vriend van zijne tegenwoordigheid te verwittigen, door een signaal
dat tusschen hen sedert lang was afgesproken, om hem te waarschuwen,
dat er in geval van nood, een vriend voor hem waakte. Dit was het
zuchtend gefluit geweest, dat, gelijk wij straks gezien hebben,
den benarden jager van vreugde had doen sidderen. Maar het signaal
had nog iets anders ten gevolge, dat Vrij-Kogel wel verre was van te
verwachten; de takken namelijk, van den boom waartegen hij geleund
stond, werden schier onmerkbaar uiteengeschoven, en een man die
er met beide armen aanhing, viel op eens, geen twee passen van hem
verwijderd op den grond, maar zoo zacht en stil, dat de schok niet
het minste gedruisch maakte.
Op het eerste oogenblik reeds had Vrij-Kogel den man, die als uit
de lucht scheen te vallen, herkend; en hij had het enkel aan zijne
volkomene zelfbeheersching te danken, dat hij de verwondering, welke
deze onverwachte verschijning hem baarde, niet met een schreeuw te
kennen gaf. De jager zette zijn buks met de kolf op den grond, en
zei tegen den Indiaan, terwijl hij hem met een glimlach groette:
--Nu! hoofdman, dat noem ik een zonderling idee, om zoo laat in den
nacht op de boomen te wandelen.
--De Vliegende-Arend bespiedt de Apachen, antwoordde de Indiaan
fluisterend; had mijn broeder niet gedacht mij te zien?
--In de prairie moet men op alles bedacht zijn, hoofdman; ik wil u
wel zeggen dat weinig ontmoetingen mij zoo aangenaam zijn als de uwe,
vooral in deze oogenblikken.
--Is mijn broeder ook op het spoor der Antilope-Apachen?
--Ik zweer u op mijn woord, hoofdman, dat ik naauwelijks een uur
geleden niet wist dat ik zoo digt bij hen was; als ik u niet had
hooren schieten, lag ik waarschijnlijk op dit oogenblik gerust te
slapen in mijn kampement.
--Ja, mijn broeder heeft zeker de buks van een vriend hooren fluiten
en is daarom hier gekomen.
--Juist geraden, hoofdman. Maar verklaar u intusschen nader, en zeg
mij wat er van is, want ik weet waarlijk van niets.
--Heeft mijn blanke broeder dan den Rooden-Wolf niet gehoord?
--Woord voor woord, hoofdman; is er anders niets?
--Niets; de Vliegende-Arend heeft zijne vrouw weggevoerd, de Apachen
hebben hem als lafhartige coyotes vervolgd, en dezen nacht hem
overrompeld bij zijn vuur.
--Voortreffelijk! is de Wilde-Roos in veiligheid?
--De Wilde-Roos is eene dochter der Comanchen; zij kent geene vrees.
--Dat weet ik, het is een goed schepsel; doch daarover zullen wij
thans niet spreken; wat denkt gij te doen?
--Het gunstig oogenblik afwachten, mijn aanvalskreet aanheffen en
deze honden overrompelen.
--Hm! Uw plan is een weinig voorbarig; met uw verlof zal ik er iets
aan veranderen.
--De wijsheid spreekt uit den mond van den blanken jager; de
Vliegende-Arend is nog jong; hij zal hem gehoorzamen.
--Goed, en des te meer, daar ik alleen in uw eigen belang zal te
werk gaan; maar vergun mij thans te luisteren, het gesprek daar ginds
schijnt mij toe eene voor ons zeer belangrijke wending te nemen.
De Indiaan maakte eene buiging, en Vrij-Kogel verplaatste zich een
weinig, om beter te kunnen hooren wat er gesproken werd.
Na verloop van een paar minuten hield de jager het waarschijnlijk
voor raadzaam om tusschenbeide te komen, daar hij zich weder tot den
Vliegenden-Arend wendde, en hem iets in het oor fluisterde, even als
zij gedurende hun vorige zamenspraak steeds gedaan hadden.
