Binnen het kwartier verscheen de Britsche luitenant weer met kapitein

Brookes op het campagnedek. Na een kort afscheid begaf hij zich aan

boord van de pinas, die met volle kracht terugstoomde naar de Niobe.

Kapitein Brookes verzamelde zijn officieren om zich heen en sprak:

"Mijne heeren, gij hebt het recht, geheel op de hoogte te zijn van

den waren stand van zaken. Ik heb er op gewezen, dat ik nimmer

vijandig ben opgetreden tegen de Britsche regeering, alleen van mijn

handelwijze ten opzichte van Mr. Tregarthen en Mr. Stockton zou ze

verantwoording kunnen vorderen. Daarenboven heb ik mijn twijfel

uitgesproken, of de commandant van het eskader wel het recht heeft,

de overgave van ons schip te eischen. Bij het volvoeren van de taak,

die ik mij zelf gesteld heb, ben ik ongelukkiger wijze verplicht

geweest, krasse maatregelen te nemen tegenover de Afrika, maar dat is

een zaak, die alleen de Duitsche overheid en mij aangaat. Op dien

grond heb ik protest aangeteekend tegen de handelwijze van den

commandant."

Een uur later keerde de pinas terug en de luitenant bracht een

mondelinge boodschap van den commandant. Deze verklaarde, dat hij

hier was om een bevel uit te voeren en niet om te twisten over het al

of niet rechtmatig zijn van de opdracht. Wel was hij bereid, het

protest van den kapitein bij de Admiraliteit te steunen, indien de

overgave van het schip onmiddellijk plaats had.

De boodschap was door den luitenant uitgesproken ten aanhoore van

alle officieren, in de hoop, dat ze op deze den gewenschten indruk

zou maken.

Kapitein Brookes fronste de wenkbrauwen en zijn donkere oogen

flikkerden onheilspellend.

"Ga heen, Sir!" bulderde hij. "Zeg aan uw commandant, dat ik zijn

eischen niet zal inwilligen. Hier ligt de Olijftak. Als hij haar

hebben wil, laat hij ze dan komen halen."

Een goedkeurend gemompel klonk in den kring der officieren en de

Britsche luitenant begreep, dat hem niets overschoot, dan naar zijn

schip terug te keeren.

"Ik begin berouw te krijgen over de belofte, die ik u heb gedaan, Mr.

Tregarthen," zei de kapitein. "Maar in ieder geval zal ik

woordhouden. Voor het oogenblik hebben we niets te vreezen, want ze

zullen ons nooit in de haven durven aanvallen zonder machtiging van

de Chileensche regeering. Vóór die verkregen is, hoop ik weg te

kunnen komen in de duisternis, als een krachtige wind van de zeezijde

onze aanvallers noodzaakt het ruime sop te kiezen."

Den geheelen dag en den volgenden nacht viel er niets van belang voor

en kwam er niet de minste verandering in den toestand. Scherp hielden

de schepen van het Britsche eskader de Olijftak in het oog. Maar toen

het weer dag werd, bood de haven en de zee een geheel ander

schouwspel dan de vorige, zonnige dagen. De wind was gedraaid en nam

snel in kracht en hevigheid toe.

Wind en water beukten de kust en hoog op sloegen de schuimende golven

van de branding. De hemel was grauw en onophoudelijk kletterden

regenvlagen neer. De Engelsche schepen kregen het hard te

verantwoorden en als ze geen gevaar wilden loopen te stranden,

moesten ze wel zeewaarts stoomen, toen tegen den middag de storm in

kracht toenam en de golven steeds hooger werden opgezweept. Toch

gaven ze hun plan niet op en toen het donker werd, wierpen ze de

bundels van hun zoeklichten weer over de haven van Talcahuano.

Kapitein Brookes begreep wel, dat hij aan geen poging tot ontsnappen

kon denken, zoolang de vijand hem op deze wijze in het oog kon

houden. Daarom besloot hij er een einde aan te maken en wendde zich

tot Tregarthen met de vraag: "Hoe denkt ge er over, Mr. Tregarthen,

verbiedt onze overeenkomst me ook, gebruik te maken van de Z.-stralen

tegen de Engelsche schepen?"

Gerald wist niet dadelijk, wat hij antwoorden zou. Van een

vijandelijke daad kon men eigenlijk in dit geval niet spreken, want

er werd geen blijvende schade aangericht: noch de bemanning, noch de

schepen hebben ervan te lijden.

