Nadat de kapitein hem alleen had gelaten, nam de onbekende p

DE SPOORZOEKER.

SCHETSEN EN TOONEELEN UIT DE AMERIKAANSCHE WILDERNIS.

Naar de zesde Fransche uitgave.

VAN

GUSTAVE AIMARD.

DOOR

L. C. CNOPIUS.

Derde druk.

LEIDEN,

Firma VAN DEN HEUVELL & VAN SANTEN.

GENT, W. ROGGHÉ. BATAVIA, G. KOLFF & Cie.

1867.

DE SPOORZOEKER.

I.

DE VERRASSING.

Verplaatsen wij ons, tegen het einde van Mei 1855, in eene der minst

bezochte streken der onmetelijke prairiën van het Verre-Westen,

op korten afstand van de Rio-Colorado-del-Norte, aan welke rivier

de Indiaansche stammen, in hunne beeldrijke taal, den naam hebben

gegeven van: Gouden golvenstroom zonder einde.

Het was diep in den nacht. De maan, die reeds twee derden van hare baan

had afgelegd, vertoonde haar bleek gelaat tusschen de takken der hooge

cederboomen, terwijl het onzeker schijnsel van hare sidderende stralen,

naauwelijks licht genoeg verspreidde, om de afwisselende voorwerpen

op het rotsachtig en somber terrein te onderscheiden. Geen windje

beroerde de lucht, geen enkele ster fonkelde aan den hemel. Doodsche

stilte beheerschte de wildernis, eene stilte slechts nu en dan, bij

lange tusschenpoozen, afgebroken door het korte gekef en gejank der

op buit loerende coyoten (wolven) of het spotachtig gehuil van panter

en jaguar aan het naaste rivierwed.

Gedurende de uren der duisternis, maakt de onbegrensde Amerikaansche

savane, waar geenerlei gedruisch van menschen de majesteit van

den nacht verstoort, onder het immer wakend oog der Godheid, een

onweerstaanbaren indruk ook op het hart van den sterksten mensch,

en bezielt hem ondanks zich zelven met godvruchtigen eerbied.

Eensklaps kraakte er in de struiken een dof geritsel, en werden

de digte takken van een floripondio-boschje voorzigtig uit één

geschoven. Uit de gemaakte opening kwam een nieuwsgierig menschenhoofd

te voorschijn, met schitterende oogen, als van een wild dier, die in

alle rigtingen onrustig rondkeken. Na zich eenige sekonden onbewegelijk

stil te hebben gehouden, verliet deze zelfde man het boschje waar hij

tot hiertoe verborgen had gezeten, en sprong hij op eens naar buiten.

Ofschoon de kleur van zijn door de zon verbrand gezigt bijna het

sombere rood van gebakken steen geleek, maakten zijn jagerskostuum

en vooral zijne lange blonde haren en sterk sprekende vrije

gelaatstrekken, hem terstond kenbaar als een dier stoutmoedige

canadesche woudloopers, wier ras met iederen dag zeldzamer wordt en

weldra geheel dreigt te zullen uitsterven.

Hij deed eenige stappen voorwaarts met gevelde buks en de hand aan

den trekker, en bespiedde zorgvuldig de tallooze hem omringende

kreupelboschjes en rotsholten. Nadat hij zich, zoo het scheen, door

de allerwege heerschende stilte en eenzaamheid, had gerust gesteld,

bleef hij staan, zette zijn buks met de kolf op den grond, boog zich

voorover, en bootste op eene bedriegelijke wijze het gefluit na van

den centzontle, of amerikaanschen nachtegaal.

Naauwelijks had de laatste toon van dit melodisch vogelgezang de lucht

doen trillen, of uit dezelfde struiken, die den eersten jager hadden

doorgelaten, kwam een tweede personaadje te voorschijn.

De laatstgenoemde was een Indiaan; hij voegde zich terstond bij den

Canadees, en na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, vroeg hij

met eene stem, die meer gerustheid wilde veinzen dan hij misschien

werkelijk bezat:

--Wel, hoe is 't?

--Alles is stil, antwoordde de jager, de Cihuatl kan gerust komen.

De Indiaan schudde het hoofd.

--Sedert het opkomen der maan is Machsi-Karehde van de Wilde-Roos

gescheiden, en hij weet niet, waar zij zich op dit oogenblik bevindt.

Een welwillende lach plooide zich om de lippen van den jager.

--De Wilde-Roos bemint mijn broeder, zeide hij zachtzinnig, het

kleine vogeltje, dat in het diepst van haar hart zingt, zal haar wel

op het spoor van het opperhoofd hebben geleid. Is Machsi-Karehde het

fluitje vergeten, waarmede hij haar plagt te roepen op zijne verliefde

wachtplaats, in het stam-dorp?

--Het opperhoofd is niets vergeten.

--Laat hij haar dan roepen.

De Indiaan had geene tweede vermaning noodig, en het geroep van den

Walkon deed de stilte weêrgalmen.

Op hetzelfde oogenblik hoorde men eenig geritsel tusschen de takken,

eene jonge vrouw sprong, als eene verschrikte ree, hijgend te

voorschijn en vloog den krijgshaftigen Indiaan om den hals, die de

armen reeds uitstrekte om haar te ontvangen. De omhelzing duurde niet

langer dan een bliksemflits; het opperhoofd schaamde zich blijkbaar,

dat hij zich in het bijzijn van een blanke, ofschoon die blanke zijn

vriend was, tot zulk een vertoon van teederheid had laten vervoeren,

en hij stiet de jonge vrouw koelzinnig van zich af, onder het uiten van

eenige woorden, die geen het minste spoor van ontroering of hartstogt

te kennen gaven.

--Mijne zuster zal zeker moede zijn, en op dit oogenblik heeft zij

geen gevaar te vreezen; zij kan dus gaan slapen, de krijgslieden

zullen haar bewaken.

--De Wilde-Roos is eene dochter der Comanchen, antwoordde zij met

eene schroomvallige stem, haar hart is kloek, zij gehoorzaamt den

Machsi-Karehde (Vliegende-Arend), daar zij weet, dat zij onder de

bescherming van zulk een magtig opperhoofd veilig is.

De Indiaan wierp haar een blik van onuitsprekelijke teederheid

toe, maar hernam bijna oogenblikkelijk dien schijn van norsche

ongevoeligheid, die de Roodhuiden nimmer afleggen.

--Terwijl mijne zuster slaapt, zullen de krijgslieden raad houden,

zeide hij.

De jonge vrouw antwoordde niet, zij maakte voor de beide mannen eene

eerbiedige buiging, en verwijderde zich, om zich eenige stappen verder

op het gras neder te vlijen, waar zij de oogen sloot en insliep,

of althans deed alsof zij sliep.

