gij behalve die edele nieuwsgierigheid, die gij zoo ronduit hebt
durven bekennen, ook nog andere kleine gebreken?
De bandiet deed alsof hij drie minuten lang eerlijk in zijn geweten
rondzocht, en antwoordde toen zoo bedaard mogelijk: Op mijn woord
van eer, senor, ik zie niets.
--Zijt gij daar zeker van?
--Hm! het kan gebeuren, maar toch, ik geloof van neen.
--Ha, gij ziet dat gij er niet geheel zeker van zijt.
--Eigentlijk gezegd, neen! riep Domingo met geveinsde openhartigheid;
zoo als gij weet, senor, de menschelijke natuur is zoo onvolmaakt.
Don Stefano knikte toestemmend.--Als ik u een beetje op weg hielp,
zeide hij, misschien zou ....
--zouden wij dan wel iets vinden, niet waar, mijnheer? viel Domingo
hem met drift in de reden. Welnu, help mij dan een beetje op weg,
ik verlang niets liever dan dat.
--Zoo, bijvoorbeeld .... maar let wel, ik bevestig niets, ik
veronderstel het alleen, meer niet.
--Caraï! dat weet ik wel; ga uw gang, mijnheer, geneer u niet.
--Zoo vraag ik u, zoudt gij niet een zeker zwak hebben voor geld?
--Voor goud vooral.
--Dat wou ik juist zeggen.
--Goud is ook zoo verleidelijk, mijnheer.
--Ik reken het u volstrekt niet aan als een misdaad, vriend, ik bepaal
mij alleen, om er kennis van te nemen; buitendien is het zulk een
algemeene trek ....
--Niet waar?
--Dat gij er natuurlijk mede behebt moet zijn.
--Zeer goed, mijnheer, ik beken dat gij het geraden hebt.
--Ziet gij nu, dat ik het wel wist?
--O! goud, eerlijk gewonnen.
--Dat spreekt van zelf; gesteld nu eens, dat men u, bijvoorbeeld
duizend piasters bood, om het geheim te ontdekken van de palankijn
van don Miguel Ortega?
--Te weerga! riep de bandiet, terwijl hij den vreemdeling scherp in
de oogen keek, die hem van zijn kant even oplettend gadesloeg.
--En als er dan iemand was, vervolgde don Stefano, die u bovendien,
als onderpand van den koop, een ring ten geschenke gaf, zoo als
deze bijvoorbeeld?
Bij deze woorden liet hij den mesties een prachtigen diamant in de
oogen schitteren.
--Dan nam ik het aan, te duivel, ja! riep Domingo op een toon van
onmiskenbare begeerigheid, al zou ik mijne hoop op het paradijs er
voor in de waagschaal stellen, om achter dat geheim te komen.
Don Stefano wendde zich tot Vrij-Kogel.--Maak den man los, zeide hij
koeltjes, wij verstaan elkander.
Zoodra de mesties zich vrij gevoelde, sprong hij op van vreugde.
--De ring! riep hij.
--Zie daar! zei don Stefano, terwijl hij hem dien overhandigde;
is onze koop nu gesloten?
Domingo kruiste den duim van zijn regterhand over dien van zijn linker,
rigtte fier zijn hoofd op, en sprak met een vaste, nadrukkelijke
stem:--Bij het heilige kruis des Verlossers, zweer ik, dat ik alles
wat in mijn vermogen is zal aanwenden, om het geheim te ontdekken
dat don Miguel Ortega zoo zorgvuldig zoekt te verbergen; ook zweer
ik, dat ik den caballero, met wien ik op dit oogenblik onderhandel,
nimmer zal verraden; door dezen eed, dien ik ten aanhoore van de
drie caballeros, hier tegenwoordig, uitspreek, verbind ik mij, om,
zoo ik hem ooit mogt breken, zonder mij te beklagen iedere straf,
al ware het den dood zelf, te ondergaan, die deze drie caballeros
zullen goedvinden mij op te leggen.
