te zijn, mijn fout te herstellen. Mag ik met de duikboot dalen?"
"Met de duikboot? Maar ben je niet wijs? Weet je wel, hoe diep het
hier is? Tachtig vademen, zoodat de druk op een vierkanten centimeter
224 pond bedraagt."
"De duikboot is bestand tegen een druk van 230 pond, Sir."
"Ik stel uw ijver zeer op prijs, en ik had gaarne onze marconigraaf
weer in orde, maar het waagstuk, dat ge voorstelt, mag ik niet
toelaten."
"Sir, ik ken de gevaren, waaraan ik mij ga blootstellen en we zullen
alle mogelijke voorzorgen nemen. Het zal ook niet noodig zijn, dat we
tot op den zeebodem dalen, want we kunnen immers gebruik maken van de
electrische dreg."
"Mr. Palmer, ik ken u als een koelbloedig en bekwaam officier en als
ge mij wilt beloven, zoo voorzichtig mogelijk te handelen, dan zal ik
me verder niet verzetten tegen de uitvoering van het plan. Ge zult
vijf man noodig hebben, om de boot te bemannen; we zullen
vrijwilligers vragen, dan kunt ge daaruit een keus doen."
"Ik ga mee," zei Gerald vastbesloten.
"Dank je," antwoordde Palmer en stak hem de hand toe, die Gerald
hartelijk drukte.
De oproep van vrijwilligers werd niet te vergeefs gedaan, want alle
mannen, die wel eens een tocht met de duikboot hadden meegemaakt,
meldden zich aan en het was niet zoo gemakkelijk, daaruit een keus te
doen. Maar eindelijk kwam men er toch mee klaar en Palmer, Gerald en
drie matrozen maakten zich gereed om den avontuurlijken tocht te
wagen.
Kapitein Brookes wees hen nog eens op het gevaarlijke van de
onderneming en raadde hun aan goed na te denken over den stap, dien
ze gingen doen. Hij verzocht Palmer, in geen geval langer weg te
blijven dan een uur; was na verloop van dien tijd de boot niet weer
boven, dan zou hij het ervoor houden, dat hun een ongeluk was
overkomen. En ten slotte gaf hij hun in overweging, eerst een
kwartier rust te nemen. Mocht iemand in dien tijd van gedachte
veranderen, dan kon hij zich altijd nog terugtrekken.
Toen het kwartier om was, waren de mannen echter nog even
vastbesloten en met een krachtigen handdruk namen ze afscheid van hun
makkers en scheepten ze zich in.
Langs een spiraalvormige baan met groote kromming daalde de duikboot.
Voortdurend zwakker werd de bleek-groene lichtschemering, die door
het water drong en de toenemende druk bemoeilijkte meer en meer de
beweging van de schroef. Er werd bijna geen woord gesproken, alleen
hoorde men de stem van Palmer, die door middel van de draadlooze
telephoon kapitein Brookes op de hoogte hield van de vorderingen, die
de duikboot bij de daling maakte.
Toen een diepte van vijf en dertig vademen bereikt was, werd het zoo
donker, dat men zijn toevlucht moest nemen tot het krachtige
electrische zoeklicht. Er was niets te zien, dan een onbegrensde
watermassa, die door haar onbeweeglijkheid en verlatenheid een
beangstigenden indruk maakte. Zestig vademen! De motor werkte
krachtig en er werden groote vonken gevormd, wanneer de schroef door
den druk van het water op de bladen, geheel stilstond.
"Wat is dàt?" fluisterde Palmer, terwijl hij naar een dikke streep
wees, die de stralen van het zoeklicht doorsneed.
Gerald keek uit en haalde vlug het roer om, ten einde de boot om de
lijn heen te sturen.
"'t Is het touw van één van de dreggen."
"Onmogelijk!"
"Toch wel, je hebt niet gedacht aan het gezichtsbedrog, waardoor
alles onder water grooter lijkt. We weten nu meteen, dat we niet uit
den koers zijn geraakt."
"Is alles in orde beneden, Halliday?"
