Er werd bevel gegeven de vaart van het schip te minderen, terwijl de

bemanning de noodige maatregelen voor het reddingswerk nam. Na enkele

minuten was de afstand al zooveel kleiner geworden, dat men van het

schip af met het bloote oog duidelijk het verongelukte vliegtuig zien

kon. Het dankte zijn behoud aan twee cilindervormige drijvers van

aluminium, maar het lag toch voor het grootste deel onder water. Van

de motor was niets meer te zien, de beide schroeven staken nog even

uit boven 't watervlak en de toppen der vleugels doken onder bij

iedere golving van de zee.

De vlieger, in een rubber overjas gestoken, zat tot aan zijn middel

in het water. Hij had al begrepen, dat er redding kwam opdagen en dat

had hem blijkbaar geheel op zijn gemak gesteld, want hij had met de

grootste bedaardheid een kolossale sigaar uit zijn koker genomen. Een

automatisch toestelletje verschafte hem een vlammetje en nu zat hij

te rooken, zoo rustig, alsof een val met een vliegtuig in zee het

meest alledaagsche avontuur is, dat een vlieger kan overkomen.

"Recht het roer!" commandeerde kapitein Brookes, toen de hooge romp

van de Olijftak langzaam voort gleed aan de lijzijde van het

drijvende vliegtuig en toen riep hij over de verschansing: "Ahoy,

daar! Hoe lang zijn je vleugels?"

"Vijftien voet," klonk het antwoord.

Geruischloos draaide één van de groote kranen buitenboord en het

blok met den haak, die door een electrisch werktuig werd bestuurd,

zakte langzaam. Juist in het midden werd het vliegtuig gegrepen en

een oogenblik zweefde het in de ruimte, terwijl een stroom van water

en olie eraf gutste.

"Dat is een leelijk ongeval," merkte kapitein Brookes op, toen de

vlieger met een vlugge beweging uit zijn toestel op het dek sprong.

"Niet noodig me dat te vertellen, Sir," zei de ander met sterk

Amerikaansch accent, "en ik gaf er graag een paar dollars voor, als

ik te weten kon komen, wat er eigenlijk de oorzaak van is. Mijn motor

is van de Maxfield Universal Gold Star Motor Company te Petersburg,

een prachtig stuk werk, waarop ik volkomen vertrouwde en die heeft me

nu zulke parten gespeeld. Maar laat ik me eerst even voorstellen,

Sir: Sidney P. Flew, van New-York; ik was met mijn vliegtuig op weg

van Queenstown naar Cairo. En aan boord van welk schip ben ik nu,

Sir?"

"Aan boord van de Olijftak!"

"De bekende zeeroover? Sir, laat ik u de hand drukken; wat een

buitenkans!"

"Hebt u dan van de Olijftak gehoord?"

"Ervan gehoord? Heel Europa en de Vereenigde Staten waren er vol van.

Toen ik New-York verliet, waren de laatste woorden, die mijn vader

bij het afscheidnemen sprak: 'Sidney, jongen, blijf die ellendige

Olijftak uit den koers en zorg, dat die je niet te pakken krijgt.'

''k Wou, dat het al zoo ver was,' zei ik, 'dat zou het mooiste

oogenblik van mijn leven zijn en gij waart de beroemdste man van

Broadway, als ge zoudt kunnen zeggen: mijn zoon is aan boord van de

Olijftak.' En kijk, nu is mijn wensch vervuld."

"Dat is zeker," merkte kapitein Brookes op, "en ik hoop voor u, dat

uw verblijf hier aan boord geen teleurstelling zal zijn. Eén van

mijn officieren zal u naar onze kajuit brengen, waar ge alles zult

vinden, wat men voor een stevig ontbijt kan wenschen."

"Dank u, Sir, 'k heb nog geen twee uur geleden te Cosenza ontbeten.

Als ge het mij toestaat, wil ik liever mijn machine uit elkaar nemen

en de motor nazien, voor het zeewater er nadeelig op inwerkt. Die

motor liep als een klok, tot ze opeens stopte en begon te gloeien.

Als een aangeschoten vogel, gleed ik toen naar beneden."

