in de kleeding der nieuwelingen, naderde schroomvallig en scheen
den ingelegden vloer naauwelijks met haar ligten bedeesden voet te
durven aanraken.
Dit jonge meisje bleef, op eenigen afstand van den stoel, waarop de
abdis zat, verlegen staan en wachtte zwijgend tot deze het oog op
haar zou gelieven te rigten.
--Ah! zijt gij daar, mijn kind, zeide de kloostervoogdes eindelijk,
toen zij de tegenwoordigheid der proefnon opmerkte; kom nader.
De nieuweling trad nog een paar stappen vooruit.
--Waarom zijt gij heden morgen uitgegaan, zonder mij eerst verlof
te vragen?
Op het hooren van deze vraag, ofschoon zij die zeer natuurlijk
verwachten moest, geraakte het jonge meisje in verwarring, werd
doodsbleek en stotterde eenige onverstaanbare woorden.
De abdis hervatte op strengen toon:
--Pas op, meisje; al zijt gij slechts novice en al zult gij den
nonnensluijer eerst over twee maanden aannemen, onthoud wel dat gij,
even als de andere nonnen, van mij alleen afhangt, en van niemand
anders.
Deze woorden werden uitgesproken op een toon en met een nadruk die
het jonge meisje deden sidderen.
--Heilige moeder! prevelde zij zacht.
--Gij waart de vertrouwde vriendin, ja bijna de zuster van het dwaze
kind, dat zich voor onzen oppermagtigen wil heeft moeten buigen als
een rietstaf, en dat dezen morgen gestorven is.
--Gelooft gij dan stellig dat zij dood is, moeder? snikte de
nieuwelinge bedeesd en met eene haperende stem.
--Wie twijfelt daaraan? vroeg de abdis driftig, terwijl zij half
van haar stoel opsprong en het arme meisje fixeerde als met den blik
eener slang.
--Niemand! mevrouw, niemand! gilde het meisje, van schrik
terugdeinzende.
--Hebt gij niet even goed als de andere kloosterlingen hare uitvaart
bijgewoond? vervolgde de abdis met vreesselijken nadruk. Hebt gij de
gebeden dan niet gehoord die over hare kist werden uitgesproken?
--Dat heb ik, moeder!
--Hebt gij haar lijk niet in den grafkelder van het convent zien
nederdalen, en den steen boven haar graf zien verzegelen, dien alleen
de engel des gerigts er zal afligten op den dag des oordeels? Zeg, hebt
gij deze treurige en ontzagwekkende plegtigheid niet bijgewoond? Zoudt
gij dan nu nog durven beweren dat dit alles slechts bedrog is en dat
zij nog leeft, dat arm ellendig schepsel, dat door God en zijnen toorn
plotseling geslagen werd, om haar ten voorbeeld te stellen voor allen
die de Satan tot muiterij aanspoort?
--Vergeving! heilige moeder, vergeving, ik heb alles gezien wat gij
zegt, ik heb de begrafenis van dona Laura bijgewoond; helaas! ik kan
er niet aan twijfelen, zij is voorzeker dood.
Onder het uiten der laatste woorden kon het meisje zich niet langer
bedwingen en liet hare tranen den vrijen loop.
De abdis zag haar uitvorschend aan.
--Het is goed, zeide zij, verwijder u; maar ik zeg u nog eens, pas
op! Ik weet dat er ook in u een geest van verzet heerscht, die uw
hart tot opstand drijft, en ik zal u in 't oog houden.
Het jonge meisje groette de kloostervoogdes met eene deemoedige
buiging, en trad terug om haar bevel te gehoorzamen en heen te gaan.
Op eens hoorde men een vreesselijk rumoer; angstkreten doormengd
met bedreigingen klonken op de gangen, en driftig loopende voeten,
als van een onstuimige troep volk, schenen snel te naderen.
--Wat beteekent dat? riep de abdis verschrikt; wat is dat voor rumoer?
Zij vloog ontsteld op en trad met weifelenden tred naar de deur van
hare cel, waartegen op dit oogenblik herhaalde malen geklopt werd.
