gewend, zich te schikken naar de bevelen van zijn meerderen, liet hij
niets van zijn teleurstelling blijken.
De Olijftak bevond zich nu op ongeveer twee mijlen van den ingang van
de haven, die aan weerszijden beschermd werd door steenen forten en
aarden werken, waarboven de Chileensche vlag wapperde; rood, wit en
blauw met een witte ster in den rechter bovenhoek. Daar achter zag
men de stad en aan den horizon in een blauwig waas de Andes, waarvan
de besneeuwde toppen zich verhieven tot een hoogte van 1400 voet.
"Denkt ge, dat ze zullen vuren, Mr. Sinclair?" vroeg kapitein
Brookes, wijzende naar de forten.
"Daar ben ik niet bang voor, Sir; ze zullen het wel op de mijnen
laten aankomen. Sedert den laatsten oorlog hebben ze hier den
grootsten eerbied voor pantserschepen en ze zullen zich tweemaal
bedenken, vóór ze zich aan een artillerie-duel wagen."
"Goed, daar zullen we dan op rekenen. Zijn uw mannen klaar, Mr.
Palmer?"
"Ja, Sir."
"Denk er dan om, dat we vóór zonsondergang in het dok moeten zijn.
-- Wat ik zeggen wil, Mr. Tregarthen, hebt ge wel eens deelgenomen
aan oefeningen in sluipgevechten?"
"Dikwijls, Sir, toen ik diende aan boord van de Vernon."
"Dan kunt ge toch Mr. Palmer vergezellen."
In gezelschap van Stockton, wien het speet niet in de gevaren te
kunnen deelen, nu zijn vriend aan de expeditie zou deelnemen, volgde
Gerald den luitenant en een twaalftal manschappen naar het middendek.
Ongeveer midscheeps bevond zich daar een ovale, stalen kast, die drie
voet boven het dek uitstak. Een van de mannen schoof een zwaren
grendel weg, drukte op een knop en langzaam draaide het reusachtige
deksel om zijn scharnieren omhoog.
Nu werd er een tweede kast zichtbaar, in vorm gelijk aan de
buitenste, maar iets kleiner; dat was de toren van de duikboot.
Het deksel van den toren werd ook geopend en vijf van de matrozen
daalden af in het kleine vaartuig. Palmer noodigde Gerald uit, hem
voor te gaan en met een snel handgebaar nam deze stilzwijgend
afscheid van zijn vriend Stockton.
Palmer volgde en voor de toren gesloten was, zag Stockton bij het
heldere schijnsel van electrisch licht een samenstel van allerlei
machines.
"Ga wat op zij, als u wilt, Sir!" zei een van de mannen, die op het
dek waren achtergebleven.
Het deksel van de buitenste kast daalde neer, de grendel werd
zorgvuldig dichtgeschoven, en Stockton hoorde een zacht geruisch van
instroomend water.
"Nu zijn ze weg, Sir," vervolgde de matroos van daar even. "Als u
naar het dek gaat, kunt u misschien iets zien, van hetgeen ze gaan
uitvoeren."
Stockton volgde dien raad op en vond bij den commando-toren een
aantal officieren bijeen. Met belangstelling volgden ze den loop van
de periscoop, die zich langzaam voortbewoog aan de oppervlakte van
het water. Duidelijk teekende zij den weg af, dien de duikboot
volgde, recht op den havenmond toe.
Plotseling werd een waterkolom tot een hoogte van 50 voet opgeworpen.
Stockton slaakte onwillekeurig een kreet van schrik, want hij dacht
niet anders of de boot was in botsing gekomen met een van de
verschrikkelijke mijnen.
Een minuut van angstige spanning ging voorbij. Kapitein Brookes
staarde donker voor zich uit: de periscoop was verdwenen.