De Canadees bepaalde zich alleen bij een enkelen glimlach, toen hij

zag, wat er op zijn gegeven raad aan den krijgsman gevolgd was; en bij

het hooren der weinige woorden tusschen de Roodhuiden gewisseld, gaf

hij zijn genoegen met een hoofdknik te kennen. Het opperhoofd stond in

diepe gepeinzen verzonken en wierp een onbeschrijfelijken blik op de

jeugdige slapende vrouw; eindelijk streek hij zich eenige malen met

de hand over het voorhoofd, als zocht hij de wolken te verdrijven,

die zijn brein benevelden terwijl hij zich tot den jager wendde.

--Mijn broeder met het blanke gezigt heeft rust noodig, zeide hij,

het opperhoofd zal waken.

--De wolven keffen niet langer, de maan is achter de heuvels verdwenen,

en een graauwe lichtstreep verheft zich aan den horizont, antwoordde

de Canadees, weldra zal het dag worden, de slaap is mijne oogleden

ontvloden, het past den mannen zich te beraden.

De Indiaan maakte eene buiging, maar antwoordde niet; hij legde zijn

buks op den grond en verzamelde eenige armvollen dorre takken, die

hij nevens de slapende vrouw opeenstapelde.

De Canadees sloeg vuur; weldra was de houtstapel in brand gestoken,

en kleurde de vlam het geboomte met een rooden gloed; alstoen hurkten

de beide mannen naast elkander op den grond neder, stopten hunne

rietpijpen met manachee, of gewijden tabak, en begonnen stilzwijgend

te rooken, met die deftigheid en ernst, die de Indianen onder alle

omstandigheden aan deze symbolische pligtpleging verbinden.

Wij zullen van dit oogenblik rust, dat het toeval ons aanbiedt,

gebruik maken, ten einde den lezer het portret te geven van deze drie

personaadjen, die geroepen zijn om in ons verhaal zulk eene gewigtige

rol te spelen.

De Canadees was een man van omtrent vijf en veertig jaren, zes

engelsche voeten lang, rank, mager en droog van gestel; bijna geheel

uit spieren, pezen en zenuwen bestaande, was hij volmaakt geschikt

voor zijn ruw beroep als woudlooper, waartoe noodwendig buitengewone

kracht en stoutmoedigheid worden vereischt.

Als de meesten zijner landgenooten, droeg de Canadees in zijn gelaat

den stempel van het normandische ras in al zijne zuiverheid; zijn breed

voorhoofd, zijne grijze maar levendige oogen, zijn min of meer gewelfde

neus, zijn groote met eene dubbele rij prachtige tanden gewapende

mond, en de digte blonde met enkele graauwe haren vermengde lokken,

die welig en krachtvol onder zijn muts van otter-bont uitkwamen en

met groote krullen over zijne schouders vielen, dit alles gaf aan

den jager een open, eerlijk en trouwhartig voorkomen, dat terstond

beviel en reeds bij de eerste ontmoeting belangstelling en vertrouwen

inboezemde. Deze ontzagwekkende reus heette eigenlijk Bonnaire, maar

was in de prairiën alleen bekend onder den bijnaam van Loer-Vogel,

een titel dien hij ten volle regtvaardigde door de scherpte van zijn

blik en de juistheid, waarmede hij de nesten en holen van allerlei

wild, inzonderheid herten en dassen wist te ontdekken.

Hij was geboren in den omtrek van Mont-Real; maar reeds in zijne

vroege jeugd naar de bosschen van Opper-Canada medegenomen, had hij in

het leven der wildernis zooveel aantrekkelijks gevonden, dat hij de

beschaafde wereld voor altijd vaarwel gezegd en sedert bijna dertig

jaren in de onmetelijke vlakten van Noord-Amerika had rondgezworven,

slechts nu en dan steden of dorpen bezoekende, wanneer hij er wezen

moest, hetzij om de vellen der dieren, die hij geschoten had, te

verkoopen, of om zich van eenen nieuwen voorraad kruid en kogels

te voorzien.

Zijn makker, de Vliegende-Arend, was een der meest vermaarde

opperhoofden van de zoogenaamde Witte-Bisons, een der magtigste en

krijgshaftigste volksstammen der Comanchen.

Deze woeste en ontembare natie geeft zich, uit overmaat van trots,

den hoogdravenden naam van Koningin der Prairiën, een titel, welken

geene andere dan zij, zich zou durven toeëigenen.

De Vliegende-Arend, hoewel nog zeer jong, daar hij naauwelijks

vijf en twintig jaren telde, had zich reeds in vele gevallen door

staaltjes van zulken ongehoorden moed en vermetelheid onderscheiden,

dat alleen zijn naam een onweerstaanbaren schrik verspreidde onder

de tallooze Indiaansche horden, die de woestijn onophoudelijk in alle

rigtingen doorkruisen.

Groot van gestalte, welgemaakt, en in allen deele wel geëvenredigd,

bezat hij fijne gelaatstrekken, met een paar oogen zoo zwart als

de nacht, en welke bij een of andere sterke gemoedsbeweging, eene

zonderlinge vastheid van uitdrukking aannamen, die onwillekeurig

eerbied afdwong; zijne gebaren waren edel, zijn gang en houding

gracieus, en vol van die majesteit, welke den Indianen is aangeboren.

Het opperhoofd was gekleed in zijn gewonen oorlogsdosch. Dit kostuum

is merkwaardig genoeg om door ons eenigzins uitvoerig beschreven

te worden.