--O lieve God! prevelde de novice, met een weenenden blik naar het
Madonnabeeld, dat haar minzaam scheen toe te lagchen; zouden zij ons
eindelijk komen verlossen?
Eer wij hier verder gaan is het noodig dat wij naar don Torribio
terugkeeren, dien wij straks verlaten hebben, terwijl hij met zijne
kameraden in de rigting van het klooster optrok.
Volgens hunne gemaakte afspraak, had don Torribio zich met zijn
gansche troep bij de muren van het klooster vereenigd. Om in hunne
onderneming niet gestoord te worden, hadden de bandieten al gaande
weg, naar mate zij het klooster naderden, al de nachtwachts die zij
op de straat ontmoetten overrompeld, gebonden, proppen in den mond
gestopt en naar het klooster medegenomen. Dank zij deze welberekende
manoeuvre, hadden zij ongehinderd het bedoelde punt bereikt. Niet
minder dan twaalf serenos waren op deze wijs opgevangen en gekneveld.
Toen zij eenmaal bij het klooster waren, had don Torribio order
gegeven om de medegesleepte serenos op den grond te leggen, en aan
den voet van den muur op elkander te stapelen.
Toen een fluweelen halfmasker uit zijn zak halende, bedekte hij er zijn
gezigt mede; de zelfde voorzorg om zich onkenbaar te maken, werd ook
door zijne medgezellen gebruikt; daarop begaven zij zich naar eene
kleine ellendige hut, op korten afstand, en drongen de zwakke deur
met hunne schouders open. De bewoner der hut, op deze wijs onzacht
uit zijn slaap gewekt, kwam onthutst en half gekleed te voorschijn,
om te zien wie op zulk eene ongewone manier op zijne deur klopte;
de arme drommel stoof met een kreet van schrik terug, toen hij zulk
een schaar van gemaskerden voor zijne deur verzameld zag.
Don Torribio had haast en opende het mondgesprek onverwijld regt op
den man af.
--Buenas noches! goeden avond! Tio Salado, riep hij, ik ben blijde
dat ik u zoo wel zie.
De andere antwoordde, maar zonder eigentlijk te weten wat hij zeide:
--Ik zeg u dank, caballero, gij zijt te goed.
--Maak een beetje voort, neem uw mantel en kom met ons mede.
--Ik? riep Salado, blijkbaar ontstellende.
--Ja, gij.
--Maar waarin kan ik u van dienst zijn?
--Dat zal ik u zeggen: ik weet dat gij met het Bernardijnen-klooster
op een witten voet staat, vooreerst als pulquero (drankverkooper) en
ten tweede als hombre de bien y religioso (fatsoenlijk en vroom man.)
--O, ho! tot zekere hoogte, ja, antwoordde de pulquero ontwijkend.
--Geen gemaakte nederigheid, als 't u b'lieft! ik weet dat gij in
het klooster genoeg vertrouwd zijt om u ieder oogenblik de deur te
zien openen; en om die reden alleen verzoek ik u ons te vergezellen.
--Jesu Maria! zoudt gij waarlijk, caballero... riep de arme pulquero
verschrikt.
--Geen tegenspraak, verzoek ik u, haast u maar liever, of per Nuestra
Senora del Carmen, ik steek uw huis in brand!
Salado slaakte een hoorbaren zucht, wierp een wanhopigen blik op de
zwarte maskers en begon tegen wil en dank te gehoorzamen.
Het huis van den pulquero [5] lag slechts weinige schreden van het
klooster af; deze ruimte was spoedig doorloopen, en don Torribio wendde
zich tot zijn gevangene, die meer dood dan levend voor hem stond:
--Kom, vriendje, zeide hij op gebiedenden toon, hier zijn wij; maak
nu maar handig dat de deur van het convent ons geopend wordt.
--In 's hemels naam! riep de pulquero, een laatste poging aanwendende
om zich te verzetten; hoe moet ik het aanleggen? Gij weet wel dat ik
geen middel weet om....