Weer spoot een machtige waterstraal omhoog en de angst uit de blikken
der toeschouwers verdween. Viermalen nog herhaalde zich hetzelfde
schouwspel kort achter elkaar en daarna gebeurde er niets meer, en de
onzekerheid over het lot van hun onverschrokken kameraden deed de
mannen bij den toren in bange verwachting de kijkers richten op den
ingang van de haven. En eensklaps, op een kabellengte afstand van de
Olijftak, verscheen de grijze romp van de duikboot aan de
oppervlakte. Zij wilde blijkbaar door haar verschijning alleen haar
behouden terugkeer aankondigen, want dadelijk verdween ze weer in de
golven en gleed onder de kiel van het moederschip.
Een half uur later kwam haar bemanning aan dek van de Olijftak.
"Alles is in orde, Sir," meldde luitenant Palmer, "alle mijnen zijn
gesprongen, zes in het geheel."
"Zeer goed," antwoordde kapitein Brookes en in den klank van die twee
woorden uitte zich duidelijk zijn groote tevredenheid over de houding
van de bemanning van de duikboot.
"We zullen over een uur de haven binnenvaren, want dan staat er
voldoende water volgens de inlichtingen van onzen loods. Ik ga
zoolang naar beneden. Wilt u mij dadelijk bericht zenden, als er iets
bijzonders gebeurt, Mr. Sinclair?"
"En hoe is het gegaan, oude jongen?" vroeg Stockton, toen de twee
vrienden hun hut hadden opgezocht.
"Prachtig!" antwoordde Gerald met geestdrift. "Deze duikboot is een
meesterstuk. Zij was het geheimzinnige toestel, waarvan de kapitein
sprak, toen we de Marconi-kamer bezochten. Ik geloof wel, dat ik de
inrichting begrijp. Ze is ongeveer 30 voet lang en 8 voet breed en ze
bevindt zich in een holte onder in ons schip, die juist groot genoeg
is, om de bovenste helft van de duikboot te bevatten, zoodat de
onderste helft een voortzetting van de kiel van de Olijftak vormt. Je
hebt gezien, hoe we in de duikboot afdaalden, nietwaar?"
"Ja, door een luik in het middendek, dat hermetisch gesloten kan
warden en door een dergelijk luik in den toren van de duikboot."
"Nu, toen ik in het kleine vaartuig was afgedaald, merkte ik dadelijk
op, dat het werd voortbewogen door electrische motoren, van naar
schatting 35 P.K. In het voorste gedeelte bevond zich een buis, van
10 cM. doorsnede, die twintig kleine torpedos kon bevatten. Ik merkte
op, dat onze boot door middel van waterballast tot zinken werd
gebracht."
"Zoodra alle mannen aan boord waren, opende Palmer een klep, en ik
zag een bleek, groen licht schijnen door het glas van den toren,
waaruit bleek, dat we vrij gekomen waren van de kiel van de Olijftak.
We daalden tot 80 voet diepte, tot dicht bij den zeebodem, zooals
bleek uit het troebele aanzicht van het water, waarin door de kracht
van de eb heel wat slib werd meegevoerd. Toen we ons op eenigen
afstand van de Olijftak bevonden, werden de motoren stopgezet en
luitenant Palmer heesch de periscoop."
"Weet ge hoe een mijn eruit ziet?" vroeg hij mij. En toen ik daarop
bevestigend antwoordde, verzocht hij mij in den toren plaats te nemen
en uit te kijken. Hij zou den loop van het schip bepalen door middel
van den periscoop.
Hij daalde een stalen laddertje af en nam plaats voor een tafel, die
met gepolijst zilver was bekleed. Deze spiegel gaf een scherp en
zuiver beeld te zien van den horizon, zooals die zich voordeed aan de
wateroppervlakte.
"Onze vaart bedroeg zes knoopen, maar de kracht van de eb liet zich
geducht voelen, zoodat we slechts vorderden met een snelheid van drie
knoopen. Deze matige voortgang had meteen het voordeel, dat we nu,
zoodra er een hinderpaal in den weg kwam, naar de oppervlakte konden
stijgen."
"En hoe ver kon-je wel omhoog zien?"
