maar Schneider. Dat heb ik aan deze heeren verteld." -- met een
handbeweging duidde hij Gerald en Jack aan. "Ik heb hun gezegd, dat
ik Duitsch onderdaan was en dat ik bij de eerste de beste gelegenheid
het schip wilde verlaten; zij wisten er dus alles van."
"Waarom hebt ge mij daarvan niet op de hoogte gesteld?" vroeg de
kapitein zich richtend tot Gerald.
"De man kwam op een avond zeer opgewonden in mijn hut. Inderdaad
vertelde hij toen, dat hij Schneider heette en hij begon een verhaal
van bijzonderheden uit zijn vroeger leven en klachten over zijn
tegenwoordig bestaan. Wij hebben hem toen aan zijn verstand gebracht,
dat hij zich bij u moest vervoegen, als hij grieven had. En toen
gaven we hem zijn afscheid."
"Dank u," zei kapitein Brookes en toen vroeg hij aan den
beschuldigde: "En kunt u mij ook zeggen, waar zich de beschrijving
bevindt van de vervaardiging van onze 15 cM. granaten?"
"In één van de kasten van het laboratorium," antwoordde Schneider,
die bij deze vraag nog bleeker was geworden.
"Zoo; en als ik u onder geleide naar het laboratorium zend, kunt u
het stuk dan vinden?"
"Als het er niet meer is, dan is het gestolen; misschien hebt u het
ergens laten verstoppen?"
"Het is gestolen, Sir," viel de kapitein driftig uit, "en wel door u.
Het is gevonden door luitenant Slade in de hut van den gezagvoerder
van de Afrika. Wat hebt ge daarop te zeggen?"
Schneider beefde over al zijn leden zoo hevig, dat één van de
matrozen hem moest ondersteunen om te maken, dat hij niet op 't dek
neerstortte.
"En nu heeren, het vonnis."
"Schuldig aan beide misdaden."
"Mark Taylor, of liever Schneider, ge zijt schuldig bevonden aan
desertie en verraad. Wat de eerste misdaad aangaat, moet ik
toestemmen, dat ik niet het recht had u te berooven van de
bescherming van de Duitsche vlag, omdat u Duitsch onderdaan zijt.
Maar daar is niets meer aan te veranderen, ik zal zelf de gevolgen
van die daad moeten dragen en dat doe ik heel gerust, want ik vrees
zelfs de heele vloot van Duitschland niet. Wat het verraad aangaat,
wijs ik erop, dat ge geheel vrijwillig de betrekking van
verantwoordelijk officier aan boord van de Olijftak onder mijn
commando hebt aangenomen. In iedere gemeenschap is verraad tegen het
hoogste gezag strafbaar met den dood en ik beschik over de macht om
die hoogste straf aan u te voltrekken. Ik wil echter verzachtende
omstandigheden laten gelden: uw misdaad heeft voor ons geen nadeelige
gevolgen gehad en de verleiding was sterk, daar ge geheel de
beschikking over het stuk hadt, dat ge aan uw landgenoot hebt willen
overleveren. Op grond hiervan verander ik de doodstraf in die van
eenzame opsluiting gedurende den tijd, waarin de Olijftak dienst
doet. Natuurlijk wordt u voldoende lichaamsbeweging toegestaan met
het oog op uw gezondheid. -- Breng den gevangene weg!"
Onder geleide van twee gewapende matrozen werd Schneider van het
campagne-dek gebracht en bij 't afdalen van de ladder ging één van
de mannen hem vóór, terwijl de andere hem onmiddellijk volgde.
De gevangene daalde twee sporten van de ladder af, maar keerde zich
toen plotseling om en stootte den man, die hem volgde naar beneden.
Van de verwarring, die daardoor ontstond, maakte hij gebruik om naar
de verschansing te snellen en het volgende oogenblik wierp hij zich
met een forschen sprong over boord.
Allen snelden toe, om te zien, hoe het treurspel zou eindigen, maar
de ongelukkige man was in de diepte verdwenen en kwam niet meer
boven.