"Ge schijnt er even als ik over te denken," vervolgde de kapitein,

"en we zullen het dus maar wagen."

Hij gaf bevel, alles gereed te maken voor het vertrek en spoedde zich

daarop naar den toren.

Wat hij ging uitvoeren was een wanhoopsdaad, dat zag hij wel in, toen

hij zijn blik liet weiden over de kokende zee, zilverig lichtend in

de stralenbundels van de vijandelijke zoeklichten. Midden tusschen de

Engelsche schepen door moest hij zijn koers nemen, een afwijking van

een halve kabellengte zou noodlottig zijn, want dan kwam hij in

ondiep water en als de Olijftak strandde, was bij dit weer geen

redding mogelijk.

Plotseling, als door den greep van een geheimzinnige hand, werden de

zoeklichten gedoofd. Kapitein Brookes had de Z.-stralen laten werken.

De ankers werden geheschen, de telegraaf naar de machine kamer bracht

het bevel over: "met volle kracht vooruit" en met haar grootste

snelheid gleed de Olijftak zeewaarts; iedere slag van haar schroeven

bracht haar nader bij het Britsche eskader.

Ze moest door de spitsroeden. Onbekende gevaren dreigden vooruit en

aan beide zijden. Binnen enkele minuten zou haar lot beslist zijn.

HOOFDSTUK XV.

WOORD GEHOUDEN.

In duizelingwekkende vaart kliefde de Olijftak de wild bewogen

watervlakte. Geen duimbreed week ze af van den gestelden koers en het

leek wel, of geen menschenhand, maar een doode, ongevoelige machine

haar bestuurde.

De geheele bemanning was op haar post, want de kruiser was gereed

voor het gevecht, al was vast besloten onder geen omstandigheid een

schot te lossen. Gerald bevond zich bij den kapitein in den donkeren

toren in gespannen afwachting, of de ijzeren wil van dien man

krachtig genoeg zou blijken om hem zijn zelfbeheersching te doen

bewaren, dan of de verleiding hem te sterk zou worden, om gebruik te

maken van één van die machtige hefboomen, die op armlengte van hem

verwijderd waren. Één beweging van zoo'n hefboom en iedere

aanvaller zou vernietigd worden. Zou iemand in staat zijn, door de

spitsroeden te loopen onder het vuur van vier schepen, bewapend met

modern snelvuurgeschut, als hij beschikt over verdedigingsmiddelen,

zooals hier aan boord waren?

Kapitein Brookes sprak geen woord. In een ijzeren greep klemde hij

het electrische stuurtoestel, terwijl zijn blik door de nauwe spleet

in den pantsering drong in de zwarte duisternis daar buiten. Hij

stond onbeweeglijk, als een steenen beeld.

't Leek Tregarthen een onmogelijkheid nu zonder kompas het schip te

sturen, want de duisternis van den nacht werd nog verhoogd door de

dichte regenbuien, die neerkletsten, maar de kapitein scheen den weg,

dien hij niet kon zien, bij instinct te voelen.

Juist vier minuten na het vertrek uit de haven blonk opeens aan

stuurboord in 't zwarte duister een lichtflikkering, onmiddellijk

gevolgd door een knal, die 't geraas van wind en zee overstemde. En

daarna gierde met een langgerekt gefluit een granaat over het schip.

Dadelijk daarna kwam van de andere zijde een projectiel aangonzen en

viel geen 20 M. voor den boeg in zee, waardoor een zuil van schuimend

water boven de golven werd opgeworpen.

Ongestoord vervolgde de Olijftak haar weg met ongelooflijke snelheid.

De Engelsche schepen kregen eenigszins een aanduiding van de plaats

waar ze zich bevond door de witte streep, die ze trok door de golven.

Alle vier openden zij het vuur: de donderslagen van het zware

scheepsgeschut brulden door den stormnacht en de projectielen gierden

over het vluchtende schip.

"Krak!"

Een granaat sloeg een stuk van de verschansing weg en op hetzelfde

oogenblik sloeg een tweede tegen het onderste deel van de pantsering

van den toren, zoodat er een trilling liep door het geheele machtige

gevaarte.

Gerald moest een oogenblik de oogen sluiten, maar spoedig was die

onwillekeurige angst geweken en kalm, maar met gespannen aandacht,

volgde hij het gevecht, dat slechts van één zijde gevoerd werd.