"Ja, Sir."
"Meld me dadelijk, als er aan 't een of ander te zien is, dat de
wanden gebogen worden."
De matroos was even bedaard, als hij geweest zou zijn, wanneer hij
veilig en wel op het dek van de Olijftak gezeten had. Hij stelde
onvoorwaardelijk vertrouwen in de beide officieren in den toren,
ofschoon hij heel goed wist, dat de stalen boot ieder oogenblik in
elkaar kon gedrukt worden als een eierschaal door de ontzaglijke
kracht van het water.
Plotseling, op een diepte van vijfenzestig vademen, bracht Palmer de
boot tot stilstand. Hij en Gerald zagen een tooneel, dat hen beide
met vrees vervulde.
Hun vaartuig lag tegenover den top van een berg van zeegras en
schaaldieren, waarvan de kern bestond uit het wrak van een prachtig
stoomschip.
Palmer bracht de boot in beweging, die nu langzaam rond het sombere
gevaarte voer. Spookachtig speelden de stralen van het zoeklicht
langs de massa roestig ijzer en staal, overdekt met zeewier. Donker
gaapte een geschutspoort, waaruit de loop van het stuk dreigend naar
buiten stak, een vervaarlijke toren teekende zijn omtrek af en toonde
den loop van twee monsterkanonnen, terwijl een eind verder de
overblijfselen van de brug te zien waren, dragend de voor eeuwig
zwijgende semaphoren.
Spookachtig was de indruk, die het gezonken vaartuig maakte daar op
den bodem der zee. Twee groote schoorsteenen half in elkaar gezakt,
hingen nog aan stevige metalen draden en een mast met twee marsen
stak omhoog.
Palmer bracht de duikboot achteruit, om niet in aanraking te komen
met de gevaarlijke brokstukken van het wrak, die in den omtrek
verspreid lagen en de beide officieren riepen tegelijk: "De
Victoria!"
Inderdaad hadden ze daar de treurige overblijfselen gezien van een
prachtig slagschip, dat twintig jaar vroeger was ondergegaan. Een
groot verlies had die ondergang veroorzaakt voor de Britsche vloot.
Op een diepte van tachtig vademen rustte de Victoria, nadat ze geramd
was door de Camperdown en door een zonderlingen samenloop van
omstandigheden was de duikboot van de Olijftak op dezelfde plek
gedaald.
"Als de seingevers tusschen de overblijfselen van het wrak zijn
terecht gekomen, zijn we ze stellig kwijt," zei Palmer.
"Daardoor konden we de dreggen niet ophalen, ze raakten hier vast,"
voegde Gerald erbij. "Maar, wat de seingevers aangaat, ik geloof
niet, dat ze op het wrak zijn terecht gekomen, want de vliegmachine
zal bij 't zinken door den weerstand van de vleugels wel een
spiraalvormiger weg gevolgd zijn. We moeten maar goed in de omgeving
rondkijken. Zijn we ver genoeg achteruit gegaan om te keeren?"
"Ik denk het wel," antwoordde Palmer, die nu bevel gaf langzaam
vooruit te gaan, terwijl hij het roer omzette.
Vijf en zeventig vademen; nog maar dertig voet van den zeebodem! Het
zoeklicht, hoe sterk ook, kon slechts een zwak lichtschijnsel doen
dringen door de modderlaag, die den bodem vormde van deze
water-woestijn.
"De boot houdt zich prachtig," zei Palmer met voldoening. "Er is
nergens een zwakke plaats te vinden."
"Ja, we behoeven niet bang te zijn. Laten we nu maar goed uitkijken."
In groote cirkels ronddraaiend, zette de boot haar onderzoekingstocht
voort.
Het zoeklicht bescheen een plek, die de meest denkbare verlatenheid
te aanschouwen gaf. In niets kwam het hier overeen met de
afbeeldingen, die kunstenaars maken van de ruimte onder den
zeespiegel. Geen zacht, groenig licht, geen wapperend zeewier en
zilver- of goudgeschubde visschen, maar een uitgestrekt gebied van
dikken modder en daarboven donker water, dat geen licht doorliet.
