Produced by R.G.P.M. van Giesen
[Illustratie: kaft]
DE KONING DER ZEE
DE KONING DER ZEE
DOOR
PERCY F. WESTERMAN
NAAR HET ENGELSCH BEWERKT DOOR
A. F. PIECK
MET VIER PLATEN VAN ANDRÉ VLAANDEREN
[Illustratie: logo]
N.V. JOHANNES MÜLLER -- AMSTERDAM
INHOUD:
I. Het wonderlijke geval met de "Zieten"
II. Waarin we kennis maken met de "Playmate" en haar schipper
III. In den grond geboord
IV. Gevangen aan boord van het geheimzinnige schip
V. Kapitein Brookes
VI. De commando-toren van de "Olijftak"
VII. Geruchten van oorlog
VIII. Verraad
IX. Zeeroof
X. Gereed voor den strijd
XI. De strijd met twee vloten
XII. Door het mijnenveld
XIII. In een hinderlaag gevallen
XIV. Door de Spitsroeden
XV. Woord gehouden
XVI. Bij de Patagoniërs
XVII. De list van Gerald
XVIII. De wraak van den kapitein
XIX. In de Middellandsche Zee
XX. De Amerikaansche vlieger
XXI. De Marconigraaf gestolen
XXII. Gevaarvolle oogenblikken
XXIII. Toch nog gered
XXIV. Een mislukte aanslag
XXV. De groote zeestrijd
XXVI. De Olijftak toont haar kracht
ILLUSTRATIES:
Tregarthen zag den Duitscher wankelen.
Het ongelukkige schip was uit elkaar geslagen.
dat ze hun speeren wierpen naar het vreemde vaartuig.
en stortte met duizelingwekkende vaart naar beneden.
HOOFDSTUK I.
HET WONDERLIJKE GEVAL MET DE "ZIETEN".
Het was een snikheete middag in de maand Augustus.
Fel blikkerden de zonnestralen op de spiegelgladde watervlakte van de
haven van Portsmouth. Slap hingen de witte vlaggen van de talrijke
oorlogsschepen in de bijna windstille lucht.
Eventjes schommelend aan haar ankerketting op de eerste rimpeling van
het opkomend getij, lag daar de torpedoboot-vernieler "Calder". Ze
maakte nu een veel minder trotschen indruk, dan toen ze een paar
dagen geleden de haven verliet. De machine was onklaar geraakt en
daardoor had ze moeten terugkeeren om de vrij ernstige schade op de
werf te laten herstellen. Dat zou stellig wel een paar maanden in
beslag nemen. De officieren hadden verlof gekregen het schip te
verlaten, want een enkele torpedist was voldoende voor het toezicht.
Ting-ting! Ting-ting! Ting-ting! Ting-ting!
Acht keer rinkelde met een hard geluid een schel en toen kwamen twee
mannen op 't dek, behendig klauterend uit het kleine luik, dat
toegang gaf tot de groote kajuit.
De eerste was een slanke man, met een mager en scherp-geteekend
gezicht: de kapitein-luitenant ter zee, die het bevel voerde over de
"Calder". De ander was luitenant Gerald Tregarthen, met wien we wat
meer van nabij zullen kennismaken.
Hij was zoo wat even lang als de kapitein, dat wil zeggen ruim vijf
voet, als hij op zijn kousen stond en zijn breedte was daarmee
evenredig. Zijn gezicht, gebruind en verweerd door zon, wind en
zeeschuim, was glad geschoren en had een jongensachtige uitdrukking
met iets schalks in zijn diepblauwe oogen.
Toch was het hem wel aan te zien, dat hij de flinkheid, die zijn
gevaarlijk beroep eischte, niet miste.
In zijn nog korte, maar zeer voorspoedige loopbaan had hij talrijke
bewijzen gegeven van vastberadenheid, koelbloedigheid en
onversaagdheid, zoodat men in de toekomst nog veel van den jongen
officier verwachten mocht. Zijn voorspoed had hij ook en vooral te
danken aan ijverige studie en harden arbeid, waardoor hij zich een
goeden naam als artillerist en torpedist had verworven, terwijl zijn
zeemanskunst in de marine algemeen bekend was. Zoo was hij reeds op
jeugdigen leeftijd voor bevordering in aanmerking gekomen.
Gerald Tregarthen droeg nu geen uniform, hij was in politiek, maar de
burgerkleeding deed niet te kort aan zijn flinke houding. Hij had een
verlof van zes weken gevraagd en verkregen, nu de "Calder" toch
tijdelijk werkeloos moest blijven en het klinkt wel een beetje
vreemd, maar het was zijn voornemen om het grootste deel van dien
tijd op het water door te brengen.
Algemeen bekend is de geschiedenis van den koetsier van een
Londensche omnibus, die eens een vrij dagje had, wat maar uiterst
zelden gebeurde en die zijn vacantiedag niet beter wist te gebruiken,
dan door als passagier met zijn eigen voertuig te gaan meerijden.
Dezelfde gevoelens, die dezen koetsier er toe brachten uit rijden te
gaan, bezielen honderden blue-jackets en mariniers, als ze op
verlofdagen bootjes huren om te gaan spelevaren.
In alle oorden van de wereld, waar zich Engelsche matrozen bevinden,
kan men dan ook vroolijke pekbroeken aantreffen, die hun vrijen tijd
in gehuurde bootjes doorbrengen, alsof deze vorm van uitspanning de
meest aantrekkelijke voor hen is. En zoo behoeft het ons dan ook niet
al te zeer te verwonderen, dat Gerald Tregarthen het plan maakte,
zijn verlof te gaan doorbrengen aan boord van de 4-tons kotter
"Playmate", die op dat oogenblik in de haven van Poole lag en
toebehoorde aan zijn ouden schoolmakker Jack Stockton.
Zoodra de twee officieren op het dek verschenen, klonk de heesche
stem van den kwartiermeester, die bevelen gaf. Vlug voerden de mannen
van de ploeg voor de boot die bevelen uit en de kleine boot werd aan
stuurboord naast het schip gebracht. De bagage van Tregarthen, alleen
bestaande uit een volgepakt valies, werd erin geworpen en nadat de
luitenant zijn commandant had vaarwel gezegd, nam hij plaats in den
stuurstoel.
Vlug gleed de boot over het vlakke water en een kwartier later stapte
Gerald Tregarthen aan wal bij de Koningstrap.
Gevolgd door den matroos, die zijn valies droeg, liep hij naar den
hoofdingang van de werf. Eén van de chauffeurs, die met hun wagens
dicht bij de poort stonden, kreeg hem dadelijk in het oog en bracht
zijn taxi naar de plaats, waar Tregarthen stond.
"Naar het station!" riep de luitenant, terwijl hij instapte. Maar
voor hij het portier achter zich had toegetrokken, kwam er een
krantenjongen naar hem toehollen.
"Avondblad, mijnheer? De laatste scheepstijdingen!" Dat trok
natuurlijk den zeeman.
Tregarthen kocht de krant, stapte toen in de taxi en voort ging het
naar het station.
