Mr. Stockton bij hem wil brengen."
"Zeer goed, Sir," antwoordde de zeeman en nadat hij het zware gordijn
op zijde had geschoven, verzocht hij Tregarthen, hem voor te gaan.
Geen vijf minuten later was Jack Stockton bij hem.
"Hallo, Jack! Hoe gaat het jou hier?"
"Daar heb ik niet over te klagen. Ze hebben mij verteld, dat jij weer
heelemaal beter waart, ondanks die wond aan je hoofd. Over jou had ik
me dus niet meer ongerust te maken, maar ik tob nog over het verlies
van mijn jacht."
"Ja, 't is ons wel tegengeloopen. Maar je boot was toch verzekerd,
niet waar?"
"Zeker, maar wat doet dat er toe? Ik krijg nooit weer zoo'n zeiler
terug, en ik was er zoo aan gehecht."
"Je zult wel gauw een ander hebben."
"Wat? Hoe weet je dat?"
"Omdat je zult overstappen op het eerste schip, dat we tegenkomen."
"Zonder jou?"
"Juist. Daar zit hem de knoop. Jij wordt naar huis gestuurd, maar mij
willen ze hier houden, met of tegen mijn zin."
"Weet je dat zeker? Wat voor schip is het eigenlijk -- een
zeeroover?"
"'k Weet het niet. Alleen kan ik je zeggen, dat ik beslissen moet, of
ik hier aan boord gedurende twee jaar dienen wil of niet."
"En als je het niet doet?"
"Dan staat me niet veel goeds te wachten, denk ik."
Toen vertelde Gerald de bijzonderheden van zijn gesprek van den
vorigen avond met den kapitein en hoe deze erop stond, dat hij een
beslist antwoord geven zou.
"En wat denk je te antwoorden?" vroeg Jack.
"Daarover wilde ik met je praten. Je begrijpt nu, hoe ik ervoor sta.
Als ik niet binnen drie-en-dertig dagen op mijn post terugkeer, word
ik als deserteur aangemerkt, of men moet de goedheid hebben, mij als
vermist op te geven. Dat gebeurt dus in ieder geval, want ze houden
me hier en als ik het voorstel van den kapitein aanneem, zal ik
waarschijnlijk in staat zijn mijn vaderland een goeden dienst te
bewijzen en ik zal nog voorwaarden kunnen stellen ook."
"Waarom zou je het aanbod dan niet aannemen? En als je voorwaarden
stelt, laat dan bepalen, dat ik ook hier aan boord mag blijven."
"Jij?"
"Ja zeker. 'k Weet heel goed, dat ik niet zooveel kennis bezit als
jij, maar 'k ben toch ook wel wat waard aan boord."
"All right," antwoordde Gerald. "Dan is mijn besluit genomen. Maar
het kwartier is om en dus moet ik heengaan."
"Wel, Sir," vroeg kapitein Brookes, "zijt ge tot een besluit
gekomen?"
"Ik stem toe, maar wensch enkele voorwaarden te stellen."
"En die zijn ----?"
"Dat ik behandeld word met den eerbied, waarop een Britsch
zeeofficier aanspraak kan maken; dat ik niets zal behoeven te
ondernemen, dat in strijd is met de belangen van mijn land ----"
"Dat hebben we immers vooropgesteld."
"Dat mij wordt toegestaan aan de Admiraliteit te melden, op welke
wijze ik hier ben vastgehouden en dat Jack Stockton, volgens zijn
eigen verlangen, ook hier aan boord zal mogen blijven."
"Al die verzoeken kunnen worden ingewilligd," antwoordde kapitein
Brookes, waarbij Tregarthen opmerkte, dat hij het woord verzoeken
gebruikte inplaats van voorwaarden.
"Zeer goed, Sir,"
"En ge begrijpt, dat al mijn bevelen blindelings gehoorzaamd moeten
worden?"
"Zoolang ze niet in strijd zijn met de belangen van mijn land."
"Dat heb ik al herhaaldelijk toegestemd."
"Te veel nadruk kan niet gelegd worden op die voorwaarde, Sir."