Gerald begon te wanhopen aan den uitslag van hun onderneming, want ze
dwaalden op goed geluk in den doolhof van modder, zonder eenige
aanwijzing voor den weg, dien ze hadden te volgen. Hij keek op zijn
horloge en zag, dat het kwartier vóór vijven was. Binnen vijf en
twintig minuten zou de boot weer aan de oppervlakte moeten zijn,
anders zou kapitein Brookes gaan denken, dat er een ongeluk gebeurd
was.
"Hoe is het met de lucht beneden?" riep Palmer.
"Zuiver genoeg, Sir; de muizen zijn zoo vroolijk als 't kan,"
antwoordde een van de matrozen.
Gerald greep op dat oogenblik Palmer bij den arm en wees naar buiten
en toen de luitenant de aangewezen richting met de oogen volgde,
bemerkte hij een verwarde hoop gebogen aluminiumstangen en zeildoek.
Daar lag het vernielde vliegtuig. Tusschen de overblijfselen van zijn
machine lag het lijk van den aviateur.
De eerste opwelling, die de beide jongemannen kregen, was er een van
afschuw van dit treurige tooneel en onwillekeurig wendden ze het
hoofd af, maar ze begrepen toch, dat ze moesten uitkijken naar de
seingevers, hoezeer het hun ook tegenstond. De boot was tot stilstand
gebracht en rustte met de kiel op de modderlaag, terwijl het koude
zoeklicht strak gericht bleef op het beklagenswaardig slachtoffer van
het treurspel.
"Daar zijn ze, geloof ik; daar onder zijn jas. Zie je die bobbels
wel?" riep Palmer.
"Dat zal wel zoo zijn," stemde Gerald mee in. "En wat moeten we nu
doen, denk je?"
"Recht boven de vliegmachine zien te komen, de electrische dreg in
werking brengen en dan de ballast-tank laten leegloopen."
"Ben je niet bang, dat we er tegenaan varen en dat de schroef erin
verward zal raken?"
"We zullen voorzichtig zijn. Vooruit, daar gaan we!"
Langzaam bereikte de boot haar doel; de dreg werd neergelaten en
greep het verongelukte vliegtuig.
"Langzaam omhoog!"
De motoren, die den druk van het water op de schroefbladen moesten
overwinnen, hadden spoedig de grenzen van haar kracht bereikt, maar
hoe ze ook werkten, de duikboot bleef onbeweeglijk aan den zeebodem
verankerd. Een poosje later zakte ze met korte rukken hulpeloos in de
modderlaag.
"Maak de voorste ballast-tank leeg," commandeerde Palmer bedaard.
Twee mannen wilden het bevel uitvoeren, maar al hun inspanning was
vergeefsch, want de druk van buiten was zoo sterk, dat het water niet
uit de pomp kon worden gestuwd.
"Schei er maar mee uit," zei Palmer, toen hij zag, dat dit middel
niet kon worden toegepast. "Wat moeten we nu beginnen?" fluisterde
hij tot Gerald.
"Laat met alle kracht achteruit werken."
Een oogenblik scheen het, of deze beweging gunstige gevolgen hebben
zou: de boot ging omhoog, maar spoedig kwam de teleurstelling, want
ze zakte weer terug naar haar vorige plaats.
"Ook al vergeefsch!" riep Palmer spijtig. "Nu zijn al onze middelen
uitgeput; zeg niets, waardoor de mannen den moed zouden kunnen
verliezen, maar ik heb geen hoop meer op redding."
Gerald antwoordde niet. Werktuiglijk keek hij op zijn horloge: er was
een uur en twintig minuten verloopen, sedert ze de Olijftak hadden
verlaten.
HOOFDSTUK XXIII.
TOCH NOG GERED.
"Het zoeklicht kunnen we wel dooven," zei Gerald.
"Het is ons verder van geen nut en we moeten zuinig zijn met de
lucht."