De eed thans door Domingo uitgesproken, was de zwaarste, die door
een Spaansch-Amerikaan kon worden afgelegd; er bestaat geen voorbeeld
dat zij dien ooit verbroken hebben. Don Stefano boog dus, ten volle
overtuigd, dat de bandiet zijn woord zou gestand doen.
Op dit oogenblik knalden er plotseling verscheidene geweerschoten,
gevolgd door een vreeselijken oorlogskreet kort in de nabijheid.
Vrij-Kogel ontstelde er van.--Don José, zeide hij tegen den
vreemdeling, hem de hand op den schouder leggende. God helpe ons! keer
naar het kamp terug; en den volgenden nacht zal ik u waarschijnlijk
meer nieuws kunnen vertellen.
--Maar dat schieten dan?
--Maak u niet ongerust, ga terug naar het kamp, zeg ik u, en laat
mij handelen.
--Nu, als gij het zoo wilt, zal ik gaan.
--Tot morgen?
--Ja, tot morgen.
--En ik nu? riep Domingo, caramba! kameraden, als gij met messen gaat
spelen, zoudt gij mij dan niet meê kunnen laten doen?
De oude jager keek hem oplettend aan.
--Wel! zeide hij, zich een oogenblik bedacht hebbende, uw idée is
zoo kwaad niet, kom dan maar meê, als gij het verlangt.
--Dat komt juist goed, nu heb ik dadelijk een voorwendsel gevonden
voor mijne afwezigheid.
Don Stefano begon te lagchen; nadat hij Vrij-Kogel nog eens aan hunne
zamenkomst voor den volgenden nacht had herinnerd, verliet hij het
boschje, en rigtte zijne schreden naar het kamp.
De beide jagers en de mesties bleven alleen.
IV.
INDIANEN EN JAGERS.
Op de plaats waar zich de drie jagers bevonden, vormde de Rio-Colorado,
gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer breeden stroom, welks zilveren
wateren zachtkens voortkabbelden door eene schoone schilderachtige
streek. Nu eens, zoowel aan den linker- als regteroever, verhief
zich het terrein eensklaps tot bijna loodregte rotssteilten, en
bergen van ontzagwekkende schoonheid; dan weder daalde de grond
langzaam af in lagchende weiden, getooid met het weligste groen,
of in bevallig golvende valleijen, bedekt met geboomte van allerlei
soort. Het was in een dezer valleijen, dat de kleine praauw van
Vrij-Kogel aan wal was gezet en van alle zijden als door een digt
gordijn van opgaand bosch ingesloten, zouden de jagers zelfs midden
op den dag, aan den bespiedenden blik hebben kunnen ontsnappen van
iederen nieuwsgierige, die hen had willen verrassen; thans echter,
in dit vérgevorderde uur van den nacht, onder het bleek en sidderend
licht der maan, die hare stralen naauwelijks als door een sluijer
van digt gebladerte heenboorde, waren zij geheel verborgen, en konden
zij zich volkomen veilig rekenen. Door de sterkte zijner strategische
stelling gerustgesteld, begon Vrij-Kogel, terstond nadat don Stefano
hem verlaten had, zijne oorlogzuchtige plannen te ontwikkelen, met
het heldere doorzigt van iemand, die zich sedert vele jaren in de
ervaringen der woestijn had geoefend.
--Kameraad, zeide hij tot den mesties, zijt gij bekend met de prairie?
--Zeker niet zoo goed als gij, oude strikkenzetter, antwoordde Domingo
zedig; maar toch genoeg om u van dienst te zijn in de onderneming,
die gij wagen wilt.
