hebben overgenomen, maar dien hebben doorspekt met allerlei geloof en
bijgeloof, zijn de plaag van het land. Ze heeten gierig, zelfzuchtig,
hard en wreed. Ze hebben hun rastrots en hun dweepzucht. Ze nemen alles
en geven niets.... dan kinderen aan de Tiven, die ze onderdrukken en
aan de Macqueezen, die ze tot hun slaven maken. Ze hebben den geheelen
handel in handen, en men ziet ze overal; ze bezitten alle winkels
en ze vormen geheele dorpen door hun talrijke gezinnen. Jagen doen
ze op roepijen en vrouwen. Ze zijn los van zeden en leven tehuis in
weerzinwekkende onzindelijkheid, ondanks hun belachelijke wasschingen,
die dan ook in vuile en stinkende poelen plaats hebben.
Hun vrouwen zijn, met uitzondering van den sluier, dien ze op het
hoofd dragen, bijna evenzoo gekleed als de andere inboorlingen. Ze
hebben altijd bovendien een parasol bij zich, om zich te verbergen en
bezigen het instrument zoowel tegen de zon als tegen den dauw, den
maneschijn en den regen. Als ze zich naar het werk begeven, dragen
ze een grooten parasolhoed, waarin ze des avonds allerlei dingen
mee naar huis brengen, levensmiddelen en dergelijke. Oorspronkelijk
was dat groote hoofddeksel een sieraad, maar langzamerhand is het
onmisbaar geworden.
Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag zag ik gelukkig
niemand, en ik kon heengaan zonder de aandacht te trekken. Wij gingen
door een reeks heuvels van een dor en kaal aanzien, die, naar men mij
vertelde, vroeger met jungle waren bedekt. Een ervan, de chimmeniyen,
is nog altijd berucht om de rooverbenden, die er huisden, de reizigers
aanhielden, diefstal en moord pleegden, en tot voor een jaar of tien
was die plek een gevreesd oord. Het waren Mopla's, en een van hen,
die zeer bekend en rijk was geworden, werd gevangen genomen. De
geheele heuvel werd tien jaar geleden gekocht door een inboorling,
die er landbouw is gaan uitoefenen. Men ziet er nu overal den grond
bebouwen, en kleine buffels trekken er den ploeg.
Oponthoud in het dorp Chalen, bewoond door rijstpellers. In alle
hutten, die aan één zijde open zijn, ziet men den zwaren, houten
stamper aan het werk, die een oorverdoovende muziek maakt. Die stamper
is een groot stuk vierkant hout met een kegelvormigen hamer eraan. Hij
wordt met den voet aan het eene uiteinde in beweging gebracht door
den inboorling, die hem steunt aan een bamboe, bevestigd aan het
dak van het huis. Hij valt neer in een hollen bamboekoker, die
een mortier vormt, waar de rijst warm in wordt geworpen en heen en
weer gestampt. Daarnaast wordt de rijst droog gewarmd in een grooten
aarden ketel. Die gekookte en gepelde rijst is gemaakt tot een soort
van harde koek, die zoo verkocht wordt. Men gebruikt die vooral op
reis als proviand, gemakkelijk koud te gebruiken met palmsuiker en
geschaafde kokosnoot.
Ik hield een poosje stil in een hut, waar niemand mij scheen op te
merken; men keek even naar mij, de vrouwen dekten zich het hoofd,
en men ging met het werk voort, terwijl ik twee rijpe kokosnoten liet
halen, om het sap te drinken, den geliefden drank van den reiziger,
omdat hij zoo verkoelend en gezond is. Met een paar hamerslagen
maakt men een gat in den bast en men kan maar gaan drinken. Welk
een wondervrucht!
We vervolgden onzen weg. De weg over de heuvels of door de vlakte
volgde steeds de zee, waar het strand zandig was, bedekt met
schitterend wit fijn zand, waarboven de kokospalmen uitstaken. Naarmate
men Cannanore nadert, verandert langzamerhand het landschap,
voorbijgangers vervangen de grazende buffels; er verschijnen meer
winkels en ze zijn goed voorzien, de tuinen liggen weer aan den weg,
de huisjes verschuilen zich in het groen en plotseling komen we,
na een kleine helling te hebben bestegen, uit op een groot plein,
een groene vlakte. We waren te Cannanore.