Onafgebroken bulderden de kanonnen van de aanvallers en telkens weer

werd de Olijftak getroffen door granaten van verschillend kaliber. In

den toren was het bijna niet meer uit te houden: de stormwind raasde

naar binnen door de gaten der pantsering en vulde de ruimte met

scherpen rook en een gewarrel van kleine gloeiende staaldeeltjes.

De bemanning was goed geborgen, zoodat er nog niet viel te treuren

over het verlies van menschenlevens, totdat eensklaps een

kwartiermeester, die zich onvoorzichtig te ver waagde buiten zijn

veilige schuilplaats, door een doodelijk schot werd getroffen. Hij

zakte ineen en bij zijn val greep hij krampachtig één van de

hefboomen, die zich in den toren bevonden en waarvoor de pantsering

door een granaat was weggeslagen.

Gerald zag wat er gebeurde, snelde toe en rukte den stalen stang los

uit de vuist van den gesneuvelde. Maar hij kwam te laat; de

neergerukte hefboom had zijn werking al verricht. Langzaam rezen de

schoorsteen, de windschutten en de bergplaatsen met de booten boven

het dek uit. De uitstekende voorwerpen waren echter niet bestand

tegen den reusachtigen luchtdruk, die het gevolg was van de snelheid

van het schip en binnen enkele minuten was er van dat alles niet veel

meer over, dan stukken van stalen platen, die door den wind waren

verscheurd, alsof ze van papier waren geweest.

Kapitein Brookes verliet zijn plaats in den toren om uit te kijken,

niet naar de schade die de gesneuvelde kwartiermeester zonder het te

willen, had veroorzaakt, maar omdat er een ander en veel grooter

gevaar dreigde: de Olijftak naderde het gebied, dat onder den invloed

van haar Z.-stralen stond. Met een vlugge handbeweging schoof hij de

wijzers uit elkaar en nam toen zijn plaats weer in bij het

stuurtoestel. Het roer werd snel omgezet en het schip beschreef een

scherpen boog, zonder ook maar eenigszins zijn vaart te verminderen,

waardoor het verontrustend sterk naar één zijde overhelde. Op

hetzelfde oogenblik werden de Engelsche schepen bevrijd van den

invloed van de Z.-stralen en helder en zilverig gleden de

stralenbundels van de zoeklichten langs het woelige zeevlak, totdat

ze den vermetelen vluchteling gevonden hadden.

Kapitein Brookes stuurde Zuidwaarts: in die richting meende hij kans

te zien, tusschen zijn aanvallers door te komen, maar bij die

beweging keerde de Olijftak voor een oogenblik één van haar zijden

geheel naar de Niobe. Onmiddellijk donderde een volle laag van acht

15 c.M. kanonnen van het Engelsche schip, waaraan de Olijftak slechts

door een prachtig uitgevoerde wending wist te ontkomen.

Wel werd er veel van de zelfbeheersching van kapitein Brookes

gevergd, om in dezen strijd zijn woord te houden. Met één van zijn

eigen 15 c.M. kanonnen had hij gemakkelijk de niet gepantserde Niobe

in splinters kunnen schieten, maar hij maakte geen gebruik van zijn

wapens, hij wilde slechts beproeven aan zijn belagers te ontkomen

door de ongeëvenaarde snelheid van zijn vaartuig. En werkelijk

slaagde hij erin. Een goed kwartier, nadat hij de haven van

Talcahuano had verlaten, was hij zoover van het Engelsche eskader

verwijderd, dat het geluid van de laatste kanonschoten in de verte

wegstierf als het gebrul van een roofdier.

Toen kapitein Brookes het roer had overgegeven aan een

kwartiermeester en het bevel in den toren had overgedragen aan een

luitenant, ging hij een ronde doen om te zien, waar en hoe het schip

onder de beschieting had geleden. Wel was de schade niet tot in

bijzonderheden te overzien, want al de booglampen waren vernield,

maar de gloeilichten waren toch voldoende om op te merken, dat de

Olijftak er alles behalve zonder kleerscheuren afgekomen was.

De stalen pantsering was niet bestand geweest tegen de kracht van de

granaten en op vier plaatsen doorboord.

Drie officiershutten waren geheel uit elkaar geslagen en de

waterbergplaats en de bakkerij waren ook beschadigd. De boeg was op

eenzelfde plaats door twee granaten getroffen en door het gat was een

derde projectiel in het binnenste van het schip doorgedrongen en had

een deel van de inrichting voor draadlooze telegrafie vernield.