Het hoofd van den Vliegenden-Arend was gedekt met den

mach-akoub-hachka, eene muts welke slechts door krijgslieden van

rang gedragen wordt, die vele vijanden hebben gedood; zij bestaat

uit wit hermelijnen stroken, van achteren in een breeden lap rood

laken zamengevat, die tot aan de kuiten afhangt; van boven was er

eene pluim van regtstandige witte en zwarte adelaarsvederen op vast

gehecht, die digt om het hoofd begon en hooger in een gesloten krans

zamenliep. Boven het regter oor zat in zijne haren een roodgeverwd

houten mes, omtrent zoo lang als een mans hand: dit mes was het

zinnebeeld van den dolk, waarmede hij het opperhoofd Dacotah had

afgemaakt; bovendien droeg hij acht kleine blaauwgekleurde en aan

de punt met vergulde spijkers voorziene houten spaantjes of stokjes,

om het aantal kogels aan te duiden door welke hij gewond was; boven

zijn linker oor droeg hij een grooten bos geele aan het uiteinde met

rood bestreken uilenvederen, als een teeken van zijn verbond met de

Menin-Ochaté, of de bende der Honden; zijn aangezigt was voor de helft

roodgeverwd, en zijn ligchaam bruinrood met strepen, waar de verw

door een natten vinger was weggewischt. Zijne armen, van den schouder

afgerekend, waren almede met zeven en twintig geele ringen of banden

geteekend, om het getal zijner groote wapenfeiten aan te duiden, en op

zijne borst prijkte in blaauwe verw de figuur van een menschenhand,

die te kennen gaf dat hij menigmaal krijgsgevangenen had gemaakt. Om

zijn hals droeg hij een prachtige mato-un-knappininde of collier

van graauwe beerenklaauwen, van drie duimen lengte en aan de punten

witgemaakt. Zijne schouders waren bedekt met den grooten mih-ihee of

bisonsmantel, die tot op den grond afhing en met verschillende kleuren

beschilderd was. Om zijn middel sloot zich met een naauwen band de

woupanpihunchi of broek, bestaande uit twee afzonderlijke deelen,

een voor elk been, en strekkende tot aan den enkel, waar zij aan

de buitenzijde met egels- of stekelvarkens-pennen van verschillende

kleuren, was bestikt, die in eenen digten bos zamengevat eindigden

en langs den grond sleepten; zijn nokké, een breede strook van wit

en zwart gestreept laken, was om zijne heupen gewikkeld, en hing zoo

wel van voren als van achteren in lange plooijen af; zijne hampes,

of schoenen van bisonsleder, waren slechts weinig versierd, maar

op de vreeg met wolvenstaarten vastgemaakt, die hem langs den grond

nasleepten, en het aantal der door hem overwonnen vijanden te kennen

gaven; aan zijn ichparakehn of gordel, hingen aan de eene zijde een

leêren kruidflesch, een kogelzak en scalpeermes, aan de andere een

koker van pantervel, met lange van stalen punten voorziene pijlen

gevuld, benevens zijn tomahawk (strijdbijl). Zijn erupha, of geweer,

lag naast hem op den grond, maar onder zijn bereik voor dadelijk

gebruik zoo het noodig mogt zijn.

Deze zonderling uitgedoschte krijgsman had iets sombers en

indrukwekkends, dat reeds op het eerste gezigt schrik inboezemde.

Wat de Wilde-Roos betreft, bepalen wij ons voor het oogenblik te

zeggen, dat zij hoogstens vijftien jaren telde, zeer schoon was

voor eene Indiaansche en in hare elegante eenvoudigheid de strenge

kleederdragt had aangenomen, die bij de vrouwen van haar stam in

zwang was.

Eindigen wij hiermede deze, misschien te uitvoerige maar tot

kennismaking met de personen, die op ons tooneel verschijnen zullen,

hoogst noodige beschrijving, en vervolgen wij ons verhaal.

Sedert geruimen tijd hadden de twee vrienden reeds zitten rooken,

zonder een woord zamen te wisselen; eindelijk schudde de Canadees

de kop van zijn pijp tegen den duim zijner linkerhand uit, en rigtte

het woord tot zijn makker.

--Is mijn broeder voldaan? vroeg hij.

--Ooah! antwoordde de Indiaan met een toestemmenden hoofdknik, mijn

broeder heeft een vriend.

--Goed, hervatte de jager, maar wat zal het opperhoofd nu doen?

--De Vliegende-Arend zal zich met de Wilde-Roos bij de zijnen voegen

en dan terugkomen, om het spoor der Apachen op te zoeken.

--Waartoe zou dat dienen?

--De Vliegende-Arend wil zich wreken.

--Met uw verlof, opperhoofd, niet dat ik u wil afraden om uwe plannen

door te zetten tegen vijanden, die ook de mijne zijn, maar ik geloof

dat gij deze zaak niet uit het regte oogpunt beschouwt.

--Wat wil mijn blanke wapenbroeder daarmede zeggen?

--Ik wil daarmede zeggen dat wij ver van de hutten der Comanchen

verwijderd zijn, en eer wij die kunnen bereiken, zullen wij zonder

twijfel nog menig verschil met onze vijanden te vereffenen hebben,

wier opperhoofd misschien een beetje al te voorbarig meent, dat hij

ons reeds van den hals heeft geschoven.

De Indiaan haalde hooghartig de schouders op.

--De Apachen zijn oude wijven, zwetsers en lafaards, zeide hij,

de Vliegende-Arend veracht hen.

--'t Is mogelijk, hernam de jager, hoofdschuddend; naar mijn gevoelen

zouden wij echter wijzer gedaan hebben, onzen weg te vervolgen,

totdat de zon opkomt, om hen zoover mogelijk achter ons te krijgen,

in plaats van ons hier zoo onvoorzigtig op te houden; wij zijn hier

nog tamelijk digt bij het vijandelijke kamp.

--Het vuurwater (brandewijn) heeft die honden van Apachen de ooren

gestopt en de oogen gesloten, zij liggen thans zoo lang als ze zijn

te slapen.

--Hm! dat zou ik niet denken, integendeel houd ik mij overtuigd dat

zij klaar wakker zijn en ons zoeken.

Op hetzelfde oogenblik, als had het toeval de vrees van den

voorzigtigen jager willen regtvaardigen, hoorde men meer dan een

tiental geweerschoten kort in de nabijheid lossen; een vreeselijke

oorlogskreet, dien de Canadees en de Comanch terstond met een kreet

van uitdaging beantwoordden, klonk uit het digtst van het woud,

en een dertigtal Indianen van den Apachen-stam, rukten huilende op

den brandstapel af, waar onze drie avonturiers zich bevonden hadden;

maar deze waren eensklaps als met een tooverslag verdwenen.

De Apachen bleven staan en schuimbekten van woede, niet wetende

welke rigting zij zouden kiezen, om hunne sluwe vijanden terug te

vinden. Plotseling vielen er drie geweerschoten uit het digtst van

het bosch, even zoovele Apachen tuimelden, in het hart getroffen,

op den grond.

De Apachen deden op nieuw een woest gehuil hooren, en rukten voorwaarts

in de rigting, waar de schoten gevallen waren. Op het oogenblik toen

zij den rand van het bosch bereikten, trad er een man uit te voorschijn

in zijne hand een bisonshuid zwaaijende, ten teeken van vrede.

Die man was de Canadees Loer-Vogel.

De Apachen bleven min of meer schoorvoetend staan, en hadden blijkbaar

niet veel goeds in 't zin. De Canadees scheen dit echter niet op te

merken en stapte bedaard naar hen toe, met den vasten en langzamen

tred, dien hij gewoon was. Zoodra de Indianen hem herkenden, drilden

zij toornig hunne wapenen en dreigden op hem in te loopen, want zij

hadden reden genoeg, den jager een kwaad hart toe te dragen. Hun

opperhoofd hield hen echter terug.

--Laat mijne kinderen geduld oefenen, zeide hij met een somberen

glimlach, zij zullen niets verliezen met een poosje te wachten.

II.

DE GAST.

Denzelfden dag waarmede ons verhaal begint, op ongeveer drie mijlen

van de plek, waar de in ons vorig hoofdstuk vermelde gebeurtenissen

plaats grepen, had in eene uitgebreide kampplaats, aan den ingang

van een onmetelijk woud, welks laatste afhellingen aan den oever der

Rio-Colorado doorliepen, eene talrijke karavaan met het ondergaan

der zon halt gemaakt, om er den nacht door te brengen.