Die vlakte was een manoeuvreveld, en inderdaad zagen we aan den
anderen kant van een rij hutten een andere rij lange "barracks",
de kazerne van de Cipayers, rozenkrans van alle gelijke kamers,
waar aan de deuren de zwarte soldaten op dat oogenblik bezig waren,
hun wapens schoon te maken. Wij begaven ons aan de overzij naar het
dak-bungalow, de plaats van onderdak voor vreemdelingen. Daar kan
de reiziger een schuilplaats vinden tegen een geringe vergoeding,
aan den bewaker te betalen, die tevens de concessionaris is. Deze
heer verscheen terstond en stelde zich te mijner beschikking, bood
mij een kok aan, een vrouw, die water kon aandragen, en was zeer
vriendelijk. Hij was een Hindoe in europeesch buis en witten tulband
op het hoofd, die volmaakt Engelsch sprak.
Het vreemdelingenhotel te Cannanore is gebouwd naar hetzelfde
model als alle andere europeesche bouwwerken in dit land, met een
groot vierkant pyramidevormig dak, veranda's, ruime kamers, die
zeer eenvoudig gemeubeld zijn, stores, rieten leunstoelen naast
een bananenaanplanting, waar een hutje de keuken voorstelt. Ervoor
breiden zich grasvelden uit en bloemperken, en achter het huis vindt
men sesam-aanplantingen.
Cannanore is niet anders dan een groot dorp van een twaalf duizend
inwoners, die groepsgewijze in kleine huisjes wonen.
Als men de bungalow verlaat, om zich naar het fort te begeven,
komt men, na door eenige tuinen te zijn gegaan en door mooie lanen
te hebben gewandeld, aan een hoop leemen hutten, waar armoede troef
is. Dan volgen lange, schaduwrijke lanen, waar men nu en dan op den
achtergrond van engelsch aangelegde tuinen de huizen der officieren,
met op de pilaren aan den ingang de namen van de huurders en de
aanwijzing hunner compagnie. Overal bloemen en vreemde planten, manden
vol klimplanten en bonte heggen, waar heerlijke geuren uit opstijgen.
Door breede prachtlanen met reusachtige broodboomen, waar lange
luchtwortels van neerhangen, komt men in een uur aan de oude barakken
van het fort op een wijde esplanade bij het strand, van waar men
de forten kan zien en een vuurtoren met de britsche vlag. Op het
oogenblik, toen ik voorbijging, waren enkele engelsche soldaten,
die half gekleed waren en languit op den grond lagen, bezig, met een
spiegeltje de zonnestralen in de oogen der voorbijgangers te werpen,
een werk, dat hen zeer scheen te boeien. Het strand was een zandige
vlakte, begrensd door kokospalmen en visschershutten, waar op dat
oogenblik de visschersschuiten lagen te rusten onder een looden zon.
Het deel van het dorp, waar ik mij bevond bij het terugkeeren van
de forten, waarvan het gescheiden is door een ruime weide, was
nog al druk. Ik zag veel kleurlingen, die lastig waren door hun
nieuwsgierigheid.
Er was een Hindoetempel, die er nog al armoedig uitzag, waarbij een
plek behoorde, die voor de wasschingen diende, een klein bassin met een
opening als van een put, beneden aan een reeks van trappen, die zich
bevonden achter een breeden ingang in een spits toeloopenden muur,
waarin openingen waren gelaten in driehoekvorm voor de illuminatie
op feestdagen. Met een ander tempeltje in de buurt, dat merkwaardig
was om zijn eenvoud, is dit zoowat het eenige bouwwerk van eenige
beteekenis in Cannanore.
Er zijn daar een heele verzameling van radjahs of ten minste de
afstammelingen van veel radjahs, die hebben geregeerd, mohammedaansche
radjahs, hindoesche radjahs; dan is er Bibi, een koningin in partibus,
aan wie de Engelschen goedig hebben toegestaan, den titel van koningin
te blijven dragen, waardoor niemand eenige schade lijdt. Die schaduwen
van de oude indische potentaten leven tegenwoordig met de herinnering
aan hun vroegere grootheid. Hun antieke paleizen zijn eenvoudige
bungalows geworden; hun hofhouding bepaalt zich tot enkele bedienden,
die ze niet betalen; de rijke ameublementen zijn veranderd in goedkoope
engelsche waren; de sieraden en vroegere juweelen komen thans uit den
bazar; hun invloed bepaalt zich tot eenige goedmoedige uitspraken
tusschen twistende eigenaars, en hun luisterrijke uittochten zijn
geworden tot wandelingen te voet tusschen twee rijen winkels in
vuile, modderige straten. Ze wonen buiten de stad in eenvoudige
woningen en leven van het jaargeld, dat de engelsche regeering hun
toestaat. Vroeger was het garnizoen van Cannanore zeer belangrijk, en
de drukte en beteekenis van de stad ondervond daar den terugslag van;
maar thans gaan de zaken veel minder goed en het geld is schaarscher
geworden, nu de barakken ledig zijn en zooveel huizen onbewoond
blijven. De stad heeft veel van een doode stad.