De chauffeur zette flink aan, maar tweemaal hadden ze een klein,
onvoorzien oponthoud op hun rit door de drukke straten en dat was
juist genoeg om de plannen van Tregarthen in de war te sturen. Toen
hij aan het station kwam, bemerkte hij, dat hij precies twee minuten
te laat was voor den trein van 4.45 naar Bournemouth. Dat het verlies
van die twee minuten een geduchte verandering zou brengen in zijn
loopbaan in de naaste toekomst, kon hij toen zelfs niet vermoeden.
"Volgende trein 6.2, mijnheer," antwoordde een kruier op zijn vraag.
"Dat tref ik. Meer dan een uur wachten," bromde Tregarthen.
Hij zocht een gemakkelijk plaatsje op een van de banken op het
perron, zette zijn valies naast zich, vouwde de krant open en was al
heel gauw in de lezing verdiept.
Eerst de "Marine-berichten", waarin hij nieuwtjes vond omtrent enkele
van de talrijke officieren, die hij persoonlijk kende. Toen kwamen de
"Scheepstijdingen" aan de beurt en daarna viel hem een berichtje in
't oog, dat dadelijk zijn belangstelling trok.
"Het nieuwe pantserschip, Almirante Constant, verliet gisteren de
Tyne. Een hardnekkig gerucht heeft in zekere kringen geloopen, dat
het vaartuig, gebouwd in 't geheim, bestemd is voor de
Braziliaansche Marine. Uw correspondent heeft de meest nauwkeurige
nasporingen op dit punt gedaan, maar de betrokkenen weigeren,
inlichtingen te geven. Eén ding is zeker: het schip moet
onbewapend worden geleverd aan een Amerikaansche firma."
"Wat zouden die Zuid-Amerikaansche Republieken met zulke
nieuwerwetsche oorlogsschepen moeten uitvoeren?" dacht Tregarthen,
terwijl hij de weerbarstige bladen van de krant omvouwde. "'t Is een
veel te gevaarlijk speelgoed voor die menschen, net of je een kind
een scheermes in handen geeft. Voor een Europeesche zeemogendheid zou
een half dozijn van die schepen nog niet veel beteekenen, maar dat is
heel wat anders.... Hé, wat hebben we daar verder?...."
"Een telegram uit Wilhelmshaven, gedateerd den 2en dezer, meldt,
dat de Keizerlijke kruiser derdeklasse Zieten daar is
binnengevallen, blijkbaar in moeilijkheden verkeerend. Twee
sleepbooten brachten het schip in de haven. Kapitein Schloss ging
onmiddellijk aan land en verzond een uitgebreid rapport aan de
Admiraliteit. Niemand van de bemanning mocht het schip verlaten,
zoodat uw correspondent niet in staat was verdere bijzonderheden te
verkrijgen over het ongeval. We hebben reden aan te nemen, dat er
een ernstig ongeluk aan boord gebeurd is."
"Later bericht. -- Van den gezagvoerder van de sleepboot Vulkan
vernemen we, dat de kruiser Zieten, twee honderd mijlen westwaarts
van Helgoland, plotseling werd overvallen door een magnetischen
storm van ongekende kracht. Alle geleiddraden aan boord waren
gesmolten, de installatie voor draadlooze telegraphie en de
kompassen weigerden allen dienst. De gevechtswaarde van de Zieten
is voor het oogenblik teruggebracht tot die van een kruiser, zooals
er dertig jaar geleden gebouwd werden. Het staat vast, dat het
schip nog sterk geladen is met electro-magnetisme en geruimen tijd
zal moeten dokken. Kapitein Schloss moet er ernstig aan twijfelen,
of het wel ooit weer geheel zeewaardig zal kunnen worden."
Gerald Tregarthen had het bericht met de grootste belangstelling
gelezen. Eerst was hij geneigd er mee te spotten, want hij dacht, dat
de gezagvoerder van de Duitsche sleepboot zich een sprookje op de
mouw had laten spelden. Hij had zelf in de tropen herhaalde malen
hevige electrische stormen meegemaakt, maar nooit hadden de kompassen
en fijne electrische instrumenten beduidende schade geleden. Mocht
het echter waar zijn en zou het verschijnsel meer voorkomen, dan
zouden de gevaren en moeilijkheden aan de zeevaart verbonden, nog
geducht toenemen.
Toen hij zijn krant had opgeborgen kwam het Gerald in de gedachte,
dat hij nog wel even aan zijn vriend Jack Stockton kon telegrafeeren,
om zijn overkomst te melden.
Hij wandelde op zijn gemak naar het telegraafkantoor om zijn
voornemen uit te voeren. De tijd schoot daardoor meteen nog wat op en
zoo kwam er toch ook weer een eind aan het vervelende uur.
De trein kwam vóór en Tregarthen zocht een gemakkelijk plaatsje in
een eerste-klasse-coupé. Aan het station Southampton-West kocht hij
een deeltje goedkoope reislectuur en een avondblad van een Londensche
krant. Hij begon met de lezing van het laatste en het eerste wat hem
in 't oog viel, was een bericht van Reuter's agentschap, uit
Wilhelmshaven, dat alweer handelde over het geheimzinnige geval,
waarvan hij straks aan het station gelezen had. Reuter meldde het
volgende:
"Het vreemde ongeval van den kruiser Zieten, schijnt veel ernstiger
dan men eerst veronderstelde. Het schip is waarschijnlijk zwaar
geladen met electriciteit van onbekende soort. Zijn standaardkompas
is opgezonden naar het keizerlijk laboratorium te Berlijn. En nu is
de groote kruiser, Von der Tann, die in het dok lag in de
onmiddellijke nabijheid van de Zieten, ook door den vreemden stroom
aangetast. Om verdere nadeelige gevolgen te voorkomen is er bevel
gegeven, dat de Zieten het dok moet verlaten en op stroom moet gaan
liggen."
Verder stond er nog, dat alle berichten omtrent de Zieten ontvangen
waren over Middelkerke en Dumpton Gap, daar de onderzeesche kabel
tusschen Borkum en Lowestoft beschadigd was. Een telegraaf-kabelschip
had de Theems verlaten met bevel te trachten, de storing tot een
bepaald gedeelte van den kabel te beperken en ze daarna te verhelpen.
Tregarthen begon nu toch te denken, dat er wel iets waar zou zijn van
de vreemde geschiedenis en hij was verlangend er nog meer
bijzonderheden van te vernemen. Hij zocht in de lange, fijn-gedrukte
kolommen van de krant en vond ten slotte nog het volgende:
"Omtrent het Zieten-incident wordt via Lowestoft bericht, dat alle
sporen van het ongewone verschijnsel verdwenen zijn. Kompassen en
electrische instrumenten werken weer normaal."
Meer stond er niet in het blad. Tregarthen vouwde het dicht en stopte
het tusschen de riemen van zijn valies. Hij kon er niet toe komen,
met de lezing van zijn deeltje spoorweg-lectuur te beginnen, want het
voorval met den Duitschen kruiser hield zijn gedachten te veel bezig.
