"'t Uiterlijk bedriegt dikwijls, kapitein Dorge. Maar laten we daar
niet over twisten. In allen gevalle ligt daar het schip en hebben we
een prachtige gelegenheid om het uit den weg te ruimen."
"Zou veertig kilogram van de springstof voldoende zijn?"
"Genoeg om het schip geheel te vernietigen. Vóór de maan om twee
uur opkomt moeten we klaar zijn."
"En als we missen?"
"Onmogelijk. Ik zal de 'Vorwärts' vlak boven het vaartuig brengen en
laten dalen tot op dertig meter afstand van het dek. Ze zullen daar
aan boord op deze plaats geen aanval verwachten en stellig niet uit
de lucht."
Gerald stootte Sinclair veelbeteekenend aan en deze waarschuwde
Temple met een gebaar, dat geen naderen uitleg behoefde en dat ook
door Stockton begrepen werd.
"Vooruit!" fluisterde Sinclair.
Tegelijk sprongen de vier mannen overeind, drongen door de struiken
en wierpen zich op de verbaasde vreemdelingen.
De man, die als kapitein Dorge was aangesproken, probeerde zijn
revolver te trekken, maar Gerald had zijn armen om hem heen geslagen
en Jack Stockton maakte zich meester van het wapen. Hij werd op den
grond geworpen, waar Stockton hem gemakkelijk in bedwang hield.
Temple, een pootige Schot, had het gauw klaargespeeld met zijn
tegenstander, maar Sinclair had meer moeite en deze slaagde eerst na
een woedend vuistgevecht erin zijn vijand neer te vellen.
"Wat moeten we nu doen?" hijgde Gerald, terwijl hij het zweet van
zijn voorhoofd wischte.
"De kerels naar boord brengen," meende Sinclair. "We hebben dan drie
gijzelaars in handen, die ons een goed gedrag van de verdere
bemanning van het luchtschip waarborgen."
"Gemakkelijker gezegd dan gedaan."
"'t Zal meevallen. Maar we moeten op onze hoede zijn, want die vriend
daar begint ook al bij te komen, 't lijkt dat de opstoppers, die ik
hem toegediend heb, hebben uitgewerkt."
Al pratende had Sinclair den twee gevangenen beduid, dat ze moesten
opstaan. Hij plaatste ze vlak naast elkaar en bond toen den
rechterarm van den een met een riem aan den linkerarm van den ander.
Als meerdere voorzorg bond hij nog de duimen aan elkaar met een dun
touwtje.
Intusschen hadden Gerald en Stockton den nog half bezwijmden officier
op de been geholpen en tusschen hen in genomen, en toen werd de
terugtocht naar het schip ondernomen. Temple hield met de revolver in
de vuist, de gevangenen scherp in het oog, zoodat ze niet aan eenig
verzet denken konden.
Twee uren hadden de vrienden noodig gehad om den krater te bereiken,
maar den terugweg legden ze af in twintig minuten en toen ze het
strand bereikten, vonden ze daar een boot om hen naar boord terug te
brengen.
"Wat is er aan de hand heeren?" vroeg kapitein Brookes, toen het
gezelschap het campagne-dek bereikte. "Ik had al door den kijker
gezien, dat er iets bijzonders gebeurde."
Gerald bracht een kort verslag uit, van hetgeen ze ondervonden
hadden.
De kapitein fronste de wenkbrauwen en zei: "dat is slecht nieuws. Het
versterkt me in mijn vermoeden, dat er in Europa iets broeit. Toch
bericht onze agent in Swanage nog daareven in een marconigram, dat
alles rustig is en er geen onmiddellijk oorlogsgevaar dreigt. Maar in
allen gevalle is het uitstekend, dat ge het helsche plan van deze
lieden verijdeld hebt. Ik zal nu eerst eenige vragen stellen aan uw
gevangenen."