"'k Geloof, dat ik de verklaring van uw ongeval geven kan," zei

kapitein Brookes. "Om bepaalde redenen zag ik mij genoodzaakt een

electrischen stroom af te geven en ongelukkigerwijze zijt ge onder

den invloed daarvan gekomen."

"Ongelukkigerwijze, Sir? Integendeel tot mijn onuitsprekelijk groot

geluk!" riep de jongeman geestdriftig uit. "Denk eens aan, Sir, wat

een prachtig bericht voor de New-York Herald: Sidney P. Flew, van

New-York werd getroffen door de electrische kanonnen van de Olijftak,

de wereldberoemde kruiser."

"Wat een geestdrift!" zei kapitein Brookes met een glimlach tot

Gerald, toen de aviateur met zijn gehavende machine bezig was. "Wilt

u hem rondleiden en de gedeelten van het schip laten zien, die geen

geheimen bevatten. Zoodra zijn vliegtuig weer in orde is, zullen we

hem zijn reis laten vervolgen. En dan wilde ik u meteen nog

vertellen, dat ik gehoord heb, dat de Turksche vloot kalm in den

Gouden Hoorn ligt en dat er in de eerste dagen niets bijzonders te

wachten is. Wat zoudt ge er van zeggen, als ik u in de gelegenheid

stelde, om in dien tijd een bezoek te brengen aan het eiland Malta?"

"Als het geen last veroorzaakt, zou ik dat zeker heel graag doen."

"Heelemaal geen last. We zetten u met uw vriend Stockton af in de

haven van Catania, vanwaar een geregelde stoombootdienst op La

Valette onderhouden wordt."

De twee vrienden hadden nu ongeveer vijftien uur voor hun bezoek en

ze gebruikten dien tijd goed: ze lieten geen minuut verloren gaan.

Gerald wist den weg op het eiland en deed dus dienst als gids bij het

tochtje. Een voorname reden, waarom hij 't aanbod van den kapitein

zoo gretig had aangenomen, was, dat hij wilde trachten op Malta een

uniform te krijgen. Nu de Admiraliteit geen bezwaar maakte tegen zijn

verblijf aan boord van de Olijftak, meende hij ook gerechtigd te zijn

tot het dragen van een Britsche uniform met de

onderscheidingsteekenen van zijn rang. Inderdaad slaagde hij erin een

militairen kleermaker te vinden, die zich verbond, zulk een uniform

binnen twaalf uren te leveren, natuurlijk tegen een veel verhoogd

tarief.

Toen Gerald van zijn uitstapje terugkeerde, werd hij door kapitein

Brookes ontvangen met de mededeeling, dat de Turksche vloot de

Dardanellen verlaten had. "We zullen spoedig de handen vol hebben,"

zei hij, "ga eerst naar kooi en slaap een paar uur, want dat zult ge

wel noodig hebben."

"Een oogenblikje nog, Sir -- hoe gaat het met onzen vlieger."

"Ja, dat wordt een vervelende geschiedenis. Hij is er niet in

geslaagd, zijn machine zoo ver te herstellen, dat hij ze weer

gebruiken kan, maar ik geloof, dat hij praatjes verkoopt en dat het

er hem alleen om te doen is, hier te kunnen blijven. En zoo zijn we

met hem opgescheept: ik heb de onderdeelen van het vliegtuig laten

bergen onder het pantserdek. Als we onze zaken hier hebben afgedaan,

kunnen we hem ergens aan land zetten, als hij nog in staat is te

vliegen. Kijk, daar is hij in gezelschap van Palmer: hij lijkt zich

bijzonder aangetrokken te gevoelen tot dien jongeman. -- Maar ga nu

rusten, Mr. Tregarthen, want morgen vroeg gaan we aan den dans."

HOOFDSTUK XXI.

DE MARCONIGRAAF GESTOLEN.

De smalle Straat tusschen de eilanden Negropont en Andros vertoonde

een ongewoon schouwspel aan de bemanning van de Olijftak.