--Die manier van antwoorden bevalt mij, zij bewijst dat gij uw
werk goed verlangt te doen; luister dus met aandacht: de kleur van
mijne haren, en de rimpels op mijn aangezigt geven u reden genoeg
om te denken, dat ik zekere ondervinding moet bezitten, daar ik mijn
gansche leven in de wouden heb doorgebragt; er is om zoo te zeggen geen
grashalm die ik niet ken, geen geluid, waarvan ik geen rekenschap kan
geven, geen spoor dat ik niet zou kunnen ontdekken. Eenige minuten
geleden vielen er niet ver van ons af verscheidene geweerschoten en
weergalmde de oorlogskreet der Indianen; onder die geweerschoten,
ben ik zeker de buks te hebben gehoord van een man, voor wien ik de
warmste vriendschap koester, die man is op dit oogenblik in gevaar,
hij vecht met de Apachen, die hem gewis overrompeld en in zijn slaap
hebben aangevallen. Het aantal der schoten doet mij onderstellen
dat mijn vriend niet meer dan twee makkers bij zich heeft; als wij
hem dus niet te hulp komen is hij verloren, want zijne vijanden zijn
talrijk; de poging, die ik wagen wil, is bijna hopeloos; wij hebben
alle kansen tegen ons; denk er dus over na eer gij mij antwoordt. Zijt
gij nu nog bereid om met mij en Ruperto mede te gaan, in één woord,
om uw scalp en uw leven in ons gezelschap te wagen?
--Bah! zei de bandiet onbekommerd, een mensch sterft maar eens;
misschien krijg ik nooit weder zulk eene schoone gelegenheid, om
een eerlijken dood te sterven. Gij kunt over mij beschikken, oude
klemmenzetter, ik ben de uwe met lijf en ziel.
--Goed, dat antwoord heb ik wel verwacht. Het was evenwel mijn pligt,
om u op het gevaar opmerkzaam te maken, dat gij er bij loopt; thans
zullen wij er niet verder over spreken, maar handelen, want de tijd
dringt, en iedere minuut, die wij verliezen, is eene eeuw voor hem,
dien wij willen redden. Trek mijne moksens [2] aan, houd uwe oogen en
ooren open, wees vooral voorzigtig, en doe niets buiten mijne orders;
laat ons gaan!
Na zorgvuldig het slot van zijn buks te hebben nagezien, eene voorzorg,
die door de anderen werd gevolgd, bleef Vrij-Kogel eenige sekonden
staan om zich niet te vergissen; toen stapte hij, met de instinctmatige
vastheid, die bij de jagers schier tot een tweede gezigt wordt, snel
maar zoo stil mogelijk voort, in de rigting van den vermoedelijken
strijd, en gaf de twee anderen een wenk om hem te volgen.
Het is schier onmogelijk, zelfs in de verte zich een denkbeeld
te maken van hetgeen een marsen in de prairiën beteekent, bij
nacht en te voet, te midden van digte bosschaadjen, verward in
elkander gegroeide boomen, en reusachtige lianen, die zich allerwege
ineenslingeren en in iedere rigting de wonderlijkste figuren vormen,
welke een eeuwenheugend warbosch kan opleveren. Op marsch in zulk
een bosch, op een bodem zamengesteld uit den afval, die door vele
jaarhonderden is opgehoopt, nu eens heuvels vormende van verscheidene
voeten hoogte, dan weder plotseling doorsneden met diepe onzigtbare
kuilen en moerasgronden,--is het niet alleen reeds moeijelijk, zich
in zulk eene verwarde en ondoordringbare wildernis een spoor te banen
en den regten weg te vinden, als men onbekommerd voorttrekt en niet
vreest overrompeld te worden; maar deze taak wordt schier onmogelijk,
wanneer men verpligt is om er in roerlooze stilte door te worstelen
en geen tak kan doen zwiepen, geen blad doen ritselen, zonder gevaar
van den vijand wakker te maken, dien men tracht te overrompelen.