"Zoowat 100 voet, want het water was zeer doorschijnend door het
heldere zonlicht. Als het donker weer geweest was, zouden we gebruik
hebben kunnen maken van een krachtig zoeklicht, dat we aan boord
hadden."
"Op eens kreeg ik een tonvormig voorwerp in het oog, voorzien van een
anker, dat er met een kabel aan verbonden was, waardoor het geheel
deed denken aan een reusachtigen paddestoel. Ik waarschuwde Palmer,
die dadelijk bevel gaf de motoren stop te zetten. De torpedo's werden
weggeschoten op dezelfde wijze als hier aan boord het geschut wordt
afgevuurd. Ik zag, hoe het slanke, als een visch gevormde projectiel
de buis verliet en zich voortbewoog in de richting van de mijn. Het
schot miste: de torpedo ging rakelings langs het doel, zeker doordat
dit zoo klein was en niet stil lag.
"Het tweede schot was beter gericht en al konden we de ontploffing
van de mijn niet hooren, ze was duidelijk vast te stellen door de
hevige schommeling van onze duikboot.
"We herhaalden onzen torpedo-aanval op de mijnen eenige malen, tot we
ons in de haven bevonden. Aan de oevers zag het zwart van de
menschen, die kwamen kijken naar het vreemde slagschip, dat voor de
stad verschenen was."
"En is het nu zeker, dat alle mijnen vernietigd zijn?"
"Stellig, we hebben het vaarwater, dat naar de haven leidt,
nauwkeurig afgezocht en er was niets meer te vinden. Maar laten we nu
weer aan dek gaan, daar is zeker meer te beleven dan hier."
Op het voorschip troffen ze den Chileenschen schipper aan, die met
behulp van luitenant Sinclair, die goed thuis was in het Spaansch, de
richting aangaf, die het schip volgen moest. De luitenant bracht de
bevelen van den loods over aan den kwartiermeester, die zich in den
commando-toren bevond om den Olijftak te besturen.
Langzaam bewoog zich het reusachtige slagschip voort door het ondiepe
vaarwater, klaar voor het gevecht met het oog op mogelijken
tegenstand van de forten. Dat men daar echter niet aan strijd dacht,
bleek duidelijk, toen een eerbiedige groet werd gebracht door het
neerhalen van de vlaggen, welke plichtpleging onmiddellijk op
dezelfde wijze door de Olijftak werd beantwoord.
"Mr. Sinclair," zei nu kapitein Brookes, "laat een van de booten
strijken en bemannen. Ga aan wal en overhandig dit schrijven aan het
stadsbestuur. Met uw kennis van het Spaansch, zult u goede diensten
kunnen bewijzen, wanneer ze den inhoud niet verstaan. Ik heb erin
meegedeeld, wat we verlangen en tevens de verklaring afgelegd, dat we
alle onkosten tot den laatsten penning eerlijk zullen betalen. U hebt
dan meteen gelegenheid te vertellen, hoe de zaken tusschen de beide
republieken staan en welk aandeel wij hebben gehad in den strijd."
Een uur later keerde luitenant Sinclair terug met het bericht, dat
het verzoek van kapitein Brookes was ingewilligd en dat het schip
dadelijk in het dok kon gaan. Ook deelde hij mede, dat de alcalde en
de commandant van de stad voornemens waren een plechtig bezoek aan
boord te komen brengen.
"Prachtig," zei kapitein Brookes, "het kan niet beter. Die twee
heeren zullen we hier houden als gijzelaars, zoolang we in het dok
liggen."
Zonder verdere avonturen bereikte de Olijftak het dok. Het water werd
uitgepompt en zooals de kapitein voorspeld had: vóór zonsondergang
was alles in orde.
HOOFDSTUK XIII.
IN EEN HINDERLAAG GEVALLEN.
Het vreemde schip in het dok trok zeer de aandacht van de bewoners
van Talcahuano. Burgers en soldaten kwamen kijken naar den
geheimzinnigen kruiser; ze toonden groote nieuwsgierigheid, maar er
was niets te merken van kwaadwillige bedoelingen.