Die karavaan kwam uit het zuid-oosten, namelijk uit Mexico, en scheen

reeds langen tijd op marsch te zijn geweest, althans voor zooveel

zich liet opmaken uit den versleten toestand, waarin zich de kleeding

der reizigers bevond, alsmede de zadels en tuigen hunner paarden en

muilezels. Voor het overige waren de arme lastdieren tot een staat van

vermagering en zwakheid vervallen, die afdoende getuigenis gaf van de

zware vermoeijenissen, welke zij hadden moeten verduren. De karavaan

was zamengesteld uit omtrent dertig à vijf en dertig personen, allen

gekleed in het eigenaardig en schilderachtig kostuum dier half-bloed

jagers en gambucinos, die hetzij alleen, of in kleine benden van drie

of vier op zijn hoogst, de wildernissen van het Verre-Westen afloopen,

en het diepst van zijne minst bekende schuilhoeken doorsnuffelen,

om er te jagen, strikken te zetten, of de menigvuldige goudaderen op

te sporen, welke het in zijnen schoot verbergt.

De avonturiers maakten halt, stegen af, koppelden hunne paarden

aan piketten en hielden zich onverwijld, met al de vaardigheid en

voortvarendheid, die de dagelijksche gewoonte hun geleerd had, bezig,

om hun kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. Over een vrij

uitgestrekte ruimte werd het prairiegras uitgerukt; de pakken der

muildieren werden in een grooten cirkel er om heen gestapeld, tot een

soort van bolwerk, om zich des noods tegen een onverhoedschen aanval

der zwervende Indianen te kunnen verweeren; vervolgens werden in den

vorm van een Sint-Andries-kruis de kampvuren aangelegd en ontstoken.

Nadat dit werk was afgeloopen, werd door sommige avonturiers een groote

tent opgerigt, boven eene digt gesloten en door twee muildieren--een

vóór- en een achter--gedragen palankijn. Zoodra de tent klaar was,

werd de palankijn van de muilezels afgeladen, en vielen de gordijnen

der tent er zoo digt omheen, dat zij geheel en al onzigtbaar werd.

Die palankijn was een raadsel voor de gansche karavaan; niemand wist

wat zij bevatte, ofschoon de algemeene nieuwsgierigheid ter zake

van dit onverklaarbaar geheim, vooral in zulke eenzame en woeste

streken, gedurig wakker bleef en niet zelden hoog gespannen stond;

iedereen hield echter zijne gissingen en vermoedens zorgvuldig voor

zich zelven, inzonderheid sinds dien noodlottigen dag, toen bij het

doortrekken van een moeijelijken bergpas, een der jagers,--gebruik

makende van de toevallige afwezigheid van den chef der quadrilla,

die de palankijn nimmer verliet en haar bewaakte als een woekeraar

zijn schat, de gewaagde gelegenheid waarnam, om even het gordijn op

te heffen en naar binnen te kijken; maar naauwelijks had deze man den

tijd gehad om een verholen blik door de gemaakte opening te werpen,

of de onverwachts terugkeerende chef had hem met een enkelen slag

zijner machete het hoofd gekliefd en levenloos ter aarde doen storten.

Daarop had de kapitein zich met een zegevierenden en onverbiddelijken

blik tot de verschrikte omstanders gewend en gezegd:

--Is er ook nog iemand onder u, die lust heeft om te ontdekken wat

ik voor allen verkies geheim te houden?

Deze woorden werden op zulk een toon van verpletterende ironie

en woeste boosaardigheid uitgesproken, dat zelfs de stoutsten der

rooverbende, meerendeels lieden zonder eer of trouw en gewoon om de

grootste gevaren al spottend te trotseren, verschrikt terugdeinsden en

het bloed in hunne aderen voelden verstijven. Deze eerste vermaning

was genoeg geweest, en niemand had na dien tijd gewaagd, het geheim

van hun kapitein uit te vorschen.

De laatste beschikkingen voor het kampement waren naauwelijks

afgeloopen, of een gedruisch van paardenhoeven deed zich hooren,

en twee ruiters kwamen in vliegenden galop aanrijden.

--Daar is de kapitein! zeiden de avonturiers tegen elkander.

De nieuwaankomenden stegen af, gaven aan een paar toeschietende

bedienden de teugels hunner paarden over en rigtten zich met haastige

stappen naar de tent. Aldaar gekomen zijnde, bleef de eerste staan

en zeide tegen zijn medgezel:

--Caballero, ik heet u welkom in ons midden; al zijn wij zelven arm,

zullen wij het weinige dat wij hebben volgaarne met u deelen.

--Ik zeg u dank, antwoordde de tweede met eene ligte buiging, maar ik

zal van uwe beleefde gastvrijheid geen gebruik maken; morgen met het

krieken van den dag zal ik, zoo ik hoop, genoeg rust hebben genoten

om mijne reis voort te zetten.

--Handel naar uw eigen goedvinden; maar schik u in allen geval bij

het vuur, dat voor mij is gereed gemaakt, terwijl ik mij eenige

oogenblikken in deze tent begeef; zoo aanstonds kom ik terug en zal

ik de eer hebben u gezelschap te houden.

De vreemdeling boog, en trad naar het vuur, dat op korten afstand van

de tent brandde, terwijl de kapitein naar binnen ging en het gordijn

achter zich vallen liet, dat hem voor de oogen van zijn gast verborg.

Laatstgenoemde was een man met scherp geteekende trekken, en zijne

korte forsch gespierde ledematen gaven buitengemeene kracht te kennen;

ettelijke rimpels op zijn krachtvol gelaat schenen aan te duiden,

dat hij den middelbaren leeftijd reeds voorbij was, ofschoon zijn

stevig gebouwd ligchaam nog geen enkel spoor van verval vertoonde,

en geen enkel grijs haar zijn langen digten haarbos verzilverde,

die zoo zwart was als een ravenwiek. Deze man droeg het kostuum der

rijke mexicaansche hacendero's, of landedelen, namelijk de manga,

de bontgestreepte zarapé, een fluweelen calzoneras, aan de knieën

open, en een paar botas vaqueras, of koeherders laarzen; aan den bol

van zijn vigonia-wollen met goud galon omboorden hoed, was een rijke

met kostbare diamanten versierde toquilla, of kap, vastgehecht; eene

machete zonder schede hing aan zijn regter heup, in een eenvoudigen

ijzeren ring; de loopen van twee zesschots revolvers blonken in zijn

buikriem, en naast hem op het gras lag zijn amerikaansche prachtig

met zilver gedamasceerde buks.

Nadat de kapitein hem alleen had gelaten, nam de onbekende plaats bij

het vuur en maakte het zich zoo gemakkelijk mogelijk; hij spreidde

namelijk zijn mantel en zijne wapenen derwijze uit, dat ze hem des

noods tot nachtleger konden dienen, en wierp toen een gluipenden blik

in 't rond, welks uitdrukking den avonturiers zonder twijfel veel

te denken zou hebben gegeven, zoo zij dien hadden kunnen opmerken;

maar zij waren thans te druk bezig met zich in het kamp te legeren

en hun souper te bereiden; en zij verlieten zich te zeer op de goede

trouw der prairiën, om veel acht te slaan op den vreemdeling, die

zich aan hun gastvrij vuur kwam nederzetten, of zich een oogenblik

te bekommeren over hetgeen hij deed.