Ik bleef eenige dagen in het dakbungalow, waar tegen mijn twee francs
per dag, den officiëelen prijs, ik het recht kreeg, op de leunstoelen
uit te rusten, al waren het maar rieten stoelen zonder armleuningen,
en waar ik het genoegen mocht hebben, 's nachts legers van ratten
over mijn bed te zien wandelen. Het was zonder leedwezen, dat ik
Cannanore vaarwel zei....
De weg van Cannanore naar Angerakandi, waarheen wij trokken, om niet
denzelfden weg terug te gaan, is niet bijzonder prettig. Er is weinig
drukte, en de weg is steenachtig over de geheele lengte en daarbij
slecht onderhouden. Lantana's staan aan beide zijden; aan den horizon
ziet men lage heuvels zonder plantengroei; hier en daar ontmoet men
buffels en een paar koelies. Geen schaduw en een looden zon over de
geheele twintig kilometer, die de beide dorpen scheiden, geen wonder,
dat ik de plaats bij aankomst prachtig vond. Ik zag er jungle, hooge
aanplantingen, rijstvelden en een rivier, die kalm tusschen groene
oevers vloeide. Aan den eenen kant van de brug was het dorp der Tiven,
aan den anderen dat der Mopla's. Welk een vroolijkheid en zachte rust
kwamen hier over lichaam en geest in de koele schaduw der lanen met
hooge boomen en op de met bloemen omzoomde voetpaden van de tuinen!
Ik bracht er twee dagen door en scheepte mij op een morgen in
de vroegte in op een bootje, dat den avond te voren voor mij was
ontboden van een naburig station. De zon was nauwelijks opgegaan,
toen ik al lag uitgestrekt op het bed van droge palmbladeren, dat men
voor mij onder in de boot had gereed gemaakt, toen mijn twee roeiers,
één aan den vóór- en één aan den achterkant met den langen bamboestok
in de hand de prauw over het water deden schieten.
Twee uren lang gleden we onder de koele schaduw langs de rustige
oevers, waar kokos- en pandanuspalmen en struikgewas uit het
water schenen te komen. Buiten een licht geklater van het water
en het schuiven van de bamboestokken langs de randen der boot was
alles volkomen stil. Er stegen uit den warmen plantenovervloed en
de vochtige lucht allerlei zoete geuren op, die verdoovend op den
geest werkten. Van tijd tot tijd waarschuwde mijn Malayalam, die aan
den voorsteven werkte en de opdracht had, den horizon in het oog te
houden, mij, dat er otters te zien waren. Men bespeurt dan hun zwarte
koppen op de glanzige oppervlakte van het kalme water. Dan stuwt de
roeier de boot langzaam naar de dieren toe, die vluchten en snel in
hun schuwheid onderduiken, terwijl het water hier en daar hoog opspuit.
De zon stijgt hooger en stooft de atmosfeer. Behalve bij den heuvel
Mavillaï, dien we vóór ons zien, wordt de achtergrond verborgen
door een hoog gordijn van groen, dat van de oevers opstijgt. Enkele
kokospalmen hebben een merkwaardigen vorm aangenomen en rekken zich
over de oppervlakte van het water, alsof ze daaruit koelte wilden
opzuigen. Op den oever, die hier en daar zwart ziet van de schelpen van
zoetwaterdieren, ontwaren wij soms een bruine gedaante, die één schijnt
met de omgeving en die zich bij onze nadering terugtrekt met een enkele
snelle beweging, waardoor we den persoon niet kunnen onderscheiden,
zoo het een mensch is. Maar weldra blijken het krokodillen te wezen,
en ik verlies verscheiden kogels aan hun ondoordringbare huid.