Niettemin waren alle voorzorgen genomen om het schip tegen elken
overval te beveiligen. Twee van de kanonnen waren op het tolkantoor
gericht, en de andere bestreken het tuighuis, de forten en
verschillende openbare gebouwen in de stad. Een afdeeling matrozen
was onder luitenant Sinclair geland en had het telegraafkantoor bezet
om te verhinderen, dat er berichten omtrent het verblijf van de
Olijftak werden verzonden, want de Z.-stralen konden nu geen dienst
doen.
"Er nadert een sloep met officieren, Sir," meldde de officier van de
wacht, juist toen men zich gereed maakte om aan tafel te gaan.
"Heel goed, laat dan de eerewacht aantreden. Heeren," zei de
kapitein, "we zullen nog een oogenblik moeten wachten."
Hij begaf zich naar zijn hut, om zich in groot tenue te kleeden, welk
voorbeeld door de andere officieren gevolgd werd.
Toen Gerald op het campagne-dek kwam, vond hij daar de eerewacht
reeds aangetreden en hij zag aan den wal op de kade een
troepenafdeeling met een muziekkorps opgesteld. De Chileensche
soldaten waren blanken, kleurlingen en negers; ze droegen blauwe
uniformen met rood uitgemonsterd en versierd met witte tressen,
terwijl de shako's met glimmend metaal en een pluim waren opgetuigd.
De stadscommandant, die vergezeld was door den alcalde en een staf
van officieren in prachtige uniformen, wachtte aan de valreep, tot de
kapitein van de Olijftak zich op het dek zou vertoonen en zoodra dit
gebeurde, presenteerden de soldaten op de kade het geweer en maakte
het muziekkorps zich gereed te beginnen.
"'k Ben benieuwd, welk lied ze te onzer eere zullen spelen," merkte
Gerald op.
"'k Zou 't ook niet weten te zeggen, want we behooren tot geen
nationaliteit en dus kunnen ze niet ----."
Stockton kon zijn zin niet afmaken, want de muziek zette in en
krachtig klonk het Engelsche volkslied, terwijl de Chileensche
officieren zich aan boord begaven. Toen na het Engelsche ook het
Chileensche volkslied was ten gehoore gebracht, volgde de begroeting
van de vreemde gasten door de officieren van de Olijftak. Daarna
begaven allen zich naar de groote kajuit en men zette zich aan den
welvoorzienen disch.
Ondanks de moeilijkheid, dat men elkanders taal niet verstond,
heerschte er toch een opgewekte stemming aan tafel. Men behielp zich,
als 't noodig was, met gebaren en Sinclair maakte zich verdienstelijk
als tolk. Dat was geen prettig werk, want het werd nog bemoeilijkt
door het geraas, dat de werklieden maakten, die onmiddellijk met het
herstellen van het schip waren begonnen.
Aan het dessert kwam de Chileensche overste, die een langen,
prachtigen, Spaanschen naam droeg, tot de ontdekking, dat hij een
vergissing had begaan. Tot op dat oogenblik had hij gedacht, dat de
Olijftak een Engelsch oorlogsschip was, al voerde ze ook de
groenwitte vlag aan den mast. En nu had kapitein Brookes hem op dat
punt uit den droom geholpen.
"Ja, overste De Silva, volgens het zeerecht van de voornaamste
Europeesche staten is dit schip een roofschip."
"Zijt ge een zeeroover?" stamelde de onthutste krijgsman. "En wat
zijt ge dan van plan? Komt ge onze goede stad een schatting
opleggen?"
"Geenszins, senor," antwoordde kapitein Brookes. "Onze bedoelingen
ten opzichte van Talcahuano zijn vredelievend en oprecht. Zooals ik
reeds gezegd heb, al wat we vragen, zullen we eerlijk tot den
laatsten penning betalen en zoodra de herstellingen aan ons schip
zijn afgeloopen, kiezen we weer zee. Intusschen moet ik u en den
geëerden alcalde voorstellen, als mijn gasten hier te blijven, tot
het oogenblik van ons vertrek."