"Dat heeft ons ontslagen van heel wat moeilijkheden in de toekomst,
en we hebben er eigenlijk ook al last genoeg van gehad," mompelde
kapitein Brookes.
Den volgenden dag voer de Olijftak langs de oostkust van Patagonië,
zóó dicht, dat duidelijk aan stuurboord de ruwe, kale heuvels van
dat onherbergzame land te zien waren.
"Zoo, goeden morgen, Mr. Tregarthen," riep kapitein Brookes, toen
Gerald aan dek kwam. Hij sprak met een minzaamheid, die in de laatste
dagen ver te zoeken was geweest, maar nu had hij zijn gewone
opgewektheid blijkbaar teruggevonden. "Nu denk ik, dat ons schip wel
gereed is voor den strijd, tenminste wat de bewapening betreft. Er
zullen nog wel gebreken zijn, maar die zullen we wel vinden en
verhelpen. Ik ben van plan eens een proef te nemen met de
strijdmiddelen van de Olijftak, zonder gebruik te maken van haar
electrische kracht. Binnen een uur krijgen we Carlos Rock in zicht --
u hebt daar zeker wel eens van gehoord."
"Neen, Sir."
"Carlos Rock is een klein, onbewoond eiland met een omtrek van minder
dan een kwart mijl, terwijl de grootste hoogte 600 voet bedraagt.
Hoeveel ronden van een 35 cM. kanon zullen noodig zijn, om het te
vernietigen, denkt ge?"
"Dat kan ik niet zeggen, sir, maar één treffer zou er al een
geducht gat in slaan."
"Als ge mij vergezellen wilt in den commandotoren, kunnen we zien,
wat de Olijftak kan uitrichten."
Een hoornsignaal riep alle hens aan dek en binnen een paar minuten
was de geheele bemanning bezig schotten en dwarsbalken weg te nemen.
Een tweede signaal volgde en toen werd het dek door allen verlaten.
"Dat noemen ze nu, klaar voor het gevecht," dacht Tregarthen, maar
voor hij zijn verwondering had uitgedrukt, bracht kapitein Brookes
een paar hefbomen in beweging. Geluidloos zakten nu de massief-stalen
windschutten met het dek naar omlaag, de schoorsteen verdween en de
booten en andere voorwerpen, die zich op 't dek bevonden daalden neer
in ruimten, die daarvoor waren aangebracht. Tegelijkertijd werden de
waterdichte schotten hermetisch gesloten. Op het geheele bovendek
bevond zich nu niets meer; alleen de vier torens, de lichte
snelvuur-kanonnen en de zware commando-toren staken er boven uit.
"Hoe vindt ge dat?" vroeg kapitein Brookes, in geestdrift. "Nu zijn
we gereed om aanvallen van torpedobooten af te slaan. En kijk nu
eens, als ik dezen hefboom in beweging breng."
Nu verdwenen de snelvuurkanonnen onder het pantserdek en zware stalen
platen schoven zonder eenig gerucht over de ruimten, waarin ze
neerzakten.
"Dit zijn onze voorzorgen. Aan boord van bijna alle moderne
slagschepen is de lichte bewapening, die dienen moet om
torpedo-aanvallen af te slaan, slecht beschermd. Komt het tot een
treffen, dan is het lichte geschut binnen vijf minuten vernietigd.
Hier staan de kanonnen veilig en wij kunnen ze gebruiken, zoodra wij
ze noodig hebben. Kijk, daar is Carlos Rock."
Gerald keek op en zag een steenen kolossus, die loodrecht uit de zee
oprees, gebeukt door de golven, die in witte schuimvlokken
uiteenspatten tegen zijn voet.
Intusschen had kapitein Brookes den kwartiermeester bevel gegeven op
een afstand van twee mijlen om het eiland heen te varen om zich ervan
te kunnen overtuigen, dat het inderdaad geheel onbewoond was. Tien
minuten waren voldoende voor het volbrengen van deze rondvaart en in
dien tijd zochten de officieren met hun kijkers de treurig verlaten
rots af. Geen menschelijk wezen was er te zien; duizenden zeevogels
waren de eenige bewoners.