Op een desbetreffende vraag, gaf de oudste der drie vreemde
officieren te kennen, dat hij Hans von Rippach heette, doch kapitein
Brookes meende alle reden te hebben, te veronderstellen, dat hij een
lid van een der voornaamste Europeesche vorstenhuizen vóór zich
had.
"En," vervolgde hij, "mag ik de reden weten, waarom ge van plan
waart, mijn vaartuig verraderlijk te overvallen in neutraal
zeegebied?"
"Aan een zeeroover geef ik geen verklaring van mijn daden,"
antwoordde de ander op onbeschofter toon.
De kapitein brak toen dadelijk het gesprek af en gaf bevel de
gevangenen naar beneden te brengen en ze onder gewapend toezicht in
een hut op te sluiten.
"En moet nu het luchtschip geen lesje hebben?" vroeg luitenant
Sinclair. "We kunnen zonder veel moeite een zesponder aan wal
brengen."
"Dan komt de bevolking van het eiland in rep en roer. Ik denk me
tegenover de Zeppelin alleen tot verdediging te bepalen. Durven ze
ons aanvallen, dan kunnen ze op een warme ontvangst rekenen, maar wij
moeten alle krachten inspannen om zoo gauw mogelijk klaar te komen.
Onmiddellijk zetten we dan koers naar de Engelsche wateren, want ik
heb een voorgevoel, dat er heel spoedig een oorlog in Europa zal
uitbarsten."
Vóór de nacht viel had de Olijftak Santorin verlaten en was op weg
naar de Straat van Gibraltar. Onophoudelijk werd er naar den agent te
Swanage geseind om inlichtingen, zoodat de man eindelijk kort en goed
antwoordde, dat er niets gebeurde en dat hij dus verder niets zeggen
kon.
Vier uren na het doorvaren van de Straat kwam er echter een
marconigram binnen, dat groote opschudding verwekte. Het luidde:
"Duitschland en Oostenrijk zijn de vijandelijkheden tegen Engeland
begonnen."
HOOFDSTUK XXV.
DE GROOTE ZEESTRIJD.
Binnen een paar uren was de geheele bemanning op de hoogte van den
staat van zaken, tenminste voor zoover de Engelsche agent die kon
meedeelen. Er hadden belangrijke gebeurtenissen plaats, maar over het
geheel was men onkundig omtrent de eerste voorvallen op het tooneel
van den strijd.
Drie groote Europeesche Staten hadden een geheim verbond gesloten
tegen Engeland en zoo geheimzinnig was men te werk gegaan, dat het
Ministerie van Buitenlandsche zaken van het Britsche rijk er niets
van te weten was gekomen. Om in staat te zijn den gemeenschappelijken
vijand onverwacht op het lijf te vallen, hadden de bondgenooten
gelijktijdig groote herfst-manoeuvres aangekondigd voor hun vloten in
den Atlantischen Oceaan. Zoo konden ze zonder argwaan te wekken, een
groote scheepsmacht bijeenbrengen op een afstand van twaalf uur
stoomens van de zuidkust van Engeland.
Terwijl dit plaats had, kruiste het grootste gedeelte van de Britsche
vloot op de westkust van Schotland en Ierland en een grooter aantal
schepen dan gewoonlijk lag in de havens om de schade te herstellen,
die ze bij onvoorziene ongevallen hadden beloopen. Daarover kon dus
de opperbevelhebber, Sir Protheroe Hobbes niet beschikken.
In de week, die vooraf ging aan het uitbreken van den oorlog, waren
er verschillende dingen gebeurd, waarvan men toen de beteekenis niet
overzag.
Een groot vrachtschip, dat op naam stond van een Engelsche reederij
en geladen met Noorsch graniet voor de havenwerken, raakte bij het
binnenvaren van de haven van Portsmouth aan den grond. Dit gebeurde
juist tegenover de Round Tower, waar de invaart het smalst is. Onder
den invloed van den krachtigen vloedstroom zwaaide het schip rond en
tegelijkertijd had er midscheeps een zoo hevige ontploffing plaats,
dat het in tien minuten zonk. Hierdoor was het vaarwater versperd en
lagen er zes krachtige eskaders van de Britsche marine in de haven
opgesloten.