"Wilt ge erin toestemmen, de uniform te dragen van de officieren van
de Olijftak?"
"Neen, Sir. De eenige uniform, waarop ik recht heb, is die van de
Engelsche marine. Maken de omstandigheden het onmogelijk, die te
dragen, dan moet ik me in politiek kleeden."
"Goed, ik zal er niet op aandringen. Laten we nu onzen rondgang over
het schip beginnen, om u een denkbeeld te geven van de inrichting."
Dit zeggende, ging de kapitein hem voor naar het half dek en Gerald
merkte op, dat het schip veel overeenkwam met het Dreadnought-type,
maar daarvan in enkele opzichten afweek. De dienst leek geheel op
Engelsche wijze ingericht.
Wat de grootte van het schip aangaat, hij schatte de
waterverplaatsing op niet minder dan 10000 ton, dus iets meer dan de
helft van die van een moderne Dreadnought. Bij een lengte van 300
voet, bedroeg de breedte, naar zijn meening, 60 voet. Verder merkte
hij op: één slanken schoorsteen, een stevigen commando-toren,
enkele kleinere torentjes, verscheidene luiken en eenige lantarens.
In de torentjes stonden geen kanonnen, hoewel elk voorzien was van
twee schietgaten.
Op gelijke afstanden stonden aan beide zijden van het dek dunne,
stalen platen, die met een hoek van 45° waren omgebogen.
"Dat zijn windschermen," merkte kapitein Brookes op.
"Ze zijn onontbeerlijk, daar kan ik u de verzekering van geven."
"Ge behoeft er niet tegen op te zien, mij inlichtingen te vragen,"
ging hij voort. "Het is in ons beider belang, dat ge geheel op de
hoogte komt. Ik zag u daareven naar de torentjes kijken. Die zijn nu
nog onbewapend, maar binnen een paar dagen hoop ik de kanonnen in
positie te hebben."
"Dus op 't oogenblik zijt ge zonder middelen van verdediging."
"Ge zult die gevolgtrekking niet meer maken, wanneer ge het schip
geheel gezien hebt. Maar hoe groot, denkt ge, dat de snelheid is,
waarmee we nu varen?"
Tregarthen keek aandachtig over de verschansing.
"Vijf en veertig," raadde hij.
"Doe er nog twintig bij en ge zult dichter bij de waarheid zijn. Mr.
Gimlette," zei hij tot den officier van de wacht, "hoeveel knoopen?"
"Zeven en zestig, Sir."
Het antwoord werd gegeven op een toon, waaruit viel af te leiden, dat
dit niets bijzonders was. Tregarthen stond verstomd. De Olijftak
legde dus in één uur een afstand af, die gelijk stond met vijf en
zeventig landmijlen. Hij begreep nu, dat alleen de windschutten het
mogelijk maakten, op het dek staande te blijven: de luchtstroom, die
door den snellen gang van 't schip ontstond, zou anders alles hebben
neergeworpen.
"Ge zult zeker wel opgemerkt hebben, dat er bijna geen golf voor den
boeg ontstaat," ging de kapitein voort. "Door een vernuftige vinding
wordt het verplaatste water geleidelijk langs de zijden van het schip
afgevoerd, waardoor ook de schroeven beter kunnen werken. En nu
zullen we den commando-toren bezoeken."
"Maar welke beweegkracht gebruikt ge?" vroeg Gerald.
"Petroleum, paraffine of eigenlijk een ontvlambare olie, die uit een
mengsel bestaat en gemakkelijk door de vaporisators dringen kan. De
motoren, die elk door tien ingenieurs worden bediend, brengen zes
schroeven in beweging. Stokers hebben we in 't geheel niet noodig en
door toepassing van de nieuwste vindingen op machine-gebied, hebben
we slechts een bemanning van 105 koppen noodig, de officieren
meegerekend."
Al pratende hadden de beide mannen den toren bereikt, een ronde,
gepantserde ruimte, die ongeveer vijf voet boven het dek uitstak en
een middellijn had van vijfentwintig voet. Tegen de wanden waren
electrische schakelborden aangebracht en een net van verschillend
gekleurde draden, zooals men ze ook vindt aan boord van Engelsche
oorlogsschepen.