Na eenige minuten te hebben rondgestaard en nagedacht, stond de

onbekende op en trad naar eene der verzamelde groepen waar de jagers

in levendig gesprek schenen en gesticuleerden met al de drift der

rassen van het Zuiden.

--Wacht! riep een van hen, toen hij den vreemdeling zag aankomen,

deze heer zal ons wel met een enkel woord kunnen overeenbrengen.

Op deze wijze aangesproken, wendde hij zich oogenblikkelijk tot

zijn zegsman.

--Waar hebt gij het over, caballeros? vroeg hij.

--O, lieve hemel, het is een dood onnoozele zaak, antwoordde de

avonturier; uw paard, senor, is een schoon en edel dier, dat moet

ik bekennen, maar het wil niet vreten met de onzen; het stampvoet

en steigert en laat zijne tanden zien aan de kameraden, die wij het

gegeven hebben.

--Nu, dat laat zich waarlijk ligt begrijpen, merkte een tweede

spottenderwijs aan, dat paard is een "costeno," (kustpaard) hij zal

te grootsch zijn om met zulke arme "tierras adentro" (binnenlanders)

te grazen als de onze.

Op deze zotte aanmerking berstten allen los in een daverend gelach.

De onbekende glimlachte schalks.

--Misschien is de reden die gij aangeeft de ware, sprak hij

zachtzinnig, maar misschien bestaat er nog een andere voor; in allen

geval is er een gemakkelijk middeltje om het verschil op te lossen,

dat ik gaarne wil aanwenden.

--Ha! zei de tweede avonturier, en wat is dat?

--Ik zal het u dadelijk toonen, hernam de onbekende even bedaard als

te voren. Zich thans tot het paard wendende, dat door twee mannen

naauwelijks te houden was, riep hij: Laat hem los!

--Maar als we dat doen, weet niemand wat er van komen kan.

--Laat hem los, ik sta u borg voor de gevolgen. Lelio! riep hij nu,

kom hier!

Op het hooren van dezen naam stak het paard fier den edelen kop op,

rigtte den schranderen blik naar dengene die hem riep, ontrukte zich

met een snelle en onweerstaanbare beweging aan de beide mannen, die

hem poogden te weerhouden, deed hen onder het schaterend gelach hunner

kameraden in het gras buitelen, sprong regelregt naar zijn meester

en streek hem met den kop langs de borst, onder vrolijk gehinnik.

--Gij ziet het, hervatte de onbekende, terwijl hij het edele dier

met de hand streelde, dat ging al zeer gemakkelijk.

--Hm! antwoordde op gebelgden toon de eerste avonturier, terwijl

hij zich oprigtte en den schouder wreef; dat is een demonio, wien ik

niet gaarne mijne huid zou toevertrouwen, hoe oud en gerimpeld zij

ook zijn mag.

--Laat hem maar stilletjes begaan, ik zal wel voor hem zorgen, zei

de vreemdeling.

--Zoo waar ik Domingo heet, ik heb er het mijne al van, riep de andere;

't is een edel dier, maar hij heeft den duivel in 't lijf!

De onbekende trok de schouders op maar antwoordde niet en keerde naar

het vuur terug, gevolgd door zijn paard, dat stapvoets achter hem

liep, zonder den minsten lust te betoonen om zich van nieuws aan de

wonderlijke kuren schuldig te maken, die de verbazing der avonturiers

zoozeer hadden gaande gemaakt, ofschoon meest allen volleerde meesters

waren in de edele paardenkunst. Onze viervoet was een volbloed van

arabisch ras, die zijn tegenwoordigen bezitter waarschijnlijk een

aanzienlijke som had gekost, en wiens schoone vormen wel vreemd moesten

voorkomen aan lieden, die geen andere dan mexicaansche paarden gezien

hadden. Zijn meester voorzag hem van het noodige voeder, koppelde

hem in zijn nabijheid vast, en hernam zijne vorige plaats bij het vuur.

Op hetzelfde oogenblik verscheen de kapitein aan den ingang der tent.

--Ik vraag u verschooning, zeide hij met die bevallige hoffelijkheid,

die den Spaansch-Amerikanen schijnt aangeboren te zijn, ik vraag u

verschooning, senor caballero, dat ik u zoo lang liet wachten, maar

gebiedende pligt vorderde mijne tegenwoordigheid elders; thans ben

ik geheel tot uwe dienst.

De onbekende boog en antwoordde schier even beleefd:

--Integendeel, ik ben het, die mij verontschuldigen moet, dat ik zoo

zonder complimenten van uwe gastvrijheid gebruik maak.

--Geen woord meer hierover, bid ik u, of gij moest mij met noodelooze

pligtplegingen willen bezwaren. Met deze woorden zette de kapitein

zich naast zijn gast.

--Wij zullen wat eten, vervolgde hij; het doet mij leed dat ik u

niets beters kan aanbieden; maar die te velde trekt moet zich weten te

behelpen; ik ben hier op mager rantsoen gezet, gelijk gij zien zult,

een stuk tasajo (zoutevleesch) en wat roode boontjes met pepersaus.

--Dat laat zich wel gebruiken, en ik zou er zeker de noodige eer aan

bewijzen, als ik den minsten eetlust had; maar in deze oogenblikken

zou het mij ondoenlijk zijn, om een brok aan den mond te brengen,

wat het ook wezen mogt.

--Zoo! sprak de kapitein, terwijl hij den onbekende een wantrouwenden

blik toewierp.

Maar op het bedaard en open gelaat van zijn gast vertoonde zich zulk

een ongekunstelde glimlach, dat hij zich schaamde over zijn voorbarigen

argwaan, en zijn donkere blik terstond de vorige helderheid hernam.

--Het spijt mij wel: maar dan zal ik u verlof verzoeken om alleen

te mogen eten, want om u de waarheid te zeggen, caballero, moet ik

u bekennen, dat ik letterlijk raas van den honger.

--Het zou mij zeer leed doen, als ik u het minste oponthoud

veroorzaakte.

--Domingo! riep de kapitein, breng mijn diner!

De knecht--dezelfde, welken het paard van den vreemdeling zoo onzacht

had omvergeworpen, liet zich geen oogenblik wachten, al trekbeende

hij nog, en bragt in een houten schotel het diner van zijn chef;

eenige geroosterde maïskoeken, die hij in de hand droeg, voltooiden

den bijna kloosterlijken maaltijd.

Domingo was een Indiaansche mesties, van ongunstig voorkomen, met

hoekige trekken en een norsch gezigt; hij scheen omtrent vijftig

jaar oud, in zoo ver het mogelijk is, den ouderdom van een Indiaan

uit zijn voorkomen op te maken. Sedert zijn ongeval met het paard,

droeg Domingo den onbekende een innigen wrok toe.