Vier Turksche slagschepen: de Azizieh, Mahmoudieh, Orkanieh en

Osmanieh kwamen aanstoomen met een snelheid van negen knoopen. Alle

krachten moesten worden ingespannen om deze uiterste grens van

snelheid door de oude schepen te doen bereiken. Op de flanken van de

flottielje, zeker om haar te beschermen, voeren de kruisers Abdul

Mejid, Fezibahri en Hamidieh, die wel vlugger vooruit hadden gekund,

maar haar gang moesten matigen met het oog op de slagschepen. De

slagschepen waren opgeknapt en schoongemaakt en uiterlijk was er

niets te zien van de gebreken, die moesten zijn ontstaan in den

langen tijd, dien ze ongebruikt en verwaarloosd in den Gouden Hoorn

hadden doorgebracht. Of ze opgewassen zouden zijn tegen de kleinere,

maar meer zeewaardige Grieksche schepen, stond wel te bezien.

De Helleensche vloot bestond uit drie slagschepen: de Hydra, de Psara

en de Sparai benevens drie moderne kruisers. Tot op zeven mijlen

waren de vijandelijke machten elkander genaderd en aan beide zijden

maakte men zich gereed, den strijd te beginnen.

Met een groote, witte vlag in top, verscheen plotseling de Olijftak

tusschen de twee vloten en stopte op ongeveer drie kabels lengte van

het Turksche vlaggeschip, de Azizieh.

Ieder was op zijn post. Op de brug en in den commando-toren bevonden

zich kapitein Brookes, Gerald, Slade en een bootsman met twee maats

voor het hijschen van de signalen.

Met de grootste snelheid rezen en daalden de signaal-vlaggen en

deelden het volgende mee:

"Van den kapitein van de Olijftak aan de bevelhebbers van de Turksche

en de Grieksche vloot.

Valt niet aan, maar keert terug naar uw havens. Ieder schip, dat mijn

bevel niet opvolgt, doch het vuur opent, zal worden vernietigd."

De Turksche Admiraal was buiten zich zelf van woede.

Hij had van de Olijftak gehoord en hij wist, hoe ze tegen de

Peruaansche vloot was opgetreden, maar zijn trots als Muzelman liet

niet toe, dat hij zich liet bevelen door een Giaour. Langzaam draaide

de toren voor den mast van de Azizieh rond, totdat het 9,2

Krupp-kanon dreigend gericht was op de Psara. Tien seconden bleef de

vuurmond in dien stand: de Admiraal aarzelde blijkbaar het bevel tot

vuren te spreken.

Toen kwam er weer beweging in den toren en een oogenblik later was nu

het kanon op de Olijftak gericht.

"Zoekt dekking, heeren," zei kapitein Brookes volmaakt bedaard, "De

oude heer daarginds schijnt heelemaal buiten westen te geraken."

Daar viel het vijandelijk schot. De Turksche kanonnier was echter

niet op de hoogte van de kwaliteit van de lading: hij had gerekend op

slecht kruit en nu was het toevallig veel beter dan de gewone soort.

Het gevolg daarvan was, dat de granaat zonder eenige schade aan te

richten over de Olijftak heen vloog, maar op zoo geringen afstand,

dat de mannen, die zich op de brug bevonden, door den luchtdruk op

den grond werden geworpen.

"Voorste toren: laden met projectiel n°. 2," commandeerde kapitein

Brookes en zich tot Gerald wendend, ging hij voort: "die kanonnier

daar weet beslist niet, wat hij wil, maar wij zullen hem laten zien,

dat het hier anders gesteld is."

De kapitein dacht er blijkbaar niet aan, het Turksche schip te

sparen. Het schot was door den Turkschen admiraal met voorbedachten

rade afgevuurd en toen er geen antwoord kwam, maakte hij zich gereed

voor de tweede maal te vuren.

Vóór het echter zoo ver kwam, zou de Olijftak ook een woord spreken

Het rechtsche kanon van den voorsten toren sloeg even achteruit en

een blauwig rookwaas steeg omhoog, terwijl de granaat den weg naar

het Turksche vlaggeschip doorliep.

De Azizieh was een oud schip, gebouwd aan de Clyde in 1864. De

pantsergordel had een dikte van 5 1/2 c.M. en de Turken dachten, dat

dit voldoende was om het schip tegen elken aanval te beveiligen.