Doch de aandacht van Gerald werd dadelijk getrokken door een bord,
dat uit koperen en zinken platen bestond, zoodat het wel een groot
dambord geleek. In elk van de hoeken was een wijzer aangebracht. Het
geheele toestel kon draaien langs stalen draden, die bijna een cirkel
vormden, met een kleine gaping, die naar het achterschip was gekeerd.
"Nu, Mr. Tregarthen, waartoe zou dat wel dienen, denkt ge?"
"'t Is een toestel om de plaats van een vijandelijk schip te bepalen,
denk ik."
"Daar lijkt het veel op, maar we kunnen er meer mee doen. Voor ik u
daarvan op de hoogte breng, moet ge me eerst eens vertellen, of ge,
voor uw vertrek uit de haven van Poole, ook een bericht gelezen hebt
in de bladen over een avontuur van den kruiser Zieten."
Bij deze vraag kwam het Tregarthen plotseling in de gedachte, dat het
schip, waardoor de Zieten op zoo'n geheimzinnige wijze machteloos was
gemaakt, den naam droeg van Almirante Constant en dat hij zich dus
aan boord bevond van dat wonderlijke vaartuig. Zijn verbazing was zoo
groot, dat hij geen woord kon uitbrengen en de kapitein, die de
verrassende uitwerking van zijn vraag bemerkte, bleef zwijgend het
antwoord van Geralds afwachten.
"Ja, ik heb het gelezen," begon deze eindelijk. "Maar hoe hebt ge dat
gedaan?"
"In een paar woorden zal ik het u duidelijk maken. Dit bord is,
zooals ge ziet, verdeeld in een en tachtig vierkanten; ieder van die
vierkanten vertegenwoordigt eene vierkante mijl. Zoo staat een
gezichtsveld van negen mijlen in het vierkant tot mijn dienst. Laten
we nu aannemen, dat een vijandelijk schip nadert. De plaats van het
vaartuig wordt op de gewone wijze bepaald en nu heb ik slechts de
wijzers uit twee tegenovergestelde hoeken te brengen in het vierkant,
dat het ligvlak van den vijand voorstelt. De wijzers kunnen daartoe,
zooveel als noodig is, worden verlengd. Zoodra dit gedaan is, richt
zich een draadlooze stroom, dien ik de Z. straal zal noemen, op het
vijandelijk vaartuig. Onmiddellijk wordt nu de geheele electrische
installatie daar aan boord in de war gebracht en ge weet, wat dat
beteekent voor een modern oorlogsschip. Ge hebt opgemerkt, dat er
twee paar wijzers op het bord zijn aangebracht; die met de witte
schijven doen de Z. straal ontstaan. Wanneer een vaartuig na de les,
die het hiermee ontvangen heeft, nog voortgaat een vijandige houding
aan te nemen worden de wijzers met de roode schijf in werking
gebracht en dan is de tegenstander van de Olijftak tot een wissen
ondergang gedoemd."
"Hoe dan?" vroeg Gerald met de grootste belangstelling.
"De wijzers met de roode schijf veroorzaken een stroom van nog veel
grootere kracht, de Z. Z. straal genoemd, waardoor dadelijk de
munitievoorraden van het vijandelijke schip ontploffen."
"En waarom wilt ge dan kanonnen aan boord nemen? Ik meen toch, dat ge
gezegd hebt, dat de bewapening van de Olijftak binnen enkele dagen in
orde kan zijn."
"Alleen als voorzorgsmaatregel. Het kleinste gebrek in de geleiding
kan de werking van alle electrische toestellen hier aan boord
verlammen en dan moet ik mijn toevlucht tot kanonnen kunnen nemen.
