terugduwend en het winkeltje binnentredend, ik beklaag ze allen die
onder de greep van zulk een ouden roofvogel komen als gij; maar dat
is eigenlijk de reden niet waarom ik thans hier kom.
--Misschien zou het voor u en voor mij beter zijn, als uwe bezoeken
een ander doel hadden dan hetgeen u hier heen trekt? opperde de
oude beschroomd.
--Houd op met uwe predicatie, maak de deur digt, sluit uwe blinden,
zoodat niemand daarbuiten ons ziet, en laten wij zamen praten; wij
hebben geen tijd te verliezen.
De oude antwoordde niet; hij begon dadelijk, met meer vlugheid dan
men van hem zou verwacht hebben, de blinden te sluiten, die zijn
pothuis des nachts tegen de rateros (dieven) moesten beschermen;
daarop nam hij plaats bij zijn gast, na vooraf zorgvuldig de deur
van binnen te hebben gegrendeld.
Deze twee mannen, zoo in het licht van een walmende candil (keukenlamp)
gezien, maakten met elkander een zonderling contrast: de een jong,
schoon, sterk en stoutmoedig, de ander oud en gebrekkig, geveinsd
en gluiperig, wisselden zij ter sluik blikken van onverklaarbare
beteekenis. Onder het masker van vriendschap verschool zich
waarschijnlijk een diep gewortelde haat, en terwijl zij met zachte
stemmen oor aan oor zaten te praten, geleken zij twee duivels van
verschillende soort die op den val van een engel uitwaren.
De soldaat was de eerste die het woord weder opvatte; hij sprak zoo
zacht, als ware hij beducht dat de wanden van het gesloten pothuis
hem zouden beluisteren.
--Hoor eens, Tio Leporello, fluisterde hij, het wordt tijd dat wij
ter zake komen en elkander verstaan, de klok der Sagrario heeft reeds
half elf geslagen, spreek dus, wat hebt gij voor nieuws?
--Hm! hernam de andere, niet veel bijzonders.
De sergeant wierp hem een argwanenden blik toe, en scheen zich te
bezinnen.
--'t Is waar ook, zeide hij een oogenblik later, ik dacht er niet
meer om; waar staat mijn hoofd toch?
Hij grabbelde in den borstzak van zijn uniformrok, en haalde een wel
voorziene beurs te voorschijn; door de groen zijden mazen zag men een
aantal goudstukken blinken van verscheidene oncen zwaarte; vervolgens
een lang knipmes, dat hij opende en naast zich op de tafel legde. De
oude ontroerde op het gezigt van het scherpe lemmer, welks blaauwe
staal dreigend glinsterde in de schemering; thans opende de soldaat
zijne beurs en stortte een vrolijk ruischende kaskade van goudstukken
voor zich uit op de tafel. De evangelista vergat oogenblikkelijk
het mes, om zich met niets anders bezig te houden dan met het goud,
welks liefelijke klank hem aantrok als een onweerstaanbare magneet.
De soldaat was onder dit alles te werk gegaan met de koelbloedigheid
van iemand, die zich bewust is, allesafdoende middelen in handen
te hebben.
--Thans raad ik u om even in uw geheugen te grabbelen, oude duivel,
hervatte hij, of mijn navaja zal u leeren wat het zegt, als gij met
mij te doen hebt en uwe zaken vergeet.
De evangelista glimlachte vergenoegd, terwijl hij een begeerigen blik
op de verleidelijke goudstukken wierp.
--Ik weet te goed wat ik u schuldig ben, don Annibal, antwoordde
hij, om u niet te willen believen met al de middelen daar ik over te
beschikken heb.
--Femel toch niet langer met uwe schijnheilige beleefdheid, oude aap,
en kom ter zake. Neem dit al vast, om u aan te moedigen opregt te zijn.
Hier stelde hij hem eenige oncen goud ter hand, die de evangelista
zoo gezwind deed verdwijnen, dat de soldaat onmogelijk had kunnen
zeggen waar ze gebleven waren.