--Luister, vervolgde don Torribio gebiedend; gij begrijpt wel dat
ik geen tijd heb om met u te redeneren: zorg dus dat wij in het
klooster komen en deze beurs, die vijftig oncen goud bevat, is voor
u; of weiger het, vervolgde hij, bedaard een pistool uit zijn gordel
halende, en ik jaag u terstond een kogel door den kop.
Het koude zweet gudste den pulquero langs de slapen, de bandieten
van zijn land waren hem te goed bekend om met hunne woorden te spotten.
--Wel! vroeg de ander een oogenblik later, terwijl hij het pistool
overhaalde, hebt gij u bedacht?
--Caspita! caballero, doe dat toch niet, als ik u bidden mag, ik zal
beproeven wat ik kan.
--Om u des te beter doen slagen, neem dit, zei don Torribio, hem de
beurs overreikende.
De pulquero nam haar aan met al de gretigheid van een armen gierigaard,
en een glans van genoegen straalde uit zijn oog; thans stapte hij
langzaam naar de poort van het convent, blijkbaar met zich zelf in
beraad hoe hij het aan zou leggen om de aanzienlijke som die hij
ontvangen had, zoo eerlijk mogelijk te verdienen, maar zonder het
minste gevaar te loopen: een vraagstuk welks oplossing, wij moeten
het bekennen, zich niet zoo gemakkelijk laat vinden.
VIII.
EENE DUISTERE GESCHIEDENIS. (Slot)
De pulquero scheen eindelijk tot een besluit te zijn gekomen. Op eens
schoot hem eene heldere gedachte door het brein, en met een glimlach op
de lippen greep hij den klopper die voor de deur van het klooster hing.
Doch eer hij dien kon laten vallen, hield don Torribio zijn arm tegen.
--Wat is het? vroeg Salado.
--Het is reeds lang over elven, alles in het klooster slaapt of ten
minste behoort te slapen; misschien zou het beter zijn om een ander
middel te gebruiken.
--Gij vergist u, caballero, antwoordde de pulquero, de portierster
waakt altijd.
--Weet gij dat zeker?
--Caramba! riep Salado, die eenmaal zijn plan reeds gemaakt had en
bang was dat hij het geld zou moeten terug geven, zoo don Torribio
misschien van besluit veranderde--het Bernardijnen-klooster te Mexico
is nacht en dag open voor degenen die er medicijnen komen halen voor
zieken. Laat mij dus begaan.
--Volg dan uw plan, antwoordde de chef der onderneming, zijn arm
loslatende.
Salado liet zich het bevel om voort te gaan geen tweemaal herhalen:
hij maakte dus spoed en de klopper viel met een fermen slag op zijn
koperen knop.
Don Torribio en de zijnen stonden intusschen zoo digt mogelijk bezijden
de poort tegen den muur gedrongen, om zich niet te laten zien.
Eenige oogenblikken later werd de schuif in de deur opgehaald en
verscheen het gerimpeld gezigt der portierster voor de opening.
--Wie zijt gij, broeder? vroeg zij met een bevend en slaperig
schapenstemmetje, wat drijft u nog zoo laat naar het klooster der
Bernardijnen?
--Ave Maria purissima (Ave Maria allerzuiverste) zei Salado op een
toon zoo kwezelachtig mogelijk.
--Sin peccado concebida (Zonder zonden ontvangen). Zijt gij ziek,
broeder?
Ik ben een arme zondaar, gij kent mij wel, zuster; mijn hart is
bitter verslagen.
--Wie zijt gij dan, broeder? ik meen waarlijk dat ik u herken, maar
de nacht is zoo donker dat ik uw gezigt niet kan zien.
--Ik hoop dat gij het nooit zien zult! dacht de pulquero; maar hij
vervolgde hardop: Ik ben Senor Templado die in de calle Plateros woont.
--Ah! nu ken ik u wel, broeder.
--Ik geloof dat het thans gelukken zal, mompelde Salado tegen don
Torribio.
--Wat wilt gij, broeder? zeg het mij in Jezus naam! haast u een beetje,
riep de oude, een kruis slaande, dat Salado haar oogenblikkelijk
nadeed; het is zoo koud van nacht en ik moet nog zooveel paternosters
bidden, daar gij mij juist in zijt komen storen.