"Let nu op!" zei de kapitein tot Gerald. "Ik kan niet in
bijzonderheden treden, maar gij zult wel begrijpen, wat ik bedoel.
Alle acht de kanonnen zijn twee aan twee met elkaar verbonden en
gereed voor het afvuren van een volle laag. Kom nu hier en kijk door
deze opening."
Tregarthen voldeed aan de uitnoodiging en toen haalde kapitein
Brookes een hefboom over. Even ging een bijna onmerkbare trilling
door het schip en een kleine terugslag werd gevoeld, een dunne,
nevelachtige, bruine rook steeg omhoog, maar geluid van kanonschoten
werd niet gehoord, alleen het gieren van de projectielen, die met een
snelheid van 2500 voet per seconde uit de loop gedreven werden. Het
geheele rotseiland werd in een stofwolk gehuld en het doffe gerommel
van vallende steenblokken werd gehoord.
"De rots ziet er nu heel anders uit, Sir," riep Gerald uit, toen hij
de uitwerking van het geschutvuur door zijn kijker had opgenomen.
"Zoo!" zei de kapitein. "Zou er een schip zijn, dat daartegen bestand
is? Maar ga nu beneden eens kijken naar het laden van de stukken, dan
zullen we daarna gedurende een halve minuut snelvuur afgeven."
Tregarthen verliet nu den commando-toren langs een stalen
wentel-ladder en kwam in de ruimte onder het pantserdek, waar hij
bijna de geheele bemanning van het schip bijeen vond; ook de mannen,
die de pantsertorens commandeerden. Hij begreep er niets van, dat
deze niet op hun post waren.
Matrozen, het bovenlijf geheel bloot, waren bezig met het aanrijden
van granaten op kleine kruiwagens uit het magazijn. De projectielen
werden in een grooten metalen bak geplaatst, die in verbinding stond
met den voorsten toren. Wanneer er zoo twaalf ronden in den bak
geplaatst waren, gingen de deuren dicht en daarboven scheen een
helder rood licht.
Even ging er een zachte trilling door het schip en dat herhaalde zich
tot twaalf maal toe in minder dan vierentwintig seconden. In het
volgende oogenblik vlogen de deuren van den bak open en twaalf
ledige, zwak rookende cilinders vielen op den vloer; een matroos
wierp een emmer water in de ruimte en de nieuwe lading was gereed.
Maar daar schetterde weer een hoornsignaal: "ophouden met vuren" en
de officieren gingen aan dek om de uitwerking te zien van het
geschutvuur.
"Hoe is dat gegaan?" vroeg kapitein Brookes. "Met uitzondering van
drie man en ik zelf, was de geheele bemanning veilig en wel onder het
pantserdek. Automatisch laden en vuren, met volkomen zekere trefkans,
daarmee zijn we onoverwinnelijk."
"'k Zou zeker niet gaarne aan boord zijn van een schip, dat door een
volle laag van uw kanonnen werd getroffen," merkte Gerald op. "Maar
als nu gedurende den strijd de richting van een paar kanonnen zich
wijzigt, zoodat een deel van het schip in de vuurlijn komt?"
"Daar is rekening mee gehouden. Dan wordt onmiddellijk het verband
van den toren, waarin ze zich bevinden met de rest verbroken. Het
samenwerken van de vier torens is niet bepaald noodig; ze kunnen ook
ieder op zich zelf vuren. Dan neemt dadelijk de kommandant van den
toren de leiding van zijn afdeeling op zich. De kans, dat wij ons
eigen schip zouden beschadigen, bestaat dus niet."
Hier werd het gesprek gestoord door de komst van een matroos.
"Er is zoo even een draadloos bericht ontvangen Sir," meldde hij en
overhandigde, terwijl hij salueerde, een gesloten enveloppe.