De granaat van de Olijftak trof juist midscheeps. Een klein gat werd

slechts in den wand van het schip geslagen, maar een oogenblik later

volgde de ontploffing waarvan de uitwerking verschrikkelijk was.

Inwendige deelen van het vaartuig werden hoog de lucht ingeslingerd

en een zware rookzuil warrelde omhoog.

Met hun gewone zorgeloosheid hadden de Turken niet voor

reddingsmiddelen gezorgd. De houten booten stonden in vlam, voor ze

konden worden uitgezet en de mannen sprongen voor 't grootste deel in

zee, toen ze zagen dat de ondergang van het slagschip zeker was.

Redding vonden ze echter niet, want ze konden niet vrij komen uit het

woest bewogen water om het zinkende schip. Eerst zakte het

achterschip, maar plotseling werd dit met de woest rondslaande

schroeven hoog opgeheven en met den kop vooruit verdween het gevaarte

in de golven, de ongelukkige drenkelingen meesleepend in de warreling

van het water. Een brullend geluid steeg omhoog, toen het zeewater in

aanraking kwam met de stoomketels en toen werd het doodstil. De

Azizieh had haar graf in de golven gevonden.

Daarmee was de zaak afgedaan. De andere Turksche schepen wendden

onmiddellijk den steven en zetten koers naar de Dardanellen. De

bevelhebber van de Grieksche vloot betuigde door een signaal zijn

dank aan kapitein Brookes, doch deze deed alsof hij het niet

opmerkte; daarna verdwenen ook de Grieksche schepen, maar in

zuidelijke richting.

Zoo was dan de verwikkeling in het Oosten onbegrijpelijk vlug

opgelost, maar daarmee was nog volstrekt niet alle gevaar voor een

Europeeschen oorlog verdwenen. Er bestond veel kans, dat de brand op

een ander punt zou uitslaan.

Een paar dagen, nadat het gevecht met de Mazizieh was geleverd, werd

Gerald door den Amerikaanschen vlieger aangesproken. "Ik zou toch zoo

graag eens een kijkje nemen in dien geheimzinnigen commando-toren,

Mr. Tregarthen," zei hij. "Kunt u mij daartoe niet in de gelegenheid

stellen?"

"Ik ben bang, dat het niet gaan zal, Mr. Flew; stellig niet zonder de

toestemming van kapitein Brookes. Vraag het hem zelf maar."

"Dank u; dat wilde ik juist liever niet. -- Spreek er ook maar niet

over met den kapitein."

Vijf minuten later kwam kapitein Brookes aan dek.

"Waarom zou die Yankee toch zoo nieuwsgierig zijn naar het inwendige

van onzen toren, Mr. Tregarthen?" vroeg hij.

Gerald kreeg een kleur van verrassing, nu het bleek dat de kapitein

wist, wat de Amerikaan hem had gevraagd. 't Was onbegrijpelijk, hoe

hem dat bekend kon zijn.

"Kijk maar niet zoo beteuterd, Mr. Tregarthen. Ge zijt niet de

eerste, wien de jongeman met zoo'n vraag aan boord komt. Het begint

me te vervelen, hij is lang genoeg hier aan boord geweest en ik denk

er hard over hem zijn congé te geven. 't Is best mogelijk, dat hij

te goeder trouw is, maar hij speurt me te veel rond."

"Die speurzin is een karaktertrek van de Amerikanen, Sir."

"Dat zal ik niet tegenspreken. Maar waarom komt hij met zijn

verzoeken niet rechtstreeks bij mij?"

[Illustratie: en stortte met duizelingwekkende vaart naar beneden

Pag. 151]

Flew wandelde met luitenant Palmer het campagnedek op en neer en

kapitein Brookes wenkte hem om nader te komen.

"Hoe lang denkt ge noodig te hebben, om den motor voor uw vertrek in

orde te maken?"

"Een paar uur, Sir. Waarom vraagt u dat zoo?"

"Kijk, daar ligt de kust van Syrië; ik wilde u voorstellen van dat

punt uw reis per vliegmachine voort te zetten Onze vaart langs de

kust van Syrië en Palestina is weinig belangwekkend voor u en

spoedig zullen we het oostelijk deel van de Middellandsche zee

verlaten en dan raakt u heelemaal van uw weg."