Hij verdiepte zich in de vraag, wat hij zelf wel doen zou, als een
vaartuig, dat onder zijn bevel stond, in zulke omstandigheden kwam.
Ongemerkt schoot daardoor de tijd op en voor hij het wist, stopte de
trein aan het station Poole. De duisternis was reeds gevallen. Gerald
stapte uit en zocht op het volle perron naar zijn ouden schoolmakker.
Maar geen Jack Stockton was er te zien.
HOOFDSTUK II.
WAARIN WE KENNIS MAKEN MET DE "PLAYMATE" EN HAAR SCHIPPER.
"Er zal niets anders opzitten, dan te probeeren de Playmate te
vinden," dacht Tregarthen. "Misschien heeft Jack mijn telegram niet
ontvangen. Ik hoop niet, dat hij uitgezeild is, zonder op mij te
wachten, maar verwonderen zou me dat niet, want 't is eenmaal zijn
vaste gewoonte, om nooit een enkele minuut te wachten, op wien ook."
Toen Tregarthen aan de kade kwam, vond hij daar een groot aantal
kustvaartuigen: brikken, schoeners, lichters en vrachtbooten, die in
twee rijen rustig voor anker lagen.
Daartusschen merkte hij wel een paar jachten op, maar die waren
grooter dan de Playmate.
't Was een wanhopig werk, hier naar het jacht van Stockton te gaan
zoeken.
Gerald Tregarthen stond verlegen. Behalve enkele half-beschonken
zeelieden, die naar hun vaartuigen terug scharrelden, zag men niemand
op de kade en hij stond op het punt, zich naar een nabij gelegen
hôtel te begeven, toen hij een stem hoorde, die uit de diepte kwam.
"Een boot, Sir?"
De jonge officier keek naar beneden. Op de plaats, waar hij stond,
was een trap gemetseld, die naar het water leidde. Het was eb en de
treden zagen er alles behalve uitlokkend uit: vuil en glibberig. Aan
den voet van die landingstrap, tusschen den voorsteven van een brik
en het roer van een Theems-vrachtboot, lag een roeiboot en daarin
stond de man, die geroepen had. Door middel van een korten bootshaak,
dien hij in een ijzeren ring in den kademuur gepikt had, hield hij de
boot op haar plaats.
"Een boot, Sir?"
"Weet je ook iets van een jacht, Playmate genaamd?" vroeg Tregarthen.
"'t Spijt me, Sir, maar 'k heb er nooit van gehoord," antwoordde de
jolleman. "Maar 'k zal mijn maat roepen; die weet het misschien." Hij
bolde zijn handen om zijn mond en schreeuwde: "Cartridge, waar zit
je?"
De nagalm van de krachtige stem van den jolleman was nauwelijks
weggestorven, of er kwam een roep van den overkant.
"Hallo, daar!" dadelijk gevolgd door 't zwak geplas van riemen in 't
water.
"Cartridge weet stellig, of er een vaartuig van dien naam in de haven
ligt," merkte de jolleman op en toen de boot van den ander den neus
schuurde langs het boord van de jol, werd de vraag overgebracht.
"Wat? -- De Playmate, van iemand, die Stockton heet? Zeker, die ligt
bij de ducdalven!"
"Kan je mij aan boord brengen?" vroeg Tregarthen, blij, dat zijn
vriend nog niet was uitgezeild.
"Met alle pleizier, Sir," antwoordde Cartridge.
Tregarthen gaf zijn valies aan den jolleman, die het zijn makker
toewierp en toen stapte hij in de eerste boot en wipte daarna in de
tweede.
De lange, rustige slagen van den roeier, voerden de boot over het
gladde water langs de rij van vaartuigen en toen het kanaal in. Hier,
in bijna open water, blies de avondwind krachtig en frisch uit het
N.W., zoodat Tregarthen huiverde. Op de brug van zijn torpedoboot was
hij aan weer en wind gewend, maar daar had hij zijn dikke
stuurmansjekker en de draaibare tent.
De boot voer tusschen lange, lage banken van dampenden modder door,
totdat ruim een kwart mijl van de kade, de schemerige omtrekken
opdoken van een half dozijn jachten van verschillende grootte. De
ankerlichten beschenen het vochtige dek en de overtrekken van
zeildoek en trokken lichtende strepen op het kabbelende watervlak.
"Daar is de Playmate, Sir," riep de roeier, rustend op de riemen en
over zijn schouder kijkend. Tregarthen volgde de richting van zijn
blik.
Ongeveer twintig meter verder lag een sierlijk, klein, wit vaartuig.
Door het ronde venster van de kajuit scheen een helder licht over 't
water, dat bij Tregarthen een beeld wekte van vriendelijke
gezelligheid. Zijn ergernis over 't niet vinden van Stockton en de
troostelooze aanblik van de kille, verlaten kade, -- alles was
vergeten. Hij had een veilige plaats gevonden, waar hij zijn anker
kon uitwerpen.
"Playmate, ahoy!"
De roeier trok een van zijn riemen binnen boord en bracht met de
andere zijn boot naast het jacht.
"Hallo, daar! Ben jij het, Cartridge?"
"Ja, Sir, 'k heb iemand meegebracht, die U komt bezoeken."
Er werd een geluid gehoord van schuifelende voeten, het luik werd
half op zij geschoven en er kwam een hand te voorschijn, die een
lantaarn vasthield en daarna het hoofd en de schouders van den
eigenaar van de Playmate.
"Hallo, ben jij het?" riep hij uit, toen hij zag, wien hij voor had.
"'k Had je niet meer verwacht!"
"Dat heb ik al wel in de gaten," antwoordde Tregarthen, "heb je mijn
telegram niet ontvangen?"
"Telegram? -- Wat voor telegram? -- Maar blijf daar niet staan, kom
aan boord!"
Het hoofd van Stockton verdween weer. Tregarthen betaalde den roeier,
sprong vlug op het dek en stond een oogenblik later in de kombuis.
Jack Stockton, met een pijp in den mond, was bezig visch te bakken
voor zijn avondmaaltijd.
Gerald begon te hoesten. De hitte van de kachel, de tabaksrook en de
geuren van visch, soep en zeegras maakten, dat het haast niet was uit
te houden. 't Was hier zoo heel anders dan in de kajuit van een
oorlogsschip, maar hij zag tegen die bezwaren niet op, hij moest er
alleen maar even aan wennen. Die ruwheid was juist een van de
aantrekkelijkheden van het leven aan boord van een jacht.
"Excuseer den rommel!" riep Stockton. "Zooals je ziet, had ik je al
uitgeschrapt. Maar in een ommezien komt alles in orde. Waar is je
bagage?"
"Op 't dek."
"Breng die beneden en ga dan in de kajuit, ik kom gauw bij je. -- Pas
op je hoofd!"
De waarschuwing kwam te laat. Tregarthen vergat, dat de kombuis van
een vier-tons-jacht maar een hondenhok is, vergeleken bij die van Z.