--Laat mijn broeder mij vergunnen deze zaak alleen af te doen,
zeide hij; zijne tegenwoordigheid zou thans meer schade dan voordeel
aanbrengen; wij kunnen niet zoo vermetel zijn om ons met zulk een
groot aantal vijanden te meten, de voorzigtigheid vordert dat wij
liever list te baat nemen.
--De Apachen zijn honden, mompelde de Comanch bitter.
--Dat ben ik met u eens; maar voor het tegenwoordige moeten wij doen
als of wij beter over hen denken. Geloof mij, wij zullen spoedig
gelegenheid hebben om ons te wreken; buitendien blijft het voordeel
aan ons, daar wij hen misleiden.
De Vliegende-Arend liet het hoofd hangen.
--Belooft het opperhoofd mij, dat hij zich niet zal verroeren, voor
dat ik hem een sein geef? hervatte de jager met nadruk.
--De Vliegende-Arend is een Sachem, hij heeft reeds gezegd dat hij
het Grijze-Hoofd zal gehoorzamen.
--Goed, let nu maar wèl op, gij zult niet lang behoeven te wachten.
Nadat hij hem deze woorden, op den gemengden toon van half bittere,
half zoetsappige scherts, die hem eigen was, had ingefluisterd, baande
de oude jager zich stoutmoedig een weg door de struiken en stapte met
vasten tred het kampement binnen, gevolgd door zijne twee kameraden.
Wij hebben reeds gezegd welk eene opschudding hunne onverwachte komst
onder de Apachen te weeg bragt.
De Vliegende-Arend nam zijne schuilplaats boven in den boom weder
in, dien hij slechts verlaten had om eenige woorden met den jager
te wisselen en hem de hoogst noodige raad en teregtwijzing te
geven. Vrij-Kogel stond nu reeds bij Loer-Vogel.
--Vriend, zeide hij in 't Spaansch, welke taal de meeste Indianen
verstaan, uw bevel is ten uitvoer gebragt, de Vliegende-Arend en
zijne vrouw zijn thans in het kamp der Gambucinos.
--Goed, antwoordde Loer-Vogel, die met een half woord voldoende begreep
wat er van was; wie zijn die twee mannen die gij daar bij u hebt?
--Twee jagers, die het opperhoofd der Gachupines mij heeft medegegeven,
ondanks mijne verzekering dat gij u te midden uwer vrienden bevondt;
hij zelf komt terstond hier met een dertigtal ruiters.
--Keer tot hem terug en zeg hem dat hij zich om mij niet verder
behoeft te bekommeren, en de moeite kan sparen... of neen, ik zal
liever zelf bij hem gaan, om alle misverstand te voorkomen.
Deze woorden, op ongedwongen toon en zonder drift uitgesproken, door
een man dien de aanwezige Indianen menigmaal op den waren prijs hadden
leeren schatten, maakten op al de aanwezigen een onbeschrijfelijken
indruk.
Wij hebben in onze vroegere verhalen reeds meer dan eens gezegd,
dat de Roodhuiden aan de dolzinnigste vermetelheid steeds de grootste
voorzigtigheid paren en nooit eene onderneming zullen wagen, zonder
vooraf al de kansen op welslagen die zij aanbiedt te hebben berekend;
en zoodra deze kansen verdwijnen om voor een vermoedelijk nadeelige
uitkomst plaats te maken, zullen zij zich niet schamen er van af te
zien, om de eenvoudige reden, dat bij hen de eer, zoo als wij die
in Europa begrijpen, slechts eene ondergeschikte plaats inneemt,
en eerst in aanmerking komt, als de goede uitslag verzekerd is.
De Roode-Wolf was ongetwijfeld een dapper man; in menig gevecht had
hij hiervan afdoende proeven gegeven; intusschen aarzelde hij niet om
voor het algemeen belang te wijken en zijne innigste wenschen op te
offeren, en hierin gaf hij, naar ons gevoelen, een sprekend bewijs
van dien aangeboren maatschappelijken zin en vaderlandsliefde, die
de grootste kracht der Indianen uitmaakt. Hoe geslepen hij ook wezen
mogt, liet hij zich thans geheel om den tuin leiden door Vrij-Kogel,
wiens onverwachte tusschenkomst en onweerstaanbaar overwigt voldoende
zouden zijn geweest om zelfs de inzigten van een schranderder man van
't spoor te helpen, dan den onbeschaafden Indiaan, met wien hij hier
te doen had. De Roode-Wolf koos dadelijk en onvoorwaardelijk partij.