Op denzelfden dag had er een geheimzinnige aanslag plaats in
Schotland; de middelste bogen van de brug over de Forth werden
opgeblazen. Deze misdaad werd toegeschreven aan anarchisten, die in
den laatsten tijd bijzonder krachtig optraden. Gelukkig gingen er
geen menschenlevens bij verloren, maar de gevolgen waren ernstig
genoeg, want zoolang de vergruizelde steenmassa niet was weggeruimd,
was de maritieme basis van Rosyth geheel onbruikbaar.
Den volgenden avond verlieten de gezanten van de verbonden staten
Londen en zonder voorafgaande oorlogsverklaring begonnen de
vijandelijkheden.
Begunstigd door de duisternis deed een vijandelijke luchtvloot een
aanval op de voornaamste zeemagazijnen voor de Engelsche strijdmacht.
De aanval op Priddy's Hard Magazine mislukte door het koelbloedig
optreden van een jongen luitenant-aviateur, die het luchtschip
aanviel en verdreef, maar de vijand slaagde er in de magazijnen van
Bedenham, Chattenden en Bull Point te bombardeeren. Het luchtschip,
dat den aanval op het laatste punt deed, daalde zoo laag, dat het
zelf beschadigd werd door de ontploffingen, die het veroorzaakte en
genoodzaakt was te landen. De bemanning werd onmiddellijk gevangen
genomen.
Een klein kustvaartuig, dat Plymouth Sound binnenvoer, stootte op een
onderzeesche mijn op een paar kabels lengte van de Mewstone en
verging met man en muis. Bij onderzoek bleek nu, dat er in het Kanaal
een groot aantal drijvende mijnen waren gestrooid, zoodat een
oorlogsschip, dat de haven van Plymouth wilde verlaten, een zekeren
ondergang tegemoet ging.
Intusschen trachtten de Verbondenen, die beschikten over een
meerderheid van zeven Dreadnoughts en super-Dreadnoughts, elf
gepantserde kruisers en ruim twintig torpedovernielers, de vloot van
Admiraal Hobbes van haar basis af te snijden en te noodzaken tot het
aannemen van een zeestrijd. Was de vloot vernietigd, dan zou een
gering aantal landingstroepen voldoende zijn om het Koninkrijk in
enkele weken te veroveren en dan zouden zeker de ondergang en
verdeeling van het rijk volgen.
Admiraal Hobbes kreeg per marconigram bericht van het uitbreken van
den oorlog en gaf onmiddellijk bevel aan zijn vloot, koers te zetten
naar het Engelsche Kanaal.
Zijn bekende moed en doortastendheid deden hem niet rekenen met de
meerdere sterkte van den vijand: hij besloot aan te vallen en wilde
trachten een beslissenden slag te slaan.
Bij het aanbreken van den dag, volgende op het vertrek van de
Britsche vloot van Bantry Bay, brachten twee kleine torpedojagers,
die op verkenning waren uitgeweest, de tijding, dat de vijandelijke
schepen zich in slagorde bevonden in noordwestelijke richting.
Deze inlichtingen waren wel juist, maar onvolledig, want een andere
krachtige vijandelijke divisie stoomde in het zuid-westen evenwijdig
aan de waargenomen scheepsmacht. De Engelsche vloot zou zich dus
tusschen twee vuren bevinden, zoodra de strijd zou aanvangen.
Admiraal Bloch, die bevel voerde over de vereenigde vijandelijke
vloten, had zijn maatregelen dus op uitstekende wijze genomen, maar
hij had geen rekening gehouden met de Olijftak. Hij was de man die
het plan gevormd had, om dat machtige schip te doen vernietigen door
een Zeppelin.