Kapitein Brookes opende het couvert en las een paar malen den inhoud,
zonder dat zijn gezicht door verandering deed vermoeden, van welken
aard de inhoud was. Daarop wendde hij zich tot de officieren, die op
het campagnedek tegenwoordig waren.
"Heeren," riep hij uit, "het bericht dat ik daar ontvang, is van de
grootste beteekenis. De gezagvoerder van de Afrika heeft
gerapporteerd, dat hij aangevallen is door een schip, dat de witte
vlag voert en er zijn reeds klachten ingebracht bij den Duitschen
gezant te Londen. De Britsche regeering heeft echter onmiddellijk
verklaard, dat het ten eenen male onmogelijk was, dat de aanval zou
gedaan zijn door een Engelsch oorlogsschip, volgens de beschrijving
moest het de Almirante Constant geweest zijn. Ten gevolge van die
verklaring hebben de Britsche en de Duitsche regeering een nota aan
de andere staten gezonden, waarin dat schip als een roofschip wordt
gebrandmerkt, met verzoek het aan te houden, waar daartoe de
gelegenheid bestaat. En zoo, mijne heeren, is de Olijftak een
boekanier van den nieuwen tijd geworden. Iedere reede en elke haven
is voor ons gesloten. Maar dat zal mij niet weerhouden den taak, dien
ik mij gesteld heb, te volbrengen. Bij de vervolging, waaraan wij nu
blootstaan, zal ik nooit een enkel schot lossen op een Engelsch
schip, ik vertrouw dan op de snelheid van de Olijftak om den
aanvaller te ontkomen, maar als een schip van een andere mogendheid
het waagt ons aan te vallen, dan zal ik het een geduchte waarschuwing
geven. En als die niet helpt, dan zullen ze tot hun schade en schande
al de kracht gevoelen, van de verdedigingsmiddelen, waarover wij
beschikken."
HOOFDSTUK XI.
DE STRIJD MET TWEE VLOTEN.
Zonder eenig ongeval bereikte nu de Olijftak de kust van Chili. De
vijandelijkheden tusschen dit land en zijn ouden mededinger Peru,
waren uitgebroken, maar uitgezonderd eenige onbeduidende
schermutselingen van voorposten aan de grenzen, waren er nog geen
gevechten geleverd. Geen van de beide republieken durfde er toe
overgaan zijn leger in het vijandelijke gebied te zenden, voor men er
zeker van was, dat er van den zeekant geen gevaar was te duchten. Het
eerste bedrijf van den strijd moest ter zee worden afgespeeld en
iederen dag kon men een ontmoeting van de twee vijandelijke vloten
verwachten.
De Olijftak was dadelijk in verbinding gekomen met den agent van
kapitein Brookes te Antofagasta aan wien door middel van een
draadloos bericht werd opgedragen, aan de Presidenten van Chili en
Peru een ultimatum te stellen. Binnen drie dagen moesten de vloten
terug keeren in de haven, die ze hadden verlaten, of de Olijftak zou
zich genoodzaakt zien, tusschenbeide te komen.
Aan de opdracht werd voldaan: het ultimatum werd aan de Presidenten
gesteld en de voornaamste kranten maakten er melding van. Natuurlijk
werd toen die vreemde tijding druk besproken en men vroeg elkander,
wat voor schip toch eigenlijk die Olijftak was en van welke
nationaliteit het was. Niemand kon die vragen beantwoorden en daarom
kwam men tot het besluit, dat de heele geschiedenis een verzinsel was
van een handigen grappenmaker of van iemand, die zijn verstand kwijt
was. De beide Staatshoofden dachten er ook zoo over en wijdden daarom
verder niet de minste aandacht aan het ultimatum. Niemand kwam op de
gedachte, dat de Olijftak hetzelfde schip kon zijn als de Almirante
Constant, die bij Pernambuco de Duitsche vlag beleedigd had en dat
was geen wonder ook, want welk vaartuig zou den afstand van
Pernambuco naar Valparaiso -- 4600 mijlen -- binnen vier dagen hebben
kunnen afleggen.