"Wat, ge wilt ons hier gevangen houden? Maar dat is ongehoord!"
"Zoo moet ge het niet opvatten," antwoordde kapitein Brookes
hoffelijk. "Ge zijt mijn hooggeachte gasten. Mijn eigen veiligheid
maakt het noodig, u hier te houden als gijzelaars voor de
vriendschappelijke houding van de bevolking van de stad."
Toen de overste inzag, dat tegenstand niet zou baten, schikte hij
zich in zijn lot, te gemakkelijker, omdat hij wel op een goede
behandeling aan boord meende te kunnen rekenen. Hem en den alcalde
werden de vertrekken van kapitein Brookes zelf als tijdelijke
verblijfplaats aangewezen.
Nadat deze zaak in orde was en de andere Chileensche officieren van
boord waren gegaan, nam de kapitein alle verdere maatregelen, die de
veiligheid van zijn schip vereischten.
Hij liet door een afdeeling van zijn manschappen het spoorweg-station
bezetten en verbood het vertrek van treinen. Hij wilde de stad van
het verkeer met de buitenwereld afsluiten, zoolang hij er zich
ophield, maar dat gelukte hem niet volkomen. De vertrekkende treinen
kon hij ophouden, maar hij beschikte niet over genoeg manschappen om
alle uitgangen van de stad te bezetten en zoo kon hij niet
verhinderen, dat men zich naar Lota, een kolenstation op ongeveer
twintig mijlen van Talcahuano begaf, om vandaar telegraphisch het
bericht te verspreiden van de voorvallen in de laatste haven. Dat zou
echter tijd kosten en daardoor had hij een voorsprong, die hem
misschien in staat zou stellen zijn schip zonder stoornis weer in
orde te krijgen.
Er werd hard gewerkt en de schade aan het schip was niet van zoo
groote beteekenis, als men eerst had gedacht en daardoor was men er
op den avond van den tweeden dag mee klaar en was alles in gereedheid
gebracht om de Olijftak bij 't aanbreken van den volgenden dag weer
uit het dok te brengen.
De goede gang van zaken verwekte een vroolijke stemming aan boord,
die zich ook uitte aan de officierstafel, waar de vreemde gasten mee
aanzaten.
"En weet ge nu ook al, Mr. Palmer, dat uw gevaarlijk werk om het
mijnenveld op te ruimen, onnoodig was?" vroeg kapitein Brookes.
"Onnoodig, Sir?" riep de verbaasde luitenant. "Hoe dat, Sir, waren
het dan soms doode mijnen?"
"Neen, doode mijnen waren het niet, maar wel electro-mechanische. En
nu hadden, zooals de overste mij meedeelde, onze Z-stralen de
ontploffingsinrichting buiten werking gesteld. Het is dom, dat ik die
mogelijkheid niet heb verondersteld, maar ik heb er geen oogenblik
aan getwijfeld, dat het contact-mijnen waren."
Tegen het einde van den maaltijd, verzocht de kapitein stilte en
richtte het woord tot zijn gasten.
"En nu, overste, moet ik nog eens mijn verontschuldiging uitspreken
voor mijn optreden tegenover u en den alcalde. Als alles goed gaat,
zullen we morgenochtend van elkander scheiden en ik wilde u
verzoeken, mij voor dien tijd een opgave te doen toekomen van alle
onkosten, die wij hebben te betalen. En bovendien zult u mij
verplichten door dit kleine geschenk van mij aan te nemen, als een
bewijs van mijn achting en het te willen bewaren als een herinnering
aan uw onvrijwillig verblijf aan boord van de Olijftak."