De bemanning van het luchtschip had wel telegraphisch bericht
gezonden van het mislukken der onderneming, maar ongelukkigerwijze
had een Grieksch postbeambte het codewoord voor "ontsnapt" verwisseld
met dat voor "vernield."
Nu meende admiraal Bloch, dat er van de Olijftak geen gevaar meer te
duchten was en hij aarzelde niet langer een ontmoeting te zoeken met
de Britsche vloot, die wel sterk, maar in aantal schepen zijn mindere
was.
Intusschen kliefde de Olijftak de baren van de Golf van Biscaye. Op
een afstand van tweehonderd mijlen haalde ze een transportschip in,
dat, onbekend met de dreigende gevaren, naar het vaderland stoomde.
Kapitein Brookes bracht den commandant op de hoogte van den
oorlogstoestand, waarop het vaartuig den steven wendde en onder
daverend "hoezee" van de troepen, die het aan boord had, koers zette
naar Gibraltar.
Wat er aan de electrische toestellen van de Olijftak ontbrak, was
weer geheel in orde gebracht. De 15 c.M. granaten waren geladen met
de verschrikkelijke ontploffingsstof en alle waterdichte schotten
gesloten. Niets was verzuimd om het schip gereed te doen zijn voor
het moeilijke werk, dat wachtte.
Eindelijk werd in de verte in het noordwesten het doffe gerommel van
een kanonnade gehoord; de voorhoede van de vloot van admiraal Bloch
was in aanraking met den vijand gekomen.
Het werd een langdurige en hevige strijd. De Britsche vloot, die in
dubbele linie een frontaanval deed, leed groote verliezen. Admiraal
Bloch week onder krachtig vuren terug, gebruik makend van mijnen en
torpedo's, totdat de tweede divisie de Engelsche vloot in de flank
kon aanvallen.
Binnen twintig minuten waren de Engelsche Orion en Thunderer in den
grond geboord, terwijl de Princess Royal, Vanguard, Inflexible en
Foudroyant buiten gevecht gesteld waren. Ondanks het uitstekende
stelsel van waterdichte schotten maakten de schepen veel water en
waren de krachtige centrifugaal-pompen bijna niet in staat ze
drijvende te houden. Vooral de Foudroyant was zoo ernstig beschadigd,
dat het schip onmogelijk verder aan den strijd kon deelnemen.
Admiraal Hobbes kon er niet aan denken zijn beschadigde schepen te
beschermen. Hij moest ze aan hun lot overlaten en gaf den kapiteins
het bevel, te trachten Haulbowline te bereiken en een ontmoeting met
zwervende kruisers van den vijand te vermijden.
Deze had ook zware verliezen geleden. Het groote slagschip Kronprins
Gustav was ernstig beschadigd in een strijd met de King George V en
bevond zich in zinkenden toestand. De Askoldin en de Trodet waren
ondergegaan en in de diepte verdwenen, terwijl de Styx, de Von der
Flack en Gelion, tot wrakken geschoten, met moeite de andere schepen
volgden. Ze werden door de Engelsche vloot ingehaald en gaven zich
onvoorwaardelijk over, doch admiraal Hobbes kon er niet aan denken,
ze in bezit te nemen.
Eensklaps sprong met donderend geraas een kleine kruiser uit elkaar,
die op een afstand van twee kabelslengte achter de Donetz -- het
vlaggeschip van Bloch -- aanstoomde. Admiraal Hobbes had niet meer
verheugd kunnen zijn, wanneer één van de super-Dreadnoughts van den
vijand was ondergegaan, want het verongelukte schip was de Hekla, een
bekende, gevaarlijke mijnenlegger.
Zoo hadden de Verbondenen dus één schip meer verloren dan de
Engelschen, maar die uitslag was voor de laatsten verre van
bevredigend. Bleven gedurende den verderen strijd de verliezen in
dezelfde verhouding, dan zouden de vijanden, na geheele vernietiging
van de Engelsche vloot, nog beschikken over een overschot van elf
schepen, ongerekend de divisie van Vice-Admiraal Neboff.