--Con su permiso, met uw verlof, zei de kapitein terwijl hij een der

maïskoeken doorbrak.

--Ik zal intusschen een cigaar rooken, om u gezelschap te houden,

antwoordde de vreemdeling met zijn onverstoorbaren glimlach.

De kapitein maakte eene beleefde buiging en viel aan zijn sober maal,

met al de graagte van iemand, die lang had moeten vasten. Wij zullen

ons deze gelegenheid ten nutte maken, om den lezer zijn portret

te geven.

Don Miguel Ortega, onder welken naam hij bij zijne gezellen bekend

was, was een elegant en fraai jongman, van hoogstens zes en twintig

jaar. Zijn door de zon gebronsd gelaat was fijn besneden en zijne

levendige oogen schitterden helder en fier onder zijn open voorhoofd,

terwijl zijn verhevene gestalte, vast gespierde leden, en breede

hooggewelfde borst een zeldzame kracht aanduidden. Inderdaad zou

het moeijelijk, zoo niet onmogelijk zijn geweest, om in de gansche

uitgestrektheid der voormalige spaansche koloniën een verleidelijker

cavalier te vinden, wien het schilderachtige amerikaansche kostuum

beter stond en meer tot den hombre de a caballo maakte, terwijl hij

tevens in dezelfde mate al de uitwendige bekoorlijkheden in zich

vereenigde, die de vrouwen zoo gaarne zien en waar zelfs het gemeen

mede dweept. Ondanks dit alles hadden, voor een bevoegder opmerker,

de oogen van don Miguel te veel diepte, en fronsten zijne wenkbraauwen

te huichelachtig en bedriegelijk, om niet te vermoeden dat er achter

al die verleidelijke uitwendige gaven een bedorven ziel en slechte

hoedanigheden zich verscholen.

Een jagers-maaltijd, die door goeden eetlust gekruid wordt, duurt

zelden lang; en ook de zijne was spoedig afgeloopen.

--Zie zoo, zei de kapitein, zijne vingers aan een bosje gras

afwrijvende; nu een sigaartje, om de spijsvertering te bevorderen,

en dan zal ik de eer hebben u goeden avond te wenschen; gij zult toch

zeker geen plan hebben om ons te verlaten eer de dag aankomt?

--Dat zou ik u niet kunnen zeggen, antwoordde de onbekende; dat zal

min of meer afhangen van het weer, dat wij van nacht krijgen; ik heb

haast genoeg, en gij weet caballero, wat onze buren, de Gringos zeggen:

tijd is geld.

--Gij kent uwe eigene zaken beter dan ik, caballero; handel volkomen

naar goedvinden, alleen sta mij toe, eer ik mij verwijder, dat ik u

goeden nacht wensch en voorspoed op uwe ondernemingen!

--Ik zeg u dank, caballero.

--Nu een enkel woord, of liever ééne vraag nog eer wij scheiden.

--Spreek.

--Wel te verstaan, als gij die vraag te onbescheiden mogt vinden,

zijt gij volkomen vrij om haar onbeantwoord te laten.

--Dat zou mij zeer verwonderen van een caballero, die zoo wellevend

is; verklaar u dus als ik u verzoeken mag.

--Ik heet don Miguel Ortega.

--En ik don Stefano Cohecho.

De kapitein maakte eene eerbiedige buiging.

--Vergun mij nu op mijne beurt dat ik u eene vraag doe, hervatte

de vreemdeling.

--Als ik u verzoeken mag!

--Waarom hebt gij mijn naam willen weten?

--Omdat het in de prairiën altijd goed is, zijne vrienden van zijne

vijanden te kunnen onderscheiden.

--Dat is zoo, welnu?

--Welnu, thans ben ik overtuigd, dat ik u niet onder de laatsten

zal tellen.

--Quien sabe? Wie weet? lachte don Stefano; er bestaan zulke wonderbare

kansen.

Na eenige woorden op gelijke vriendschappelijke manier te hebben

gewisseld, drukten de beide mannen elkander de hand, don Miguel begaf

zich naar de tent, en don Stefano, na zijne voeten bij het vuur te

hebben uitgestrekt, sliep in, althans sloot de oogen.

Een uur later heerschte in het kamp de diepste stilte. De vuren

verspreidden slechts een flaauwen glans, en de schildwachten, op

hunne geweren rustende, gaven zich zelfs aan die vage dommeling over,

die wel geen slapen is, maar toch geen waken meer heeten mag.

Plotseling liet zich tweemaal achtereen het sombere gekras hooren

van een uil, die waarschijnlijk in een der naastbij staande boomen

verscholen zat.

Don Stefano opende de oogen. Zonder van plaats te veranderen of zich

te verroeren, verzekerde hij zich met een opmerkzamen blik, dat alles

rondom hem in rust was; na zich vervolgens overtuigd te hebben,

dat zijn machete en zijne revolvers nog op dezelfde plaats lagen,

greep hij zijn buks, en bootste op zijne beurt het geschrei van den

uil na. Een gelijkluidend geschreeuw gaf oogenblikkelijk antwoord.

De vreemdeling, zonder zich op te rigten, plooide zijne zarapé in eene

menschelijke gedaante, fluisterde zijn paard eenige zoete woordjes toe,

om het gerust te stellen en geduld te leeren oefenen, en zich thans

op den grond uitstrekkende, kroop hij op handen en voeten stilletjes

naar een der uitgangen van het kamp; toen hield hij even stil, om

zoo scherp mogelijk rond te zien.

Alles bleef even kalm als te voren. Tot aan den voet der borstwering

genaderd, die door de pakken der muilezels gevormd was, rigtte hij

zich op, sprong met de vaardigheid van een boschkat over het bolwerk,

en verdween in de prairie.

Op hetzelfde oogenblik stond in het kamp een man op, sprong mede over

de borstwering en ijlde hem na.

Die man was Domingo.

III.

DE NACHTELIJKE ZAMENSPRAAK.

Don Stefano Cohecho scheen met de woestijn zeer goed bekend; zoodra

hij zich dus in de prairie bevond, en naar hij meende tegen alle

lastige nasporing beveiligd was, stak hij moedig het hoofd op;

zijn gang werd rustiger en stouter, zijn oog glom met een somberen

gloed, en hij trad met snellen stap naar een boschje van palmboomen,

wier schrale waaijerkruinen bij dag tegen de brandende zonnestralen

slechts een onvoldoende bescherming verleenden.

Inmiddels verzuimde hij de noodige voorzorgen niet; van tijd tot tijd

bleef hij plotseling staan en luisterde naar het minste geritsel, of

bespiedde met scherpen blik de donkere diepten der wildernis; en dan

weder, na zich verzekerd te hebben, dat alles rondom hem in rust was,

vervolgde hij eenige sekonden later zijn togt, met denzelfden vasten

tred, dien hij had aangenomen, toen hij het kamp verliet.