--Gij zijt edelmoedig, don Annibal, dat zal u geluk geven.
--Ter zake, ter zake.
--Ik ben er reeds.
--Spreek op dan; ik luister.
De sergeant plaatste de ellebogen op de tafel, in de houding van
iemand die zich gereed maakt om een belangrijk verhaal aan te hooren,
terwijl de evangelista hoestte, spuwde, en met zekere hem eigen
geworden omzigtigheid, nog eerst een onrustigen blik in het rond sloeg.
Het woelig gedruisch op de Plaza Major was langzamerhand weggestorven,
de menigte had zich in alle rigtingen verstrooid en was in de huizen
teruggekeerd; zoowel buiten als binnen heerschte de diepste stilte. Op
dit oogenblik bomde het uurwerk der kathedraal-kerk langzaam en
statig elf slagen; de beide mannen sidderden onwillekeurig bij het
sombere gegalm der kerkklok; de serenos (nachtwachts) zongen het uur
met hunne slepende dronkemans-stemmen; dit was alles.
--Wilt gij spreken, ja of neen? riep de soldaat plotseling barsch en
op dreigenden toon.
De evangelista viel bijna van zijn stoel, alsof hij uit een droom werd
gewekt, en streek zich eenige keeren met de hand over het voorhoofd.
--Ik begin al, zeide hij met eene bevende stem.
--Dat zou gelukkig wezen, bromde de andere.
--Gij moet dan weten, begon hij.... maar, vervolgde hij, op eens
weder afbrekende, moet ik u alles tot in de kleinste bijzonderheden
vertellen?
--Duivelsch! riep de soldaat, kwaad wordende, maak toch dat wij
er doorkomen; ge weet wel dat ik de volledigste narigten hebben
moet. Canarios! speel met mij niet als de kat met de muis, oude vrek,
wees gewaarschuwd, het zou gevaarlijk spel zijn voor u.
De evangelista boog, als begreep hij waar het heen moest, en begon
op nieuw:
--Dezen morgen dan, zat ik naauwelijks in mijn kantoor, nadat ik mijne
papieren geschikt en mijne pennen vermaakt had, of er werd zacht aan
de deur geklopt; ik stond op om open te doen; het was eene jonge en
schoone vrouw, in zoo verre namelijk als ik er over kon oordeelen,
want zij had zich zoo digt in haar zwarten mantel gewikkeld, dat zij
niet kenbaar was.
--Het was dus niet dezelfde vrouw die u reeds eene maand lang dagelijks
bezocht? viel de sergeant hem in de rede.
--Ja wel, maar zoo als gij reeds zult hebben opgemerkt, komt zij bij
elk bezoek in eene andere kleeding, zonder twijfel om zich daardoor
onkenbaar te maken; in weerwil echter van deze voorzorgen, heb ik haar
telkens bij den eersten blik uit hare donkere oogen dadelijk herkend,
daar ik te zeer aan de listen der vrouwen gewoon ben om er mij door
te laten misleiden.
--Zeer goed; ga voort.
--Zij bleef een poosje zwijgend voor mij staan, en speelde verlegen
met haar waaijer; ik bood haar beleefdelijk een stoel aan en hield mij
alsof ik haar niet herkende, terwijl ik haar vroeg, waarmede ik haar
van dienst kon zijn.--"O!" antwoordde zij mij op vrijpostigen toon,
"wat ik van u verlang is zeer eenvoudig."--"Spreek slechts, senorita,"
zeide ik, "zoo het iets is dat mijn ministerie aangaat, wees dan
verzekerd dat ik het mij ten pligt zal rekenen u te gehoorzamen."--"Als
het dat niet was zou ik niet bij u gekomen zijn," was haar antwoord;
"maar zijt gij wel iemand daar men op vertrouwen kan?" En terwijl zij
dit zeide, keek zij mij met hare groote zwarte oogen, doordringend
en uitvorschend aan. Ik hield mij goed en antwoordde haar met den
meesten ernst en met de hand op het hart:--"Senorita, een evangelista
is zoo goed als een biechtvader, al uwe geheimen blijven in mijn hart
begraven." Hierop haalde zij een geschrift uit den zak van hare saya
(overkleed), keerde het verscheidene malen tusschen hare vingers
om, maar eensklaps begon zij te lagchen, en riep:--"Wat ben ik toch
dwaas, dat ik een geheim zoek te maken van niets; voor het overige
zijt gij op dit oogenblik niets meer dan een machine, daar gij zelf
niet begrijpen zult wat gij schrijft." Ik boog op goed geluk af,
en hield mij weder gereed op een van die duivelsche kunstgrepen,
die zij mij sedert eene maand lang dagelijks heeft laten afschrijven.