--Mijn broeder, het Grijze-Hoofd, is welkom aan mijn haard, mijn hart
verheugt zich hem als vriend te mogen ontvangen; zijne medgezellen
kunnen nevens hem plaats nemen rondom het vuur van den raad, waar de
rietpijp van het opperhoofd hun onverwijld zal worden aangeboden.
--De Roode-Wolf is een groot opperhoofd, antwoordde Vrij-Kogel;
ik reken mij gelukkig door de gevoelens van welwillendheid die hij
mij betoont, en ik zou zijn aanbod met het meeste genoegen aannemen,
zoo dringende redenen mij niet verpligtten om zoo spoedig mogelijk
naar mijne blanke broeders terug te keeren, die mij reeds wachten op
korten afstand van het kamp der Antilope-Apachen.
--Ik hoop niet dat er eene wolk is opgekomen tusschen het Grijze-Hoofd
en zijn broeder den Rooden-Wolf, hervatte de arglistige Indiaan;
twee krijgslieden moeten elkander wederkeerig hoogachten.
--Zoo denk ik er ook over, hoofdman, en daarom ben ik vrij en vrank
in uw kamp verschenen, terwijl ik mij gemakkelijk door een talrijk
geleide van krijgslieden had kunnen doen vergezellen.
Vrij-Kogel wist zeer goed dat de Apachen de Spaansche taal verstonden,
en dat dus niets van hetgeen door hem aan Loer-Vogel gezegd was
hun ontgaan kon; maar het was zijn belang en dat van zijn vriend,
om te veinzen dat zij er niets van begrepen, en om de arglistige
uitnoodigingen van hun opperhoofd voor goede munt te laten gelden.
--Zijn die blanke vrienden van u zoo digt in onze nabijheid
gelegerd? hervatte de Roode-Wolf.
--Ja, antwoordde Vrij-Kogel, niet verder dan vier of vijf boogschoten
op zijn best genomen, in westelijke rigting.
--Ooah! dat spijt mij, zeide de Indiaan, ik zou mijne broeders anders
gaarne tot aan hun kamp hebben verzeld.
--En wat zou u beletten om toch met ons mede te gaan? vroeg de oude
jager even rond als politiek; vreest gij misschien slecht ontvangen
te zullen worden?
--Ooah! wie zou den Rooden-Wolf durven ontvangen zonder hem de
verschuldigde achting te bewijzen? hernam de Apach hoogmoedig.
--Niemand, voorzeker.
De Roode-Wolf wendde zich ongemerkt naar een opperhoofd van minderen
rang en fluisterde hem eenige woorden in 't oor; deze stond op
en verliet het kamp. De jagers zagen deze manoeuvre niet zonder
ongerustheid en wisselden een blik die zooveel te kennen gaf als:
Laten wij op onze hoede zijn! Ongedwongen deden zij thans eenige
stappen achterwaarts en sloten zich digter aan elkander, om bij het
minste teeken van onraad gereed te zijn; zij kenden de trouweloosheid
der lieden met welke zij te doen hadden, en waren van hun kant op
alles verdacht. De Indiaan dien het opperhoofd had weggezonden,
kwam spoedig terug; hij was naauwelijks tien minuten weg geweest.
--Wel? vroeg hem de Roode-Wolf.
--Nilijti--het is waar--antwoordde de Indiaan laconisch.
Het gelaat van den Sachem betrok merkbaar. Hij hield zich thans
vast overtuigd dat Vrij-Kogel hem niet bedrogen had; want de man,
door hem buiten het kamp gezonden, was belast geweest om zich te
vergewissen of er werkelijk op korten afstand wachtvuren der blanken
in 't gezigt waren; het antwoord van zijn veldontdekker bewees, dat
het hoogst ongeraden zou zijn den schelm te spelen, en dat hij moest
volhouden met de beste gezindheden te veinzen, om op een geschikten
voet van zijne lastige gasten af te komen, die hij anders op eene
gansch andere manier zou hebben behandeld.