--Valga me Deos! zuster, mijne vrouw en twee kinderen zijn krank;
de pater gardiaan der Franciscanen heeft mij aanbevolen om u drie
flesschen wonderwater te vragen.
In 't voorbijgaan moeten wij hier aanmerken, dat ieder klooster in
Mexico zeker geheim geneesmiddel of wonderwater bezit, dat de kracht
heeft om alle kwalen te genezen en waarvan de opbrengst ten voordeele
der stichting komt. Wat de genezende wonderkracht van dit water betreft
zouden wij niets durven zeggen, daar wij het nooit op ons zelven
hebben toegepast, maar dat zulk een algemeen werkend geneesmiddel
duur verkocht wordt en aan het klooster groote inkomsten verschaft,
laat zich ligt begrijpen.
--Santa Maria, drie flesschen? riep de oude, terwijl hare oogen
glinsterden van genoegen bij de buitengewone aanvraag van den
pulquero,--drie flesschen! herhaalde zij.
--Ja, zuster. Ik vraag u tevens verlof om een oogenblik te rusten,
daar ik zoover heb moeten loopen; en bovendien de angst over mijne
zieke vrouw en kinderen heeft mij zoo ter neêrgeslagen, dat ik
naauwelijks op mijne beenen staan kan.
--Arme ziel, riep de portierster medelijdend.
--O, gij zult er mij wezentlijk eene dienst mede bewijzen, zuster.
--Senor Templado, zie even rond, bid ik u, om u te overtuigen dat er
niemand in de straat is; wij leven in zulk een slechten tijd dat men
nooit te voorzigtig kan zijn.
--Er is niemand, zuster, antwoordde de pulquero, terwijl hij de
bandieten een wenk gaf om zich gereed te houden.
--Dan zal ik u de deur openen.
--De hemel zal u loonen, zuster.
--Amen! zei de oude non.
Thans hoorde men den sleutel in het slot omdraaijen, de grendels
afschuiven, en de deur werd geopend.
--Kom gaauw binnen, broeder, riep zij.
Maar Salado had zich intusschen voorzigtig terug getrokken, om aan
don Torribio zijne plaats in te ruimen.
Deze wierp zich terstond op de oude portierster; eer zij tijd had om
zich te herstellen, greep hij haar bij de keel en kneep die met de
beide handen als in een schroef.
--Als gij een woord spreekt, oude tooverheks, riep hij haar in 't oor,
draai ik u den hals om.
Verbijsterd door dezen onverhoedschen aanval, van iemand wiens gezigt
met een zwart masker bedekt was, schrikte de oude vrouw zoo geweldig,
dat zij op den grond viel en geheel buiten kennis liggen bleef.
--Die duivelsche teef! riep don Torribio, verstoord over de onverwachte
gevolgen van zijn woest bedrijf, wie zal ons nu den weg wijzen?
In 't eerst beproefde hij de portierster weder tot zich zelve te
brengen; doch weldra ziende dat dit niet gelukken zou, gaf hij twee
der zijnen een wenk om haar stevig te binden en een prop in den
mond te steken; vervolgens, na deze twee individus aan de deur op
schildwacht te hebben geplaatst, maakte hij zich van den sleutelbos
meester dien de oude non bij zich droeg en drong het klooster in,
gevolgd door al zijne kameraden, om het eigenlijke verblijf der nonnen
op te sporen. Het ging alles behalve gemakkelijk om in dit eindelooze
doolhof van gangen en cellen den weg naar de kamer der abdis te vinden,
daar het don Torribio vooreerst slechts te doen was om deze te spreken.
Dit scheen voor de bandieten inderdaad een onoverkomelijk bezwaar, want
ofschoon zij zich door list van het gebouw hadden meester gemaakt,
waren zij met de inwendige gelegenheid volstrekt onbekend. Op het
oogenblik echter dat zij de hoop begonnen te verliezen, gebeurde er
iets, dat als natuurlijk gevolg hunner onwelkome tegenwoordigheid,
hun plan deed gelukken.