Dit zeggende overhandigde hij den overste, met een buiging, zóó
sierlijk, dat geen Spaansche grande die zou verbeterd hebben, een
fijn lederen étui. In het sierlijke doosje lag een prachtig Engelsch
uurwerk in gouden kast, waarop een gouden olijftakje, rijk met
diamanten versierd, was aangebracht. Dit zoo kostbare en geheel
onverwachte geschenk bracht den overste in verwarring, zoodat hij
niet dadelijk een passend woord vond om zijn blijde verrassing te
uiten.
Den alcalde bood kapitein Brookes een juweelen gesp aan voor zijn
sjerp, waarop ook het gouden olijftakje was bevestigd. Het was aan
geen twijfel onderhevig, of de beide heeren waren zeer in hun schik
met de geschenken en te oordeelen naar hun dankbetuigingen, zouden ze
er geen bezwaar tegen hebben gehad, als er iederen dag zoo'n vreemd
schip de haven binnenviel.
De wisseling van beleefdheden tusschen gastheer en gasten werd
eensklaps ruw gestoord.
De officier van de wacht kwam, bleek van opwinding, de kajuit
binnenstormen, "We zijn in een hinderlaag gevallen, Sir!" riep hij
uit.
"Er ligt een Engelsch eskader voor de haven, dat zijn zoeklichten op
ons gericht heeft. Zoo even kwam er een sein van het vlaggeschip,
waarbij onze onvoorwaardelijke overgave tegen morgenochtend geëischt
wordt."
HOOFDSTUK XIV.
DOOR DE SPITSROEDEN.
"Blijf bedaard, Mr. Sinclair," zei kapitein Brookes, "we moeten onze
gasten niet verontrusten. Sein als antwoord, dat we het signaal
begrepen hebben; meer niet. En bericht mij zoo meteen, wanneer
precies het schip het dok zal kunnen verlaten."
Toen de luitenant vertrokken was, wendde de kapitein zich tot zijn
officieren.
"Dit is een onaangename geschiedenis, mijne heeren, maar we moeten nu
eenmaal voorbereid zijn op dergelijke onverwachte ontmoetingen. Ik
had in geen geval een Engelsch eskader in deze wateren verwacht en er
moet zonder twijfel een telegraphisch bericht uit Lota of Coronel
verzonden zijn om de Engelsche vloot op onze aanwezigheid hier
opmerkzaam te maken. In alle gevalle zijn ze er wel vlug bij
geweest."
"En wat denkt ge nu te doen, Sir?" vroeg luitenant Slade
"We zullen probeeren ongemerkt uit de haven te komen. Mr.
Tregarthen," voegde hij er bij, "ik zal me houden aan de belofte, die
ik u gedaan heb en wat nog meer zegt, ik heb me voorgenomen geen
enkele vijandige daad tegen de Engelschen te verrichten. Ik zou u
aanraden, een rapport te schrijven van uw avonturen; als ze ons
morgenochtend een boot willen zenden, hebt u dan een prachtige
gelegenheid, om het aan de Admiraliteit te doen toekomen."
"Het is al klaar, Sir," antwoordde Gerald. "Wilt u het soms inzien?"
"Neen, volstrekt niet. Ik heb het grootste vertrouwen in uw
eerlijkheid en ik zou het een beleediging voor u achten, wanneer ik
mij van uw correspondentie op de hoogte wilde stellen."
"Daar kan ik niets tegen inbrengen ----."
"Goed laten we dan verder van deze zaak zwijgen. Ha, daar is
Sinclair!"
"Uw bevel is uitgevoerd. -- Het schip is te middernacht gereed om het
dok te verlaten," meldde de officier van de wacht.
"Very good -- carry on," was het stereotype antwoord.
En toen begaf de kapitein zich weer naar de groote kajuit, waar het
gezelschap nog langen tijd rustig en gezellig bijeen bleef.
Eerst omstreeks elf uur gaf de kapitein het sein om op te breken en
begaven de officieren zich aan dek.
De krachtige lichtbundels van de zoeklichten van het
insluitings-eskader speelden onophoudelijk op de stad en de haven.