M.'s Calder; maar gelukkig was zijn hoofd goed beschermd door zijn
stevige pet, anders had hij zeker een flinke buil opgeloopen.
Hij wierp zijn valies van 't dek op den vloer van de kombuis en
transporteerde het toen door het nauwe gangetje naar de kajuit, waar
hij nog eens met de zoldering in onzachte aanraking kwam. Nu had hij
geleerd, zich met de noodige omzichtigheid te bewegen in de bekrompen
ruimte. Hij maakte het zich gemakkelijk op een van de breede banken
en toen de eigenaar van de Playmate een krachtig avondeten had
klaargezet, vroeg hij: "En wat denk je nu te doen?"
"Ik wou een tocht maken door het Kanaal. Heb je daar wat tegen?"
Tregarthen floot tusschen de tanden en zei: "Een beetje gewaagd, vind
je niet?"
"Heelemaal niet. De schuit is zoo stevig als een huis, en al wat we
noodig hebben is aan boord," zei Stockton.
"Heb je een kompas?"
"Een klein prachtstuk. Alles is in orde."
"Dan ben ik van de partij. -- Wat ik zeggen wou, heb je de krant van
vandaag al gelezen?"
"Neen, 'k ben wel aan wal geweest, maar ik heb heelemaal vergeten er
een te koopen. Maar hoe dat -- is er een ongeluk gebeurd?"
"Dat nu niet," antwoordde Gerald, terwijl hij zijn nieuwsblad voor
den dag haalde en het bericht aanwees.
"Wat denk je daarvan?"
"Niet veel," zei Jack zonder veel geestdrift, toen hij het stukje
gelezen had, "en in allen gevalle hebben wij er niets mee te maken."
Toen Gerald zag, hoe weinig belang zijn vriend stelde in het geval,
sprak hij er verder niet over en vroeg: "Wanneer denk je te
vertrekken?"
Stockton antwoordde niet dadelijk, maar keek eens naar buiten. --
"Zoodra je maar zin hebt," zei hij toen. "De vloed begint op te komen
en met den wind, dien we nu hebben, kunnen we mooi naar buiten komen.
Wil je me dat rolletje kaarten eens aangeven?"
Gerald deed, wat hem gevraagd werd en zijn makker zocht de kaart van
het Engelsche Kanaal uit.
"Vóór het aanbreken van den dag kunnen we St. Catherine bereiken en
als 't dan een beetje meeloopt, zijn we vóór zonsondergang bij Kaap
Barfleur. Dat is maar vijftien mijlen hemelsbreed."
"All right; vooruit dan maar," zei Tregarthen.
Twintig minuten later ging de Playmate onder zeil. Haar reis was
begonnen, zonder dat de twee vrienden konden vermoeden, dat deze de
inleiding zou worden van een reeks heel buitengewone avonturen.
HOOFDSTUK III.
IN DEN GROND GEBOORD.
Een paar jaar geleden heeft, naar men zegt, een admiraal verklaard,
dat de Engelsche zeelui de beste zeilers van de wereld zijn, terwijl
een ander hooggeplaatst zeeofficier geschreven heeft: "ik geloof
niet, dat er eenige marine is, die slechter dan de Engelsche geoefend
is in de behandeling van haar booten -- bij ons is het een schande."
We kunnen moeilijk zeggen, wie nu wel gelijk heeft, maar in elk geval
verwaarloost de Admiraliteit bij de opleiding der zeeofficieren het
onderwijs in het zeilen niet: de cadetten te Dartmouth beschikken
over een voldoend aantal kotters.
Gerald Tregarthen was dus zeker geen nieuweling aan boord van een
zeilvaartuig. Hij had vroeger bij verschillende wedstrijden prijzen
behaald en nu hij de inrichting van de Playmate voldoende kende, kon
hij gerust de zorg voor het roer op zich nemen, zoodat Jack Stockton
de handen vrij had voor andere werkzaamheden.
Kalm gleed de Playmate door het goed verlichte kanaal tusschen de
duinen door naar den ingang van de haven van Poole. Daarna volgde ze
het vaarwater langs de boeien aan de luwe zijde van Studland Heath en
toen ze die aan den havenboom waren omgezeild, schoot het jacht in
het ruime sop.
Jack Stockton trok zijn oliejas aan, het roer werd vastgezet en
Gerald ging in de kajuit om een paar uur te rusten.
Jack stopte zijn pijp en zocht een goed plaatsje op, om gedurende den
nacht wacht te houden. Hij was een uitstekend zeeman: rustig en
bedaard bij moeilijkheden, geduldig bij tegenslag, afkeerig van
waaghalzerij, maar vol moed en zelfvertrouwen.
Bij het eerste ochtend-lichten was de Playmate in den krachtigen
stroom van St. Catherine, waar het getij alleen aan een vaartuig een
snelheid van ruim vijf knoopen geeft.
"Jammer, dat 'k hem wakker maken moet," bromde Stockton, terwijl hij
het roer omwierp om aan te sturen op de Fransche kust. "Jammer, maar
ik kan er niets aan doen."
Door den schok rolde Gerald van de bank op den vloer van de kajuit.
"Hallo! Waar zijn we?" vroeg hij, nog een beetje slaapdronken.
"Jij, ouwe jongen, ligt onder de tafel op den vloer; ik sta aan het
roer, in de hoop eindelijk eens te worden afgelost en de Playmate is
zoowat twee mijlen zuid-west van St. Catherine. Ben je nu op de
hoogte?"
"Prachtig kameraad," antwoordde Tregarthen, terwijl hij zich door de
opening van het half gesloten luik heenwerkte. "Daar ben ik al, om de
wacht over te nemen."
"Kijk, dezen kant uit: zuid-west ten westen," zei Stockton, den koers
aanwijzend; en toen kroop hij in de kombuis en was spoedig ijverig
bezig om een ontbijt klaar te maken.
Tregarthen genoot van den prachtigen aanblik van de rustige zee. Een
groot oorlogsschip zette koers naar Spithead. Aan de gevorkte masten
en den vreemden vorm van schoorsteenen en tuig herkende de luitenant
het schip als de Foudroyant, het nieuwste type voor de Britsche
marine. Verder op zeilde een schoener en eenige vrachtbooten stoomden
rustig door het Kanaal; de omtrekken doezelden weg in den
ochtendmist.
"Hoe staat het glas?" vroeg Gerald, toen zijn makker weer te
voorschijn kwam, met het ontbijt op een houten bak.
"Zoo vast als een rots. Kom hier en tast toe, ik zal nog even de
koffie gaan halen."
Ondanks het stampen van het jacht, deden de twee vrienden het maal
alle eer aan. Toen het afgeloopen was, nam Jack zijn plaats bij het
roer weer in en Gerald belastte zich met het wasschen van de vaten.
Hij moest even glimlachen, toen hij erover dacht, hoe hij daar nu aan
den gang was. Hij, officier van Z. M.'s Marine, stond in een
ongemakkelijke houding gebukt in een kombuisje, bezig met
werkzaamheden, die hij anders aan zijn oppasser overliet. Wat zouden
zijn wapenbroeders wel gezegd hebben, als ze hem zóó hadden kunnen
zien. Maar hij had er pleizier in, juist om het ongewone van het
geval.
