trachtte nu, wadend door de rulle sneeuw, te ontkomen aan een troep
Patagoniërs, die hem vervolgden. Ze zaten hem vlak op de hielen en
ieder oogenblik leek het, of ze hem de scherpe, lange speren in den
rug drijven zouden, maar dan hielden ze zich weer in, om het genot
van de woeste jacht nog wat langer te kunnen smaken. De matroos zou
niet veel kans hebben, te ontkomen aan de vlugge vervolgers, die
ongeschoeid als ze waren, geen last schenen te hebben van de rulle,
zachte sneeuw. Op eens echter keerde hij zich om, richtte zijn
revolver en vuurde. Eén van de wilden viel en de uitwerking van het
geluidlooze schot deed de andere een oogenblik afdeinzen. Maar toen
er verder niets noodlottigs gebeurde, hadden ze spoedig hun vrees
voor het kleine, onaanzienlijke wapen overwonnen en drongen weer
vooruit.
Klaarblijkelijk was het zijn laatste patroon, die de man verschoten
had, want hij slingerde de revolver, die hem verder tot niets nut
was, den voorsten van zijn vervolgers naar het hoofd en zette toen
weer zijn hopelooze vlucht voort, totdat hij op een twintig meters
van zijn niets kwaads vermoedende makkers, struikelde en viel. Hij
slaakte een kreet om hulp en dat was zijn geluk. De mannen bij de
smidse grepen hun geweren en snelden toe ter bescherming van hun
kameraad en de uitslag van den strijd, die nu volgde, was niet
twijfelachtig: de lansen moesten wijken voor de geweren, de
Patagoniërs zochten in wilde vlucht een schuilplaats in hun
dennenbosch.
"Hijsch het signaal om de mannen terug te roepen en breng den
voorsten toren in gereedheid voor het gevecht," commandeerde kapitein
Brookes. "We zullen dien troep schelmen een geduchte les geven."
De mannen van de bewakingspatrouilles kwamen met de pinas langszijde.
Drie van hen waren licht gewond in het gevecht aan de kust en dat
wekte de woede der geheele bemanning van de Olijftak op. Ze wilden
aan wal gaan om hun vermiste makkers te bevrijden en wraak te nemen
op de Patagoniërs. Maar de kapitein wilde daar niet van hooren, hij
was van oordeel, dat men het er niet op mocht wagen, nog meer
verliezen te lijden en was besloten van zijn kanonnen gebruik te
maken.
"Een oogenblik, Sir," riep Gerald. "Als we het vuur openen met onze
15 c.M, kanonnen, dan worden vriend en vijand vernietigd, tenminste
als onze kameraden nog in leven zijn."
"Wat zoudt ge dan willen doen?" vroeg de kapitein en wenkte den
luitenant ter zijde. Er volgde een kort gesprek, waarin Gerald
blijkbaar zijn plan uiteenzette en dat eindigde met de verklaring van
den kapitein, dat hij vond, dat men het probeeren kon. Tot groote
verbazing van de overige officieren en de bemanning werd het bevel
gegeven, de ankers te lichten en zeewaarts te stevenen.
Twintig minuten later had de Olijftak haar ligplaats in de weinig
gastvrije wateren van Desolation Inlet verlaten.
HOOFDSTUK XVII.
DE LIST VAN GERALD.
Hoe was het intusschen den mannen vergaan, die uitgezonden waren, om
den vermisten Black op te sporen?
Het begin van den tocht was vrij gemakkelijk: het spoor van de wilden
was duidelijk, maar het werd erger, toen ze in het bosch kwamen. Van
een bosch was eigenlijk geen sprake, want het waren meer groepjes
boomen, gescheiden door open plekken van vijftig tot honderd meter.
Het spoor werd hier minder goed zichtbaar en de mannen kregen hoe
langer hoe meer te lijden van de koude. De snerpende wind
bemoeilijkte de ademhaling en drong door de dikke, wollen kleeding
der zeelieden. Tot overmaat van ellende begon het te sneeuwen en daar
ze niet over een kompas beschikten, dreigde er nu een nieuw gevaar:
ze liepen kans aan het dwalen te raken, want de buien beletten hen
uit te zien en den terugweg zouden ze onmogelijk kunnen weervinden,
doordat hun spoor dadelijk onder de sneeuw werd verborgen.