Ofschoon deze woorden door den kapitein op vriendelijken toon werden

gesproken, maakten ze toch op den vlieger den indruk van een bevel,

waartegen hij geen bedenkingen durfde opperen.

Eerbiedig antwoordde hij dan ook: "Zeer goed, Sir. 'k Zal mij zoo

spoedig mogelijk gereedmaken."

Binnen anderhalf uur was de eendekker in elkaar gezet en de motor in

orde gemaakt, terwijl de Olijftak steeds zuidwaarts voer, evenwijdig

aan de kust van Syrië.

"Alles is in orde, Sir."

"Goed, ga dan naar beneden, om nog wat te eten, voor ge u inscheept.

En, wat ik nog zeggen wil, is de afstand van hier tot de kust niet te

groot voor een vlucht?"

"Volstrekt niet, Sir."

"En zal er op het dek ruimte genoeg zijn om op te stijgen?"

"Daar ben ik niet bang voor, Sir. Ik heb niet zoo heel veel ruimte

noodig en kan zeer steil omhoog vliegen; 't eenige waarvoor ik bang

ben, is, dat ik de verf hier en daar zal beschadigen, maar ik zal er

zooveel mogelijk voor oppassen."

Toen de kapitein verder niets opmerkte, begaf de vlieger zich met

Palmer naar de kajuit, waar ze zich nog een goed half uur ophielden

in gezelschap van de andere officieren, die geen dienst hadden. En

daarna ging hij zich gereed maken voor de vlucht. Toen hij weer aan

dek verscheen, was hij in zijn vliegersuitrusting gestoken; alleen

had hij zijn rubber-overjas niet aangetrokken, omdat het te warm was,

zooals hij zeide.

De geheele bemanning was op het dek gekomen, om hem te zien

opstijgen. Nadat hij alle officieren hartelijk de hand had gedrukt,

nam Sidney P. Flew plaats in zijn machine. De motor werd aangezet;

een paar schokjes vooruit en toen schoot de eendekker als een

reusachtige vogel omhoog onder geestdriftig gejuich van matrozen en

officieren.

Met gespannen aandacht volgden allen de beweging van het vliegtuig,

toen eensklaps groote opschudding ontstond, want luitenant Palmer

kwam doodsbleek en duizelig als een beschonken man de campagne-trap

opscharrelen.

"Houdt hem tegen!" riep hij. "Hij heeft de seingevers van onze

marconigraaf gestolen!" Meer kon hij niet uitbrengen, hij viel

bewusteloos op het dek neer.

Kapitein Brookes verloor bij de algemeene verwarring, die deze

mededeeling veroorzaakte, geen oogenblik zijn kalmte.

"Naar den toren, Mr. Tregarthen! De Z.-stralen!"

Gerald volgde onmiddellijk het gegeven bevel. Het vliegtuig moest

door middel van den electrischen stroom naar beneden gehaald worden

en wilde dat gelukken, dan moest men er voor zorgen dat het niet

buiten de zone van de Z.-stralen kon komen, vóór men ze in werking

had gebracht. Alles kwam dus aan op snel handelen. De opeengedrongen

zeelieden maakten van zelf den weg naar den toren vrij en Gerald

snelde er heen.

Vlug, maar bedaard en omzichtig richtte hij de wijzers. Er sprong

geen vonk over. Hij probeerde het in een ander vierkant en in nog

één, maar nergens vertoonde zich de vonk om het bewijs te leveren,

dat de electrische stroom werkte. Het toestel voor de Z.-stralen was

dus ook in de war gebracht.

Gerald begreep wel, dat op dit oogenblik een onderzoek naar de

oorzaak van de storing tot niets zou leiden. Hij verliet dus den

toren en stelde kapitein Brookes op de hoogte van hetgeen hij had

ervaren.

De kapitein keek met aandacht naar het verdwijnende vliegtuig en

commandeerde: "Laad dien zesponder."

Onmiddellijk waren de mannen, die het stuk moesten bedienen, op hun

post en schoven de groote granaat erin.

"Vierduizend meter," riep luitenant Sinclair, zonder bevel af te

wachten. Met zijn zak-toestel had hij den afstand tot het vliegtuig

opgenomen.

"Vuur!"

