verlaten had, naar het kamp
der Gambucinos teruggekeerd zonder door iemand te worden opgemerkt.
Eenmaal binnen de verschansing zijnde, had de Mexicaan niets meer
te vreezen; hij ging dus weder naar het vuur, in welks nabijheid hij
zijn paard had vastgemaakt, het edele dier stak den kop op en spitste
de ooren toen het zijn meester zag naderen, hij streelde het met de
hand, vlijde zich toen bedaard op den grond neder, wikkelde zich in
zijn deken en sliep in, met de gerustheid van iemand die overtuigd
was dat alle dingen in volkomen orde waren.
Er verliepen verscheidene uren, zonder dat de in het kamp heerschende
stilte door het minste gedruisch gestoord werd.
Op eens ontwaakte don Stefano, hij sloeg de oogen op, een behoedzame
hand was zacht op zijn schouder gelegd.
De Mexicaan staarde den man aan die zijn slaap gestoord had; in het
schemerlicht der reeds verbleekende sterren herkende hij Domingo. Don
Stefano stond op en volgde zwijgend den Gambucino, die hem tot de
verschansing leidde, waarschijnlijk met oogmerk om te kunnen praten
zonder door onbescheiden ooren gehoord te worden.
--Welnu, wat hebt gij mij te vertellen? vroeg don Stefano, toen de
mesties hem een wenk gaf dat hij vrij spreken kon.
Domingo, op bekomen order van Vrij-Kogel, deelde hem thans beknoptelijk
alles mede wat er in de prairie was voorgevallen. Toen don Stefano
vernam dat het den Canadees eindelijk gelukt was Loer-Vogel te vinden,
popelde hij van vreugde en luisterde hij met klimmende belangstelling
naar het verslag van den mesties. Nadat deze geëindigd had, of ten
minste eenige oogenblikken zweeg, vroeg hij hem:
--Is dat alles?
--Alles, antwoordde Domingo.
Don Stefano haalde zijne beurs voor den dag en nam er eenige
goudstukken uit, die hij den Gambucino ter hand stelde; deze ontving
ze met blijkbare gretigheid.
--Heeft Vrij-Kogel u niet gelast om mij nog iets te zeggen? vroeg
de Mexicaan.
Domingo bedacht zich een oogenblik.
--Ja, wacht! dat zou ik bijna vergeten, zeide hij, de jager heeft
mij gelast u te zeggen, Senor, dat gij het kamp niet moest verlaten.
--Weet gij ook de rede van die waarschuwing?
--O, ja, hij heeft plan om zich heden avond weder bij de karavaan te
voegen, aan het veer del Rubio.
Op dit berigt fronste de Mexicaan de wenkbraauwen.
--Weet gij dat zeker? vroeg hij.
--Hij heeft mij zoo gezegd.
Er volgden eenige sekonden stilte.
--Goed, zeide don Stefano een oogenblik later; heeft de jager u niets
anders gezegd?
--Niets.
--Zoo! bromde de Mexicaan, enfin, dat maakt weinig uit; thans den
Gambucino met kracht de hand op den schouder leggende, keek hij hem
strak in de oogen.
--Nu dan, vervolgde hij met nadruk op ieder woord, onthoud dit: Gij
kent mij niet, maar wat er ook gebeure, laat u geen woord ontsnappen
over hetgeen er tusschen ons in de prairie is voorgevallen.
--Gij kunt er op rekenen, Senor.
--Ik reken er op, hoor! herhaalde de Mexicaan met eene stem die
Domingo, hoe dapper hij ook wezen mogt, inwendig deed sidderen; denk
aan den eed dien gij mij gezworen en de verpligting die gij jegens
mij hebt op u genomen.
--Ik zal er aan denken.
--Zoo gij uw woord houdt en mij getrouw blijft, zal ik zorgen dat
gij voor uw gansche leven gedekt zijt; zoo niet, wees dan op uwe hoede!