Gelukkig was er bij het troepje een man, die in de Poolstreken
gediend had. Hij had meer dergelijke gevaren doorstaan en hij raadde
den luitenant aan, een man terug te zenden om de boomen te merken. Al
voortgaande moesten ze hetzelfde doen, dan konden ze in ieder geval
den afgelegden weg terugvinden.
De luitenant volgde den raad en droeg den matroos Roberts op, terug
te gaan en van elken boom, op het pad, een stuk schors af te snijden.
Het troepje vervolgde nu langzaam zijn moeilijken tocht, worstelend
tegen wind- en sneeuwvlagen.
Eensklaps bulderde boven het geraas van den sneeuwstorm een
bloeddorstig krijgsgeschreeuw uit de kelen van een honderdtal wilden
en een hagelbui van trillende speren gierde door de lucht en sloeg
neer op de verschrikte zeelieden.
Drie mannen stortten neer, zonder verder een teeken van leven te
geven, terwijl nog twee andere licht gewond werden. De overige, van
hun oogenblikkelijke ontzetting bekomen, grepen naar hun revolvers,
maar vóór ze met hun verkleumde handen in de dikke, wollen wanten
van hun wapens konden gebruik maken, hadden de vijanden zich reeds op
hen geworpen.
Jack Stockton weerde zich dapper. Elkander hulp verleenen, daar was
geen sprake van: ieder was geheel op eigen krachten aangewezen. Hij
slaagde er in, zijn revolver te trekken en vuurde op een reusachtigen
aanvaller, die hem met een knots bedreigde. De uitwerking van het
schot was echter onbeduidend: de kleine kogel, die een zeer groote
aanvangssnelheid had, doorboorde den schouder van den wilde, zonder
hem pijn te veroorzaken, want de man gaf geen bewijs, dat hij
gevoelde, getroffen te zijn.
Als een bliksemstraal vloog Jack de gedachte door het hoofd, dat
kapitein Brookes wel andere middelen, dan zijn geluidloosvurende
revolvers mocht gebruiken, als hij wilden tot eeuwigen vrede wilde
dwingen. Maar veel tijd voor bespiegelingen werd hem niet gelaten;
zijn tegenstander greep hem aan en er ontstond een verwoede
worsteling. Jack was krachtig gebouwd en beschikte over veel
spierkracht, maar nu gevoelde hij zich als een kind tegenover den
Patagoniër met zijn stalen spieren. Hij voelde, dat hij het
onderspit zou delven: zijn hoofd duizelde onder de slagen en hij
kreeg een gevoel, of hem de ruggegraat gebroken werd. Hij viel op den
grond en zag dreigende speerpunten en knotsen en toen verloor hij het
bewustzijn.
Onderwijl had Slade zich manmoedig verweerd. Drie vijanden had hij
met vuistslagen buiten gevecht gesteld: ondanks zijn wanten werkten
zijn knuisten als stoomhamers en een oogenblik scheen het, of hij in
het gevecht de baas zou blijven. Onverwacht echter werd hij van
achteren aangevallen en kreeg een knotsslag op het hoofd. Hij had
letterlijk en figuurlijk een harden kop en bij deze gelegenheid was
dat nu eens een groot geluk voor hem, want voor ieder ander zou de
slag doodelijk geweest zijn en bij hem was het gevolg slechts, dat
hij bewusteloos in de sneeuw viel.
Toen Stockton weer bijkwam, bemerkte hij, dat hij met Slade en een
matroos onder een overhangend rotsblok was neergelegd. Zij lagen vlak
tegen elkander aan en dat was hun geluk, want ze deelden elkander van
hun lichaamswarmte mee en ontkwamen daardoor aan het gevaar te
bevriezen.
In het rond zaten wel een honderdtal Patagoniërs, waarvan er eenige
luid aan het krakeelen waren over de verdeeling van den buit.