"'k Zou me wel eens willen wasschen!" zei hij, toen hij klaar was met
zijn werk.
"Daar kan je naar fluiten," zei Jack. "Niet vóór we in een haven
zijn, want we mogen geen water verspillen. Maar wat zou je zeggen van
een zeebad?"
Gerald keek eens naar het kielwater. De Playmate vorderde zoowat drie
knoopen en zeilde rustig door het kalme water van het Kanaal.
"Hoe wil je dat opknappen? -- Allebei tegelijk?"
"Neen, ieder op zijn beurt. Pas jij maar eerst op."
Jack trok vlug zijn kleeren uit, greep stevig een afhangend touw en
slingerde zich over boord. Daar hing hij in 't water de golven
sloegen over zijn hoofd. Toen hij er genoeg van had, klauterde hij
weer vlug aan boord.
"Heerlijk," riep hij, toen hij druipend op het dek stond. "Maar het
water is veel kouder, dan je denken zoudt, in dezen tijd van het
jaar."
"Dat is altijd zoo in diep water," antwoordde Gerald, terwijl hij
zich gereed maakte om het voorbeeld van zijn makker te volgen.
Toen hij ook klaar was, kwamen ze overeen, dat Stockton nu een poos
zou gaan rusten en dat Gerald hem wekken zou, zoodra er iets
bijzonders gebeurde.
Gerald plaatste zich aan het roer. De Playmate had nu al ruim dertig
mijlen van haar tocht dwars door het Kanaal achter den rug. De hemel
was helder in de richting van de Engelsche kust, maar vooruit hing
aan den horizon een grijzig waas, waardoor zee en lucht niet meer te
onderscheiden waren. De wind was zwak en nam nog voortdurend af in
kracht, zoodat het jacht niet veel meer dan twee knoopen maakte.
Hoe meer de wind ging liggen, des te dikker werd de mist, en twee
uur, nadat Gerald aan het roer gekomen was, bevond zich de Playmate
in een dichten, ondoorzichtigen nevel.
"Jack, oude jongen, heb je een misthoorn aan boord?"
Stockton was oogenblikkelijk klaar wakker.
"Wat een mist!" riep hij, toen hij bemerkte, dat het einde van de
boegspriet niet meer zichtbaar was in den witten, drijvenden damp.
"Neen, een misthoorn heb ik niet, ik gebruik altijd maar een
roeiklamp. Hier is er één. Laten we die overeindzetten en
vastklemmen in het rolluik."
Toen dat gedaan was, gaf hij met een hamer een paar slagen tegen het
hout.
"Dat maakt leven genoeg om een vaartuig op een afstand van een
kabellengte te waarschuwen," ging hij voort.
Gerald meesmuilde. Hij dacht er anders over dan zijn vriend en
meende, dat een stoomschip, dat met een vaart van acht knoopen,
zooals ze gewoonlijk hadden, door den mist voer, alleen gewaarschuwd
kon worden door middel van een sirene.
"All right," zei hij, "'k ben er benieuwd naar; je kunt nu nog wel
wat gaan slapen."
"'k Heb genoeg geslapen naar mijn zin," antwoordde Jack. "Laten we
samen wacht houden. Hier; trek aan, anders wordt je nat tot op je
huid." Hij gaf Gerald een oliejas en nam er voor zich zelf ook één
uit het kastje.
"Wat is dat?" vroeg Gerald, na een poosje, toen een dof, regelmatig
geluid, dat veel geleek op 't gerucht van de machine van een groot
stoomschip, zwak door den mist tot hen doordrong.
"Ze mogen me hangen, als ik het weet! Hier, oude jongen, ga wat op
zij, dan zal ik onze mistklok luiden."
Tregarthen deed, wat hem gevraagd werd en Stockton maakte een
oorverdoovend geweld met zijn hamer op de roeiklamp.
Steeds nader kwam het geheimzinnige, trillende gebrom en plotseling
klonk vlak bij het schril gillende geluid van een sirene.
"We gaan naar den kelder!" riep Jack, maar hij verloor zijn kalmte
niet. Hij overzag het gevaar in zijn geheelen omvang.
Een oogenblik later werd er met een heesche stem geroepen: "Ahoy,
daar! Naar stuurboord het roer!"
Jack wierp met een krachtigen ruk het roer om en het jacht beschreef
daardoor een wijde boog. Geen tien seconden waren verloopen, of daar
daagde uit den mist op een reusachtig gevaarte van grijs geschilderd
staal, waarvan alleen het onderste gedeelte zichtbaar was, terwijl de
omtrek van het bovenstuk in den grauwen damp verloren ging.
"Krak!"
Het stalen gevaarte, dat een gang had van ongeveer vijf knoopen,
bonsde midscheeps tegen het kleine jacht. De stevige planken werden
doorgesneden, alsof ze van bordpapier waren, de mast knapte bij het
dek af en sloeg met tuig en zeilen over boord en het water golfde
door de geslagen opening onstuimig naar binnen.
HOOFDSTUK IV.
GEVANGEN AAN BOORD VAN HET GEHEIMZINNIGE SCHIP.
Door den vreeselijken schok van de aanvaring verloor Gerald het
evenwicht en toen de mast over boord sloeg, bonsde hem een katrol
tegen het hoofd. Tallooze witte stipjes dansten hem voor de oogen en
hij tuimelde in de half ondergeloopen kombuis. Vaag herinnerde hij
zich later, dat zijn vriend de armen om zijn middel sloeg, toen hij
daar bijna geheel verdoofd neerstortte.
Met inspanning van al zijn krachten, was Stockton er inderdaad in
geslaagd, zijn vriend op te beuren en hem in het bootje te smijten,
dat naast het jacht dobberde.
Daarna sprong hij zelf in den notedop, trok zijn mes en sneed met een
vlugge beweging het touw door -- juist bij tijds.
Het vaartuig, dat den schok veroorzaakt had, stopte onmiddellijk en
werkte achteruit. Hoog sloegen de golven op en in een warreling van
schuim en luchtbellen zonk de Playmate weg naar haar laatste
rustplaats.
Jack Stockton greep de riemen, die gelukkig in de boot lagen en
roeide met wanhopige krachtsinspanning in de richting van de oorzaak
van de ramp. Het groote vaartuig was al bijna niet meer te zien en
vormde slechts een grijze vlek met wazige omtrekken in den dikken
mist. Als het schip geheel uit het gezicht verdween, zou de toestand
van de twee vrienden niet benijdenswaard zijn, want hun boot was
klein en licht gebouwd en ze beschikten over spijs noch drank.
Aan boord van het groote schip heerschte doodsche stilte. Jack
slaagde erin het meer en meer te naderen, want het lag blijkbaar zoo
goed als stil en toen hij er vlak bij gekomen was, werd hem handig
een touw toegeworpen. Hij maakte het aan den ring aan den boeg van
zijn bootje vast en toen werd er in alle stilte nog een kabel
neergelaten.