De Gambucino haalde minachtend de schouders op en antwoordde min of
meer gebelgd:
--Gij behoeft mij niet te dreigen, Senor, wat gezegd is is gezegd,
en wat ik beloofd heb, heb ik beloofd.
--Dat zullen wij zien.
--Als gij mij niets anders meer hebt aan te bevelen, geloof ik dat
wij wel zullen doen met van elkander te gaan. Het begint reeds dag
te worden, mijne kameraden zullen spoedig ontwaken, en ik twijfel of
het u erg bevallen zou dat zij ons hier zamen vonden.
--Gij hebt gelijk.
Met dit woord gingen zij van elkander; don Stefano keerde naar zijne
plaats bij het vuur terug; Domingo strekte zich uit op de eerste
plaats te beste, en weldra waren beiden in slaap, of veinsden althans
te slapen.
Met den eersten zonnestraal hief don Miguel het gordijn van zijne
tent op en trad naar buiten, regt op zijn gast af, die, zoo als men
in Frankrijk zegt, sliep met gesloten vuisten.
Don Miguel maakte er eene gewetenszaak van om zulk een vreedzamen
slaap te storen; hij hurkte dus bij het vuur neder, verzamelde de
verstrooide kolen, deed ze van nieuws opvlammen, rolde een fijne
maïs-cigarette en begon bedaard te rooken, tot zijn gast zou ontwaken.
Inmiddels kwam het geheele kamp in beweging, de Gambucinos begaven zich
elk aan zijne morgentaak, sommigen leidden de paarden naar de rivier om
ze een bad te geven, anderen rakelden de vuren op om het ontbijt gereed
te maken, kortom, ieder was op zijne manier bezig ten algemeenen nutte.
Eindelijk vond don Stefano, op wiens gezigt reeds eenige minuten een
lastige zonnestraal gespeeld had, het oogenblik geschikt om wakker
te worden, hij keerde zich om, rekte zich uit, opende de oogen en
geeuwde herhaalde malen.
--Caramba! riep hij, zich oprigtende, het is reeds dag naar ik zie;
wat gaat zulk een nacht toch spoedig om; het is of ik nog geen uur
geleden ben gaan slapen.
--Ik zie met genoegen dat gij zoo goed geslapen hebt, caballero,
zei don Miguel beleefd.
--Ha zoo! zijt gij daar, mijn waarde gastheer, riep don Stefano met
meesterlijk geveinsde verwondering; dat belooft mij een gelukkigen dag,
daar het eerste wat ik te zien krijg terwijl ik mijne oogen opsla,
het aangezigt is van een vriend.
--Ik neem dat vleijende kompliment van u aan als eene beleefde scherts.
--Te drommel neen! ik verzeker u, wat ik u zeg is de zuivere
uitdrukking van hetgeen ik denk, antwoordde de Mexicaan gemaakt
goedhartig; het zou geheel onmogelijk zijn om de eer der woestijn
beter op te houden of de heilige regten der gastvrijheid beter te
begrijpen dan gij gedaan hebt.
--Ik zeg u dank voor den goeden dunk dien gij voor mij aan den dag
legt. Ik hoop dus ook dat gij ons niet zoo spoedig verlaat, maar ten
minste eenige dagen bij ons blijft.
--Dat zou ik gaarne willen, don Miguel; de hemel weet hoe gelukkig ik
mij zou rekenen om uw aangenaam bijzijn nog eenigen tijd te genieten;
ongelukkigerwijs is dit echter geheel onmogelijk.
--Kan dat waar zijn?
--Helaas, ja! een dringende pligt gebiedt mij om van daag nog te
vertrekken en, gij moogt gelooven dat mij dit razend spijt, maar
tegen de noodzakelijkheid kan men niet op.
--Welke reden is magtig genoeg om u te dwingen mij zoo plotseling te
verlaten? vroeg don Miguel statig.