"We hebben nog zuurstof voor twee uur," merkte Palmer op, "we moesten
de motoren maar met volle kracht vooruit laten werken; schaden kan
dat niet en hoe langer we stil blijven liggen, des te dieper zinken
we in de modder."
De motoren werden aangezet, maar een gunstige uitwerking had dit
niet; de toestand bleef even gevaarlijk.
Palmer stelde nog voor, alle torpedo's uit te werpen, om daardoor het
gewicht van de boot te doen verminderen, maar Gerald toonde hem aan,
dat dit een zeer gevaarlijk middel zou blijken, doordat er alle kans
bestond, dat er dan water in de luchtkamer zou stroomen. Dit plan
werd dus ook opgegeven.
"Neem me niet kwalijk, Sir," riep één van de matrozen, "maar zullen
we hier voor goed moeten blijven?"
"'t Begint er wel naar te lijken," antwoordde Palmer openhartig.
"Laat mij er dan uit door de luchtklep; ik wil het er op wagen en
neem een kabel mee omhoog. We hebben wel honderd vademen touw aan
boord."
"Onmogelijk, man, je zoudt worden doodgedrukt."
"We zullen er toch iets op moeten vinden, Sir. De zuurstof lijkt op
te raken, want de muizen worden slaperig."
"Ik dacht, dat we nog voor twee uur genoeg hadden."
"Ik ook, Sir, maar dat is bepaald een vergissing geweest."
"Dan moeten we onze toevlucht nemen tot de zuurstofmaskers. Haal ze
te voorschijn. Daarmee kunnen we tenminste ons leven een paar uur
verlengen, ofschoon ik niet inzie, wat dit ons eigenlijk geeft."
Langzaam kropen de minuten om. Een enkel gloeilampje verlichtte het
treurige tooneel, dat het inwendige van de duikboot te zien gaf. De
bemanning begreep, dat ze levend begraven waren.
"We moeten toch probeeren, in verbinding te komen met de Olijftak,"
zei Gerald, met een krachtige poging om zich te verzetten tegen de
loomheid en slaperigheid, die over hem kwamen. "Laten we een rapport
opmaken van onze wederwaardigheden; we kunnen het in één van de
torpedo's sluiten en die naar boven schieten."
"Waartoe kan dat dienen?" vroeg Palmer. "Ze kunnen ons toch niet
helpen."
"Ze zullen dan tenminste weten, wat we hier ontdekt hebben en dat we
onzen plicht hebben gedaan."
"Vooruit dan maar; ik blijf het echter als vergeefsche moeite
beschouwen."
Gerald maakte nu een kort verslag op, van hetgeen ze hadden
ondervonden, dat door hem en Palmer onderteekend werd. Het stuk werd
in een torpedo gesloten, die daarna werd gelanceerd.
Toen er niets meer te doen was, bereidde de bemanning zich voor op
het ergste. Een eigenaardig gevoel maakte zich van hen meester.
Oogenschijnlijk onverschillig voor het dreigende gevaar, zaten ze bij
elkaar met het hoofd gebogen op de armen, die gekruist op tafel
rusten. Zoo gevoelden ze de slaap over zich komen, die den dood zou
voorafgaan. De witte muizen, zoo uiterst gevoelig voor onzuiverheid
in de lucht, waren gestorven en het eenige geluid, dat men hoorde in
deze schrikwekkende omgeving, was het gerucht van de dynamo en de
moeilijke ademhaling van de ongelukkige zeelieden.
Hoe lang Gerald in dien staat van halve verdooving had doorgebracht,
wist hij zich later niet meer te herinneren; begrip van tijd en
plaats had hij niet meer. Hij wist welk lot hem wachtte en toch was
hij er onverschillig voor.
Plotseling werd zijn oor getroffen door een geluid van twee stukken
metaal, die tegen elkander bonsden; hij hoorde het, maar lette er
verder niet op. Er schoof iets langs de buitenzijde van de boot en
dat bracht hem aan het droomen van één van die reusachtige
zeemonsters, die alleen op zeer groote diepte leven en een enkele
maal op het strand worden geworpen.