Tegen den middag bevonden de vijandelijke vloten zich met een front
van ongeveer twaalf mijlen in de nabijheid van kaap Lizard. De
Britsche vlootvoogd keek verlangend uit naar versterking voor zijn
scheepsmacht en hoopte, dat een eskader uit Devonport een flankaanval
zou doen op den vijand. Daar de installatie voor draadlooze
telegraphie gedurende den strijd van zijn schip overboord was
geschoten, was zijn verbinding met den wal verbroken en kon hij dus
niet om hulp vragen.
Zijn hoop werd niet verwezenlijkt. Er kwam geen versterking, maar wel
kreeg hij van één van de kleine vaartuigen, die als verkenners
dienst deden, het onrustbarende bericht, dat een nieuwe vijandelijke
divisie de vloot naderde.
Een half uur later openden de schepen van Admiraal Neboff het vuur.
Admiraal Hobbes begreep nu, dat hij zich in een hoogst gevaarlijken
toestand bevond, tusschen twee vuren. Hij zou moeten kiezen tusschen
een smadelijke vlucht, of een strijd op leven en dood. De keus viel
hem niet moeilijk: hij besloot te strijden, zoolang er nog een enkel
schip zich boven water houden kon.
In dit gevaarvolle oogenblik naderde uit het zuidoosten een kruiser,
die de golven met verbijsterende snelheid doorsneed. Admiraal Hobbes
volgde het vreemde vaartuig met zijn kijker in gespannen verwachting.
Toen het op een afstand van ongeveer een mijl voorbij de half
ontredderde Herzog voer, loste deze een kanonschot. Onmiddellijk
volgde het antwoord: de Herzog werd als een kaartenhuis in elkaar
geschoten en verdween in een wolk van rook en stoom onder de
oppervlakte der zee.
"De hemel zij gedankt!" riep de Britsche Admiraal in geestdrift uit,
"daar is de Olijftak!"
HOOFDSTUK XXVI.
DE OLIJFTAK TOONT HAAR KRACHT.
Gedurende de drie dagen en nachten, die aan de verschijning van de
Olijftak op het tooneel van den strijd voorafgingen, was kapitein
Brookes haast niet uit de kleeren geweest. Hij had zich tevreden
gesteld met een nachtrust van hoogstens twee uur en het leek wel, of
hij niet meer slaap noodig had. De ontzettende lichamelijke en
geestelijke inspanning, die in deze dagen van hem gevergd werden,
deden zich echter van dag tot dag meer gevoelen.
Gerald spoorde hem herhaaldelijk aan, toch meer rust te nemen, maar
dan was zijn gewone antwoord: "als we deze zaak hebben afgedaan, zal
ik tijd in overvloed hebben om te rusten, dan zal mijn levenstaak
volbracht zijn."
Na een van die gesprekken noodigde hij Gerald uit, hem te vergezellen
bij een bezoek, dat hij aan de gevangenen wilde brengen.
Vóór de hut, waarin de officieren van het luchtschip waren
opgesloten, stonden twee gewapende matrozen. Bij de komst van den
kapitein schoven ze de grendels weg en volgden hem naar binnen, maar
deze beduidde hen door een gebaar heen te gaan.
"Goede morgen, Herr Hans von Rippach," sprak kapitein Brookes. "Het
spijt me, dat ik u lastig moet vallen met het verzoek, te willen
verhuizen naar een hut op het hoofddek, met het oog op mogelijke
gebeurtenissen in de eerstvolgende dagen."
"Onder het pantserdek, denk ik?" vroeg de officier in vloeiend
Engelsch met een spoor van vreemd accent. "Dat wil dus zeggen, dat ge
denkt aan een zeestrijd deel te nemen?"
De kapitein knikte toestemmend.
"En mag ik dan meteen deze gelegenheid waarnemen," vervolgde de
officier, "om mijn spijt uit te drukken over de ruwe wijze, waarop ik
u heb bejegend bij mijne komst hier aan boord?"