De bandieten hadden zich namelijk als een losgebroken stroom over
de binnenplaatsen en in de gaanderijen verspreid, zonder zich in het
minst om de gevolgen van hun woesten inval te bekommeren, terwijl zij
schreeuwden en raasden als bezetenen; geen schuilhoek hoe verborgen
of heilig ook, lieten zij onbezocht; de eenige regel dien zij hierin
eerbiedigden was dat zij te werk gingen op onmiddelijk bevel van
hun chef.
De kloosterzusters, steeds gewoon aan de diepste stilte en rust, werden
natuurlijk door het helsche misbaar dat de bandieten maakten onzacht
uit haar slaap gewekt, en dachten eenige oogenblikken niet anders of
er had eene aardbeving plaats; op het eerste gerucht verlieten zij
hare legersteden en cellen, en namen in der ijl en half gekleed,
als een troep verschrikte duiven, schreeuwend en gillend de vlugt
naar de kamer der kloostervoogdes.
De kloostervoogdes, niet minder verontrust dan hare onderhoorigen
en even onbekend met de oorzaak van het nachtelijk alarm, opende
terstond hare deur, verzamelde de verschrikte nonnen rondom zich en
zich thans aan het hoofd der troep stellende, trok zij onverschrokken
naar de binnenplaats waar het ergste rumoer gehoord werd en trad het
gevaar moedig tegen, in al de majesteit van hare voogdij en leunende
op haar staf als abdis. Naauwelijks echter ontwaarde zij de bende der
gemaskerde bandieten, die als duivels, huilend en schreeuwend en met
allerlei soort van wapenen zwaaijend rondliepen, of de moed ontzonk
haar. Maar eer zij nog een kreet geuit of een woord gesproken had,
snelde don Torribio naar haar toe en riep:
--Stel u gerust, mevrouw, en maak geen misbaar; wij zijn hier niet
om u kwaad te doen; integendeel, wij komen om het kwaad te herstellen
dat gij zelve bedreven hebt.
Stom van verbazing en schrik, bij het gezigt van zoo vele gewapende
en gemaskerde mannen, stond daar de talrijke vrouwenschaar als aan
den grond geworteld.
--Wat wilt gij van mij? vroeg de abdis met eene bevende stem.
--Dat zult gij aanstonds vernemen, antwoordde de chef, en zich
thans tot een zijner onderhoorigen wendende, zeide hij: Breng mij de
gezwavelde lonten.
De bandiet bragt hem zwijgend wat hij verlangde.
--Hoor mij thans met aandacht, Senora, vervolgde hij. Gisteren is een
der nieuwelingen uit uw convent, die eenige dagen geleden geweigerd
had den sluijer aan te nemen, hier plotseling gestorven.
De abdis wierp een gebiedenden blik om zich heen, en wendde zich toen
tot den spreker.
--Ik weet niet wat gij daarmede zeggen wilt, antwoordde zij
onverschrokken.
--Zeer goed, dat antwoord is juist zoo als ik het van u verwachtte. Ik
vervolg dus: die nieuweling, naauwelijks zestien jaar oud, heette
dona Laura de Azevedo Real del Monte; zij behoorde tot een der
aanzienlijkste geslachten in Mexico; heden morgen heeft hare uitvaart
plaats gehad, met al de gebruikelijke plegtigheden en in de kapel van
dit klooster; vervolgens is haar lijk, onder groote praalvertooning,
in de voor de lijken der nonnen bestemde grafkelders nedergelaten.
Hier hield hij op en rigtte van onder zijn masker een doorborenden
blik op de abdis.
--Ik herhaal nog eens dat ik niet weet wat gij zeggen wilt, antwoordde
zij koelzinnig.
--Zoo! zeer goed; hoor dan ook dit nog, Senora, en doe er uw voordeel
mede, want ik zweer u, gij hebt met mannen te doen die u geen genade
zullen bewijzen, en die zich noch door uwe tranen, noch door uwe
angstkreten zullen laten bewegen, zoo gij hen noodzaakt tot uitersten
over te gaan.