Bij een hut, bekend aan mijn mannen, hielden we stil, en het deed
mij genoegen, eens aan den wal te gaan, om mijn stijf geworden
beenen wat te vertreden. Er was daar een winkeltje, waar ik alleen
versche kokosnoten kon krijgen, om het nat te drinken. Ik doe als
mijn roeiers en ontbijt met bananen en koekjes van arengsuiker, die
ik had meegenomen. Daarna gingen we weer op reis. Het was twaalf uur
gepasseerd, en de zon in het zenith zond vuurstralen op ons af. Bij
die gedwongen onbewegelijkheid beneden in de boot, werd ik door de
warmte onweerstaanbaar slaperig en ik zag tusschen mijn half gesloten
oogleden niets anders dan de bruine, naakte beenen van de mannen, die
spookachtig bewogen. Ze duwen, duwen onophoudelijk met den bamboestok,
een betelpruim achter de kiezen, stil en zwijgend als de goden in
hun tempels.
We voeren de rivier, de Koendji, binnen, en tegen vijf uur in den avond
kwamen we eindelijk aan Tellicherry of liever in de nabijheid bij
het dorp Dharmadhon, waar we stilhielden. Ik betaalde mijn roeiers,
moest daarna een goed uur wachten om koelies te krijgen, en kwam te
Mahé om tien uur in den avond in een inktzwarte nachtelijke duisternis.
Als men buiten Mahé komt en de streek van de tuinen voorbij is, wordt
de weg eentonig; het zijn niet anders dan duizenden kokospalmen,
die men ziet op een groote, zandige oppervlakte met hier en daar
een hutje. Maar het aanzien verandert; te Chambala zijn we weer in
tuinen, in aanplantingen van arecapalmen met donkergroen gebladerte,
van peperstruiken, die bij de stammen van hooge boomen opklimmen
en deze van boven tot onderen zoo smaakvol bekleeden, dat men aan
de versiering voor een feest denkt. Aan den rand van den weg, onder
geheel open afdaken, zijn Malabaren bezig rijst te stampen en houden
met hun werk op, om ons een onderworpen blik toe te werpen. In de
schaduw, die het dak op hen doet dalen, ziet men hen als schimmen,
wier voorkomen in overeenstemming is met de omgeving en die verdwijnen
tegen den achtergrond, terwijl ze den stamper doen neerkomen, die
geregeld klinkt onder de stilte van het werk. De jonge vrouwen met
ontbloot bovenlijf keeren zich even om met een bevallige beweging van
verraste kuischheid, maar zonder van den ketel te wijken, waarbij ze
geknield bezig zijn.
Ginds rijzen reusachtige ficusboomen op met verwrongen stammen in de
omhelzing van duizend wortels, die eromheen slingeren en ook de takken
omklemmen, terug vallend van de takken als een bundel lange en fijne
haren. Onze paarden raakten de wortels aan bij het onderdoor rijden
in de dichte schaduw. Bij tusschenpoozen lagen smalle rijstvelden
tusschen hooge hagen van een weelderigen plantengroei en vormden dan
een scherpe tegenstelling met de droogte van het ernaast gelegen land,
een vlakken, onbebouwden grond, waar onvruchtbaarheid heerschte te
midden van goed onderhouden gronden.
De aarde is hier okergeel. Onderweg kwamen we Tiven tegen, met
den grooten parasolhoed hoog op het hoofd, terwijl ze aan beide
uiteinden van een langen bamboe groenten of vruchten uit de streek
droegen. Verderop zagen we buffelkarren voorbijgaan, langzaam zich
voortbewegend met den regelmatigen tred der dieren, die afgepast is
naar de warmte, die alles moeilijker maakt. Hun oogen kijken naar
den grond, maar krijgen in den naar beneden gebogen kop dadelijk iets
wantrouwigs, als ze de vreemden zien. Ze trekken ladingen van trossen
bananen met gouden schil, die daar op elkander gestapeld liggen voor
de stad Mahé of Tellicherry; ook liepen vrouwen met manden kokosnoten
op het hoofd; ze keken natuurlijk om, want het zijn immers vrouwen, en
men bespeurt dat het haar hindert, half ongekleed door den vreemdeling
te worden gezien. In de slooten grazen de buffels vreedzaam achter
hagen van lantana's.
Maar wat is dat? Een man, een inboorling met een grooten tulband op
het hoofd, schijnt midden op den weg op ons te wachten en loopt dan
hard onze bendi, het wagentje, met twee kleine paardjes bespannen,
achterna en roept onder het harde loopen ons iets toe, waarbij hij
wat schijnt aan te bieden. Een woord van den koetsier ten antwoord,
en hij zet zijn loop voort, stil en zwijgend; het is eenvoudig een
schipper, die zijn boot aanbiedt en zoo een klant hoopt te snappen.