"Gaarne neem ik die verontschuldiging aan, Sir."
"En laat ik dan uw oorspronkelijke vraag ook beantwoorden en mij zelf
voorstellen als --"
"Prins E. von Bülow von Ratalewitz, tweede zoon van --," vulde de
kapitein aan.
"Dank u, Lord Stanningborough," viel de prins hem in de rede, met een
gezicht als van een schermer, die handig een stoot heeft afgeweerd.
"Het is me een behoefte u nog eens te herinneren aan uw welgeslaagde
meeting te Weenen in 1909."
"Ge hebt gehoord, wat de Prins zei," sprak de kapitein, toen hij tien
minuten later met Gerald de gevangenen verliet. "Houd die wetenschap
voor u zelf, want tot elken prijs wil ik vooralsnog onbekend
blijven."
Gerald had bijna met een "ja, mylord" geantwoord, maar hij bezon zich
nog bijtijds en zei: "ja Sir." Hij had den naam van Lord
Stanningborough vaak gehoord en wist dat deze een invloedrijk lid van
den Raad voor de Verdediging van het Rijk was geweest. In dien Raad
had Stanningborough krachtig gestreden tegen de richting, die men
daar volgen wilde en dat maakte hem bij velen gehaat. Zijn
persoonlijke vrienden beschouwden hem als een verblinden doordrijver,
terwijl de regeering geen aandacht schonk aan zijn ernstige
waarschuwingen. Geheel teleurgesteld, nam hij toen ontslag en wilde
een onderzoekingstocht maken door Uganda. Een maand na zijn aankomst
in Afrika was hij echter spoorloos verdwenen.
Er klonk een hoornsignaal: "Aan de stukken!" Uit den commandotoren
kon Gerald de talrijke masten zien van de divisie van Admiraal
Neboff, die aan den horizon kwam opdagen.
"Afzonderlijk vuren, voorste toren," commandeerde kapitein Brookes,
toen een granaat van een beschadigd, vijandelijk schip op honderd
meter voor den boeg van de Olijftak in zee viel.
"Prachtig," riep de kapitein, toen één schot uit den voorsten toren
den vermetelen aanvaller in den grond boorde. "Nu naar de schepen,
die den flankaanval ondernemen."
Neboff was nog geheel onkundig van de komst van de Olijftak. Hij
verkeerde in den waan, dat het schip vernietigd was en dacht er dus
niet aan, dat het zich in dezen strijd zou kunnen mengen. Zoodra hij
echter zijn dwaling bemerkte, besloot hij vóór alles dezen nieuwen,
machtigen vijand te vernietigen. Hij gaf het bevel aan alle schepen
van zijn divisie om tegelijk uit alle beschikbare 11 c.M. kanonnen
het vuur te openen op de Olijftak.
Gedurende twaalf seconden gierden meer dan vijftig zware granaten
door de lucht met een snelheid van ongeveer duizend meter per
seconde. Maar de kanonniers hadden niet gerekend met een zeer
belangrijke omstandigheid: ze hadden er niet aan gedacht, dat hun
vijand zich met een fabelachtige snelheid verplaatste. Het gevolg
daarvan was, dat de projectielen, uitgezonderd één, achter de
Olijftak in zee vielen, zonder eenige schade aan te richten.
De eenige treffer sloeg in het achterschip en deed het heele vaartuig
schokken en trillen.
"Laat een bootsman de schade opnemen," commandeerde kapitein Brookes,
"en begin onmiddellijk het lek te stoppen."
"De afstand?" ging hij voort, zich buigend over de wijzers voor de
Z.Z.-stralen.
"Veertien duizend meter, Sir," antwoordde Gerald.
Een oogenblik later was het, alsof de horizon in vlammen stond,
terwijl een dikke rookmassa omhoog warrelde en het doffe gerommel van
een groot aantal ontploffingen bromde in de verte.