Op zijn bevel werden nu de paarden ontkoppeld en stegen zijne ruiters
in den zadel.
--De dag is nabij, zeide hij; de maan is in den grooten berg
weggezonken; ik ga met mijne jongelieden op marsch; moge de Wakondah
mijne blanke broeders beschermen!
--Ik dank u, hoofdman, antwoordde Loer-Vogel; maar gaat gij dan niet
met ons mede?
--Wij moeten den anderen kant uit, antwoordde de Sachem droogjes,
terwijl hij zijn paard den teugel vierde en wegreed.
--Dat laat zich begrijpen, verwenschte hond, bromde Vrij-Kogel tusschen
de tanden.
De gansche bende vertrok met den meesten spoed en verdween in de
duisternis; weldra werd het gedruisch van hun draf minder hoorbaar, en
smolt in de verte zamen met die duizend geheimzinnige geluiden zonder
blijkbare oorzaak, die de statige stilte der woestijn onophoudelijk
verstoren.
De jagers waren alleen gebleven. Even als de wigchelaars van het oude
Rome, die elkander niet zonder lagchen konden aanzien, weerhielden
zij zich naauwelijks om in een bespottelijk geschater los te barsten
over het haastig vertrek der Apachen, die zij zoo fijn hadden beet
genomen. Op een sein van Loer-Vogel, voegden de Vliegende-Arend en
de Wilde-Roos zich bij hunne vrienden, die reeds weder onbekommerd
bij het vuur zaten, daar zij hunne vijanden zoo behendig van hadden
weten te verdrijven.
--Hm! meesmuilde Vrij-Kogel terwijl hij zijn pijp stopte, over die
grap zal ik lang moeten lagchen, zij is bijna zoo fijn als die ik de
Pawnies speelde, in 1827, in Opper-Arkansas; ik was toen nog jong,
en had naauwelijks eenige jaren in de prairiën rondgezworven, en ik
was nog niet zoo goed als thans, met al de streken en grollen der
Indianen bekend; maar ik herinner mij wel...
--Maar zeg mij toch door welk toeval ik u hier ontmoet heb,
Vrij-Kogel? vroeg zijn vriend, hem met drift in de rede vallende.
Loer-Vogel wist maar al te goed, wanneer Vrij-Kogel iets begon te
vertellen, dat er niet veel kans bestond om hem in zijn verhaal te
stuiten; de eerzame jager had in den loop van zijn lang en avontuurlijk
leven, zoo vele buitengewone zaken gezien en gedaan, dat hem bijna
niets overkomen kon, of hij herinnerde zich terstond een of ander geval
uit zijn vroegere loopbaan, dat hem aanleiding gaf tot eindelooze
verhalen; zijne vrienden, bekend met dit zwak, ontzagen zich nooit
om hem stout in de rede te vallen en zoodoende aan zijne wijdloopige
vertelzucht te ontsnappen; evenwel moeten wij tot eer van Vrij-Kogel
zeggen, dat hij deze stoornis niet kwalijk nam; met dien verstande
echter, dat hij geen tien minuten daarna den draad van zijn verhaal
weder opvatte of een ander begon, zoodat zijne vrienden hem op nieuw
moesten storen, maar zonder hem ooit boos te kunnen maken.
Op de plotselinge vraag van Loer-Vogel antwoordde hij:
--Wij zullen gaan zien; en ik zal het u vertellen. Daarop zich tot
Domingo wendende, zeide hij: Ik zeg u dank voor de hulp die gij ons
bewezen hebt; ga naar uw kamp terug en denk om uwe belofte, maar
verzuim vooral niet om van hetgeen gij gezien hebt verslag te geven
aan, gij weet wel wie.
--Dat is afgesproken, oude klemmenzetter. Wees maar gerust. Vaarwel!
--Goed fortuin!