Alleen veeljarig oponthoud in zulk eene wildernis kan den mensch
de noodige bekwaamheid geven, om dit moeijelijke werk tot stand te
brengen, en deze bekwaamheid bezat Vrij-Kogel in de hoogste mate;
hij kende de vele hindernissen die zich bij iederen stap voor hem
opdeden, hindernissen, waarvan onder zulke omstandigheden een enkele
reeds genoeg zoude zijn geweest, om den stoutmoedigste aan den goeden
uitslag te doen wanhopen. De twee andere jagers hadden alleen het
spoor te volgen, dat door hunnen gids even behendig als moeijelijk
werd gebaand. Gelukkigerwijs werden de avonturiers slechts door een
kleinen afstand gescheiden van hen, wien zij hulp gingen toebrengen;
zonder dat zou bijna de geheele nacht noodig zijn geweest om hij
hen te komen. Zoo Vrij-Kogel zulks gewild had, had hij den rand van
het bosch kunnen omtrekken en zich dan alleen door het hooge gras
behoeven heen te worstelen, een weg, die oneindig gemakkelijker en
minder vermoeijend zou zijn geweest: maar met de juistheid van zijn
door gewoonte geoefenden blik, begreep hij dat de rigting, die hij
gekozen had, de eenige was, die hem in staat zou stellen om tot het
tooneel van den strijd door te dringen, zonder door de Indianen te
worden opgemerkt, die, in weerwil van al hunne geslepenheid, er niet in
't minst op verdacht waren, dat iemand het zou hebben durven wagen,
hen langs zulk een weg te naderen.
Na een togt van ongeveer twintig minuten, hield Vrij-Kogel stand. De
drie jagers waren op het bedoelde terrein. Terwijl zij de struiken
zachtjes uiteenschoven, wat zagen zij?
Naauwelijks tien passen voor hen uit was eene boomvrije opening; op
deze ledige plek waren drie vuren aangelegd, rondom welke een aantal
krijgslieden der Apachen deftig zaten te rooken, terwijl hunne paarden,
aan piketten gekoppeld, het jeugdig loof der boomen afknabbelden. Zijn
vriend Loer-Vogel stond rustig onder de opperhoofden, op zijn buks
leunende, en nu en dan eenige woorden met hen wisselend. Vrij-Kogel
begreep niets van hetgeen hij zag. Al deze lieden schenen op den
vriendschappelijksten voet met den jager, die van zijn kant noch door
gebaar noch in zijn voorkomen eenige de minste bekommering verried!
Om onze lezers de zonderlinge stelling, waarin al deze mannen tegenover
elkander waren geplaatst, goed te doen verstaan, moeten wij eenige
stappen in ons verhaal terugtreden. Bij den plotselingen aanval der
Indianen hebben wij gezegd, dat Loer-Vogel stout op hen afwas gegaan,
een bisonsmantel zwaaijend, ten teeken van vrede. De Indianen waren
hierop blijven staan, met de hoffelijke bescheidenheid, die zij in
al hunne nationale gebruiken in acht nemen, ten einde de opheldering
van den jager aan te hooren. Twee der opperhoofden waren hem zelfs te
gemoet getreden, om hem beleefd te verzoeken zich nader te verklaren.
--Wat verlangt mijn broeder met het blanke gezigt? vroeg een der
opperhoofden, hem groetende.
--Kent mijn roode broeder mij dan niet, en is het noodig, dat ik hem
mijn naam noem, om hem te doen weten tot wien hij spreekt? antwoordde
Loer-Vogel op gebelgden toon.
--Het is onnoodig; ik weet dat mijn broeder een groot krijgsman der
blanken is; mijne ooren zijn geopend, ik wacht de verklaring af,
die hij mij geven zal.
Loer-Vogel trok minachtend de schouders op.
--Zijn de Apachen dan laffe coyoten en plunderaars geworden, zeide
hij, dat zij zich aan benden verzamelen, om in de prairie op roof
uit te gaan? Waarom hebben zij mij aangevallen?
--Mijn broeder weet het wel.
--Neen; dan zou ik het u niet vragen. De Antilope-Apachen hadden
eens een groot krijgsman tot opperhoofd, de Roode-Wolf genaamd; dat
opperhoofd was mijn vriend, met wien ik een verbond had gesloten;
maar de Roode-Wolf is zonder twijfel dood, en zijn scalp versiert
waarschijnlijk de hut van een Comanch, daar de jonge lieden van zijn
stam in weerwil van het tusschen ons bezworen vredeverbond, mij zijn
komen aanvallen gedurende mijn slaap.