"Hoezee!" riep Gerald, meegesleept door de opwinding van den strijd.
"De ----"
De woorden bestierven hem op de lippen, want toen hij achter zich
keek, zag hij, dat de kapitein in elkaar was gezakt met het hoofd op
het wijzerbord.
"Wat is er, Sir?" riep hij angstig.
Er kwam geen antwoord. Vlug tilde hij den kapitein op en legde hem
voorzichtig neer op den vloer van den commandotoren. Hij riep om hulp
en twee matrozen kwamen in den toren, en droegen den kapitein naar
beneden, waar ze hem aan de goede zorgen van Dr. White overlieten.
"Verzoek Mr. Sinclair het bevel over te nemen." beval Gerald en
zonder de komst van den luitenant af te wachten, gelastte hij den
kwartiermeester aan te houden op de linkerflank van de hoofdmacht van
den vijand.
Een enkele blik op het toestel voor de Z.Z.-stralen was voldoende om
tot de overtuiging te komen, dat dit machtige strijdmiddel voor het
oogenblik onbruikbaar was. Toen de kapitein het bewustzijn verloor,
waren de wijzers blijven staan, zooals hij ze gesteld had en daardoor
waren de bronnen, die de electriciteit leverden, geheel uitgeput. Met
de uiterste inspanning van de dynamo's zouden er toch nog zes uren
noodig zijn om aan de Z.Z.-stralen haar normale kracht terug te
geven.
De Olijftak was dus alleen op de kracht van haar kanonnen aangewezen
om den strijd tot een beslissend einde te brengen.
"Afzonderlijk vuren!" commandeerde de luitenant. Door de ontploffing
van de granaat in het achterschip was de electrische geleiding
tusschen de geschuttorens beschadigd, zoodat elke toren afzonderlijk
werken moest.
Binnen een kwartier was het lot van den vijand beslist: zijn
aanvankelijke overwinning was overgegaan in een ordelooze vlucht.
Verscheidene schepen werden in den grond geboord en de andere,
ingehaald door de snelle Britsche stoomers, heschen de witte vlag.
"Waar is Sinclair?" vroeg Tregarthen, toen de bemanning na het einde
van den strijd aan dek gekomen was.
"Beneden, Sir; gevaarlijk gewond."
"En de kapitein?"
"Hij is dood, Sir," antwoordde Dr. White, bijna niet in staat zijn
ontroering meester te blijven.
Gerald stond sprakeloos, zoo trof hem de droeve tijding en eerst na
eenige oogenblikken was hij in staat te vragen: "En waar werd hij
geraakt?"
"Hij werd niet getroffen door een kogel van den vijand, maar hij is
overleden tengevolge van de inspanning van de laatste dagen. De
opwinding gedurende het gevecht heeft zijn dood veroorzaakt."
"Verzoek den officieren op het campagne-dek te komen," gelastte nu
kapitein-luitenant Tregarthen.
In enkele korte woorden deed hij mededeeling van het groote verlies,
dat de bemanning geleden had door den dood van hun commandant en toen
haalde hij een schrijven te voorschijn, dat de kapitein hem had ter
hand gesteld en las de beschikkingen voor, die deze gemaakt had voor
't geval, dat hij mocht sneuvelen of ongeschikt worden, het bevel te
blijven voeren.
Toen de lezing was afgeloopen, haalde hij zelf de groene vlag neer en
heesch de blauwe halfstok. Als laatste hulde spreidde hij het
dundoek, waaronder kapitein Brookes gevaren en gezegevierd had, in
tegenwoordigheid van de overige officieren over het lijk van hun
beminden aanvoerder, dat in een van de hutten aan dek was neergelegd.
"De Admiraal komt aan boord, Sir."
Tregarthen keek uit en zag dat een sloep, die de admiraalsvlag
voerde, in aantocht was.
Met de gewone eerbewijzen werd Admiraal Hobbes aan boord ontvangen.