Handig sloeg Jack dezen om het lichaam van zijn vriend en maakte het
touw onder diens armen vast en als een zak koopwaar werd Gerald
omhoog geheschen. Hij kwam even tot zich zelf, maar toen hij op het
dek lag uitgestrekt, verloor hij weer geheel het bewustzijn.
Toen hij bij kennis kwam en de oogen opende, bevond hij zich in de
bovenste van twee bedsteden in een kleine, maar goed ingerichte hut.
"Wat drommel, waar ben ik?" bromde hij slaperig.
Hij ging overeind zitten en toen kwam hij tot de ontdekking, dat de
pyjama, die hij aanhad, niet tot zijn eigen garde-robe behoorde. Zijn
hoofd deed pijn en toen hij de pijnlijke plaats betastte, voelde hij
een reep pleister.
Toen schoot hem ineens te binnen, wat er gebeurd was en angstig drong
zich de vraag aan hem op: "Waar is Jack?"
Met moeite boog hij zich buiten zijn kooi, zoodat hij in de andere
kon kijken, maar de onderste slaapplaats was ledig.
Vermoeid door de inspanning ging hij weer rustig liggen en probeerde
zijn gedachten te verzamelen en zich te herinneren, hoe en waar hij
zijn vriend voor 't laatst gezien had.
Spoedig echter werd zijn aandacht van die overdenkingen afgeleid.
Midden boven de bedstede bevond zich een luchtkoker, waarin een
luchtstroom floot als een wervelwind en van de plaats, waar hij lag,
kon hij opmerken, dat de scheepswand beschermd werd door een
pantserplaat van minstens 7 c.M. dikte. Hij moest zich dus aan boord
bevinden van een zwaarbewapend oorlogsschip en dan nog was die
pantsering, zoo hoog boven op waterlijn, niet te verklaren.
De nieuwsgierigheid van den luitenant was opgewekt en hij probeerde
nu, door het kleine, ronde venster te kijken en hij slaagde daarin
ook werkelijk. Hij zette groote oogen op. De mist was geheel
opgetrokken, en de zon schitterde van een wolkloozen hemel op het
blauwe water. Maar die geheele verandering van het weer hield zijn
aandacht niet lang gespannen, want met de grootste verbazing merkte
hij op, hoe het water zich schijnbaar zeer snel bewoog.
Voor zoover Tregarthen er over oordeelen kon met zijn gebrekkige
waarneming, moest het vaartuig de golven klieven met een
verbazingwekkende snelheid. Het moest wel een kruiser zijn van het
grootste type en hij schatte de snelheid niet beneden de
vijfenveertig knoopen. De Calder, die veel lichter van bouw was, kon
die snelheid niet bereiken en kwam niet hooger dan achtendertig. En
bij het vreemde van die buitengewone snelheid kwam het ontbreken van
alle trilling en geluid. Niets werd vernomen dan het geruisch van den
wind, veroorzaakt door de vaart van het schip zelf; het gerucht van
de machines, waardoor het schip zich in den mist had aangekondigd,
had ook geheel opgehouden.
Verder deed Tregarthen nog een ontdekking. Te oordeelen naar den
stand van de zon, bewoog zich het geheimzinnige vaartuig in
zuidwestelijke richting. Hij werd dus met een fabelachtige snelheid
weggevoerd van de kusten van zijn vaderland -- maar waarheen?
Toen besloot Gerald de hut eens aandachtig te onderzoeken, maar daar
was niets, wat eenige aanduiding kon geven van de nationaliteit of
den aard van het vaartuig, dat hem had opgenomen. Hij dacht wel, dat
hij zich aan boord van een Engelsch schip bevond, want vóór de
aanvaring had men immers in 't Engelsch geroepen, maar zekerheid gaf
dat nog niet. Hij had menigmaal gehoord, hoe Duitsche en Hollandsche
officieren hun orders gaven aan een loods in volmaakt zuiver
Engelsch, wanneer ze zich in de Britsche wateren bevonden.
De inrichting van de hut was zeer eenvoudig. Er stond een waschtafel
en aan de zoldering hing een badkuip. Verder bestond het meubilair
uit een kleine latafel, twee rieten stoelen en een spiegel. Op één
van de stoelen hingen zijn kleeren, die heelemaal droog waren.
Gerald besloot nu een poging te doen om op te staan en met veel
inspanning slaagde hij daarin. Hij kleedde zich aan en scharrelde
naar de deur, die hij open duwde.
Tot zijn groote verbazing zag hij een schildwacht voor zich staan,
een stevig gebouwd zeeman, gestoken in een uniform, die veel op de
Britsche geleek. Het blauw van zijn baatje was alleen wat donkerder
en de witte uitmonstering van de Koninklijke Marine was door een
zwarte vervangen. Er stond geen naam op den rand van zijn muts, maar
op zijn rechtermouw had hij een onderscheidingsteeken, dat een blad
voorstelde. Om zijn middel droeg hij een zwart lederen koppel,
waaraan geen bajonet maar een hartsvanger hing. Het geweer, dat hij
aan den bandelier over zijn schouder droeg, geleek veel op het
laatste model Lee-Enfield, waarvan het echter in enkele kleinigheden
afweek.
Tregarthen had dit alles met één oogopslag waargenomen. Hij wilde
naar buiten stappen, maar de schildwacht maakte hem met een krachtig
gebaar duidelijk, dat dit ten strengste verboden was. Er zat voor hem
niets anders op dan dit stomme voorschrift op te volgen. Hij stapte
daarom weer naar binnen en onmiddellijk daarop hoorde hij een sleutel
in het slot omdraaien. Hij was een gevangen man.
Gerald begreep er niets van en zijn verbazing was zóó groot, dat
hij onmogelijk kalm kon nadenken. Allerlei verwarde gedachten
verdrongen zich in zijn hoofd: eerst het treurige ongeval met het
jacht, dan het geheimzinnige van het vaartuig, dat hem had opgenomen,
het nog niet opgeloste vraagstuk van het verdwijnen van zijn vriend
en ten slotte het schandelijke gedrag van zijn redders, om hem als
een gevangene te behandelen. -- Op eens gevoelde hij een
onweerstaanbare behoefte om te rooken. Hij zocht in zijn zak naar
zijn pijp, maar hij herinnerde zich, dat hij die verloren had in de
kajuit van de Playmate en toen wilde hij zijn toevlucht nemen tot
zijn cigarettenkoker, in de hoop, dat de inhoud niet van het zeewater
zou geleden hebben. De koker was droog en geheel gevuld, maar met een
andere soort dan hij gewoon was te gebruiken: zijn onvriendelijke
gastheer had het hem toch wat prettig willen maken.
Uit verveling ging hij nu eens onderzoeken, wat er in de latafel te
vinden was, maar dat gaf niet veel afleiding, want ze was leeg,
alleen stond er in de bovenste lade een doos met een borstel, een kam
en scheerbenoodigdheden, alles fonkelnieuw.