--Gij kunt doen wat gij goedvindt, hernam de kloostervoogdes altoos
even onverstoorbaar; ik ben in uwe handen, ik weet dat ik voor het
oogenblik van niemand eenige hulp te wachten heb, de hemel zal mij
derhalve kracht verleenen om den marteldood te ondergaan.
--Mevrouw, hervatte don Torribio meesmuilend, wat gij daar zegt is
godslastering, het is eene doodzonde die gij willens en wetens begaat;
maar dat gaat mij niet aan, dat is uwe zaak; de mijne daarentegen is
deze: gij zult mij oogenblikkelijk den ingang der grafkelders aanwijzen
en de plaats waar dona Laura de Azevedo rust; ik heb gezworen dat
ik haar lijk van hier zou vervoeren tot iederen prijs. Ik zal mijn
eed houden, wat er ook gebeure. Zoo gij bewilligt in mijn verzoek,
dan zullen mijne gezellen en ik ons vergenoegen met het lijk der arme
overledene, en ons verwijderen, zonder een speld aan te raken van de
onmetelijke rijkdommen die dit klooster bevat.
--En zoo ik weiger? vroeg zij hooghartig.
--Zoo gij weigert, hernam hij, met bijzonderen nadruk op ieder woord,
als om het haar des te beter te doen verstaan; zoo gij weigert dan zal
het klooster geplunderd, al deze witte duifjes zullen aan den duivel
worden opgeofferd en gij,--gij, vervolgde hij met een grijns die allen
deed huiveren, gij zult aan eene foltering onderworpen worden, die u,
ik twijfel er niet aan, de tong wel losser zal maken.
De abdis glimlachte met minachting.
--Begin maar met mij, zeide zij.
--Dat ben ik voornemens, was het antwoord. Kom, vervolgde hij met
eene ruwe stem tegen zijne gezellen, terstond de handen aan 't werk.
Twee mannen traden vooruit om de abdis aan te grijpen; deze toonde
geen de minste neiging om weerstand te bieden, zij bleef onbewegelijk
en schijnbaar onverschillig staan, ofschoon eene onwillekeurige
naauwelijks merkbare zamentrekking der wenkbraauwen hare innerlijke
ontroering bewees.
--Hebt gij uw laatste woord gezegd, Senora? vroeg don Torribio.
--Doet uw werk, beulen, antwoordde zij met verachting, beproeft of
gij den wil van eene oude vrouw kunt beheerschen.
--Dat zullen wij zien. Welaan, begint! klonk zijn bevel.
De twee bandieten maakten zich gereed om hun kommandant te gehoorzamen.
--Houdt op, in 's hemels naam! riep thans een jong meisje, terwijl zij
zich onverschrokken voor de abdis stelde en de bandieten terugstiet.
Dit meisje was niemand anders dan de nieuweling, met welke de abdis
gesproken had, op het oogenblik toen het klooster overrompeld werd.
Er volgde eene tweede plegtige aarzeling.
--Zwijg, ik beveel het u, riep de abdis; laat mij mijn lot
ondergaan. God ziet ons.
--Het is juist omdat God ons ziet, dat ik spreken wil, antwoordde
het meisje met nadruk; Hij is het die deze mij onbekende mannen
herwaarts heeft gezonden, om eene groote misdaad te beletten. Volgt
mij, caballeros, gij hebt geen oogenblik te verliezen, ik zal u de
grafkelders wijzen.
--Ongelukkige! riep de abdis, terwijl zij zich met geweld aan de
handen der bandieten poogde te ontrukken, ongelukkige, op u zal zich
al mijn toorn vereenigen.
--Dat weet ik, antwoordde de nieuweling treurig, maar geene reden
van zelfbehoud zal mij beletten om een heiligen pligt te vervullen.
--Stopt die oude feeks een prop in den mond, en maakt er een
einde aan! riep de kommandant. Zijn bevel werd onmiddellijk
uitgevoerd. Ondanks den wanhopigen weerstand der abdis, was zij binnen
weinige minuten tot zwijgen gebragt.