Domingo wierp zijn buks over den schouder, stak zijn pijp aan, en
keerde met haastigen tred naar het kamp terug, dat trouwens niet
veraf lag en waar hij een uur later binnen kwam.
--Zie zoo, zei Loer-Vogel, nu geloof ik dat u niets meer belet op
mijne vraag te antwoorden.
--Ja toch, vriend, een ding nog.
--En dat is?
--Zoo als gij ziet, is de nacht voorbij: hij is voor ons allen ruw
genoeg geweest, zoodat ik meen dat twee of drie uurtjes slaap wel
niet onmisbaar, maar toch hoog noodig zullen zijn; daarbij, wij hebben
volstrekt geen haast.
--Zeg mij maar een woord, en ik laat u slapen zoolang gij wilt.
--En wat zal dat woord zijn?
--Hoe kwaamt gij hier toch zoo prompt op het terrein om ons te helpen?
--Te duivel! dat is juist wat ik gevreesd had; uwe vraag verpligt
mij om in bijzonderheden te treden die veel te omslagtig zijn om u
op dit oogenblik te kunnen voldoen.
--Ik moet u zeggen, vriend, hoe hartelijk ik ook verlangen zou om
eenige dagen bij u te vertoeven, ben ik genoodzaakt om u reeds met
zonsopgang te verlaten.
--Komaan, dat is immers onmogelijk?
--Met uw verlof, ja; ik moet!
--Maar wat dringt u dan zoo?
--Ik heb mij verbonden als gids bij een karavaan, die ik morgen om
twee uren in den namiddag zal ontmoeten aan het veer del Rubio; die
ontmoeting is reeds voor meer dan twee maanden afgesproken. En gij
weet, voor ons jagers, is iedere afspraak heilig, gij zult mij dus
niet willen verleiden om mijn woord te breken.
--Bij al de bisonshuiden die ieder jaar in de prairie gedood worden
niet! Naar welke streek van het Verre-Westen moet gij die menschen
den weg wijzen?
--Dat zal ik morgen hooren.
--En met welk soort van lieden hebt gij te doen? Zijn het Spanjaarden
of Gringos?
--Weet ik het?.. Mexicanen denk ik; hun kapitein noemde zich, als
ik het wel onthouden heb, don Miguel Ortega, of zoo iets; enfin,
dat zal zich wel vinden.
--He! riep Vrij-Kogel uit, terwijl hij opsprong van verrassing;
hoe zegt gij ook weer?
--Don Miguel Ortega, herhaalde de spoorzoeker; ik durf er intusschen
niet op zweren, het kan zijn dat ik mij vergis, maar ik denk het niet.
--Dat's vreemd! mompelde de oude jager half in zich zelven.
--Ik zie er niets vreemds in! die naam komt mij zelfs zeer gewoon voor.
--Voor u, dat kan zijn; en hebt gij met hem accoord gemaakt?
--Op den besten voet.
--Als spoorzoeker.
--Ja, duizendmaal ja! antwoordde Loer-Vogel met drift.
--Nu, stel u gerust, vriend, en blijf bedaard, wij denken nog langer
zamen te leven.
--Zoudt gij onder zijne bende willen gaan?
--God bewaar mij!
--Dan begrijp ik er niets meer van.
Vrij-Kogel scheen eenige oogenblikken ernstig na te denken; zich toen
weder tot zijn vriend wendende, zeide hij:
--Hoor eens, Loer-Vogel, zoo waar als gij een oud vriend van mij zijt,
zou ik u niet gaarne uit luchthartigheid van het regte spoor zien
dwalen; ik heb u zekere onmisbare teregtwijzingen mede te deelen, om u
in staat te stellen de door u aangenomen taak behoorlijk te volbrengen;
ik zie wel dat wij dezen nacht niet slapen zullen, luister derhalve
met aandacht toe; wat gij hooren zult is meer dan de moeite waard.
Loer-Vogel was ten hoogste verbaasd over den plegtigen toon dien de
oude jager aannam, en zag hem ongerust aan:
--Spreek, zeide hij.