Terwijl hij bezig was met het bekijken van die zaken, werd de deur
van de hut opengesloten en na een inleidend tikje trad een man
binnen, die in zijn eenvoudige, nette uniform een prettigen indruk
maakte. De bezoeker was niet groot en had een vriendelijken
oogopslag, die vertrouwen wekte.
"Goedenmiddag, Mr. Tregarthen," zei hij. "Ik hoop, dat ge u wat beter
gevoelt? Mijn naam is White en ik ben eerste officier van gezondheid
aan boord."
"Dank u, Sir, ik gevoel me redelijk wel. Maar mag ik u eens vragen,
op welk schip ik me bevind en waarom men mij hier achter slot en
grendel heeft gezet?"
"Het spijt mij, dat ik u op dat punt geen inlichtingen geven kan. Ge
zult daarop moeten wachten, totdat ge den kapitein te spreken
krijgt."
"Maar mijn vriend -- is die gered?"
"Ja, die is in veiligheid."
"En." --
"Geen vragen meer, als 't u blieft, Mr. Tregarthen," zoo viel hem de
dokter in de rede, zóó beslist, dat het duidelijk was, dat alle
pogingen om iets te weten te komen, nutteloos zouden zijn.
"In afwachting van een uitnoodiging van kapitein Brookes, om bij hem
te komen, zou ik u aanraden, wat te eten. Het doet mij genoegen te
zien, dat het ongeval geen ernstige gevolgen voor u heeft gehad."
Met deze woorden verliet de dokter de hut en nu trad een hofmeester
binnen, die een smakelijk maal opdiende. Spraakzaam was de man niet:
hij zei geen woord meer dan noodig was en ging zoo spoedig mogelijk
weer heen.
Toen werd de deur weer op slot gedraaid.
Toen Tregarthen met zijn gedachten alleen was, kwam hij tot het
besluit, dat hij nog niet veel wijzer was geworden. Alleen wist hij
nu, dat Jack Stockton ook gered was en zich aan boord bevond, zeker
als gevangene, net als hij zelf. En verder had hij de zekerheid, dat
de bemanning Engelsch sprak, maar of het schip Britsch of
Amerikaansch was, kon hij niet uitmaken.
Eindelijk zakte de zon weg achter den horizon, als een roode bol, die
goud sprankelde in een blauwen nevel.
Gerald keek op zijn horloge. Het was een uitstekend uurwerk en de
kast sloot zóó goed, dat er heel geen water in gedrongen was. De
wijzers stonden op kwart voor zevenen.
Dat was alweer een vreemd geval. Hij wist zeker, dat thuis de zon
moest ondergaan om kwart over zevenen en het schip voer, voor zoover
hij kon nagaan, in zuid-westelijke richting. Hoe was dan dat verschil
in tijd te verklaren?
Zou zijn horloge dan misschien toch in de war zijn?
In spanning wachtte hij en luisterde scherp, of hij de scheepsbel ook
hoorde. Precies om zeven uur -- het tweede uur van de tweede
hondewacht -- klonk het doffe geluid van de bel -- ting, ting --
ting! Zijn horloge ging dus goed en daar het schip niet naar het
oosten voer, was het eenig mogelijke, dat de snelheid zoo
ongelooflijk groot was, dat ze zich nu reeds op de breedte bevonden
van de Golf van Biscaye.
't Werd donker in de hut, maar eensklaps gloeiden helder een paar
electrische lampjes.
Gerald voelde grooten zin om te gaan slapen. Hij was vermoeid en den
vorigen nacht had hij weinig rust genoten, daarenboven had hij niets
om den tijd te verdrijven. Hij besloot dus naar kooi te gaan en was
net begonnen zich te ontkleeden, toen weer de sleutel in het slot
knarste en een jonge man binnentrad.
"De kapitein wil u spreken, Sir," zei hij, terwijl hij in
onberispelijke houding het militair saluut bracht.
HOOFDSTUK V.
KAPITEIN BROOKES.
Op elk schip, van welke nationaliteit ook, is de kapitein koning.
Tregarthen wist dit te goed, om in het verzoek, dat hem werd
overgebracht, geen bevel te zien en daarom volgde hij zijn geleider
zonder tegenspraak buiten de hut.
Ze liepen langs een gepantserd beschot, waartegen een wapenrek stond,
gevuld met wapens, geheel overeenkomende met die van den schildwacht.
Aan beide zijden van den doorgang waren een aantal deuren van hutten,
waarvan sommige op een kier stonden, maar zware gordijnen maakten het
onmogelijk naar binnen te zien.
Bij de hut van den kapitein liep een schildwacht rustig op en neer.
Vlug bracht hij het saluut, dat door Geralds geleider beantwoord
werd, waarop deze aanklopte en wachtte tot een zware stem hem
verzocht binnen te komen.
"Mr. Tregarthen, Sir," kondigde de jonge officier aan en ging daarna
heen.
Gerald trad binnen en bevond zich nu in een ruime, goed verlichte
hut, gemakkelijk en weelderig ingericht. Op den vloer lag een dik
tapijt en de wanden waren mat-olijfgroen geschilderd. Het meubilair
bestond uit een groote mahoniehouten tafel, twee armstoelen, een goed
gevulde boekenkast, een buffet en nog een kleinere tafel, overdekt
met papieren en teekeningen.
Maar Tregarthen wijdde niet zoo heel veel aandacht aan de omgeving,
zijn opmerkzaamheid werd geheel getrokken door den kapitein. Deze was
niet groot, maar toch ging er kracht en overwicht van zijn persoon
uit. Zijn gezicht was gebruind en zijn oogen lagen diep, zijn
donkerbruin haar was kort geknipt en zijn goed onderhouden snor en
puntbaard gaven hem 't uiterlijk van een Britsch zeeofficier. Hij was
in een donkerblauwe uniform gekleed, waarop zwart veterband de plaats
innam van de gewone gouden galons. Dit was dan kapitein Brookes, de
gezagvoerder van den geheimzinnigen kruiser.
Zwijgend stonden de beide officieren tegenover elkander en de
kapitein maakte gebruik van dat oogenblik, om den jongen Engelschen
luitenant op te nemen, die door een toeval in zijn macht geraakt was.
Gerald Tregarthen had zich in zijn volle lengte opgericht en keek den
man, die hem gevangen hield, vast in de oogen, nadat hij hem 't
saluut gebracht had, dat door den kapitein beantwoord was.
"Neem plaats, Mr. Tregarthen," begon kapitein Brookes, terwijl hij
met een handbeweging een van de armstoelen aanduidde.
Gerald was liever blijven staan, maar de besliste toon van den
kapitein deed hem gehoorzamen, al was 't dan ook half onwillig.
"U zijt, naar ik meen, luitenant bij de Koninklijke Marine? Het
laatst aan boord van Z. M.'s torpedojager Calder?"
Gerald stond even verbluft, dat de kapitein zoo goed op de hoogte
was, maar dadelijk viel hem in, dat Jack Stockton zeker al
ondervraagd was. Kort antwoordde hij: "Ja, Sir."