Het opperhoofd rigtte zich op in zijn volle lengte en fronste de
wenkbraauwen.
--Het bleeke gezigt heeft, als alle zijne landgenooten, een
adderentong, zeide hij barsch, een dikke huid bedekt zijn hart, en de
woorden, die zijne borst uitblaast, zijn even trouweloos; de Roode-Wolf
is niet dood, en zijn scalp versiert geenszins de hut van een Comanch;
hij is nog altoos de eerste sachem der Antilope-Apachen, dat weet de
jager zeer goed, dewijl hij op dit oogenblik tot hem spreekt.
--Ik acht mij gelukkig, dat mijn broeder zijn naam heeft genoemd want
aan zijne manier van handelen zou ik hem niet hebben herkend.
--Ja; er is onder ons een verrader, hervatte het opperhoofd norsch;
maar die verrader is een blanke, en geen Indiaan!
--Dat mijn broeder zich nader verklare, ik begrijp hem niet, er is
een mist voor mijne oogen, mijn geest is beneveld: de woorden van
het opperhoofd zullen die wolk ongetwijfeld doen verdwijnen.
--Dat wensch ik! Moge de jager mij met eene eerlijke tong en zonder
omwegen antwoorden, want zijne stem is eene muziek, die mij langen
tijd zoet in de ooren klonk en mijn hart verheugde; ik zal mij gelukkig
rekenen, als zijne verklaring mij den vriend teruggeeft dien ik meende
verloren te hebben.
--Dat mijn broeder mij ondervrage! ik zal zijne vragen beantwoorden.
Op een gegeven teeken, hadden de Apachen weldra verscheidene vuren
ontstoken en een kamp aangelegd. Ondanks al zijne slimheid, had zich
in het hart van den Apachen-chef een heimelijke argwaan gevestigd;
hij wilde echter den blanken jager, dien hij zeer vreesde, zooveel
mogelijk toonen, dat hij vrijelijk handelde en volstrekt geen kwaad
in 't zin had. De Apachen, toen zij de goede verstandhouding zagen,
die tusschen hunnen sachem en den jager scheen te heerschen, hadden
zich gehaast om de bekomen orders uit te voeren. Elk spoor van strijd
of vijandschap was in een oogenblik verdwenen, en het kleine grasveld
had al het aanzien van een kampement van vreedzame jagers, die door
een vriend werden bezocht.
Loer-Vogel moest in zijn geest lagchen over het welgelukken van
zijne krijgslist, en over de behendige manier, waarop hij met weinige
woorden aan de omstandigheden eene geheel andere rigting had weten te
geven. Intusschen was hij niet volkomen gerust over de ophelderingen,
die het opperhoofd hem vragen zou; hij gevoelde zich als in een
wespennest, waaruit hij, althans zonder een of ander gelukkig toeval,
geen kans zag zich te redden.
De Roode-Wolf had den jager verzocht naast hem bij het vuur te komen
zitten, een verzoek waaraan deze zich echter wel wachtte van te
voldoen, daar hij nog niet wist welken keer de zaken konden nemen,
en hij zijne eenige hoop op behoud niet wilde verzwakken in geval de
verklaring onstuimig afliep.
--Is de blanke jager gereed om te antwoorden? vroeg de Roode-Wolf.
--Ik wacht op alles, wat mijn broeder mij zal gelieven te vragen!
--Goed! dat mijn broeder dan de ooren opene, voor hetgeen een
opperhoofd spreekt.
--Ik luister!
--De Roode-Wolf is een beroemd opperhoofd; zijn naam is gevreesd bij
de Comanchen, die voor hem vlugten als schroomvallige vrouwen. Op
zekeren dag aan de spits zijner jonge helden uitgetrokken, drong de
Roode-Wolf in een altepetl (dorp) der Comanchen; de Bison-Comanchen
waren dien dag op de jagt in de prairiën, hunne krijgslieden en
jongelingen waren afwezig; de Roode-Wolf verbrandde de hutten en
voerde de vrouwen gevankelijk weg; is dit de waarheid?