Domingo, om ons van eene Indiaansche spreekwijze te bedienen, trad

letterlijk op zijne voetsporen, bespiedde en beluisterde al zijne

bewegingen met de behendigheid, die den mestiezen bijzonder eigen

is, wel zorg dragende, dat de man, welken hij vervolgde, hem niet

kon betrappen.

De mesties was een van die karakters, welke men in de grensdistricten

maar al te veel aantreft, en die evenzeer begaafd met groote talenten

als met grove gebreken, gelijkelijk in staat zijn om zoowel goede als

slechte zaken te helpen uitvoeren, maar die zich meestal door hunne

boosaardige neigingen laten besturen.

In deze oogenblikken volgde hij den vreemdeling zonder regt te weten

waarom, en zonder voor zich zelven te hebben uitgemaakt of hij voor of

tegen hem zou te werk gaan; dit te beslissen hing af van den loop der

omstandigheden, al naar mate hij berekenen kon, hetzij van verraad

of van pligtbetrachting het meeste voordeel te zullen trekken; ook

vermeed hij zorgvuldig om zijne tegenwoordigheid te laten blijken, daar

hij wel begreep, dat het geheim op welks ontdekking hij uit was, hem

groote voordeelen zou kunnen aanbrengen, maar alleen en inzonderheid,

wanneer hij het goed wist te gebruiken; steeds weifelend en onzeker,

trok hij zich echter niet terug, maar ging derwijze te werk, dat

hij de ontdekking van het kostelijk geheim geen oogenblik in de

waagschaal stelde.

Meer dan een uur lang volgden de beide mannen dezelfde rigting, zonder

dat don Stefano een oogenblik vermoedde, dat hij werd nagespoord,

en dat een der geslepenste schurken uit de prairie hem digt op de

hielen zat.

Na tallooze wegen en omwegen door het hooge gras te hebben gemaakt,

kwam don Stefano eindelijk aan den oever der Rio-Colorado, die op dit

punt breed en kalm als een meer daarheen vloeide, over eene zandige

bedding, omzoomd door digte boschaadjen van katoenboomen en hooge

populieren, wier wortels tot den rand van het water reikten. Aldaar

aangekomen, bleef de onbekende een oogenblik staan luisteren, bragt

de hand aan den mond en bootste volmaakt het keffen van den coyote

(wolf) na; bijna onmiddelijk verhief zich het zelfde geluid uit het

lage oeverbosch, en vertoonde zich op korten afstand eene ligte,

van boomschors vervaardigde kaan, die door twee mannen werd geroeid.

--Ha! zei don Stefano met een bedwongen stem, ik wanhoopte reeds u

te ontmoeten.

--Hebt gij dan ons signaal niet gehoord? antwoordde een der roeijers

in de kaan.

--Zonder dat zou ik immers niet gekomen zijn? Maar mij dunkt dat gij

wel een beetje vóór mij hier hadt kunnen wezen.

--Dat konden we onmogelijk.

De kleine praauw zat nu in het oeverzand; de twee mannen sprongen

luchtig aan wal, en bevonden zich reeds het volgende oogenblik bij don

Stefano. Beiden waren gekleed en gewapend als de jagers in de prairiën.

--Hm! hervatte don Stefano, de weg is verduiveld lang van het kamp

tot hier, ik vrees dat men mijne afwezigheid zal ontdekken.

--Dat is een gevaar, waar gij niet buiten kunt, antwoordde de vorige

spreker, een man van hooge gestalte, gunstig voorkomen en strenge

gelaatstrekken, terwijl zijne haren, wit als sneeuw, in lange krullen

over zijne schouders golfden.

--Enfin, nu gij er eenmaal zijt, zullen wij nader afspreken en

vooral kort zijn, want de tijd is kostbaar. Wat hebt gij sedert onze

scheiding gedaan?

--Niet veel bijzonders; wij zijn u in de verte gevolgd, dat is alles,

om u te kunnen helpen in geval van nood.

--Dank u; geen nieuws?

--Geen het minste; wie zou het ons gebragt hebben?

--Dat is waar; en uw vriend Loer-Vogel, hebt gij dien ook gezien?

--Neen.

--Cuerpo de Christo! dat valt ons tegen, want zoo mijn voorgevoel

mij niet misleidt, zullen wij weldra onze messen moeten gebruiken.

--Men zal er zich van weten te bedienen.

--Dat weet ik, Vrij-Kogel, [1] ik ken uw moed sedert lang; maar gij,

uw kameraad Ruperto, en ik, wij zijn niet meer dan drie personen,

dat is alles.

--Geen nood!

--Hoe zoo, geen nood? nu wij tegen dertig of veertig geoefende jagers

zullen te strijden hebben? waarlijk Vrij-Kogel, gij maakt mij dol met

zulke beschouwingen, gij zoudt mij geheel van de wijze helpen. Gij

ziet nergens bezwaar in en twijfelt aan niets; denk toch dat wij thans

niet met slecht gewapende Indianen te doen hebben, maar met blanken,

bandieten en roovers, zooals gij weet, die zich laten doodschieten

zonder een duim breed te wijken, en voor wie wij onvermijdelijk zullen

moeten onderdoen.

--Dat is waar, daar heb ik niet aan gedacht, zij zijn met hen zoo

velen.

--Als wij sneuvelen, wat moet er dan van haar worden?

--Goed, goed, hernam de jager bedenkelijk het hoofd schuddend, ik

herhaal u, dat ik er niet over had nagedacht.

--Gij ziet dus, dat wij ons zonder uitstel met Loer-Vogel moeten

verstaan, en met de mannen over welke hij te beschikken heeft.

--Ja, alles goed en wel, maar noem mij eens een bepaald punt in de

woestijn, waar wij zulk een man als Loer-Vogel moeten zoeken. Wie

weet waar hij zich op dit oogenblik bevindt? Hij kan even goed geen

geweerschot ver zijn als vijf honderd mijlen van ons af.

--Het is om gek van te worden.

--Wel ingezien, zitten wij in een moeijelijk parket. Maar weet gij in

allen geval zeker, dat gij u niet bedriegt, en dat gij op het regte

spoor zijt?

--Zeker ben ik tot nog toe van niets, ofschoon alles mij doet

gelooven dat ik mij niet bedrieg; doch verlaat u vooreerst op mij,

ik zal spoedig weten, waar ik mij aan te houden heb.

--Overigens zijn wij nog op hetzelfde spoor, dat wij sedert Monterey

gevolgd hebben; er bestaat eenige kans, dat wij op den regten weg zijn.

--Waartoe zullen wij besluiten?

--Drommels, als ik weet wat ik zeggen zal.

--Gij zijt moedbenemend, inderdaad. Kunt gij mij dan geen middel aan

de hand geven?

--Vooreerst moet ik er de noodige zekerheid van hebben, en ten tweede

hebt gij zelf immers gezegd, dat het eene dwaasheid zou zijn om zulk

een slag te durven slaan.