Maar er dreigt ook nog een ander gevaar. Ik moet niet alleen om me
heen, maar ook naar omhoog kijken -- uit de lucht kan de vijand ook
een aanval beproeven. Het toestel, dat ge hier ziet, heeft me
vijftien jaar arbeid gekost, om het zoo volmaakt te krijgen, als het
nu is, maar in den laatsten tijd hebben het luchtschip en de
vliegtuigen een ommekeer gebracht in den strijd ter zee. Nu is de
gewone afstand van zoo'n luchtschip of vliegtuig 1000 voet; zou ik op
dien afstand de Z-stralen of de ZZ-stralen willen laten werken, dan
moest de stroom zoo sterk zijn, dat hij stellig noodlottig zou worden
voor ons eigen schip. In dat geval dien ik dus ook over verdragend
geschut te kunnen beschikken. En nu kent ge de geheimen van den
commando-toren en kunnen we onze wandeling voortzetten."
"Maar waarvoor dient dat?" vroeg Tregarthen, terwijl hij wees naar
drie rijen metalen knoppen, aangebracht op een mahoniehouten bord
tegen den wand van den toren.
"Om de uitwerking van het geschutvuur na te gaan. Als de kanonnen er
zijn, zal ik u de werking verklaren. Laten we nu naar de brug gaan."
Op de brug gierde de wind als een orkaan en Gerald was blij, dat hij
beschutting kon vinden in een hokje, waar zeekaarten werden bewaard.
Hier bevond zich ook het electrische stuurtoestel, maar tot zijn
groote verbazing hield daar niemand toezicht. Op de brug stonden
alleen een officier en een matroos, die met kijkers den horizon
afzochten.
"Moet er niemand aan het roer staan?" vroeg Gerald.
Kapitein Brookes schudde het hoofd. "Bij lange zeereizen is dat niet
noodig," zei hij. "Dan stuurt het schip zich zelf. Zooals de meeste
vraagstukken is ook dit heel eenvoudig, als men de oplossing weet.
Het stuurtoestel van de Olijftak is ingericht als een
Whitehead-torpedo. De koers wordt aangewezen door een wijzer op het
kompas en bij de minste afwijking wordt een klep geopend, waardoor
het roer automatisch in werking komt. In begrensd water, of wanneer
we in strijd zijn, gebruiken we het stuurtoestel in den
commando-toren. -- En nu hebt ge de voornaamste wonderen van de
Olijftak gezien."
Gerald moest toegeven, dat hij haast niet kon gelooven dat al, wat
hij hier gezien had, werkelijkheid was.
HOOFDSTUK VII.
GERUCHTEN VAN OORLOG.
"Een oogenblik nog, Sir," zei Gerald toen ze op hun terugweg voorbij
een troepje matrozen kwamen, die met het geweer exerceerden.
"Waarvoor dient die cylinder aan den mond van de loop."
"Dat is een geluid-demper. Het is een uitvinding van mijzelf en ik
heb er patent op gevraagd. Mr. Ball, breng mij eens één van de
geweren, als u wilt."
Het bleek, dat Gerald goed gezien had, want het geweer verschilde
weinig van het Lee-Enfield type.
"Het magazijn kan tien ronden munitie bevatten," zei kapitein
Brookes, terwijl hij het sluitstuk uittrok en een patroon in de kamer
legde. "Luister nu."
Hij bracht het geweer aan den schouder en haalde den trekker over.
Geen knal werd gehoord en dat er inderdaad een schot gelost was,
bleek alleen uit den zwakken terugslag van het wapen, het fluiten van
den kogel en het uitvallen van de patroonhuls.
"Deze vinding heb ik op alle wapenen aan boord toegepast, ook op de
revolvers. Het is een groot voordeel in den strijd, wanneer de vijand
overvallen wordt met een geluidloos salvo," voegde de kapitein erbij,
terwijl hij het geweer teruggaf.
"Laten we nu ----"
"Schip in zicht!" werd er van de brug geroepen.
"Waar?" vroeg de kapitein.
"Recht vooruit, Sir."
"Dat is de Puma. Mr. Tregarthen, ik moet u nu verder in den steek
laten. Zeg aan uw vriend Stockton, dat hij zich over het geheele
schip vrij bewegen mag; alleen de commando-toren is verboden terrein
voor hem."