In Chili kwam men op de gedachte, dat het ultimatum een list was van
Peru om den vijand schrik aan te jagen en zoo koos de Chileensche
vloot in alle gerustheid zee.
Dit nieuws werd aan de Olijftak meegedeeld uit Antofagasta en spoedig
volgde het bericht dat de Peruaansche vloot de haven van Callao had
verlaten, stoomende in zuidelijke richting.
Dadelijk had nu kapitein Brookes zijn plan gemaakt. Hij wilde de
Chileensche schepen te gemoet varen, erlangs heen koersen, zoodat hij
tusschen de beide vloten in kwam en dan had hij ze in zijn macht.
Ongelukkigerwijze zou het echter anders loopen. Eerst ging alles naar
wensch: de vloot van de zuidelijkste republiek kwam in het gezicht en
stoomde voorbij, maar inmiddels had de Peruaansche vloot haar koers
gewijzigd en voer naar Iquique.
"Daar zijn ze," riep kapitein Brookes op een der volgende dagen
tegen het vallen van den avond en hij wees naar een nevelvlek aan den
overigens helderen horizon.
"'t Is nu te laat, om vandaag nog iets te ondernemen. Ik zal hun een
flinke portie Z-stralen toedienen, zoodat ze gedurende den nacht
machteloos zijn. Morgen kunnen we dan de zaak voortzetten."
De Peruaansche vloot, die geen gebruik kon maken van haar
licht-installatie en geen zoeklicht kon laten werken, koerste
hulpeloos rond en trachtte op goed geluk vooruit te komen in de
richting van Iquique. Niemand begreep, hoe het mogelijk was, dat zoo
plotseling de werking van alle electrische instrumenten verlamd was
en de geheele bemanning verkeerde in zenuwachtige spanning, vreezende
voor een aanval van de Chileensche vloot.
Bij het aanbreken van den volgenden dag besloot kapitein Brookes
vooreerst den afstand tusschen de Olijftak en de vijandelijke schepen
eenige mijlen grooter te maken om zelf geen last te krijgen van de
Z-stralen, waarmee hij werkte. Hij gaf dus bevel, den steven te
wenden.
Terwijl deze beweging werd uitgevoerd, deed plotseling een
vreeselijke ontploffing het vaartuig van het voor- tot het
achterschip hevig schudden en aan stuurboord spoot een reusachtige
waterzuil omhoog.
"Hemel, een mijn!" riep Gerald uit.
Hij had gelijk. De Peruanen hadden de zee met mijnen bestrooid en bij
de wending hadden de stuurboord-schroeven van de Olijftak zulk een
gevaarlijk voorwerp geraakt.
De bemanning bleef bedaard, er was geen sprake van een paniek: ieder
was dadelijk op zijn post. De timmerman kwam aan dek met de
geruststellende verklaring, dat het schip geen water maakte en een
machinist berichtte, dat de drie schroeven aan stuurboord vernield
waren, zoodat men de motoren had moeten stopzetten. De drie overige,
onbeschadigde schroeven konden dus maar alleen werken en de snelheid
van het schip was teruggebracht tot vijftien knoopen.
"Daar zullen ze voor boeten!" zei kapitein Brookes volmaakt kalm.
"Als het heelemaal dag is, zullen we eens laten zien, waartoe de
Olijftak wel in staat is."
De schemering duurde maar kort en toen eenmaal de zon boven de kim
stond, zag men duidelijk de Peruaansche vloot op een afstand van
zeven mijlen naar het oosten.
Ze bestond uit vier pantserkruisers, de Santa Rosa, Lima,
Independencia en de Restauracion, en drie kanonneerbooten. Met de
matige snelheid van zoowat veertien knoopen verwijderden zich de
schepen in oostelijke richting.
Plotseling echter tot groote verrassing van de bemanning van de
Olijftak, wendde de Independencia den steven, zonder twijfel met het
doel een aanval te doen. Op drie kabelslengte volgde de Restauracion.