--Houd toch op met uwe beschouwingen! viel de sergeant hem in de rede.
--Zij overhandigde mij het document, vervolgde de evangelista; en,
zooals tusschen u en mij is afgesproken, nam ik een vel copiëerpapier
en legde er het schoone blad op, dat ik beschrijven zou; zooals gij
weet, is het copiëerpapier van achteren zwart gemaakt, zoo dat de
woorden die ik op mijn gewone papier schreef, door middel van het zwart
gemaakte, letterlijk werden overgedrukt op een derde vel wit papier,
dat er onder lag, zonder dat de arme nina (kind) er iets van bemerkte
en zij niet beter wist of alles ging zuiver toe. Behalve dat was de
brief niet lang, en bestond slechts uit een paar regels; maar ik mag
verdoemd zijn, vervolgde de oude gaauwdief, terwijl hij een kruis
sloeg, als ik een syllabe begreep van het duivelsche tooverschrift
dat zij mij copiëren liet; ik geloof zeker dat het Arabisch was.
--Wat verder?
--Verder heb ik het papier in den vorm van een brief toegemaakt,
en er een adres op geschreven.
--Ah! riep de soldaat met levendige belangstelling, dat is voor
het eerst.
--Ja, maar met die wetenschap zult gij niet veel verder komen.
--Waarom niet? laat zien, hoe was dat adres?
--Z. p. V. 2 Calle S. P. Z.
--Hm! riep de soldaat peinzend, dat is zeker alles behalve duidelijk;
maar vervolgens?
--Vervolgens is zij vertrokken, nadat zij mij een ons goud had gegeven.
--Zij is wel genereus.
--Povre nina! (het arme kind) riep de evangelista, terwijl hij met
zijne kromme vingers zich de drooge oogen afwischte.
--Houd toch op met uwe kwezelarij, daar geloof ik toch niets van;
is dat alles wat zij u gezegd heeft?
--Nagenoeg, zei de oude aarzelend.
De sergeant keek den evangelista strak aan.
--Er is dus nog iets? vroeg hij, hem eenige goudstukken toewerpende,
die Tio Leporello dadelijk deed verdwijnen.
--Bijna niets.
--Spreek op, Leporello, hoe weinig het wezen mag; gij zult zelf wel
weten dat de hoofdzaak van een brief gewoonlijk in een post scriptum
staat.
--Toen zij mijn bureau verliet, wenkte de Senorita een providencia [4]
die juist voorbij reed; het rijtuig hield stil, en ofschoon het jonge
meisje zeer zacht sprak, hoorde ik haar tegen den koetsier zeggen:
Naar het Bernardijnen klooster!
De sergeant huiverde onmerkbaar.
--Hm! riep hij op een toon van meesterlijk gespeelde onverschilligheid,
dat adres beteekent niet veel; maar geef mij intusschen het
overgedrukte blad.
De evangelista grabbelde in zijne lade en haalde er een blad wit
papier uit te voorschijn, daar eenige woorden in bijna onleesbare
krabbels op stonden.
Zoodra de sergeant het blad in handen had en met de oogen doorliep,
scheen de inhoud hem groot belang in te boezemen, want hij verbleekte
zigtbaar en eene zenuwachtige rilling liep hem door de leden; maar
hij herstelde zich bijna oogenblikkelijk.