Dit zeggende, verliet kapitein Brookes snel de brug. De gang van de
Olijftak was tot minder dan twintig knoopen teruggebracht en er
werden toebereidselen gemaakt om met de Puma in verbinding te komen.
Toen Tregarthen heenging om zijn vriend op te zoeken, was de afstand
tusschen de beide schepen nog ongeveer vijf mijlen.
"'t Is in orde, Jack; je moogt aan boord van de Olijftak blijven,"
riep hij.
"Ja, dat weet ik al, ik dank je voor de moeite. En ze hebben me
verteld, dat we samen deze hut zullen bewonen."
"Laten we eens aan dek gaan kijken, Jack," stelde Gerald voor.
"Goed, maar vertel me nu eerst eens, wat je eigenlijk van de Olijftak
denkt. Zijn we hier onder zeeroovers?"
"'k Geloof het niet, maar we zullen toch goed doen, met flink uit
onze oogen te kijken."
Toen ze het halfdek betraden, presenteerde de schildwacht het geweer.
De man wist dus al, dat Gerald niet meer als gevangene beschouwd
werd, maar als officier een plaats onder de bemanning had ingenomen.
De Olijftak en de Puma lagen evenwijdig op een kabellengte afstand
van elkander. Het was volkomen windstil, de zee was zoo effen als een
spiegel en de zon flikkerde op het vlakke water.
De bootsmansmaat had gefloten: "klaar op het benedendek" en op het
bovendek hadden enkele mannen trossen uitgelegd om aan het andere
schip te bevestigen.
De Puma was een schip van ongeveer 6000 ton, met twee stompe masten,
en een zwarten schoorsteen. Aan een vlaggestok hing de Amerikaansche
vlag, met de sterren en strepen, slap neer in de stille lucht. De
Olijftak voerde geen kleuren.
"Nu is er toch geen sprake van zeerooverij," merkte Jack op. "De
matrozen zijn niet eens gewapend."
"Dat denk ik ook niet," stemde Gerald mee in. "Voor zoover ik er nu
al over oordeelen kan, is de bemanning een bevaren en goed geoefende
troep. 'k Zou wel eens willen weten, hoe die eigenlijk bij elkaar
zijn gebracht en hoe ze hier aan boord zijn gekomen. Ze doen voor
onze beste Britsche matrozen niet onder."
Gerald had niet te veel goeds van de mannen gezegd. Vlug en behendig
volgden ze de bevelen op, die kort en zonder de minste drukte gegeven
werden.
Vlug werd de Olijftak langszijde van de Puma gebracht en er werd
begonnen met het lossingswerk. In minder dan twee uur waren acht
kanonnen van 15 c.M. overgebracht uit het ruim van het vrachtschip op
het dek van den kruiser, benevens een flinke hoeveelheid
snelvuurgeschut van kleiner kaliber, een aantal kisten en een groote
voorraad granaten.
Toen het werk afgeloopen was, kwam de gezagvoerder van de Puma, een
echte Amerikaan, aan boord van de Olijftak, gewapend met een bundel
papieren. Nadat hij ongeveer een half uur bij kapitein Brookes had
doorgebracht, verliet hij het schip en de trossen werden weer
losgeworpen.
Tregarthen had opgemerkt, dat intusschen de vlag op den kruiser
geheschen was: een groene olijftak op een wit veld.
Toen de beide schepen weer in beweging kwamen, werd er van
weerszijden met de vlag gesalueerd en een uur later was de Puma in
noord-westelijke richting geheel uit het gezicht verdwenen.
Het overige deel van den dag werd gebruikt om de kanonnen te stellen
en dat werk ging verwonderlijk vlug, dank zij de vernuftige
werktuigen, waarover men daarbij kon beschikken. Men was al een heel
eind gevorderd, toen het sein voor het middagmaal gegeven werd, dat
Gerald en Jack in gezelschap van de andere officieren zouden
gebruiken. Vóór ze aan tafel gingen, werden de beide vrienden aan
hun nieuwe makkers voorgesteld door kapitein Brookes.