Langzamerhand kwamen hem nu de bijzonderheden van het gevecht weer
voor den geest en hij kon het niet best verklaren, waarom de wilden
hem en de beide andere gewonden niet den genadestoot hadden gegeven.
Misschien waren ze van plan hun slachtoffers een marteldood te laten
sterven. In deze weinig opbeurende overpeinzing werd hij gestoord
door Slade, die begon te bewegen. De luitenant stond op, deed een
paar stappen en rolde toen in de sneeuw. Een uitbundig en ruw gelach
van de wilden beantwoordde deze vertooning en toen pakten twee van de
kerels den luitenant op en legden hem weer op zijn vorige plaats.
"Hallo, Slade!" begon Jack, maar als eenig antwoord uitte de
luitenant een reeks, meerendeels onverstaanbare woorden. Hij lag te
ijlen en het was duidelijk, dat hij zich in de koortshitte verbeeldde
aan boord te zijn, bezig met zijn gewone werkzaamheden. Plotseling
ging hij overeind zitten en steunde om water, viel weer achterover en
lag doodstil, alsof alle leven uit zijn lichaam was geweken.
Stockton voelde een loome onverschilligheid voor wat er om hem heen
gebeurde, over zich komen, toen zijn aandacht gewekt werd door de
komst van een Patagoniër, die, te oordeelen naar de algemeene
opschudding, die er ontstond, buitengewoon belangrijk nieuws bracht.
De wilden trokken haastig af en lieten hun gevangenen alleen: ze
wisten toch wel, dat deze niet in staat waren te vluchten. Wat was er
gebeurd? De man, die daar even was aangekomen, had de tijding
meegebracht, dat het schip met de blanke mannen vertrokken was.
Achterdochtig als ze zijn, vertrouwden de wilden den boodschapper
niet en gingen zich met eigen oogen overtuigen, of hij de waarheid
had gesproken.
Binnen het uur waren de meesten weer terug. Ze waren opgewonden
vroolijk, want inderdaad was het groote schip vertrokken en de kreek
dus vrij. Zij konden nu overvaren naar hun dorpje zonder gevaar te
duchten. Vlug maakten ze drie eenvoudige draagbaren van speren en
dierenhuiden, de blanke gevangenen werden erop gelegd en toen onder
het bulderen van een ware zegezang werd de tocht aanvaard naar de
kust.
Toen ze daar aangekomen waren, was het eerste werk de kano's om te
keeren en te water te laten. Met moeite vonden alle mannen een plaats
in de booten, die overvol, midscheeps niet meer dan 15 c.M. boven
water uitstaken.
Stockton en zijn beide medegevangenen waren neergelegd op den bodem
van een van de grootste kano's.
't Was gelukkig, dat de storm even snel was gaan liggen, als hij
opgestoken was, en dat nu het water kalm was, want anders zouden de
beweeglijke vaartuigjes alle kans geloopen hebben, om te slaan.
Door de krachtige slagen van een twintigtal pagaaien voortbewogen,
schoot de boot van Stockton de andere een eind vooruit. Een eentonig
gezang van de roeiers gaf de maat aan voor de regelmatige beweging
van de pagaaien.
Eensklaps echter verstomde het gezang en er klonk een kreet van
schrik. De roeiers lieten hun pagaaien vallen, sprongen overeind en
stonden verlamd ten gevolge van een onuitsprekelijk afgrijzen; toen
ze een oogenblik later weer tot bezinning kwamen, sprongen ze
overboord.
Woest schommelde het vaartuig en hoog spatte het water op, dat weer
in fijne druppels neerviel op de gekwetsten.
[Illustratie: dat ze hun speeren wierpen naar het vreemde vaartuig.
Pag. 117]
Vóór Jack een veronderstelling had kunnen maken, omtrent de reden
van hetgeen er gebeurde, hoorde hij een stem, die hartelijk uitriep:
"Gelukkig, daar zijn ze!" Op hetzelfde oogenblik sprongen er drie
matrozen in de kano.