"En ge wordt hier genoemd, als een veelbelovend jong officier,"
vervolgde de kapitein, terwijl hij wees op een ranglijst van de
officieren der Britsche vloot, die vóór hem op tafel lag.
Zonder te letten op het vleiende van de laatste opmerking, antwoordde
Tregarthen met de wedervraag: "Mag ik weten, Sir, waarom ik hier aan
boord als een gevangene word behandeld en waarom ik dit verhoor moet
ondergaan?"
"Door een toeval zijt ge op mijn schip gekomen, Sir, en daar ik in u
een man zag, die mijn plannen dienen kon, besloot ik u vast te
houden."
"Uw plannen dienen?"
"Zeker. Met een paar woorden zal ik u nader inlichten. Ge zijt aan
boord van den kruiser de Olijftak, eigenlijk genaamd de Almirante
Constant. Later zal ik u vertellen, hoe dit schip door de
Braziliaansche regeering werd aangekocht. De Olijftak heeft geen
nationaliteit, voert geen vlag van een bepaalden Staat, maar is in
dienst van een wereldonderneming, die aan mij de uitvoering van haar
plannen heeft opgedragen. Men zal mij zonder twijfel een dwaas, een
waanzinnige noemen, maar dit is het lot van alle weldoeners der
menschheid, en ik zal mij niet door het oordeel van de domme menigte
van de wijs laten brengen. Mijn zending beoogt het waarborgen van een
eeuwigen, algemeenen vrede en mijn titel is: Verdelger van den
krijg."
De kapitein hield nu even op om te zien, welke uitwerking zijn
woorden hadden, maar hij kon uit Gerald's houding niet opmaken, wat
deze dacht bij de vreemde toespraak. De luitenant bleef hem scherp
aankijken, als wilde hij ontdekken, of er achter het kalme uiterlijk
van den spreker misschien toch werkelijk een gekrenkt verstand
school. Maar de heldere oogen van den kapitein stonden zoo ernstig en
zijn heele houding was zoo rustig, dat Gerald die gedachte als
ongerijmd verwierp.
"Om verder te gaan: De Olijftak spreekt het laatste woord op het
gebied van den scheepsbouw. Ik zeg dat niet ondoordacht, maar kan de
waarheid van mijn woorden bewijzen. De oorlogsbodems nemen
voortdurend toe in kracht van bewapening; als er een van stapel
loopt, liggen er al plannen gereed voor een type van nog grootere
gevechtswaarde. Wanneer we nu in aanmerking nemen de snelheid,
waarmee men op dit gebied voortgaat, dan zullen er toch meer dan
honderd jaren moeten verloopen, voordat er oorlogsschepen zullen zijn
van dezelfde waarde voor aanval of verdediging als de Olijftak --
indien ze dan tenminste nog noodig zijn."
"Ik ben ervan overtuigd, dat een zeeoorlog, gevoerd met schepen als
de Olijftak, zoo verschrikkelijk zou zijn, dat er geen natie gevonden
wordt, die daarvoor de verantwoordelijkheid op zich zal willen nemen.
Ik zal waken over de veiligheid ter zee en zonder mededoogen zal ik
de vloot vernietigen van iederen staat, die het wagen durft den
wereldvrede te verstoren."
"In de jaren, die achter ons liggen, heeft Engeland de zeeën
beheerscht en het heeft die heerschappij uitgeoefend krachtig en
wijs. Maar de tijden veranderen ----"
"Daar moet ik tegen opkomen, Sir," riep Tregarthen heftig.
"Dat kunt u doen of laten," antwoordde kapitein Brookes met eenige
scherpte in zijn stem. "Beschouw de feiten met een koel hoofd, en ge
zult moeten toestemmen, dat wat ik zeg, waar is. Waarom gaan andere
volken, die heel goed weten, dat ze zonder hinder of last hun
zeehandel kunnen drijven, machtige oorlogsvloten bouwen? Waarom
willen ze met de Engelsche marine wedijveren? Niet omdat het noodig
is, maar omdat ze de heerschappij ter zee van Engeland willen
overnemen. Is dat niet zoo?"
"Zijt ge zelf een Engelschman?"
"Ik ben een wereldburger -- een paria zoo ge wilt. Tot welke natie ik
behoor, houd ik liever voor me. En om nu tot de hoofdzaak te komen:
wilt ge uw lot aan het mijne verbinden gedurende de volgende twee
jaren?"
"Neen. Mijn verplichtingen als Engelsch officier --."
"Dan zal ik verplicht zijn u te dwingen."
"Mij dwingen! Onmogelijk."
"Mr. Tregarthen, voor we op deze wijze verder gaan, geef ik u in
overweging de zaak van alle kanten te beschouwen. Door een plechtigen
eed hebt ge u verbonden uw wettigen vorst, koning George V, te dienen
en kunt ge dat beter dan door kennis te nemen van de inrichting van
dit vaartuig, waardoor het zulk een onweerstaanbare macht verkrijgt?
De Admiraliteit moet er alles voor overhebben, om achter de geheimen
van de Olijftak te komen. Nu stel ik in 't kort het volgende voor: ge
verbindt u, hier aan boord gedurende twee jaar te dienen, -- ge geeft
uw eerewoord mij in alles te gehoorzamen, onder voorbehoud, dat van u
geen enkele vijandelijke daad tegen uw vaderland zal gevergd worden.
Zijn de twee jaren verstreken, of vroeger, als mijn zending is
volbracht, dan kunt ge naar huis terugkeeren en moogt ge vrij
beschikken over de wetenschap, die ge hier aan boord hebt opgedaan."
"En als ik weiger?"
"Dat geval zullen we niet nader bespreken."
En om te voorkomen, dat Tregarthen een besliste weigering uitsprak,
ging kapitein Brookes voort: "Zeg of doe vooral niets ondoordachts.
Neem den tijd, om over mijn voorstel na te denken. Morgen ochtend
wacht ik u weer bij mij en dan hoop ik uw antwoord te vernemen."
HOOFDSTUK VI.
DE COMMANDO-TOREN VAN DE "OLIJFTAK".
Precies om tien uur werd Gerald Tregarthen den volgenden morgen weer
naar de hut van den kapitein gebracht.
"Wel, Sir, welk besluit hebt ge genomen?" vroeg deze.
"Nog geen besluit, Sir," antwoordde Tregarthen beslist.
"Vóór alles moet ik weten, wat ge met mijn vriend denkt te doen."
"Met Mr. Stockton? Ge denkt zeker, dat ik een zeeroover ben en dat ik
hem als gijzelaar wil vast houden voor uw goed gedrag. Maar wees
gerust, ik zal hem laten overstappen op het eerste het beste schip
met bestemming naar Engeland, dat we tegenkomen."
"Dan zou ik gaarne een paar minuten met hem spreken, voor ik mijn
besluit neem."
"Dat verzoek lijkt me volstrekt niet onredelijk; ik geef u een
kwartier voor een onderhoud."
Terwijl kapitein Brookes dit zei, had hij op den knop van een
electrische schel gedrukt en onmiddellijk verscheen er een
onderofficier.