Langzaam begon de voorsteven van het vaartuig te rijzen.
Met een schok richtte Gerald zich op; hij kon niet gelooven aan de
juistheid van hetgeen hij meende op te merken. Zijn makkers, die
geheel bezwijmd waren, rolden van hun zitplaatsen op den vloer. Hij
greep zich vast aan de onderste sport van de ladder, die naar den
commando-toren voerde en probeerde zijn gedachten meester te worden
en een verklaring te vinden voor het wonderlijke verschijnsel, dat de
boot, die hulpeloos op den zeebodem lag, plotseling omhoog steeg.
En weer voelde hij over zich komen, maar nu sterker dan straks, dat
gevoel van doffe slaperigheid. Zijn kracht begon hem te begeven, hij
zou de ladder moeten loslaten en hij was op het punt neer te vallen
bij zijn makkers, die daar over elkaar op den vloer lagen -- dood
misschien -- toen er eensklaps een stem duidelijk riep: "Maak de
ballasttanks ledig!"
Het geluid kwam uit den ontvanger van de draadlooze telephoon en de
boot moest wel een flink stuk gestegen zijn, om het toestel weer
geschikt te maken voor zijn dienst.
Met groote inspanning sleepte Gerald zich naar de tank midscheeps en
greep den hefboom van de pomp. Hij haalde de stang over en de pomp
begon te werken.
Helder zonlicht stroomde plotseling door de venstertjes van den
commando-toren. Gerald strompelde tegen de ladder op en schoof den
zwaren grendel weg, maar hij was niet in staat de metalen
afsluitplaat opzij te krijgen. Het duizelde hem en er kwam een waas
voor zijn oogen; doch dat duurde maar een oogenblik. De onderzeeër
had de oppervlakte bereikt en een onderofficier van de Olijftak had
den sprong naar 't dek van het kleine vaartuig gewaagd. Hij had den
commando-toren opengerukt en Gerald naar buiten getrokken, waar deze
in de frissche lucht weer tot zich zelf kwam.
"Breng vlug de mannen over!" riep kapitein Brookes. "'t Is te hopen,
dat ze nog niet allen dood zijn."
Gerald was het eerst op het dek van de Olijftak en geleund op den arm
van zijn vriend Stockton strompelde hij naar de campagneladder om
zijn hut op te zoeken.
"'t Is een mooie geschiedenis," hoorde hij kapitein Brookes zeggen.
"'k Had nooit gedacht, dat Palmer zich niet aan mijn bevelen zou
houden en er is tenslotte niets mee gewonnen ook."
Gerald liet zijn vriend los, richtte zich op uit zijn gebogen
houding, liep naar den kapitein en zei: "Neen, Sir, er is wel wat mee
gewonnen. Het vermiste deel van de marconigraaf hangt onder de boot."
Deze laatste inspanning had zijn krachten geheel uitgeput en als
luitenant Sinclair hem niet gegrepen had, zou hij op het dek zijn
neergevallen.
"We dachten, dat het met jullie allemaal gedaan was, toen het uur
verstreken was en de boot niet bovenkwam," zei Stockton den volgenden
morgen.
"Dat begreep ik wel, maar hoe zijn ze erin geslaagd ons omhoog te
krijgen?"
"Vooreerst doordat de fortuin gunstig was en dan door het flink
optreden van kapitein Brookes. Zoodra we vreesden, dat er iets met de
duikboot gebeurd was, zond hij een paar mannen naar het kabelruim, om
de groote dreg gereed te houden. De dynamometer gaf slechts een zeer
zwakken stroom aan. ----"
"Dat moet dan geweest zijn, nadat wij het zoeklicht hadden gedoofd en
de motors hadden stopgezet."
"In elk geval was de aanwijzing voor ons voldoende om de ligging van
de duikboot te bepalen. Driemalen werd de dreg zonder eenig gevolg
neer gelaten en terwijl we daarmee bezig waren, kwam er een torpedo
boven."