"Prachtig schot," riepen eenige officieren tegelijk, toen ze door hun

kijkers zagen, dat de granaat sprong vlak boven den vluchteling.

Nog tien seconden vervolgde het vliegtuig zijn weg, maar toen maakte

het, als een aangeschoten vogel, een buiteling en stortte met

duizelingwekkende vaart naar beneden.

"Full speed vooruit," commandeerde kapitein Brookes, terwijl hij zich

naar de brug begaf.

Een paar minuten waren voor de Olijftak voldoende om de plek te

bereiken, waar de vliegmachine in de golven verdwenen was en die

aangewezen werd door de drijvende kap van den vlieger.

Het dieplood werd uitgeworpen en wees tachtig vademen aan.

HOOFDSTUK XXII.

GEVAARVOLLE OOGENBLIKKEN.

"Breng de sloep uit. Laat de bemanning zich inschepen en drie dreggen

met de noodige lijnen meenemen," beval kapitein Brookes en daarna

wendde hij zich weer tot zijn officieren en zei: "Voor we ons moeite

geven, om onze verloren toestellen terug te krijgen, moeten we eerst

hier aan boord een onderzoek instellen. Mr. Slade, wilt ge zoo goed

zijn de marconi-kamer te inspecteeren en mij meedeelen, wat ge er

voor bijzonders hebt opgemerkt.' En Mr. White, mag ik u verzoeken,

naar Mr. Palmer te gaan zien; die zal stellig uw zorgen wel noodig

hebben. Doe uw best, om hem spoedig zoo ver op te knappen, dat hij

ons het een en ander kan vertellen, van hetgeen hem overkomen is. En

Mr. Tregarthen, laten wij eens nagaan wat er eigenlijk aan het

toestel voor de Z.-stralen hapert."

Het laatste was al heel gauw gevonden. Er was een klein gat geboord

in den stalen mantel, die de draden beschermde, die van de batterijen

naar het wijzerbord liepen. In dat gat was een metalen staafje

gestoken, dat contact tusschen de draden veroorzaakte, waardoor de

stroom was afgeleid.

't Was echter onbegrijpelijk, hoe iemand onbemerkt in den toren was

kunnen komen en hoe hij daar zoo lang had kunnen blijven, als noodig

was, om een gat te boren in de dikke, stalen plaat. Er zouden toch

uren noodig zijn geweest, om dat werk te verrichten. Of het toestel

voor de Z.Z.-stralen nog in orde was, kon men niet dadelijk zeggen;

eerst moest er een gelegenheid komen om er een proef mee te nemen.

Het onderzoek van den toren was dus spoedig afgeloopen en ook

luitenant Slade was gauw gereed met zijn inspectie van de

marconi-kamer en bracht nu zijn rapport uit aan den kapitein.

"Al de seingevers zijn weg, Sir, behalve die naar Plougastel."

"Is de ontvanger beschadigd?"

"Neen, Sir; ik kon in verbinding komen met Plougastel."

"Daar mogen we wel dankbaar voor zijn. Door het verlies van onze

seingevers zijn we van alle verbindingen afgesneden, maar met onzen

Britschen agent kunnen we nu toch de gemeenschap onderhouden. --

Laten wij nu hooren, wat Mr. Palmer ons zal kunnen zeggen."

"Mr. Palmer is weer in zoo verre hersteld, dat hij kan ondervraagd

worden, Sir," zei de dokter. "Hij is nog een beetje soezerig door de

werking van een bedwelmende stof, volgens de verschijnselen opium."

"Zeer goed, Mr. White, dan zal ik hem in zijn hut gaan opzoeken."

Luitenant Palmer zag er nog bleek en ontdaan uit. Hij stond met

zichtbare inspanning op van zijn stoel en maakte het saluut voor zijn

commandant.

"Ga zitten, Mr. Palmer," zei deze vriendelijk, "en vertel me, wat ge

van de geschiedenis weet." Rustig ging hij op een stoel zitten en

wachtte, tot de luitenant zijn gedachten zou verzameld hebben en

onderwijl keek hij eens rond in de hut. In de kleine ruimte stonden

de gewone meubels en de eenige bijzonderheid was een seintoestel aan

den wand, waarin nu een blauw licht gloeide. Dit duidde aan, dat de

marconigraaf niet in werking was, doch zoodra het blauwe in rood

licht veranderde, wist Palmer, dat hij zich naar de marconi-kamer

moest begeven.