--'t Is goed, zeide hij, het blad in kleine stukjes scheurende;--zie
daar, dat is voor u, vervolgde hij en wierp den ouden briefschrijver
nog een hand vol goudstukken toe.
--Dank je, caballero! riep Tio Leporello en wierp zich met drift op
het kostbare metaal, terwijl hij tevens naar het mes greep.
Een spotachtige glimlach plooide zich om de lippen van den soldaat;
hij rukte den oude het mes uit de hand en van het oogenblik gebruik
makende waarop Leporello bukte om het goud op te rapen, stak hij hem
het mes bijna tot aan het heft tusschen de beide schouders. De stoot
was zoo behendig gemikt en met zulk een vaste hand toegebragt, dat
de oude woekeraar als een logge klomp voorover viel, zonder een klagt
of zucht te slaken. Don Annibal zag hem een oogenblik koelbloedig en
onverschillig aan; toen door de bewegingloosheid van zijn slagtoffer
gerustgesteld, meende hij dat hij dood was.
--Komaan, bromde hij, dat is zoo veel te beter, nu zal hij ten minste
niet klappen.
Na deze philosofische lijkrede wischte de moordenaar bedaard het
mes af, raapte zijn goud bijeen, blies de lamp uit, opende de deur,
sloot die weder achter zich digt en verwijderde zich met rustigen,
ofschoon min of meer versnelden tred, als iemand die te lang is
uitgebleven en zich haasten moet om thuis te komen.
De Plaza Major was eenzaam en stil.
VII.
EENE DUISTERE HISTORIE (vervolg).
Het oude Mexico was met grachten doorsneden, even als Venetië, of
om naauwkeuriger te spreken als vele steden in Holland, want er liep
langs de meeste grachten doorgaans een straat tusschen het water en
de huizen. Thans, nu alle grachten gedempt, en op een enkele wijk der
stad na, in geplaveide straten zijn veranderd, begrijpt men naauwelijks
hoe Cervantes in een zijner romans Mexico met Venetië heeft kunnen
vergelijken; evenwel, ofschoon de grachten voor het oog verdwenen
zijn, bestaan zij nog altoos onder den grond; en in zekere lagere
gedeelten der stad, waar men hen in afvoerkanalen of liever in open
riolen heeft herschapen, ontwaart men ze dadelijk door den vuilen
stank dien zij uitwasemen of liever door de massa fecale stoffen,
die zich in hare stilstaande en rottende wateren verzamelt.
De sergeant, na zijne rekening met den ongelukkigen evangelista zoo
knaphandig te hebben vereffend, was het plein in de volle breedte
overgegaan en toen de calle de la Monterilla ingeslagen.
Hij stapte bedaard voort in denzelfden pas dien hij bij het verlaten
van het winkeltje had aangenomen. Eindelijk na een marsch van ongeveer
twintig minuten, door een aantal eenzame straten en donkere steegjes,
wier ellendig en armoedig aanzien al dreigend en dreigender werd,
hield hij stand voor een huis van meer dan verdacht voorkomen, boven
welks deur, achter een retablo des animas benditas (schilderij der
gelukkige zielen) eene walmende lamp brandde; de vensters van het
huis waren verlicht, en op het platte dak huilden en knorden eenige
wachthonden naargeestig tegen de maan. De sergeant sloeg tweemaal op
de deur met den druivenstok, dien hij in de hand had.
Het duurde tamelijk lang eer hij gehoor kreeg; het schreeuwen en
zingen daar binnen hield plotseling op; eindelijk hoorde hij iemand
naderen met zwaren stap. De deur werd half geopend, want als overal
in Mexico, was zij van binnen met een ketting gesloten en eene grove
stem vroeg op dronkenmans toon:
--Quien es?--Wie is daar?
--Gente de paz--Goed volk, antwoordde de sergeant.