"Ja, we hebben er één afgeschoten en wel zóó, dat de schroef van
het projectiel niet kon werken, waardoor het bijna loodrecht omhoog
ging."
"Toen de torpedo boven water kwam en dat gebeurde op een bootlengte
van de sloep af, vloog ze nog wel twintig voet de lucht in. Als ik er
niet bij geweest was, zou ik het niet hebben willen gelooven. We
hebben het projectiel daarna aan boord gehaald en onderzocht, waarbij
het schrijven, dat erin geborgen was, te voorschijn kwam."
"We wisten nu, dat jullie waarschijnlijk allemaal dood waart en dat
de boot niet door den waterdruk bezweken was, zooals kapitein Brookes
gevreesd had. Eensklaps greep de dreg vast en door een ontzettend
groote kracht aan te wenden, kregen we den last omhoog. Angstige
oogenblikken volgden nog, omdat we niet wisten, of de kabel het wel
uithouden zou. Maar alles is goed afgeloopen, zooals je weet."
"Hoe gaat het met Palmer?"
"Slecht. Hij was ook nog niet heelemaal hersteld van die
opium-vergiftiging en daarop weer deze geschiedenis. De andere mannen
knappen flink op; maar Gerald, neem je scheerspiegel eens en houd hem
zóó, dat je je achterhoofd zien kunt."
Tregarthen deed, wat zijn vriend zei, en tot zijn groote verbazing
zag hij in zijn donkerbruin haar een witte plek, ter groote van een
manshand.
"Dat is vreemd, Jack. Ik herinner me, dat ik naar mijn hoofd gegrepen
heb, toen de boot begon te stijgen."
"Je hebt voor je verder leven tenminste een herinnering aan je
verblijf op een diepte van tachtig vademen onder het zeevlak."
"Daar heb ik geen uiterlijke herinnering aan noodig," zei Gerald,
terwijl hem een rilling overviel.
"Komaan, 't is alles nu voorbij en goed afgeloopen ook. Maar weet je,
wat heel vreemd was in de beschrijving van jullie wederwaardigheden,
die in de torpedo naar boven kwam? Dat er met geen enkel woord
gesproken werd over de seingevers van het marconi-toestel en daar was
toch alles om begonnen."
HOOFDSTUK XXIV.
EEN MISLUKTE AANSLAG.
De teruggevonden seingevers hadden niet geleden van het water, dank
zij de stalen cylinders, waarin ze besloten waren.
Een duiker had ze met het lijk van den aviateur naar boven gebracht
en daarna liet men de beschadigde vliegmachine, waarvan men toch geen
nut kon hebben, weer zinken. Den ongelukkigen Flew wilde men met de
plechtigheden, die aan boord gebruikelijk zijn, een graf in de golven
geven maar voor men daartoe overging, werd er nog een belangrijke
ontdekking gedaan. Tusschen de beide lagen van zijn rubber-overjas
werden papieren gevonden, waaruit bleek, dat hij geen Amerikaan was.
Hij stond als politiek agent in dienst van een van de groote
mogendheden van het Europeesche vasteland en had een opdracht, om
zich zooveel mogelijk op de hoogte te stellen van alle bijzonderheden
omtrent de Olijftak. Zijn vlucht over de Straat van Messina was een
onderdeel van een vooraf beraamd plan en hoewel de val van zijn
machine onder invloed van de Z.-stralen niet was voorzien, had die
hem toch goede diensten bewezen voor het bereiken van zijn doel.
De schade, die aan de inrichting voor de Z.-stralen was toegebracht,
bleek zeer belangrijk. Om ze te herstellen moest het groote bord in
den commando-toren worden losgebroken, om de draden tusschen de
dynamo en den toren te kunnen bereiken. Gedurende die werkzaamheden
zou er ook geen gebruik kunnen gemaakt worden van de Z.Z.-stralen,
zoodat het geen wonder was, dat kapitein Brookes aanspoorde tot den
grootsten spoed bij den arbeid, om zoo gauw mogelijk weer over al
zijn krachten te kunnen beschikken.