De rijstvelden volgen elkander op, in blokken als van een dambord
verdeeld, van elkander gescheiden door kleine dijkjes van aarde,
die zoo smal mogelijk zijn gehouden. De oogst is afgeloopen, en
groepen vrouwen snijden de stoppels. In andere velden zijn ze bezig,
de aardkluiten, die al hard en droog zijn geworden in de zon, stuk
te stooten met een houten werktuig met langen steel, dat ze met
handigheid gebruiken.
We gingen voorbij een oliemolen. Het was een groote, holle boomstam,
waarin een andere stam ronddraait aan een lang stuk hout. Het zijn
meestal vrouwen en jonge meisjes, die het toestel in beweging brengen,
een bezigheid, waarmee ze haar loopbaan van lastdieren aanvangen. De
man brengt de copra aan, de gebruinde en gestampte kokosnoot, zamelt
de olie in en maakt met een vlam de pers van den molen warm, maar
hij vermoeit zich niet. Buiten zijn twee mannen bezig, de in tweeën
gesneden noten op rijen te leggen en het nog versche vruchtvleesch
schittert in de felle zon met een witheid van parelmoer tusschen de
zwarte kringen van de basten. Als het genoeg gedroogd zal zijn en
bruin zal zijn geworden, is het de copra.
Dan vegen op den weg de vrouwen de droge bladeren van de broodboomen
op; dat is een brandstof, evenals de ledige notenbasten, want droog
hout is er weinig in het land te krijgen. Talrijk zijn de rijen jonge
meisjes op haar Zondagsch gekleed, die zich naar het feest der pagoden
begeven, in den omtrek gevierd. Gedrapeerd in een fijne stof, die zeer
wit is, en die soms de fraaie vormen laat zien bij een slecht berekende
beweging, gaan ze voorbij, zonder nieuwsgierig te kijken, met lichten
bevalligen tred. Enkelen lijken zwarte godinnen achter een witte wolk.
We kwamen te Badagara, een klein malabarsch stadje, waar als hier
overal, datgene wat de natuur aanbrengt, prachtig en rijk is, terwijl
al, wat uit de handen van den mensch komt, nederig en armoedig is
van aanzien. Aan den eenen kant weelderige tuinen, door de toppen van
de schoonste palmen overhuifd, en waar de heerlijke bekoring van het
tropenlandschap van uitgaat, en aan den anderen hutten van bladeren
of leemen verblijven van het grofste maaksel. Hier pracht en weelde;
daar de grootste ellende.
Er loopt een kanaal door de stad, een slijkerig water, aan welks
oever men de booten heeft getrokken in rijen op het zwarte, zandige
strand. Die prauwen, die lang en spits zijn, zijn over vier vijfden van
hun lengte bedekt met een dak van palmbladeren in koepelvorm, zoodat
alleen de punten te zien zijn. Een luidruchtige menigte, een heele
schare van menschen, kwam op de reizigers af en bood hun van allerlei
aan onder heftige bewegingen, die veel op dreigementen geleken. Als
een zeldzame prooi kwam ik met mijn wapenen en bagage aan, door allen
begeerd, om te worden verscheurd. Waar is de geduldige looper, die onze
bendi onderweg heeft opgepikt en die de gunst heeft verdiend door het
onafgebroken gedraaf en door den weerstand, dien hij van zijn longen
heeft gevergd? Wie kan iets of iemand onderscheiden in dien warboel
van zwarte lichamen, van witte kleederen, van lichte hoofddeksels,
van roode tulbanden, van blauwe lendendoeken en geschoren hoofden,
waarop de toefjes haren zijn als bewogen bladeren in een stormwind,
en waarvan de gezichten alle den stempel dragen van de begeerte naar
een klein winstje, terwijl ze toch al alle op elkander gelijken?
Eindelijk komt er wat orde, want er is een keuze gedaan, en een
politieman is komen opdagen en bevrijdt mij van de opdringerige
menigte. Nog wat heen en weer geloop, en al die menschen zijn tot hun
gewone bezigheden teruggekeerd. Nu kan men zien en rondkijken. Over
het kanaal ligt een steenen brug, zoo hoog en steil, dat men er op
handen en voeten op moet klauteren, om aan den overkant te komen. De
brug is als een boog over het donkere water; daarnaast zijn vele lage
winkeltjes, sommige zijn met pannen gedekt en hebben een veranda,
andere hebben een strooien dak, van rijststroo namelijk. Ze liggen
vol met de voortbrengselen van het land, vruchten en groenten, die
er uitlokkend uitzien, met droge visschen, welker onaangename geur
zich verbindt met de stoffige uitwasemingen van de plek, met onbekende
zaken, plaatselijk gereedschap, zakken, manden en lappen. Daarvoor een
drukte als in een bijenkorf, een onophoudelijk geloop, waarin het rood
der tulbanden domineert. Men ruikt een flauwen roet- en muskusgeur,
als de wind geen reukjes van gedroogde of bedorven visschen u toezendt.