--Gij hebt gelijk, ik keer naar het kamp terug; den volgenden nacht

zien wij elkander weêr, en dan zou ik wel zeer ongelukkig zijn als ik

niet had uitgevorscht, wat wij beiden zoo vurig verlangen te weten. Ga

er intusschen op uit, zoek en doorzoek de prairie in alle rigtingen,

help mij en zoo hot immer mogelijk is, breng mij dan eenig berigt

van Loer-Vogel.

--Uwe aanbeveling is overbodig, ik zal niet werkeloos blijven.

Don Stefano greep de hand van den ouden jager en drukte die met warmte:

--Vrij-Kogel, sprak hij met eene ontroerde stem, ik zal u niets

zeggen van onze oude vriendschap of van de goede diensten, die ik

meermalen het geluk had u te bewijzen, ik wil u slechts herhalen,

wat ik weet dat voor u genoeg is, namelijk dat van het welslagen

onzer onderneming mijn levensgeluk afhangt.

--Goed, goed, vertrouw op mij, don José, ik ben te oud om in de

vriendschap te wankelen; ik weet niet wie in deze zaak ongelijk heeft,

en ik wensch dat het regt aan uwe zijde is; maar daarmede bemoei

ik mij niet; wat er ook gebeure, ik zal toonen, dat ik uw goede en

trouwe kameraad ben.

--Ik zeg u dank, mijn oude vriend, tot den volgenden nacht!

Met deze weinige woorden, maakte don Stefano, of hij die zich dus

liet noemen, zich gereed om heen te gaan, maar een onverwachte wenk

van Vrij-Kogel hield hem terug.

--Wat is er? vroeg de vreemdeling.

De jager hield den wijsvinger van zijne regterhand voor zijn mond,

ten teeken dat hij zwijgen moest; zich toen tot Ruperto wendende,

die er al dien tijd onverschillig en stil bij had gestaan, fluisterde

hij met eene bijna onhoorbare stem: Grijp den coyote!

Zonder te antwoorden sprong Ruperto, zoo vlug als een jaguar, de

struiken in en verdween in het katoenboomenboschje, dat op korten

afstand lag. Eenige oogenblikken later hoorden de beide mannen,

die in gebogen houding maar zonder een woord te spreken stonden te

luisteren, een krakend geruisch van ritselende bladeren en brekende

takken, onmiddellijk gevolgd door het ploffen van een zwaar ligchaam

dat op den grond viel; verder hoorden zij niets meer.

Maar bijna oogenblikkelijk galmde hun den kreet van een nachtuil in

de ooren.

--Dat is Ruperto die ons roept, zeide Vrij-Kogel, alles is in orde.

--Wat is er dan gebeurd? vroeg don Stefano ongerust.

--Niets van belang, hernam de jager, hem een wenk gevende dat hij

volgen zou. 't Was slechts een spion, die u achter de broek zat;

dat is al.

--Een spion!

--Por Dios! gij zult het zien.

--O wee! dat ziet er gek uit.

--Minder gek dan gij denkt, mits wij hem in handen kunnen krijgen.

--Ja, maar dan zullen wij hem immers moeten dooden?

--Wie weet? dat hangt waarschijnlijk af van het verhoor, dat wij hem

zullen laten ondergaan; in allen geval zie ik er niet veel kwaad in

om zulk ongedierte uit te roeijen. Zoo sprekende, waren Vrij-Kogel

en zijn medgezel het boschje reeds binnengedrongen.

Op den grond lag Domingo, aan handen en voeten gebonden met de reata

(paardenkoppel) van Ruperto, en te vergeefs worstelende om de koorden

te verbreken, die hem in het vleesch drongen. Ruperto stond met de

beide handen kruiselings op de tromp van zijn buks geleund, die met de

kolf op den grond rustte, lagchend en meesmuilend te luisteren, maar

zonder een woord terug te zeggen, naar den stroom van scheldwoorden

en vloeken, die de mesties in zijne woede uitbraakte.

--Dios me ampare! (God beware mij) riep deze, terwijl hij zich

kronkelde als een adder. Verdugo del demonio! (duivelsche kerel)

is dat eene behandeling voor een fatsoenlijk mensch! Ben ik een

Roodhuid, om mij dus te zien knevelen als een rol tabak, en mij de

leden te laten binden als een kalf, dat naar den slagter moet? Als

ik u ooit onder mijne handen krijg, vervloekte hond, zal ik je die

streek betaald zetten, die ge mij gespeeld hebt, reken daar op!

--In plaats van te dreigen, mijn goede man, zei Vrij-Kogel

tusschenbeide komende, moest gij dunkt mij liever ronduit bekennen,

dat gij in onze magt zijt en u daarnaar gedragen.

De bandiet wendde oogenblikkelijk het hoofd om, het eenige lid dat

hij nog vrij had, en keek den jager aan:

--Het staat u heel mooi om mij "goede man" te noemen en mij raad te

geven, oude vanger van muskus-rotten! riep hij brutaal; zijt gij een

blank mensch of een Indiaan, dat gij op deze wijze een jager behandelt?

--Als gij, in plaats van hier te komen afluisteren wat u niet aangaat,

waarde senor Domingo, zoo is uw naam immers als ik mij niet bedrieg,

liever stilletjes in uw kamp waart blijven slapen, dan zou dit kleine

ongeval, waarover gij u zoo beklaagt, u nooit overkomen zijn, zei

don Stefano spotachtig.

--Ik moet de juistheid van uwe redenering toegeven, hervatte de

bandiet koddig; maar wat duivel! kon ik het helpen? Het is altijd

mijn zwak geweest om te willen uitvinden, wat anderen voor mij zochten

te verbergen.

Don Stefano keek hem met argwanenden blik in de oogen.

--En hebt gij dat zwak reeds lang gehad, mijn goede vriend? vroeg hij.

--Van mijn eerste jeugd af, antwoordde Domingo onbeschroomd.

--Nu, dan zult gij al vrij wat geheime zaken hebben leeren kennen?

--O, ontzaggelijk veel, waarde heer.

Don Stefano wendde zich tot Vrij-Kogel, en riep: Zeg eens vriend,

maak zijne banden een weinig los, zijn gezelschap kan ons misschien

tot voordeel strekken, ik zou gaarne eenige oogenblikken hooren wat

hij te vertellen heeft.

De jager bragt stilzwijgend de bekomen order ten uitvoer. De bandiet

slaakte een zucht van tevredenheid, toen hij zich minder beklemd

voelde, en ging op het gras overeind zitten.

--Cuerpo de Christo! riep hij op vrolijken toon, thans is mijne

positie ten minste om uit te houden, zoo kan ik nog praten.

--Niet waar?

--Te weerga ja! ik ben geheel tot uwe dienst, mijnheer, voor alles

wat gij verlangt.

--Dan zal ik van uwe beleefdheid gebruik maken.

--Ga vrij uw gang, mijnheer, en maak er gebruik van; ik kan niet

anders dan winnen door met u te praten.

--Zoudt gij dat denken?

--Ik ben er van overtuigd.

De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis · 第 1 / 34 段