"Voorzichtig! Til ze eruit!" commandeerde iemand, dien Jack aan het
geluid dadelijk als zijn vriend Gerald herkende. Hij voelde, hoe hij
vlug, maar zorgzaam van den bodem van de boot werd opgetild en een
oogenblik later bevond hij zich op het kleine platform van de
duikboot van de Olijftak.
"Goddank, dat je gered bent!" fluisterde Gerald hartelijk.
De drie gewonden werden daarna door het voorste luik naar binnen
gebracht en om meer ruimte te maken, besloot Gerald de boot te
besturen van het platform dat den toren omgaf.
Er was geen reden om de boot te laten duiken. Ze was geheel
onverwacht opgestegen uit de wateren van Desolation Inlet en dat
verschijnen had een panischen schrik onder de wilden verwekt en nu
stoof de onderzeeër op de kano's aan als een terriër onder een
zwerm ratten.
Een deel van de Patagoniërs vermanden zich in zooverre, dat ze hun
speren wierpen naar het vreemde vaartuig, maar die troffen geen doel
of stuitten af op den wand van de duikboot.
Het was aan geen twijfel onderhevig, of de zwakke, houten vaartuigjes
zouden een gemakkelijke prooi worden van het kleine, stalen monster.
Na de eerste botsing, konden de wilden zich op het lot, dat hun
wachtte, voorbereiden. De grootste kano werd, alsof hij van
bordpapier was, middendoor gevaren. De inzittenden waren gedood,
ernstig gewond of ze trachtten al zwemmende zich het leven te redden.
De vrees deed den Patagoniërs alle voorzichtigheid uit het oog
verliezen; in plaats van zich te verspreiden, brachten ze hun booten
zoo dicht mogelijk bij elkander, waardoor ze het hun aanvaller
gemakkelijk maakten, al hun kano's in den grond te boren.
Gedurende den korten strijd met de laatste boot, slaagde één van de
inboorlingen erin op den kegelvormigen boeg van den onderzeeër te
springen. Vlug als een kat sloop hij langs het dek en voor Gerald in
staat was, zich tegen dezen onverwachten aanval te verdedigen, had de
wilde hem om het middel gegrepen.
Gerald schreeuwde om hulp, maar door het geraas van den strijd, werd
dat binnen niet gehoord en voor hij zijn kreet kon herhalen, had de
wilde hem met de rechterhand bij de keel gegrepen, terwijl hij
probeerde hem met den linkerarm van het platform af te werken. Gerald
kon voor zijn verdediging slechts beschikken over zijn linkerhand,
want met zijn rechter klemde hij zich vast aan 't stuurtoestel.
Liet hij dat eenmaal los, dan was het met hem gedaan.
Krachtig sloeg hij van zich af, maar hij had dikke handschoenen aan,
zoodat de Patagoniër tamelijk onverschillig voor zijn stompen bleek.
Toen trachtte hij zijn tegenstander van zich af te schoppen, maar ook
hierin slaagde hij niet. De Patagoniër besprong hem als een
roofdier, sloeg zijn, beenen om Gerald's middel en greep hem met de
handen, die hij nu beide vrij had, bij de keel.
Gerald gevoelde, dat zijn krachten hem gingen begeven zijn adem
stokte en drong met benauwd, gorgelend geluid geluid naar buiten
onder den krachtigen greep van de gespierde vuisten van den wilde. Er
kwam een nevel voor zijn oogen, zijn handen lieten het stuurtoestel
los en hij stortte met zijn aanvaller achterover.
In plaats van de aanraking met het ijskoude zeewater, voelde hij
opeens een greep om zijn been, zóó krachtig, dat zijn enkel bijna
brak. Onduidelijk kon hij zich later herinneren, dat hij toen naar
binnen getrokken was in den toren, terwijl Watson, de machinist,
bezig was aan het stuurtoestel met een grooten schroevendraaier.
HOOFDSTUK XVIII.
DE WRAAK VAN DEN KAPITEIN.