Vrij-Kogel dacht een oogenblik na en scheen zijne herinneringen in orde
te schikken; daarop nam hij het woord en begon eene lange geschiedenis
die door de aanwezigen met klimmende aandacht en belangstelling werd
aangehoord; nog nooit in hun leven hadden zij zulke buitengewone en
vreemdsoortige gebeurtenissen gehoord of gezien.
De zon was reeds ver boven de kimmen gerezen, toen de oude jager
nog sprak.
VI.
EENE DUISTERE GESCHIEDENIS.
Wij geven hier, ontdaan van alle min of meer juiste aanmerkingen,
waarmede de wijdloopige spreker haar geliefde op te sieren, de
buitengewone geschiedenis die de Canadees aan zijne toehoorders
vertelde, en die zoo innig met ons verhaal zamenhangt, dat wij ons
genoodzaakt zien haar tot in de kleinste bijzonderheden mede te deelen.
Slechts weinige steden hebben zulk een bekoorlijk aanzien als Mexico;
deze aloude hoofdstad van het rijk der Azteken strekt zich, als eene
mollige Creoolsche matrone op haar divan, weelderig en traag uit op
een zacht golvenden bodem, half omsluijerd door een digt gordijn
van statige cipressen, die de kanalen en wegen in haren omtrek
omzoomen. Op gelijkmatigen afstand tusschen twee oceanen gebouwd,
2280 meters boven hun waterspiegel, d. i. ongeveer op dezelfde hoogte
als het bekende hospitaal der monniken op den St. Bernard, geniet
deze stad eene gematigde en verkwikkelijke temperatuur, onder een
helderen hemel, tusschen twee prachtige bergen, de Popocatepetl--een
rookende vulkaan--en de Iztaczehuatl, of de "Witte Vrouw," welks
grijze met eeuwige sneeuw bedekte kruin zich in de wolken verliest. De
vreemdeling, wanneer hij met zonsondergang Mexico nadert, langs den
oostelijken straatweg,--een der vier groote wegen langs welke men
den alouden zetel der Azteken bereikt, die zich eenzaam en statig
verheft te midden van het meer Tezcuco, aan welks wateren zij gebouwd
is--ondervindt bij den aanblik dezer stad een wonderbaren indruk van
welken hij zich geen rekenschap kan geven. De Moorsche bouwtrant der
paleizen, de schitterende met lichte kleuren beschilderde muren,
de dommen en koepels der tallooze kerken en kloosters, die hoog
boven de azotea's (platte huisdaken) uitsteken, en de gansche stad,
om zoo te zeggen, met hunne groote geele, blaauwe of roode parasols
overdekken, besprenkeld met het goud der dalende westerzon en gekust
door de laauwe, met geuren bezwangerde avondkoelte, die van de bergen
aanwaait en met het digte loof der bosschen speelt: alles vereenigt
zich om aan Mexico het aanzien te geven eener geheel oostersche stad,
die onze starende blikken aantrekt en tegelijk verbaast. Het eerste
Mexico, in der tijd door Fernando Cortez verbrand, werd door dezen
veroveraar op hare oude grondslagen herbouwd: al hare straten snijden
zich regthoekig, en loopen uit op de Plaza Major, in vijf hoofdaderen,
namelijk de calle de Tacuba, de Monterilla, de Santo Domingo, de
Moneda en de San-Francisco.
De Spaansche steden der Nieuwe Wereld zijn alle volgens eenerlei
grondplan gebouwd, en hebben dit met elkander gemeen, dat het
hoofdplein op dezelfde wijs is aangelegd. Zoo heeft de Plaza Major
ook te Mexico aan een van hare zijden de kathedraal, en de Sagrario
(de heilige kapel); daar tegenover ligt het paleis van den president
der republiek, dat de vier ministeriën, de kazernen, de gevangenis
enz. bevat; aan de derde zijde heeft men de Ayuntamiento (stadhuis);
eindelijk aan de vierde zijde bevinden zich twee bazars of groote
verkoophuizen--de Parian en de Portal de las Flores.