Behalve de kwartiermeester, die gesneuveld was, had niemand van de

bemanning eenig letsel van beteekenis bekomen, wel klaagden velen

gedurende eenige volgende dagen over doofheid.

"Dat hebben we nu te danken aan ons lijdelijk verzet," merkte

kapitein Brookes niet zonder bitterheid op. "We zullen wel een maand

hard moeten werken om ons schip weer in orde te krijgen."

Toen Gerald zich met zijn vriend in hun hut bevond, om naar kooi te

gaan, zei hij: "De kapitein is een man van zijn woord, dat moet

gezegd worden. 'k Zou er geen kwaad van hebben durven zeggen, als hij

het onder deze omstandigheden niet gehouden had."

De Olijftak bleef ook den volgenden dag haar vlucht in zuidelijke

richting voortzetten, maar ze had haar snelheid aanzienlijk

verminderd, zoodra ze zich veilig voelde voor haar vervolgers. Bij

het daglicht bleek de schade, die het schip geleden had, nog veel

grooter, dan men den vorigen avond meende. De uitwerking van het

Britsche geschutvuur was over het geheele vaartuig waar te nemen.

"En Mr. Tregarthen," vroeg de kapitein, "hoe vindt ge, dat de

Olijftak haar zending ten opzichte van den algemeenen vrede

volbrengt?"

"Nu ge er naar vraagt, Sir, wil ik u openhartig zeggen, dat ze, naar

mijn meening, nog niet veel goeds heeft uitgewerkt. In den oorlog

tusschen Chili en Peru hebben wij het eerste schot gelost en een

kruiser in den grond geboord."

"Toegegeven. Maar ge moet met de gevolgen rekenen. Door de

Independencia op te offeren hebben we een strijd tusschen de twee

vijandelijke vloten verhinderd. Ik ken die Zuid-Amerikanen: ze

vechten als tijgers en we kunnen gerust aannemen, dat we door ons

optreden minstens twintig maal zooveel menschen het leven hebben

gered, als er nu bij de ramp van de Independencia zijn omgekomen.

Jammer, dat het Engelsche eskader ons genoodzaakt heeft te vluchten,

want dat is een aanmoediging voor de twee republieken om elkander

naar de keel te vliegen. -- Maar daar komt Mr. Selkirk! Wat ziet hij

er ontsteld uit."

"Wel, Mr. Selkirk, wat voor jobstijding brengt ge?"

Selkirk was het hoofd van de machine-kamer, en ging geheel op in zijn

vereerde motoren.

"Schroef n°. 3 aan bakboordszijde, Sir, onvoldoende werking."

"Schakel die dan maar uit," antwoordde kapitein Brookes.

"Wilt ge het schip voor een poos laten stoppen, Sir? We kunnen dan de

schroef aan boord halen, om te zien wat er aan mankeert. 'k Weet dat

nu niet zeker, maar ik geloof, dat uitschakelen alleen niet voldoende

zal zijn: we krijgen er dan stellig nog meer last van."

"Dan zit er niets anders op, dan uw raad op te volgen. Mr. Selkirk.

Hoe lang denkt ge, dat de geschiedenis duren zal?"

"Minstens twee uur, Sir."

"Goed, ik zal bevel geven te stoppen. Mr. Slade wilt u den

bootsmansmaat opdragen de duikers te laten aantreden?"

De Olijftak bevond zich nu buiten het gebied van den storm, maar de

barometer was nog zeer onrustig, wat ruw weer voorspelde. De zee was

onstuimig, zoodat de opdracht, om de schroef aan boord te brengen,

niet gemakkelijk was uit te voeren en veel moeite gaf aan de duikers

en aan de mannen, die op het dek moesten meewerken.

Eindelijk kwam men er toch mee klaar en lag het bronzen gevaarte op

het dek. Maar nu was mr. Selkirk ook bijna wanhopend, toen hij zag,

dat één van de bladen van de schroef een diepe barst vertoonde.

't Was een wonder, dat er geen stuk was afgeslagen.

"Dat is een vervelende geschiedenis," merkte kapitein Brookes op,

"want hier aan boord kunnen we onmogelijk de schroef herstellen. We

moeten een veilige ligplaats onder de kust opzoeken, daar de schroef

aan land brengen en de twee deelen aan elkaar gieten. We kunnen niets

beter doen dan koers te zetten naar de Desolation Inlet."

HOOFDSTUK XVI.

BIJ DE PATAGONIERS.