--Hm! het is laat genoeg om te loopen lanterfanten en als een dief
binnen te komen! riep de andere, die zich scheen te bedenken.
--Ik verlang niet om binnen te komen.
--Wat duivel verlangt gij dan?
--Pan y sal! por los caballeros errantes (brood en zout voor de dolende
ridders) hernam de soldaat op een gebiedenden toon, terwijl hij zich
derwijze plaatste, dat de maan hem vlak in het aangezigt scheen.
De portier deinsde terug met een uitroep van verbazing:
--Valgame dios! Senor don Torribio, riep hij op een toon van diepen
eerbied, wie zou u onder die ellendige plunje hebben herkend! Kom
binnen, kom binnen, men wacht u met ongeduld.
Met deze woorden haastte de man zich, even onderdanig als hij eenige
oogenblikken te voren barsch was geweest, om de ketting af te ligten
en de deur geheel te openen.
--'t Is niet noodig, Pepito, hernam de soldaat, ik zeg u nog eens
dat ik niet binnen kom! Met hun hoevelen zijn ze?
--Met hun twintigen, Senor.
--Gewapend?
--Ten volle.
--Laat hen dan oogenblikkelijk afkomen; ik zal ze hier wachten,
mijn zoon, de tijd is kort.
--En gij dan, Senor?
--Breng mij een hoed, een mantel, mijn degen en mijne pistolen maar
gaauw wat, haast u.
Pepito wachtte niet tot het hem voor de tweede maal gezegd werd;
hij liet de deur open en liep op een drafje naar binnen.
Eenige minuten later stormden een twintigtal bandieten tot aan
de tanden gewapend den trap af en de straat op, suizebollend en
tegen elkander tuimelend. Toen zij den sergeant in 't oog kregen,
groetten zij hem eerbiedig en op zijn wenk bleven zij zwijgend en
onbewegelijk staan.
Pepito bragt de voorwerpen, gevraagd door den man die zich bij den
evangelista don Annibal noemde, maar hier don Torribio heette en die
nog wie weet hoeveel andere namen had, doch dien wij vooreerst zijn
laatsten naam zullen laten behouden.
--Zijn de paarden gereed? vroeg don Torribio, terwijl hij zijn
uniform met den mantel bedekte, een langen degen aangespte, en een
paar pistolen met dubbelen loop in zijn gordel stak.
--Ja, Senor, antwoordde Pepito, met den hoed in de hand.
--Goed, mijn zoon; breng ze waar ik u gezegd heb; maar terwijl het
thans nacht en dus verboden is om te paard op straat te verschijnen,
zult gij weldoen van op de celadores (ijveraars) en serenos
(nachtwakers) te letten.
De bandieten barstten los in een schaterend gelach, op deze zonderlinge
aanbeveling.
--Ziedaar, zei don Torribio terwijl hij den hoed met breeden rand
opzette, dien Pepito hem gebragt had, dat is klaar: thans kunnen wij
vertrekken; luistert nu aandachtig, caballeros.
De leperos en andere gaauwdieven uit welke de bende bestond, zich
gevleid voelende dat zij als caballeros werden toegesproken, traden
digter bij don Torribio om hem des te beter te kunnen verstaan.
Deze vervolgde:
--Wanneer twintig mannen zich in een enkelen troep in de straten
vertoonden, zouden zij zeker de aandacht en achterdocht der
politie-agenten wakker maken; het is derhalve voor het welslagen
der onderneming waartoe ik u te zamen riep, hoogst noodig dat wij
voorzigtiger te werk gaan en vooral de meeste geheimhouding gebruiken;
gij zult u dus verspreiden en ieder afzonderlijk u naar de muren
van het Bernardijnen-klooster begeven; daar aankomende zult gij u
zoo veel mogelijk verbergen, een onverschillige houding aannemen,
en u niet verroeren buiten mijne orders. Vooral houdt u stil en maakt
geen leven of twist: hebt gij mij begrepen?
--Ja, Senor, antwoordden de bandieten eenstemmig.