Naar het aantal van die stralenbundels te oordeelen, waren er vier
schepen, maar omtrent grootte en bewapening kon men door de
duisternis niets te weten komen.
Ondanks de zelfbewuste houding van kapitein Brookes, heerschte er
toch aan boord onder officieren en manschappen een gedrukte stemming.
Iedereen zag heel goed in, dat 't welhaast onmogelijk zou zijn aan de
Engelsche schepen te ontkomen, zonder geweld te gebruiken.
Precies te middernacht kondigde het geluid van instroomend water aan,
dat de sluizen, die de tunnels afsloten, waren opengezet en drie
kwartier later lag het schip, geheel gereed om zee te kiezen, midden
in de haven.
De overste De Silva en de alcalde waren aan wal gebracht, alle
onkosten en verteringen waren betaald en voorzien van den noodigen
voorraad levensmiddelen en drinkwater, schommelde de Olijftak
zachtjes aan de ankerkabels in afwachting van het aanbreken van den
dag.
"Kent ge de schepen daarginds Mr. Tregarthen?" vroeg kapitein
Brookes, toen de zonneschijf zich liet zien boven de bergruggen van
de Andes.
"Ja, Sir; het vlaggeschip is de Niobe, een gepantserde kruiser; de
andere zijn de Melampus, de Cambrian en de Amethyst."
"Alle vier van een verouderd type, ze zijn niet veel meer waard,"
merkte kapitein Brookes op. "Ze zijn nog net geschikt voor den
gewonen dienst, voor vlagvertoon maar als 't op vechten aan zou
komen, zou 't er slecht voor deze schepen uitzien. 't Is tenminste
gelukkig, dat ik niet van plan ben van onze krachten gebruik te
maken. 't Is me echter een raadsel, hoe de commandant er toe gekomen
is met zulke schepen een aanval te willen doen op de Olijftak. De man
moet gek zijn, of hij weet niet, over welke strijdmiddelen wij
beschikken."
"Moet men gek zijn, als men een bevel van zijn meerderen opvolgt?"
vroeg Gerald rustig.
"In sommige gevallen wel, en hier had de commandant zich stellig
moeten verzetten tegen zulk een onmogelijke opdracht. -- Maar, daar
is een boot."
Werkelijk naderde een stoompinas, die de witte vlag voerde, de haven.
"Laat de groote valreep neer," commandeerde de officier van de wacht.
"Verzoek den officier in mijn hut te komen," zei kapitein Brookes,
terwijl hij zich gereed maakte, het campagne-dek te verlaten.
De pinas draaide bij en een luitenant in groot tenue, vergezeld door
een onderluitenant, kwam aan boord. Onberispelijk, maar een beetje
onwillig, beantwoordde hij den militairen groet, die hem werd
gebracht.
"Duivels, Tregarthen, wat voer jij hier uit?" riep de Britsche
officier in de uiterste verbazing. -- "Zeg eens, je kent me toch nog
wel?"
"Dat zou ik denken, Blake."
"Maar beste kerel, hoe kom jij nu hier in burgerkleeren onder
zeeroovers?"
"Buiten mijn schuld," antwoordde Gerald. "Eigenlijk ben ik hier een
gevangene, maar alleen in naam. En dan heb ik op het oogenblik
verlof, maar ik twijfel er wel aan, of ik binnen drieëntwintig dagen
weer aan boord van de Calder zal kunnen zijn."
"Daar behoef je niet bang voor te zijn; we zullen je spoedig je
vrijheid weer teruggeven."
"Daar ben ik nog zoo zeker niet van. Ik zou je nog heel veel over
mijn lotgevallen kunnen meedeelen, maar hier is een brief, daar staat
de heele geschiedenis in verhaald. Ga nu naar den kapitein, die je in
zijn hut wacht."
Dit zeggende, overhandigde Gerald den luitenant het schrijven, dat
hij had gereed gemaakt en zocht toen weer zijn vriend Stockton op,
die met gemengde gevoelens stond te kijken naar de pinas van de
Niobe, die langszijde lag.