De list van Gerald was geslaagd. Hij was bekend met de gewoonte van
de Patagoniërs, om schepelingen, die in hun handen vielen, gevangen
te houden en niet vrij te laten, dan tegen een beduidend losgeld. Zoo
zou 't nu ook wel weer gaan, dacht hij. Inderdaad dachten de wilden
op deze wijze met de blanke schepelingen te handelen; daarom wilden
zij ze naar hun dorp overbrengen. Ook dat had Gerald voorzien en hij
wilde de kano's bij hun tocht over het water met den onderzeeër
verrassen.
Alles liep goed van stapel; de vijand werd vernietigd, maar we zagen
ook, hoe de uitvoering van zijn plan Gerald zelf bijna het leven had
gekost.
Toen hij weer bij kwam, lag hij in het vooronder van den onderzeeër
met Slade, die bewegingloos lag uitgestrekt.
"Wel, oude jongen, hoe gaat het er mee?" vroeg Mr. Palmer.
"Zoo'n beetje geradbraakt, maar dat is gauw genoeg weer in orde."
"Een zaakje voor den dokter, hè!"
"'k Denk er niet aan. 't Was anders wel een duw, dien ik gekregen
heb. En hoe ik er in geslaagd ben, dien woesteling van me af te
werken, dat begrijp ik nog niet."
"Dat geloof ik ook best, want je hebt dat niet gedaan. Als Watson
geen argwaan gekregen had, toen de boot recht op de kust bleef
aanhouden en was gaan kijken, dan zou jij nu niet hier liggen. Hij
heeft den schelm geducht met zijn schroevendraaier bewerkt en jou
gegrepen, toen je bijna te water raakte."
"En waar zijn we nu?"
"We zijn op den terugweg, we hebben naar de Olijftak getelephoneerd
en die komt terug."
Tien minuten later was de kruiser in zicht en spoedig lag de
onderzeeër langszijde. Stockton, Slade en de gewonde matroos werden
aan boord gebracht en aan de goede zorgen van den dokter overgelaten,
terwijl Gerald onmiddellijk zijn rapport omtrent het gebeurde
uitbracht aan kapitein Brookes.
"Goed," zei de kapitein, toen hij alles had aangehoord, "we zullen
een lading dynamiet aan wal brengen en het dorp in de lucht laten
springen."
"Moet dat ook nog gebeuren, Sir?" vroeg Gerald. "Is verdere
wraakoefening niet overbodig?"
"Overbodig? Neen. Mijn zinspreuk is: doe nooit iets ten halve. En
kunt ge wel een gezonde reden aanvoeren, waarom ik niet geheel met
die schelmen zou afrekenen?"
"Die reden ligt nog al voor de hand. Laten we veronderstellen, dat de
geheele trouwelooze bevolking van dit dorp wordt uitgeroeid, welke
gevolgen zal dat hebben voor de toekomst? De toestand hier aan de
kust zal dezelfde blijven, want de naburige stammen zullen nooit
vernemen, waaraan hun ongelukkige broeders hun ellendig lot hebben te
wijten. Beperken we ons tot een geduchte les, dan zullen ze daaraan
later denken en zich beter gedragen."
Kapitein Brookes fronste de wenkbrauwen. Een oogenblik dwaalde zijn
blik langs de onherbergzame rotsen aan de kust en toen draaide hij
zich met een snelle beweging om en keek Gerald scherp in de oogen.
"Mr. Tregarthen," sprak hij, "ge zijt de eenige hier aan boord, die
mij durft tegenspreken. Hoe het komt, weet ik niet, maar van u
hindert het me niet, uw rondborstigheid bevalt me. -- Wat zoudt gij
dan denken, dat we verder doen moesten?"
"We kunnen een proef nemen met de Z. Z.-stralen, Sir."
"Maar welk verschil maakt dat nu met mijn plan, Sir? De Z. Z.-stralen
dooden onmiddellijk en pijnloos, maar de uitwerking is ten slotte
dezelfde als die van een ontploffing, zooals ik voorstelde."
"Neen Sir, zoo bedoel ik het niet. We sturen een afdeeling van onze
mannen aan wal om onze vermiste makkers op te sporen en die kunnen
gemakkelijk een aantal Patagoniërs gevangen nemen."