Op de tafel stond een koffiepot, waarvan de inhoud dienst gedaan had

bij de behandeling van de opiumvergiftiging en op den grond een

galvanische batterij, die ook door Dr. White gebruikt was.

"Komaan, Mr. Palmer, vertel nu eens op."

"Het spijt mij, Sir, meer dan ik zeggen kan, dat dit nu gebeuren

moest."

"Zoo ver ik kan nagaan, is er niets, waarover ge spijt dient te

hebben. Vertel nu maar rustig, wat ge u nog van de zaak herinnert."

"Dat is niet zoo heel veel, Sir. De Yankee kwam in mijn hut, om

afscheid te nemen en bood me een sigaret aan. Toen ik een paar

trekken gedaan had, voelde ik eensklaps een groote loomheid over me

komen en was het net, of ik alles door een nevel zag. Flauwtjes

herinner ik mij, dat Flew mij op mijn slaapbank neerlei. Hoe lang ik

daar heb gelegen, weet ik niet, maar ik ben toch weer overeind

gescharreld en ben er in geslaagd de deur open te maken en door de

frissche lucht, die binnenstroomde, kwam ik weer wat tot mijzelf. Het

eerste, wat ik toen opmerkte, was, dat de sleutel van de

marconi-kamer niet meer op zijn plaats hing. Dadelijk begreep ik, dat

er een schurkenstreek was uitgehaald en ik besloot aan dek te gaan om

alarm te maken. Toen ik daar kwam, hoorde ik dat de vlieger al weg

was."

"Hoe waren de seingevers vastgemaakt?"

"Ze bevonden zich elk in een kleinen cylinder, waaraan een ring zat,

terwijl door die ringen een stalen ketting liep, die aan den wand was

bevestigd."

"Zouden ze losgemaakt zijn, toen ze zijn weggenomen?"

"Dat denk ik niet, Sir!"

"Dat maakt het werk heel wat eenvoudiger, wanneer we ernaar gaan

dreggen. Nu ga ik weer eens aan dek kijken, hoever men daar gevorderd

is."

De sloep was al afgevaren en beschreef langzaam voortdurend kleinere

kringen om de ankerboei, die de plaats aanwees, waar het vliegtuig

gezonken was. Aan den voorsteven hing aan een stevig touw de dreg.

Op een gegeven oogenblik stopte de sloep en de bemanning begon het

touw in te palmen, maar toen eenmaal de kabel strak stond, kon men

onmogelijk verder komen: de dreg wilde niet omhoog. Alle krachten

werden ingespannen maar alle pogingen waren vergeefsch. Toen besloot

men een boei vast te maken aan de lijn van de dreg en het dieplood op

te halen. Dit was ingericht voor diepzee-onderzoek, drong met een

punt door in den bodem en bracht dan in een kegelvormig bakje eenige

deeltjes van dien bodem mee naar boven. Toen het toestel boven water

kwam, werd met de grootste nauwkeurigheid de inhoud van het bakje

onderzocht, die tot groote verwondering van de officieren bleek te

bestaan uit ijzerschilfers, die met roest bedekt waren.

Kapitein Brookes kon die vreemde vondst niet verklaren en gaf bevel

de tweede dreg een eind verder uit te werpen. Het dieplood werd

opnieuw neergelaten en wees nu aan, dat er zich op vierenzeventig

vademen een dikke modderlaag bevond. Met de tweede dreg ging het

precies als met de eerste, ze raakte in iets verward en kon niet

worden opgehaald. Een poging met de derde dreg was even vruchteloos.

"Daar beneden moet iets bijzonders zijn," zei kapitein Brookes, "en ik

ben bang, dat we onze seingevers niet zullen terugzien."

"Mag ik u wat vragen, Sir?"

De kapitein draaide zich snel om en stond nu tegenover Palmer, die

nog wel bleek zag, maar overigens geheel hersteld was.

"Wel?"

De Koning der Zee · 第 9 / 12 段