Desolation Inlet is een weinig bezochte kreek aan de kust van

Patagonië bij Straat Magelaan. Een enkele stoutmoedige

walvischvaarder verscheen er wel eens, maar verder trok deze

ligplaats geen schepen. De kreek verdiende haar naam wel, want het

was daar een verlaten en vergeten oord. Zij geleek veel op een

Noordsche fjord: onregelmatig van vorm, met zeer diep water en

omgeven door hooge bergen met besneeuwde toppen. Maar ze miste alles,

wat de fjorden zoo schoon maakt; de dalen waren troosteloos van

aanblik: geen vriendelijke menschenwoningen en bijna geen

plantengroei; alleen enkele verschrompelde dennen en grauw mos.

Het was in het begin van September, toen de Olijftak ankerde in de

kreek; de winter op het Zuidelijk halfrond liep ten einde. Het

watervlak in de kreek was zoo glad als een spiegel, maar een lang

verblijf in die schijnbaar zoo veilige schuilplaats was toch niet

geraden. Het kwam voor, dat geheel onverwacht een stormwind kwam

neergieren langs de berghellingen, die vooral voor een zwaar vaartuig

noodlottig kon worden.

Bij het invaren van de kreek gaf het dieplood meer dan zeventien

vademen aan, maar de zeebodem was zeer oneffen, zoodat het bevel

gegeven werd te ankeren bij een diepte van acht vademen, terwijl het

schip naar alle zijden ongeveer twee kabellengten uit den wal lag.

Nauwelijks lag de Olijftak voor anker, of er verschenen aan de kust

een aantal inboorlingen, die met verbazing en nieuwsgierigheid den

grooten kruiser opnamen. Zij waren rijzig en krachtig gebouwd en

maakten een woesten indruk, hun kleeding was schamel ondanks het ruwe

klimaat. Zij waren gewapend met lange, dunne speeren, die ze dreigend

schudden, toen op het schip een witte vlag geheschen werd.

Daar bij het gevecht de kleine booten waren verloren gegaan, moest de

verbinding met de kust verkregen worden door middel van de

motorkotter, en de pinas die zonder veel moeite met een kraan werden

neergelaten. Een aantal manschappen maakten zich gereed om met deze

vaartuigen aan land te gaan en daar een noodsmidse in te richten,

waar de schroef zou kunnen worden hersteld.

Gerald en Jack vroegen verlof mee te gaan en de kapitein stond het

hun gaarne toe, maar hij drukte hun toch op het hart, zich vooral

niet te ver van de boot te verwijderen en er voor te zorgen, dat ze

de inboorlingen geen aanleiding gaven, vijandig op te treden.

Gewapend met hun revolver begaven ze zich in de boot.

Bij de nadering van het vaartuig, waarvan de motoren geheel

geruischloos werkten, namen de inboorlingen de vlucht en zochten een

schuilplaats in een dennenboschje.

Na veel moeite gelukte het door middel van geruststellende gebaren

een der mannen naar het strand te krijgen. Telkens nog weer aarzelde

hij en toonde neiging om terug te gaan, maar de verleiding van een

blinkend stuk koper, dat men hem voorhield, was te sterk. Zoodra hij

dit geschenk te pakken had, ging hij echter terug naar zijn makkers.

Toen kwamen er twee anderen te voorschijn, die ook, nadat ze elk een

wollen deken in ontvangst genomen hadden, dadelijk wegvluchtten. Nu

het bleek, dat er van de vreemdelingen geen kwaad te duchten was,

vatten de overigen moed en weldra waren de mannen van de Olijftak

omringd door een groot aantal inboorlingen, die met teekenen van

blijdschap en dankbaarheid de verschillende geschenken aannamen, die

hun werden aangeboden.

Nadat men zich op deze wijze van de goede stemming der Patagoniërs

verzekerd had, werd een begin gemaakt met het bouwen van de smidse.

Toen men met dat lichte bouwwerk gereed was, werd het beschadigde

schroefblad geplaatst in een zandbed, waarin het gesmolten metaal

moest gegoten worden. Voor dit gedeelte van het werk had men twee

dagen noodig en ook 's nachts bleef een aantal mannen in tenten aan

den wal, om er voor te waken, dat de inboorlingen niet in donker het

metaal wegvoerden. Het leek echter wel, of die voorzorgen geheel

overbodig waren, want de Patagoniërs bleven voortdurend bewijzen

geven van een vredelievende gezindheid.