--Een van u blijft haar bewaken, vervolgde don Torribio, en bij de
minste verdachte beweging jaagt gij haar een kogel door het hoofd.
Nu van toon veranderende, wendde hij zich tot de nieuweling.--Ik
zeg u duizendmaal dank, Senorita, zeide hij met eene bewogen stem,
voleindig wat gij zoo wel begonnen zijt, en geleid ons naar die
afschuwelijke grafkelders.
--Komt, caballeros! antwoordde zij, zich aan hun hoofd stellende.
De bandieten, op eens zoo gedwee als lammeren geworden, volgden haar
stilzwijgend en met alle teekenen van den diepsten eerbied.
Op nadrukkelijk bevel van don Torribio, hadden de overige nonnen,
tamelijk gerust over den afloop der omstandigheden, zich reeds
verspreid en waren zij naar hare cellen teruggekeerd.
Terwijl de bandieten de gangen doortrokken, naderde don Torribio
het jonge meisje en fluisterde haar een paar woorden in, die haar
deden sidderen.
--Vrees niet, voegde hij er bij, ik heb alleen willen bewijzen dat
ik alles wist, Senorita; ik wil niet anders voor u zijn dan uw goede
vriend, die u eerbiedigt en zich aan u getrouw zal toonen.
Het jonge meisje zuchtte, zonder te antwoorden.
--Wat zal er voortaan van u worden in dit klooster, vervolgde hij;
alleen en zonder beschermer ten prooi aan den haat van deze furie,
die niets op de wereld ontziet of heilig acht, zult gij immers weldra
de plaats moeten innemen van haar die wij thans gaan verlossen;
zou het dus niet beter zijn haar te volgen?
--Helaas, arme Laura! zuchtte zij naauwelijks hoorbaar.
--Zoudt gij, die tot hiertoe zoo veel voor haar gedaan hebt, haar in
dit oogenblik willen verlaten, nu zij meer dan ooit misschien uwe
hulp en troost zal noodig hebben? Zijt gij niet hare pleegzuster,
hare trouwste vriendin? Wat verhindert u? Wie zou het u beletten? Gij
zijt wees van uwe eerste kindsheid af, al uwe liefde heeft zich op
Laura zamengetrokken, antwoord mij, dona Luisa, ik bezweer het u.
Het jonge meisje ontroerde van verbazing, bijna van vrees.
--Kent gij mij dus? riep zij.
--Ik heb u immers gezegd dat ik alles wist? Kom, mijn kind, al was
het niet om u zelve, doe het dan om harentwil; ga met mij mede en
dwing mij niet om u hier achter te laten, in handen van vijanden die
u met gruwzame straffen bedreigen.
--Gij wilt het zoo, stamelde zij treurig.
--Uwe vriendin smeekt het u, uit mijn mond.
--Welnu, het zij dan zoo, het offer worde voltooid; ik zal u volgen,
ofschoon ik niet weet of ik er wel of kwalijk aan doe; maar al ken ik
u niet en al verbergt uw masker u voor mijn oog, ik wil uwe woorden
gelooven; het schijnt mij toe dat gij een edel hart bezit, de Hemel
verhoede dat ik hierin dwaal.
--Alleen God die goed en barmhartig is kan u dit besluit ingeven,
mijn arm kind.
Dona Luisa liet het hoofd op de borst hangen, zij slaakte een zucht,
en dreigde in tranen uit te barsten.
De bende was de bewoonde cellen reeds voorbij en doorliep op dit
oogenblik de holle gangen en kluizen, die zoo het scheen sedert jaren
ledig hadden gestaan.
--Waar voert gij ons heen, mijn kind? vroeg don Torribio; ik dacht
dat de grafkelders in dit klooster, even als in alle anderen, zich
onder den vloer der kerk bevonden.
Het jonge meisje glimlachte droevig.
--Ik geleid u ook niet naar de grafkelders, antwoordde zij met eene
bevende stem.
--Waarheen dan?
--Naar het in pace!
Don Torribio smoorde eene bittere verwensching.