Men bevond zich in de nabijheid van de Santorineilanden en de
kapitein besloot daar voor anker te gaan, om dan meteen van dit
oponthoud gebruik te maken om de kiel van het vaartuig te reinigen.
De eilandengroep was van vulcanischen oorsprong, wat duidelijk bleek
uit de aanwezigheid van talrijke zwavelbronnen. Een groot voordeel
was het, dat het water van die bronnen uitstekend geschikt was om het
zeewier en de schaaldieren, die zich aan de kiel hadden gehecht, te
dooden en weg te nemen. Langer dan anderhalf etmaal zou men niet
noodig hebben voor de reiniging van het schip.
"Wat zoudt ge zeggen van een bezoek aan het grootste eiland, mijne
heeren?" vroeg kapitein Brookes in den kring van zijn officieren. "De
krater op Megalos moet zeer belangwekkend zijn."
"Ik zal graag van de partij zijn," riep Sinclair, "als ik tenminste
van boord kan gemist worden."
Gerald, Stockton, Temple en Slade meldden zich ook aan, om deel te
nemen aan het uitstapje.
"Best," zei de kapitein, "maar denkt eraan niet te dicht in de
nabijheid van de heete springbronnen te komen. Blijft ook zooveel
mogelijk in zicht van ons schip en keer dadelijk terug, wanneer ik
daartoe een sein geef."
Na een moeilijken en afmattenden tocht van twee uur hadden de
officieren den rand van den krater bereikt. Ze zetten zich neer om
uit te rusten en kwamen onder den indruk van de doodsche stilte en
verlatenheid te midden van dit woeste natuurtooneel.
Eensklaps echter sprong Jack Stockton op en riep: "Kijk eens, wat is
dat daarginds?" Hij wees naar een langwerpig geelachtig voorwerp, dat
op een afstand van eenige honderden meters in een diepe vallei in de
lucht zweefde.
"Dat is een luchtschip -- een van het Zeppelin-type," zei Gerald.
"Wat zou dat ding hier komen uitvoeren?"
"Je hebt gelijk," riep Sinclair, die zijn zeekijker gebruikte. "Dat
is wel een zonderlinge ontdekking. Het luchtschip ligt blijkbaar voor
anker."
"Kijk en daar komen een paar mannen dezen kant uit; ze kwamen langs
een touwladder naar beneden. 'k Ben benieuwd, of ze ons hebben
opgemerkt."
"Dat denk ik niet. Ze doen anders wel geheimzinnig! 'k Geloof niet,
dat ze veel goeds in den zin hebben. We moesten ons verdekt
opstellen, om te zien, wat ze in hun schild voeren."
De eenige dekking van beteekenis werd gevormd door een boschje
verdorde doornstruiken. Er zaten geen bladeren aan, maar als de
officieren er achter gingen liggen, plat op den grond tusschen de
verspreide rotsblokken, dan waren ze vrij goed verborgen en konden de
bewegingen volgen van de mannen van het vreemde luchtschip.
Deze hadden het blijkbaar ook op het doornboschje gemunt. Ze waren
met hun drieën, zwaar gebouwde mannen in bruine uniformen. Eén van
hen droeg een revolver in een foudraal op zijde, terwijl de anderen
ongewapend schenen te zijn en alle drie droegen ze veldkijkers aan
een riempje om den hals.
Zonder iets kwaads te vermoeden, kwamen ze naar het doornboschje en
plaatsten zich ervoor, zoodat ze slechts door enkele takken van
Gerald en zijn vrienden gescheiden waren. Ze namen hun kijkers ter
hand en richtten die nieuwsgierig op de Olijftak. Doordat ze zich
voor het boschje geplaatst hadden, staken ze niet af tegen de heldere
lucht en liepen dus geen gevaar door de schepelingen te worden
opgemerkt.
"Daar ligt dan het schip," riep een van de vreemdelingen in een taal,
die Gerald en Sinclair gemakkelijk aan de keelklanken herkenden.
"Adolf heeft dus wel gelijk gehad."