Er waren vijftien officieren bij elkaar, waarvan Gerald er al een
paar kende, namelijk White, den dokter en Christoffel Weeks, den
jongen luitenant, die hem naar de hut van den kapitein had gebracht.
Het waren knappe, vroolijke menschen, die gemakkelijk over allerlei
onderwerpen praatten. Alleen vermeden ze zorgvuldig te spreken, over
hetgeen ze vroeger geweest waren. Met één uitzondering echter:
Taylor, die het opzicht had over het laboratorium, waar de granaten
werden gevuld, praatte zonder terughouding, zonder acht te slaan op
de teekenen van afkeuring van zijn dischgenooten.
Na den maaltijd begaven Gerald en Jack zich weer naar het dek, waar
nu bij 't heldere licht van een aantal booglampen hard werd
doorgewerkt. Kapitein Brookes was overal tegenwoordig om tot spoed
aan te zetten, aanwijzingen te doen en te helpen. Hij leek geen
vermoeienis te kennen.
"Waartoe dient die buitengewone haast, Mr. Sinclair?" vroeg
Tregarthen aan den dienstdoenden officier op de brug.
"Weet u dat niet? Heeft de kapitein u het nieuws nog niet verteld? In
den namiddag is er een draadloos bericht ontvangen, dat de oorlog
verklaard is tusschen twee Zuid-Amerikaansche republieken. Daar
zullen we aan meedoen."
"'k Zou wel eens willen zien, hoe hier de inrichting voor draadlooze
telegraphie in elkaar zit," zei Stockton, toen ze samen in hun hut
zaten.
"Ja, dat zal wel weer wat bijzonders zijn, maar aan boord van dit
schip verwonder ik me over niets meer. Toch ben ik benieuwd, hoe het
eindelijk met dit vaartuig zal afloopen. De Olijftak kan toch niet
eeuwig in volle zee blijven. De voorraden moeten worden aangevuld en
het schip moet van tijd tot tijd dokken om te worden schoongemaakt en
gerepareerd. Dat kost alles schatten en waar komt al dat geld
vandaan? En dan vraag ik mezelf af: "Wie is eigenlijk die kapitein
Brookes? Is hij een millionnair -- een fantastisch plannenmaker, --
wat is hij?""
"Ik denk -- Hallo, wie is daar? Binnen!"
Een bescheiden tikje op de deur had Jack verhinderd zijn meening uit
te spreken.
Een kleine man, met een rond, blozend gezicht kwam stilletjes binnen
en sloot behoedzaam de deur achter zich.
Het was Taylor, de scheikundige.
"Wel, Mr. Taylor, waarmee kunnen we u van dienst zijn?" vroeg Gerald.
"Zacht wat, Sir, niet zoo luid, als ik u verzoeken mag," zei de
kleine man, terwijl hij zenuwachtig met de hand door zijn
kortgeknipt, grijzend haar streek. "Mijn naam is niet Taylor, maar
Schneider. Ik ben onderwijzer in talen en andere wetenschappen. U
kwaamt van Poole, niet waar? Hebt u daar soms kolonel Mortebeque
gekend? Ik ben gouverneur van zijn zoon geweest ----"
"Neem me niet kwalijk, Mr. Schneider," viel Tregarthen hem ongeduldig
in de rede, "ik ken dien kolonel Dinges niet, en ik stel geen belang
in uw levensgeschiedenis. Kom tot de zaak, wat wenscht ge van ons?"
"Ach! zuchtte de man, terwijl hij een treurig gezicht zette, ik ben
erin geloopen en ze hebben me hier onder valsche voorspiegelingen aan
boord gehaald. Ik zou scheikundige onderzoekingen doen en nu moet ik
granaten vullen. Dat bevalt me heelemaal niet. -- Hij is een
zeeroover."
"Hoe weet u dat?"
"Ja, ziet u, misschien is dat de goede naam niet. Hoe noemt u dat in
't Engelsch? Ha! Nu weet ik het -- een toovenaar. U verkeert dus
beiden in groot gevaar. Vraag in de eerste de beste haven verlof om
aan land te gaan en neem mij dan mee. We vluchten dan en zijn weer
veilig."