--Het is de waarheid! antwoordde de jager zich buigende.
--Onder die vrouwen bevond zich er een, voor welke het opperhoofd der
Apachen zijn hart voelde kloppen; deze vrouw was de Cihuatl van den
sachem der Bison-Comanchen. De Roode-Wolf voerde haar met zich naar
zijn stam, en behandelde haar niet als eene gevangene, maar als eene
welbeminde zuster. Wat deed de blanke jager?
Hier hield het opperhoofd op en vestigde een doordringenden blik
op Loer-Vogel; deze echter wendde zijne oogen niet af, en zeide:
Ik wacht tot mijn broeder mij beschuldige, opdat ik moge weten wat
hij mij ten laste legt.
De Roode-Wolf vervolgde min of meer met ontroering in zijne stem:
--De blanke jager, de vriendschap van het opperhoofd misbruikende,
drong door in zijn altepetl, onder voorwendsel van zijn rooden
broeder te bezoeken. Daar hij bij allen gekend en geliefd was, liep
hij vrijelijk in het dorp rond, doorsnuffelde alles, en toen hij
de Wilde-Roos ontdekte, schaakte hij haar in een duisteren nacht en
voerde haar weg als een lafhartige verrader!
Bij dit verwijt greep de jager zijn buks met krampachtige hand;
maar bijna oogenblikkelijk zijne koelbloedigheid hernemende, zeide hij:
--Het opperhoofd is een groot krijgsman, hij spreekt goed, de woorden
vloeijen van zijne lippen in bekoorlijken overvloed; ongelukkig echter
laat hij zich door zijn hartstogt wegslepen en verhaalt hij de dingen
niet zoo als zij werkelijk zijn gebeurd.
--Ooah! riep het opperhoofd, is de Roode-Wolf dan een leugenaar? dan
moet zijne bedriegelijke tong den honden worden toegeworpen.
--Ik heb de woorden van het opperhoofd met geduld aangehoord; thans
is de beurt aan hem om de mijnen te hooren.
--Goed! dat mijn broeder spreke.
Op dit oogenblik hoorde men een zacht geblaas, als een bange zucht. De
Indianen sloegen er geen acht op, maar de jager ontroerde er van, zijn
helder en open oog schoot als een bliksemflits, en een zegevierende
glimlach plooide zich om zijne lippen.
--Ik zal kort zijn, zoo begon hij; ik ben werkelijk in het dorp van
mijn broeder gekomen, maar vrijmoedig en op een eerlijke wijs, om hem
uit naam van Machsi-Karehde, den grooten sachem der Bison-Comanchen,
de vrouw terug te vragen die de Roode-Wolf hem ontvoerd had; voor die
vrouw bood ik een rijken losprijs, bestaande in vier erupahs (geweren),
zes huiden van wijfjes bisons, en twee halsketens van graauwe
beeren-klaauwen; ik deed zulks met oogmerk om een oorlog tusschen
de Bison-Comanchen en Antilope-Apachen te verhoeden; mijn broeder
de Roode-Wolf, in plaats van mijn vriendelijk aanbod aan te nemen,
wees het verachtelijk van de hand; ik heb hem meteen gewaarschuwd,
dat de Vliegende-Arend, het zij goedschiks of met geweld, de vrouw
zou terug halen, die men verraderlijk uit zijn dorp had ontvoerd
terwijl hij afwezig was; daarop ben ik weder vertrokken. Welk verwijt
kan mijn broeder mij deswegens toevoegen? In welken zin of in welk
opzigt heb ik mij jegens hem misdragen? De Vliegende-Arend heeft
zijne vrouw teruggehaald: daar heeft hij wel aan gedaan, want hij
was in zijn goed regt; de Roode-Wolf kan hier niets op aanmerken,
daar hij in gelijke omstandigheden hetzelfde zou gedaan hebben. Ik
heb gezegd! Dat mijn broeder nu antwoorde, als zijn hart getuigt dat
ik kwalijk gehandeld heb.