"En dan?"
"We brengen een flinke hoeveelheid springstof onder gindsche rots,
die uit het dorp goed zichtbaar is. De Olijftak vaart tot in den mond
van Desolation Inlet en doet door middel van de Z. Z.-stralen de
lading ontploffen."
"En de Patagoniërs dan?"
"We verhinderen ze te vluchten en zorgen ervoor, dat de gevangenen de
vreeselijke uitbarsting zien. Ze zullen dat tooneel nooit vergeten en
zich niet licht weer vergrijpen aan vreemde schepelingen, die
genoodzaakt zijn, hier te landen. Ten slotte wilde ik u verzoeken,
mij het bevel op te dragen over de mannen, die de inboorlingen zullen
gevangen nemen en bewaken."
"Ge stelt meer vertrouwen in mijn uitvinding dan ik zelf, Mr.
Tregarthen. Bedenk wel, een kleine fout in de berekening van den
afstand, kan u en de wacht het leven kosten."
"Als de voorzorgen nauwkeurig genomen worden, ben ik daar geen
oogenblik bevreesd voor, Sir."
"Goed dan, als u het wagen wilt, zullen we het beproeven. Alleen stel
ik als voorwaarde, dat de mannen, die met u de wacht bij de
gevangenen houden, zich vrijwillig daarvoor moeten aangeven, nadat ze
geheel op de hoogte zijn gebracht van de gevaren, waaraan ze zich
daarbij blootstellen."
Intusschen was de duikboot weer op haar gewone plaats gebracht en de
werkzaamheden voor het aanbrengen van de herstelde schroef waren
flink gevorderd. Er werd dadelijk begonnen met toebereidselen voor de
landing, die den volgenden dag zou plaats hebben.
Bij het eerste ochtendgloren scheepte de landingsdivisie zich in
onder bevel van kapitein Brookes, die zelf den tocht wilde meemaken.
In de boot werd de zware lading springstof meegevoerd, met de noodige
voorzorgen zóó geplaatst, dat geen onverwachte schok een
noodlottige ontploffing zou kunnen veroorzaken.
Zonder eenig ongeval had de overvaart naar de oostelijke kust van de
kreek en de ontscheping van de afdeeling plaats, die uit tachtig goed
gewapende mannen bestond. Het plan was, eerst de plaats op te zoeken,
waar de ongelukkige krijgsmakkers in de hinderlaag gevallen waren.
Heel gemakkelijk ging dat niet, want het had gesneeuwd, en dus waren
alle voetsporen verdwenen en geen van de overlevenden was genoegzaam
hersteld om dezen tocht mee te maken. Eindelijk vond men echter een
van de merkteekens, die op de boomen waren aangebracht en daardoor
was de kapitein zeker van den te volgen weg.
Ofschoon er, na hetgeen er met de kano's was gebeurd, niet te vreezen
was voor een overval, achtte kapitein Brookes het toch noodzakelijk,
de grootste voorzichtigheid te betrachten. Er werd een kleine voor-
en achterhoede gevormd en langzaam trok de troep voorwaarts, den
vinger aan den trekker van het geweer, waarvan men den geluiddemper
had afgenomen.
Na een poosje zoo te zijn voortgetrokken, maakte de voorhoede halt.
Ze hadden iets gevonden, waardoor hun belangstelling in hooge mate
was opgewekt. Ze durfden zich blijkbaar niet te lang ophouden, om de
marschorde niet te verstoren. Toen de hoofdmacht met kapitein Brookes
aan dezelfde plek was gekomen, begrepen ze dadelijk, wat de reden was
geweest van het oponthoud van de voorhoede. Half onder de sneeuw
bedolven, lagen daar de lichamen van hun ongelukkige kameraden, die
gevallen waren als slachtoffers van den verraderlijken overval. Een
kreet van woede getuigde van de verbittering, die de matrozen tegen
de Patagoniërs gevoelden. Kapitein Brookes had spijt, dat hij zijn
voornemen om wraak te oefenen, had opgegeven, maar hij troostte zich
met de gedachte, dat de wilden toch een les kregen, die ze niet licht
vergeten zouden.