Op den 10 Julij 1834, omstreeks tien ure des avonds, nadat eene
brandende zonnehitte de inwoners dien geheelen dag genoodzaakt had
zich in hunne huizen op te sluiten, verhief zich een frissche togt
van de bergen, die de lucht merkelijk afkoelde. Iedereen begaf zich
op de met bloemen bedekte, naar hangende tuinen gelijkende azotea's,
om er het verkwikkende luchtbad van den amerikaanschen nacht te
genieten, dat als door het heldere blaauw des hemels heen, van de
sterren op aarde schijnt af te dalen. Ook de straten en pleinen waren
met wandelaars opgevuld, allerwege heerschte een gonzend gehommel,
een ondoordringbaar gewemel van voetgangers en ruiters, zoo vrouwen
als mannen, Indianen zoowel als Spanjaarden, creolen, mestiezen,
zwarten en blanken; gescheurde kleeren en lompen, mengden zich op de
zonderlingste wijs met zijden, fluweelen en gouden stoffen, onder het
geklater van roepstemmen, kwinkslagen of schaterend gelach; kortom, als
een betooverde stad uit de duizend en een Arabische Nachtvertellingen,
scheen Mexico op het gebengel der klok van het oracion eensklaps
als uit een eeuwenlangen slaap gewekt, zoo vrolijk straalden er de
aangezigten van genot, en zoo gelukkig waren allen dat zij de reine
avondlucht met volle teugen konden inademen. Op dit oogenblik kwam er
uit de calle San-Francisco een onderofficier--gemakkelijk te herkennen
aan den druivenstok [3] dien hij als kenteeken van zijn rang in de
hand had--en mengde zich onder de woelige schaar op de Plaza Major, met
dien balanceerenden trippelgang en dat air van onbezorgde schalkerij,
dat den militairen lanterfant in alle wereldstreken eigen schijnt. De
hier door ons bedoelde was een jong mensch van trotsch uitzigt, fieren
blik en een paar fijn gewaste, koket opgestreken knevels. Na twee
of drie keeren het plein te zijn rond geweest, knipoogend tegen de
jonge meisjes, en met de ellebogen stootend tegen de mannen, naderde
hij, altoos in de zelfde onverschillige houding, een winkeltje, dat
tegen een der portalen was aangebouwd en waarin een oud man, met een
gezigt als een marmot en met loensche blikken, bij het licht van een
smerige lamp, bezig was een stapeltje papier, pennen, enveloppen,
ouwels, kortom alle noodige schrijfbehoeften weg te bergen, in de
lade van zijne met duizend inktvlakken bezoedelde tafel; werkelijk
was de oude schobbejak rekest- en briefschrijver van beroep, zooals
het bordje boven de deur van zijn pothuis aanduidde, waarop met witte
letters op een zwarten grond gelezen werd: "Juan Bautisto Leporella,
Evangelista." De onderofficier loerde eerst eenige oogenblikken door
het glazen raampje, dat met allerlei soort van geschreven stukken
pronkte; en zonder twijfel voldaan over hetgeen hij gezien had,
gaf hij met zijn druivenstok drie ferme slagen op de deur.
De soldaat hoorde daar binnen een stoel verschuiven, den sleutel in
het slot steken, eindelijk ging de deur met een scheur open, en kwam
het hoofd van den rekestschrijver vreesachtig te voorschijn.
--Ha! zijt gij het, don Annibal. Dios me ampare! ik had u nog niet zoo
spoedig verwacht, zei de oude, op dien zoetsappigen slependen toon,
daar zekere lieden zich van bedienen, wanneer zij iemand voor zich
zien dien zij niet aandurven.
--Cuerpo de Christo! houdt u maar zoo onnoozel niet, oude coyote,
antwoordde de sergeant barsch; wie anders als ik zou mijne voeten
nog zoo laat in uw vervloekt kot durven zetten?
De evangelista meesmuilde hoofdschuddend en schoof zijn in zilver
gevatten bril met ronde glazen, hoog op zijn voorhoofd.
--Ho! ho! riep hij met een geheimzinnig lachje, er komen brave lieden
genoeg in mijn ministerie, mooije "chérubin d'amour."