--Zeer goed; vertrekt dan en zorgt dat gij binnen een kwartier bij
het klooster zijt.
De bandieten verstrooiden zich in alle rigtingen, met de snelheid
van een troep roofvogels die op buit uitvliegen; twee minuten later
waren allen, links of regts, aan de hoeken der naast bijliggende
straten verdwenen.
Pepito was alleen overgebleven.
--En ik nu, Senor, vroeg hij eerbiedig aan don Torribio, zoudt gij
niet goed vinden dat ik u vergezel? Ik zou mij zeer vervelen als ik
hier alleen achterbleef.
--Ik zou niets beter verlangen dan u mede te nemen, Pepito, maar wie
zal onze paarden gereed maken, als gij met mij gaat?
--Dat 's waar, daar dacht ik niet aan.
--Maar maakt u daarom niet ongerust, mannetje; als ik in mijne
onderneming mag slagen, daar ik niet aan twijfel, zult gij spoedig
bij mij komen.
Door deze belofte gerust gesteld, groette Pepito eerbiedig den
geheimzinnigen man, die zijn chef scheen te zijn, en ging weder in
huis, terwijl hij de deur zorgvuldig achter zich sloot.
Don Torribio, thans alleen gebleven, stond eenige oogenblikken in
diepe gedachten; eindelijk hief hij het hoofd op, trok zich den hoed
in de oogen, wikkelde zich digt in zijn mantel en verwijderde zich
met snelle schreden, zacht in zich zelven prevelende:
--Zou ik slagen?
Deze vraag kon niemand, zoo min als hij zelf, beantwoorden.
Het Bernardijnen-klooster ligt in een der schoonste wijken van Mexico,
niet ver van de Paseo de Bucarelli, de wandeldreef der beau monde. Het
is een uitgestrekt gebouw, geheel van gehouwen steen opgetrokken;
het dagteekent van de herbouwing der stad na de verovering door de
Spanjaarden, en is door Fernando Cortez zelf gegrondvest. Het geheel
maakt een statige en indrukwekkende vertooning, als alle Spaansche
kloosters. Op zich zelf is het, om zoo te zeggen, eene kleine stad in
de groote, daar het alles bezit wat noodig is om het leven gemakkelijk
en aangenaam te maken: eene kerk, een ziekenzaal, een waschhuis,
een groote spijskamer en keuken, een uitgestreken moestuin, boomgaard
en wel aangelegde warande met prachtig geboomte bezet, tot geschikte
wandeling voor de nonnen; bovendien ruime kloostergewelven, met groote
schilderijen van goede meesters behangen en tooneelen voorstellende
uit het leven der heilige Maagd en van sint Bernard, den patroon van
het klooster; deze gewelven met open galerijen omgeven, in welke de
cellen der kloosterzusters uitkomen, omsluiten ruime binnenplaatsen,
met zand bestrooid en met fonteinen en waterbekkens versierd, wier
springende stralen onder liefelijk geklater de lucht verfrisschen en
zelfs op het heetst van den dag koel houden. De cellen zijn bekoorlijke
optrekjes, waar niets aan ontbreekt wat tot levensgemak dienen kan:
een kleine slaapsteê, twee stoelen met Spaansch leder bekleed, een
bidbankje, een kleine toilettafel, in welks lade zich een spiegel
bevindt; eenige heilige schilderijen hangen op de geschiktste plaats
aan den wand. In een hoek van het kamertje ziet men, tusschen een
guitare en een tuchtroede, eene beeldtenis der Heilige maagd van hout
of albast, met een krans van witte rozen op het hoofd en een altoos
brandende lamp voor zich. Zie daar het ameublement, dat op geringe
uitzonderingen na, in al de cellen der nonnen voorhanden is.