In der haast werd van kleine rotsblokken een grafkelder samengesteld,
waarin de lijken van de gesneuvelde matrozen werden neergelegd en
toen marcheerde de troep terug naar de kust. Vlug scheepten ze zich
in en voeren naar de overzijde. Nu zou de verrassing van het dorp
worden uitgevoerd. Het was bijna geheel door rotsen omgeven, die
slechts aan één kant een opening lieten, die toegang gaf tot den
vlakken bodem van het dal eener kleine rivier. Die opening moest
bezet worden door luitenant Sinclair, die met twintig man daarheen
werd afgezonden. De overige matrozen beklommen de rotsen en zouden
vandaar het dorp aanvallen, zoodra Sinclair door een afgesproken
teeken berichtte, dat hij op zijn post aangekomen was.
Alles ging naar wensch, met ongeduld wachtten de mannen op de rotsen
het bevel voor den aanval. Daar klonk in de verte een geweerschot:
luitenant Sinclair had stelling genomen. "Voorwaarts, mannen!" riep
kapitein Brookes en in woeste vaart stortten de mannen zich van de
rotsen en bestormden de hutten, waaruit liet dorp bestond.
Zóó onverwacht had de aanval plaats, dat de overgroote meerderheid
van de bevolking niet dacht aan tegenweer; slechts enkele mannen
grepen naar hun wapens, maar ze werden onmiddellijk neergeschoten. De
overigen ijlden in wilde vlucht in de richting van het rivierdal,
maar daar bij de opening in de rotsen stuitten ze op de dreigende
geweerloopen van de mannen van Sinclair. Tusschen twee vuren, zagen
ze geen uitweg meer; jammerend in wanhopigen angst liepen ze dooreen,
in onverstaanbare klanken smeekend om lijfsbehoud. De insluiting door
de aanvallers werd steeds nauwer en terwijl een deel van de matrozen
met hun geweren de wilden in ontzag hield, grepen andere de mannen
aan en bonden hun stevig de handen op den rug, bij de vrouwen en
kinderen achtte men die voorzorg niet noodig.
Met de gevangenen werd nu de tocht naar de kust aangevangen. Op een
plek, vanwaar de rots, die Gerald had aangewezen, goed zichtbaar was,
werd halt gehouden en aan de Patagoniërs beduid zich neer te zetten,
de mannen in een kring en daarbinnen de vrouwen en kinderen. Eerst
hadden de ongelukkige wilden niets anders gedacht, of hun laatste uur
had geslagen, maar die gedachte lieten ze los, hetgeen bleek uit het
verdwijnen van de uitdrukking van wilden angst uit hun oogen:
onverschillig zaten ze toe te kijken, naar hetgeen de blanke menschen
uitvoerden.
Zeven bussen, elk inhoudende 16 1/2 pond dynamiet, werden in holten
van de rots gebracht en toen Gerald den vrijwilligers, die zich
hadden aangemeld, hun plaatsen had aangewezen, was men met de
voorbereiding geheel gereed.
"En nu zullen we de proef met de Z.Z.-stralen nemen, Mr. Tregarthen,"
zei kapitein Brookes, toen hij afscheid nam van Gerald. "Het is half
elf. Precies om twaalf uur zal ik den stroom van de Olijftak vrij
laten, op een afstand van negen zeemijlen van de rots. Blijf hier
wachten tot ik terugkom en houdt de gevangenen tot zoo lang vast. Ik
hoop om half één terug te zijn."
"Zeer goed, Sir," antwoordde Gerald met een militair saluut en toen
gaf de kapitein aan de overige mannen bevel af te marcheeren.
Intusschen had men op de Olijftak hard gewerkt, zoodat, toen de
kapitein weer aan boord kwam, de duikers met hun arbeid gereed waren
en de schroef weer dienst kon doen.
De ankers werden gelicht en het schip zette koers naar den mond van
Desolation Inlet.