Terwijl het gieten aan den gang was, maakten Gerald en Jack met een

gewapend geleide uitstapjes in het binnenland. De sneeuwbuien maakten

die tochten zeer bezwaarlijk en de koude was vaak zoo doordringend,

dat men er niet aan kon denken te gaan zitten om uit te rusten,

zonder gevaar van bevriezen te loopen.

"'k Zou wel eens willen weten, waar die arme Patagoniërs eigenlijk

slapen," zei Jack, terwijl ze met moeite vorderden door sneeuw, die

wel een voet hoog lag.

"In holen of ruwe hutten," antwoordde Gerald. "Het zijn geharde

klanten. Hun eenig voedsel lijkt wel te bestaan in schaaldieren, die

ze hier in groote hoeveelheid vinden."

"Wat zou dat daar zijn?" riep Jack en wees naar een aantal met sneeuw

bedekte heuveltjes, die ongeveer een voet boven den grond uitstaken

aan den oever van een kleine kreek.

"Kano's, met den bodem omhoog," zei Gerald, nadat hij geruimen tijd

door zijn veldkijker had getuurd. "En aan den anderen kant van de

kreek ligt een dorpje; 'k zie wel menschen, maar ik kan niet nagaan,

wat ze eigenlijk uitvoeren."

"Misschien zijn ze hierheen getrokken, omdat ze zich in dit verborgen

hoekje veiliger gevoelen, dan zoo dicht in onze nabijheid."

Toen ze weer bij de landingsplaats terugkwamen, was de herstelling

van de schroef reeds geëindigd en had men het metalen gevaarte al

aan boord van den kotter gebracht.

"We hebben al een half uur op jullie gewacht," merkte Mr. Slade

scherp op; de koude en het onnoodige oponthoud hadden zijn humeur

bedorven. "Komt mannen, aantreden! Nummeren!"

Tot ieders verbazing en schrik bleek nu, dat één van de mannen

ontbrak en spoedig werd er uitgemaakt, dat het Black moest zijn, een

officier van administratie, die aan den tocht van Gerald had

deelgenomen.

"Hij moet op den terugtocht zijn achtergebleven," merkte één van de

mannen op, "want daarvóór heb ik hem nog gezien."

"Goed," zei Slade, "maar of we nu hier al staan praten, daar heeft de

man niet veel aan; we moeten hem gaan opzoeken. Mij is het bevel over

den landingstroep opgedragen en ik acht me er dus verantwoordelijk

voor. Mr. Tregarthen, wilt u het bevel over den kotter overnemen en

de schroef aan boord brengen, dan ga ik met een half dozijn mannen

onzen vriend Black opzoeken."

Jack Stockton wilde Slade vergezellen om den vermiste op te sporen;

twaalf man zouden de smidse bewaken en de overigen den kotter

bemannen. Terwijl Gerald zijn opdracht uitvoerde en den kotter naar

de Olijftak stuurde, volgde luitenant Slade de duidelijk zichtbare

voetstappen in de sneeuw.

Het korte tochtje met den kotter liep niet zoo heel gemakkelijk af,

want plotseling schoot er een rukwind langs de bergen over de kreek.

Zoo krachtig was die windstoot, dat de Olijftak draaide en dwars kwam

te liggen, zoodat haar lengtezijde naar het land was gekeerd, terwijl

de golven over het dek van den kotter sloegen. Gerald kon zijn boot

niet langszijde van den kruiser brengen, voor hij het vrij rustige

water aan de luwe zijde had bereikt.

Hij keek wel vreemd op, dat de mannen aan boord heel geen aandacht

over hadden voor den kotter: niemand vertoonde zich en niemand dacht

er blijkbaar aan, den mannen bij het aan boord komen behulpzaam te

zijn. Toen Gerald aan dek kwam, begreep hij dadelijk, wat de oorzaak

was van deze vreemde houding der bemanning. Alle schepelingen

bevonden zich aan de andere zijde van het schip en tuurden naar den

wal, waar zich gebeurtenissen afspeelden, die wel de algemeene

aandacht waard waren.

De wacht, die bij de tijdelijk opgerichte gebouwen was

achtergebleven, had een schuilplaats gezocht tegen den wind achter de

smidse en was nu geheel onkundig, van wat er zich op een twee honderd

meter afstand van hen afspeelde.

En de bemanning van de Olijftak, die het wel zag, was niet bij machte

om tusschenbeide tekomen.

De Koning der Zee · 第 6 / 12 段