En van den diepblauwen hemel, uit de diepten van een apotheose van
schitterende klaarheid, valt als een stroom van vuurstralen neer, die
bestemd schijnen alles te braden, wat leven heeft op dit hoekje gronds.
Ik ben er later langs gegaan in den nacht; het was laat; de gesloten
winkels verlichtten den weg niet langer; alles was in een diepe
duisternis gehuld, waarin alleen de daaraan gewende oogen van de
inboorlingen zich konden terechtvinden, en op den tast van handen
en voeten kon ik eerst na een half uur den afstand afleggen, die ons
scheidde van de aanlegplaats aan het kanaal.
Ik ben er ook gepasseerd, toen ik van Calicut kwam met het rijtuig
van de post, en ik zie nog de beide rivieren, die men op dezen weg
moet oversteken, de Kora-poya en de Kota-poya, die laatste op 13
kilometer afstands van Mahé. Ik zie weer de overzetpont, die ons te
Moerat opnam, den reiziger en zijn voertuig met de paardjes, terwijl
de pont met een stok werd voortgeduwd onder het gezang van de roeiers,
dichtbij een brugje in aanbouw en bij een andere grootere brug van
de toen aangelegde lijn tusschen Calicut en Cannanore, die niet ver
van Mahé langs gaat, waar men een station moest maken.
Laat ons naar Badagara terugkeeren. Nu zijn we onder dak, onder
een palmendak, het smalle en lange dakje der prauw. Aan voor- en
achterkant is het vol koffers en kisten, mijn slecht vastgebonden
colli's, die de al te geringe ruimte innemen, die er overblijft buiten
de plaats, bestemd voor een neergehurkt mensch. Het was er donker,
want de opening aan den achterkant is op het laatst nog afgesloten,
zoodat men er stikt.
Rechts en links wordt er geroep gehoord en een geluid van beweging
en drukte, waaraan het oor niet is gewend. Uit het kanaal stijgen
moerasdampen. Wat gebeurt er? Wij vertrekken niet. Ik zie een langen
bamboestok heen en weer bewegen vóór de cylindrische opening van
mijn gevangenis. Ik voel een schommeling van den eenen kant naar den
anderen, die met onze lading niet zonder gevaar is en mij ongerust
maakt. Een bad in die zwarte brij, die zoo akelig ruikt, heeft iets
afschrikwekkends. Maar dan is alles stil, en men hoort niets dan de
geluiden van buiten. Mijn reisgezel achter mij, een Portugees uit Mahé,
die met mij mee is gegaan, heeft zijn schoenen uitgetrokken evenals
zijn jas; hij legt het geweer op een goed plekje bij de hand, neemt
een snuifje, gaat op zijn Turksch zitten en blijft stil afwachten,
geduldig en onderworpen, als was hij een aanhanger van Mohammed. Hij
heeft gelijk; dat is het eenige wat wij kunnen doen, en ik volg zijn
voorbeeld, het snuifje alleen door de sigaret vervangend.
Maar daar komt verandering. Aan den ingang van de donkere ruimte, die
nu wel wat lijkt op de donkere kamer voor photografie, vertoonen zich
staande droge, zwarte beenen van een der roeiers, die iets beweegt,
dat wij niet kunnen zien. Er worden schokken gevoeld, een geluid van
iets, dat schuift tegen de prauwen, waaruit wij ons losmaken, en nu kan
ik zien, dat de mannen zich hebben gebukt, en dat de eene een pagaai
en de ander een langen bamboestok, den tsjalon, in de hand heeft. Met
den stok worden wij geboomd over den slijkerigen bodem van het kanaal.
Eindelijk zijn we dan onderweg, en het wordt stil buiten; vóór ons zien
we slechts de toppen der kokospalmen, die onmerkbaar bewegen. Evenals
overal aan de rivieren zijn er, die zich over het water buigen en wier
pluimen van bladeren dicht boven de oppervlakte van het water wuiven.