Het Bernardijnen-klooster bevatte, op het tijdstip van ons
verhaal, honderd vijftig nonnen en ongeveer zestig novicen. In dit
land van verdraagzaamheid, zijn de nonnen zelden in de kloosters
opgesloten; de zusters mogen in de stad uitgaan, en bezoeken geven of
ontvangen; de regel orde is uiterst zacht, en behalve de dagelijksche
godsdienstpligten, die zij met de grootste stiptheid moeten naleven,
hebben de nonnen, wanneer zij eenmaal in hare cellen zijn teruggekeerd,
schier algeheele vrijheid om te doen wat haar behaagt, zonder dat
iemand er acht op geeft of er zich mede schijnt te bemoeijen.
Wij hebben thans de kloostercellen beschreven, die allen volmaakt op
elkander gelijken; alleen die der abdis verdient nog eene afzonderlijke
beschrijving. Men zou inderdaad bezwaarlijk een boudoir vinden, waar
zoo veel wereldsche weelde en gemak, en tevens vroomzinnige luister
verzameld zijn als in het dagelijksch verblijf der kloostervoogdes. Het
was eene spatieuze vierkante zaal; aan de eene zijde waren twee
boogvensters met in lood gezette ruiten, op welks glazen heilige
voorstellingen van de schitterendste kleuren en met meesterhand
waren afgemaald. De muren waren met het rijkst gekleurd en gestempeld
goud-leerbehangsel gedekt; kostbare schilderijen, de hoofdtrekken uit
het leven van den heiligen Bernardus voorstellende, versierden hier en
daar de wanden, zonder overlading en met dien fijnen smaak, dien men
zelden ergers anders dan bij kerkelijke personen aantreft. Tusschen
de twee vensters hing eene prachtige Madonna naar Rafaël, achter
een eenvoudig maar keurig bewerkt outaar. Eene zilveren lamp met
welriekende olie gevuld, hing aan de zoldering voor het outaar,
dag en nacht te branden: deze gansche heilige toestel kon door
eene gordijn van zwaar damast naar welgevallen worden afgesloten en
onzigtbaar gemaakt.
De meubels bestonden uit een groot Chineesch kamerschut, achter hetwelk
zich de slaapstede der abdis verschool, een eenvoudig ledikant van
gesneden eikenhout en met een wit gazen behangsel, om de moskieten
af te weren. Eene vierkante tafel, mede van eikenhout, waarop
eenige boeken en een schrijflessenaar, waar in het midden der kamer
geplaatst; in een hoek van het vertrek stond eene groote boekenkast,
geheel opgevuld met werken van godsdienstigen aard, wier prachtige,
rijk vergulde banden men door de glazen deuren zag blinken; verder
stonden eenige stoelen en tabouretten met gedraaide of gebeeldhouwde
pooten hier en daar tegen den wand.
Eindelijk zag men er een zilveren met olijvenpitten gevuld reukvat,
tegenover een prachtige mahoniehouten kast, welker lof- en lijstwerk,
wat snijkunst betrof, als een meesterstuk in den stijl der renaissance
kon worden beschouwd.
Overdag verspreidde het zonlicht, door de beschilderde glasruiten
getemperd, over al deze voorwerpen een zacht geheimvollen schemerglans,
die den bezoeker met zeker gevoel van eerbied en ingetogenheid bezielde
en aan het ruime vertrek een gestreng, bijna somber aanzien gaf.
Op het oogenblik dat wij den lezer in deze cel binnenleiden--namelijk
weinige minuten voor het tooneel dat wij zoo straks beschreven
hebben--zat de abdis in een grooten arm stoel met regtstandige
leuning, boven welken de kroon der kloostervoogdij prijkte, en
welks goud-lederen zitting met een dubbele franje van zijde en goud
geboord was.
De abdis was eene kleine, zwaarlijvige, poezelige vrouw van omtrent
zestig jaar; hare gelaatstrekken zouden onbeduidend hebben geschenen,
zonder dien helderen doordringenden blik, die als een stroom gloeijende
lava uit hare grijze oogen schoot, zoo vaak zij door een hevige drift
bewogen werd. Zij had een opengeslagen boek in de handen en scheen
in diepe aandacht verzonken.