Alles was gedurende den nacht aan boord van de Olijftak gereed
gemaakt voor het gevecht, zoodat de matrozen en officieren niets
anders te doen hadden dan op de hun aangewezen posten te gaan.
[Illustratie: Het ongelukkige schip was uit elkaar geslagen. Pag. 77]
"De afstand is niet groot genoeg, om gebruik te kunnen maken van onze
ZZ-stralen," zei kapitein Brookes tot Gerald, die zich bij hem in den
uitkijktoren bevond. "Ik zal bevel geven tot afzonderlijk vuren uit
de verschillende torens."
Met volle kracht kwam de Independencia aanstoomen, zoodat het
schuimende water hoog opspatte voor den boeg. Dikke, zwarte rook
golfde uit de schoorsteenen en wel vijf roodwitte nationale vlaggen
wapperden van de masten.
Eensklaps opende ze het vuur uit een 12 c.M. kanon en een 45 ponder
huilde door de lucht. Gerald stond onbeweeglijk bij de nadering van
het projectiel, dat recht op den toren afkwam en hij kon er niet toe
besluiten de opening in de pantsering te verlaten. Het was niet de
eerste maal, dat hij een projectiel met de oogen in zijn loop volgde,
maar dan stond hij achter het kanon, waaruit het was afgevuurd; nu
was echter de toestand een geheel andere.
Een oogenblik later hoorde hij een vreeselijken slag boven zijn
hoofd, gevolgd door een regen van staalsplinters en een dikken,
verstikkenden rook.
"De brug is getroffen," zei kapitein Brookes even kalm, alsof hij de
meest gewone zaak van de wereld besprak. Even drukte hij op een knop,
waardoor het bevel gegeven was, het vuur te openen uit den voorsten
toren.
De beide 15 c.M. kanonnen werden tegelijk afgeschoten, zonder dat er
eenig geluid werd gehoord. Met wiskundige zekerheid troffen de
granaten haar doel en de uitwerking was verschrikkelijk. Het
ongelukkige schip was uit elkaar geslagen en toen de zwakke rook
geheel was opgetrokken, duidde alleen de beweging in het water aan,
waar de kruiser in de golven was verdwenen.
De Restauracion wilde blijkbaar niet eenzelfde lot ondergaan: ze
wendde den steven en zocht haar heil in een overhaaste vlucht. Ook de
andere kruisers volgden dat voorbeeld en lieten de kanonneerbooten,
die niet zoo snel voort konden, aan haar lot over. Kapitein Brookes,
die tevreden was met de behaalde overwinning, zag echter van alle
vervolging van zijn vijanden af.
"Het ziet er mooi voor ons uit," zei Gerald, toen hij zich weer bij
zijn vriend Stockton gevoegd had, "een beschadigd schip en alle
havens onherroepelijk voor ons gesloten."
"Zouden ze de schade kunnen herstellen?" vroeg Jack. "En als ze het
niet kunnen, is dan de toestand gevaarlijk?"
"Als het er alleen maar om ging, de beschadigde schroeven door andere
te vervangen, dan zou het wel in orde komen, doch de assen zijn
vernield en dat maakt de zaak bezwaarlijk."
"Laten we ons maar niet bezorgd maken; ik houd me ervan overtuigd,
dat kapitein Brookes er wel wat op vinden zal. Maar weet je, waarnaar
ik erg benieuwd ben? Hoe het gaan zal, wanneer we worden aangehouden
door een Britsch oorlogsschip. Als de kapitein zijn woord houd, dan
mag hij geen gebruik maken van zijn verdedigingsmiddelen en als hij
wil vluchten, dan worden we stellig ingehaald, nu we drie van onze
schroeven kwijt zijn."
"Het is wel te hopen, dat we niet op de proef zullen worden gesteld.
Maar heb je de uitwerking gezien van het schot, dat ons straks
getroffen heeft. De heele brug is weggerukt, alsof hij van bordpapier
vervaardigd was. Het stuurstoel is daardoor geheel vernietigd en we
zijn dus voor het besturen van het schip aangewezen op de inrichting
in den commando-toren, totdat de schade zal hersteld zijn. Maar laten
we wat uit den weg gaan: daar komt kapitein Brookes."