"'t Spijt me, Mr. Schneider, maar ge zijt hier aan het verkeerde
adres. Als ge wat te klagen hebt, waarom wendt ge u dan niet tot den
kapitein zelf? En als ge zoo zeker weet, dat hij een toovenaar is,
dan zal hij nu ook wel gehoord hebben, wat ge ons hebt verteld. Ge
kunt dus wel heengaan."
Mr. Schneider, die wel begreep, dat hij hier geen troost zou vinden,
volgde den raad op, die hem zoo zonder complimenten gegeven was.
"Dat is een gluiper, dien ik voor niets vertrouw," zei Jack, toen de
deur van de hut weer dicht was. "'t Zijn natuurlijk allemaal
praatjes, die hij ons heeft willen wijsmaken."
"Ik geloof tenminste niet, dat we bij een toovenaar aan boord zijn,"
zei Gerald lachend, terwijl hij zich gereed maakte om naar kooi te
gaan. "In allen gevalle moeten we ons er maar zoo goed mogelijk in
schikken, nu we eenmaal hier zijn. En om je de waarheid te zeggen, ik
ben er niet rouwig om, dat het toeval ons aan boord van de Olijftak
gebracht heeft."
HOOFDSTUK VIII.
VERRAAD.
Gedurende verscheidene dagen vervolgde de Olijftak haar onstuimige
vaart in zuidelijke richting met het doel Straat Magelaan te
bereiken, die de Atlantische met de Groote Oceaan verbindt.
In dien tijd had Tregarthen weinig gelegenheid om met kapitein
Brookes te spreken, die letterlijk nacht en dag werkte.
Toen men de Linie passeerde, werd er niet aan gedacht de oude
gewoonte, om den klassieken zeegod met zijn gevolg te ontvangen, in
eere te houden. Naar het scheen, was de oude Neptunus daarover
verbolgen, want vóór de streek der windstilten bereikt was, werd de
Olijftak door een verschrikkelijken orkaan beloopen.
Het leek wel, of de zee en de lucht samenwerkten bij deze
wraakoefening op het schip. De golven werden bergenhoog opgezweept en
de bulderende stormwind joeg witte schuimvlokken door de grijze,
laaghangende wolken. De regen viel als een stortvloed neer en midden
op den dag was het zoo grauw en schemerig, dat men niet verder dan
een kabellengte voor zich uit kon zien.
Maar ondanks de woede der elementen, joeg de Olijftak met een vaart
van ongeveer dertig knoopen voort door het kokende en bruischende
water. Het leek wel, of het schip niet langer door de golven gedragen
werd, maar of het er dwars doorheen boorde.
Geweldige watermassa's werden over het dek geworpen en sloegen bij
oogenblikken tot hoog boven de brug, maar daarbij bleef het schip
verwonderlijk goed in evenwicht.
Gerald moest, evenals de overige bemanning, beneden blijven en sprak
zijn verbazing uit, over den rustigen gang van het schip in zoo'n
woest bewogen zee.
"Ja, dat is een wonder!" stemde Alex Sinclair toe. "Het is niet mijn
doel u ongerust te maken, maar we danken dezen rustigen gang alleen
aan de lage ligging van het zwaartepunt, onze groote snelheid
waarborgt onze veiligheid. Zoolang we recht tegen den golfslag
ingaan, hebben we geen gevaar te duchten, maar als een golf ons van
terzij aangreep, zouden we er anders voor staan: dan gaf ik niet
zóó veel voor mijn leven."
Gelukkig duren zulke hevige stormen betrekkelijk kort en daar de
Olijftak zulk een buitengewone snelheid had, was men spoedig door het
gebied der orkanen heen en bereikte het schip ongedeerd kalmer
streken.
Met vreugde begroette het scheepsvolk het oogenblik, toen de luiken
weer werden geopend en ze op het dek frissche lucht konden inademen.
"Zeil aan stuurboord!"