--Goed! antwoordde het opperhoofd; mijn broeder is met de Wilde-Roos
hier geweest, eenige minuten geleden; hij zegge mij waar zij zich
verschuilt, dan zal de Roode-Wolf haar zelf terugnemen, en dan zullen
er tusschen den Roode-Wolf en zijn vriend geen wolken meer zijn.
--Het opperhoofd moet deze vrouw vergeten, die hem niet bemint en
die zijne vrouw niet zijn kan; dit is des te meer raadzaam, daar de
Vliegende-Arend haar nimmer aan hem zal willen afstaan.
--De Roode-Wolf heeft krijgslieden om zijne woorden te handhaven,
zeide de Indiaan trotsch; de Vliegende-Arend is slechts alleen,
hoe zal hij zich tegen den wil van den sachem kunnen verzetten?
Loer-Vogel glimlachte.
--De Vliegende-Arend heeft talrijke vrienden, zeide hij; hij is op
dit oogenblik in het kamp der bleekgezigten gevlugt, welks wachtvuren
de Roode-Wolf hier in de verte kan zien schitteren; laat mijn broeder
maar even luisteren, ik meen reeds voetstappen in het bosch te hooren.
De Indiaan stond verschrikt op. Op het zelfde oogenblik traden er
drie mannen de kampplaats binnen; die drie mannen waren Vrij-Kogel,
Ruperto en Domingo.
Zoodra zij hen gezien hadden, sprongen de Apachen, die hen zeer
goed kenden, onstuimig op, slaakten een kreet van verbazing, om niet
te zeggen van angst en ontsteltenis, en grepen terstond naar hunne
wapenen. De drie jagers vervolgden echter bedaard hun weg en naderden
ongestoord, zonder blijkbaar op deze bijna vijandelijke vertooning
acht te geven.
Wij moeten hier met weinige woorden de verschijning der jagers
toelichten, en de verandering opgeven die hunne tusschenkomst
waarschijnlijk in den staat van zaken zou te weeg brengen.
V.
WEDERZIJDSCHE OPHELDERINGEN.
Vrij-Kogel en zijne twee kameraden hadden, dank zij de gunstige
plaats waar zij stonden, niet alleen alles wat er in het kamp der
Apachen omging, kunnen zien, maar tevens zonder een woord er van te
missen alles gehoord wat er tusschen Loer-Vogel en den Rooden-Wolf
gesproken was.
Sedert vele jaren reeds waren de twee Canadesche jagers naauw aan
elkander verbonden: menige stoutmoedige onderneming die de woudloopers
gewoon zijn tegen de Indianen te wagen, hadden zij zamen beraamd
of uitgevoerd; zij hadden voor elkander geene geheimen; alles was
onder hen gemeenschappelijk, hunne vijandschappen zoo wel als hunne
vriendschappen.
Vrij-Kogel was dus volmaakt goed op de hoogte van het onderwerp dat
door den Rooden-Wolf ter sprake werd gebragt, en zoo zekere redenen,
die wij later zullen vermelden, het hem niet hadden belet, zou hij
waarschijnlijk zijn vriend in het ontvoeren der Wilde-Roos uit de
magt van den Apachen-chef hebben bijgestaan. Maar hoe goed hij ook met
deze zaak bekend was, bleef er toch altijd een punt duister voor hem,
namelijk, de vreedzame tegenwoordigheid van Loer-Vogel in het kamp der
Indianen, na den strijd van welke hij de kreten en de geweerschoten had
gehoord en die hier in vriendschappelijk gesprek scheen te eindigen.
Door welken vreemden zamenloop van omstandigheden kwam het, dat
Loer-Vogel, de man die de listen der Indianen het best kende en
wiens roem van behendigheid en moed algemeen onder de jagers en
strikkenzetters van het Westen verspreid was, zich in zulk eene
gevaarlijke positie bevond, te midden van dertig à veertig Apachen,
de geslependste, verraderlijkste en wildste Indianen-stam van allen
die in de woestijn rondzwierven? Dit was een raadsel, dat de eerlijke
jager niet kon oplossen en hem geheel in verwarring bragt.