De kapitein ging voorbij, maar hij was zoo in zijn gedachten
verdiept, dat hij de twee vrienden niet opmerkte. Het was stellig een
moeilijk vraagstuk, dat zijn geest vervulde en dat hij wilde gaan
uitwerken in de rustige eenzaamheid van zijn hut.
"Hoe is de koers, Mr. Slade?" vroeg Gerald aan den officier van de
wacht.
"We zullen spoedig een aanval doen op de Chileensche vloot."
"Weer een vuurgevecht?"
"Daar kan ik niets van zeggen."
Al heel gauw kreeg men nu den nieuwen vijand in zicht. Terstond werd
de aanval begonnen en gevolgd door een zeer gemakkelijke overwinning,
die geen menschenlevens kostte. Door middel van de Z. stralen werd de
vijandelijke vloot machteloos gemaakt en daarop zond men een bericht
naar het vlaggeschip van admiraal Zaetos, waardoor deze op de hoogte
kwam van den ondergang van de Independencia. De geschiedenis van de
Olijftak was dus geen fabeltje en de Chileensche vlootvoogd stemde er
in toe, terug te keeren naar Iquique om nieuwe bevelen aan den
President te vragen. Zoo was dus de Olijftak meester van de zee.
"En nu zullen we onze schade gaan herstellen," zei kapitein Brookes
vroolijk. "Zijt ge bekend met de haven van Talcahuano, Mr.
Tregarthen?"
"Neen, Sir."
"Jammer genoeg, want geen van mijn officieren is er ooit geweest, en
toch moeten we er binnenvallen, want er is een droogdok, het eenige
aan de westkust van Zuid-Amerika, dat groot genoeg is, om ons schip
op te nemen. En of ze er in zin hebben of niet, ik ben van plan daar
de Olijftak weer geheel zeewaardig te laten maken."
Vroeg in den volgenden morgen kwam de haven van Talcahuano in zicht.
Kapitein Brookes begon met de stad te isoleeren, door met de Z.
stralen alle telegraphische verbindingen te verstoren. Buiten de
haven bevond zich ook een klein koopvaardijschip en de kapitein liet
den gezagvoerder daarvan bij zich aan boord komen en verzocht hem als
loods dienst te doen om de Olijftak binnen te brengen.
"Dank u wel, senor, dat durf ik niet!" riep de man doodelijk
verschrikt. "De havenmond ligt vol mijnen; daarom ben ik ook
buitengaats gebleven."
"Zijt ge daar zeker van?"
"Ja, senor."
"Nu heeren, ge hoort, wat de man zegt," vervolgde kapitein Brookes,
zich tot zijn officieren wendend. "Wat moet er gebeuren?"
"We laten de beslissing geheel aan u over, Sir," antwoordde luitenant
Sinclair.
"Dat had ik wel verwacht. En nu, senor, aan het roer, we gaan
vooruit, of er één of vijftig mijnen liggen, voor zonsondergang
moeten we in het droogdok zijn. Mr. Palmer, maak de duikboot gereed."
HOOFDSTUK XII.
DOOR HET MIJNENVELD.
Toen Gerald dit bevel hoorde, maakte zich een eigenaardige
gewaarwording van hem meester. 't Was een verrassing voor hem, dat de
Olijftak ook zulk een krachtig wapen bezat, maar die bevreemding werd
geheel overstemd door de onstuimige begeerten om aan de avontuurlijke
tocht van zoo'n vaartuig deel te nemen.
Maanden geleden reeds had hij zich opgegeven voor den dienst aan
boord van een onderzeeër en hij was op de lijst van vrijwilligers
geplaatst, maar zijn hoop, om aan de beurt te komen, was nog niet
verwezenlijkt.
"Mag ik Mr. Palmer vergezellen, Sir?" vroeg hij.
"'k Denk niet, dat het gaan zal. Dit is alleen werk voor geoefende
mannen."