De Mopla's aan deze kust, die van hun voorouders een godsdienst

hebben overgenomen, maar dien hebben doorspekt met allerlei geloof en

bijgeloof, zijn de plaag van het land. Ze heeten gierig, zelfzuchtig,

hard en wreed. Ze hebben hun rastrots en hun dweepzucht. Ze nemen alles

en geven niets.... dan kinderen aan de Tiven, die ze onderdrukken en

aan de Macqueezen, die ze tot hun slaven maken. Ze hebben den geheelen

handel in handen, en men ziet ze overal; ze bezitten alle winkels

en ze vormen geheele dorpen door hun talrijke gezinnen. Jagen doen

ze op roepijen en vrouwen. Ze zijn los van zeden en leven tehuis in

weerzinwekkende onzindelijkheid, ondanks hun belachelijke wasschingen,

die dan ook in vuile en stinkende poelen plaats hebben.

Hun vrouwen zijn, met uitzondering van den sluier, dien ze op het

hoofd dragen, bijna evenzoo gekleed als de andere inboorlingen. Ze

hebben altijd bovendien een parasol bij zich, om zich te verbergen en

bezigen het instrument zoowel tegen de zon als tegen den dauw, den

maneschijn en den regen. Als ze zich naar het werk begeven, dragen

ze een grooten parasolhoed, waarin ze des avonds allerlei dingen

mee naar huis brengen, levensmiddelen en dergelijke. Oorspronkelijk

was dat groote hoofddeksel een sieraad, maar langzamerhand is het

onmisbaar geworden.

Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag zag ik gelukkig

niemand, en ik kon heengaan zonder de aandacht te trekken. Wij gingen

door een reeks heuvels van een dor en kaal aanzien, die, naar men mij

vertelde, vroeger met jungle waren bedekt. Een ervan, de chimmeniyen,

is nog altijd berucht om de rooverbenden, die er huisden, de reizigers

aanhielden, diefstal en moord pleegden, en tot voor een jaar of tien

was die plek een gevreesd oord. Het waren Mopla's, en een van hen,

die zeer bekend en rijk was geworden, werd gevangen genomen. De

geheele heuvel werd tien jaar geleden gekocht door een inboorling,

die er landbouw is gaan uitoefenen. Men ziet er nu overal den grond

bebouwen, en kleine buffels trekken er den ploeg.

Oponthoud in het dorp Chalen, bewoond door rijstpellers. In alle

hutten, die aan één zijde open zijn, ziet men den zwaren, houten

stamper aan het werk, die een oorverdoovende muziek maakt. Die stamper

is een groot stuk vierkant hout met een kegelvormigen hamer eraan. Hij

wordt met den voet aan het eene uiteinde in beweging gebracht door

den inboorling, die hem steunt aan een bamboe, bevestigd aan het

dak van het huis. Hij valt neer in een hollen bamboekoker, die

een mortier vormt, waar de rijst warm in wordt geworpen en heen en

weer gestampt. Daarnaast wordt de rijst droog gewarmd in een grooten

aarden ketel. Die gekookte en gepelde rijst is gemaakt tot een soort

van harde koek, die zoo verkocht wordt. Men gebruikt die vooral op

reis als proviand, gemakkelijk koud te gebruiken met palmsuiker en

geschaafde kokosnoot.

Ik hield een poosje stil in een hut, waar niemand mij scheen op te

merken; men keek even naar mij, de vrouwen dekten zich het hoofd,

en men ging met het werk voort, terwijl ik twee rijpe kokosnoten liet

halen, om het sap te drinken, den geliefden drank van den reiziger,

omdat hij zoo verkoelend en gezond is. Met een paar hamerslagen

maakt men een gat in den bast en men kan maar gaan drinken. Welk

een wondervrucht!

We vervolgden onzen weg. De weg over de heuvels of door de vlakte

volgde steeds de zee, waar het strand zandig was, bedekt met

schitterend wit fijn zand, waarboven de kokospalmen uitstaken. Naarmate

men Cannanore nadert, verandert langzamerhand het landschap,

voorbijgangers vervangen de grazende buffels; er verschijnen meer

winkels en ze zijn goed voorzien, de tuinen liggen weer aan den weg,

de huisjes verschuilen zich in het groen en plotseling komen we,

na een kleine helling te hebben bestegen, uit op een groot plein,

een groene vlakte. We waren te Cannanore.

Die vlakte was een manoeuvreveld, en inderdaad zagen we aan den

anderen kant van een rij hutten een andere rij lange "barracks",

de kazerne van de Cipayers, rozenkrans van alle gelijke kamers,

waar aan de deuren de zwarte soldaten op dat oogenblik bezig waren,

hun wapens schoon te maken. Wij begaven ons aan de overzij naar het

dak-bungalow, de plaats van onderdak voor vreemdelingen. Daar kan

de reiziger een schuilplaats vinden tegen een geringe vergoeding,

aan den bewaker te betalen, die tevens de concessionaris is. Deze

heer verscheen terstond en stelde zich te mijner beschikking, bood

mij een kok aan, een vrouw, die water kon aandragen, en was zeer

vriendelijk. Hij was een Hindoe in europeesch buis en witten tulband

op het hoofd, die volmaakt Engelsch sprak.

Het vreemdelingenhotel te Cannanore is gebouwd naar hetzelfde

model als alle andere europeesche bouwwerken in dit land, met een

groot vierkant pyramidevormig dak, veranda's, ruime kamers, die

zeer eenvoudig gemeubeld zijn, stores, rieten leunstoelen naast

een bananenaanplanting, waar een hutje de keuken voorstelt. Ervoor

breiden zich grasvelden uit en bloemperken, en achter het huis vindt

men sesam-aanplantingen.

Cannanore is niet anders dan een groot dorp van een twaalf duizend

inwoners, die groepsgewijze in kleine huisjes wonen.

Als men de bungalow verlaat, om zich naar het fort te begeven,

komt men, na door eenige tuinen te zijn gegaan en door mooie lanen

te hebben gewandeld, aan een hoop leemen hutten, waar armoede troef

is. Dan volgen lange, schaduwrijke lanen, waar men nu en dan op den

achtergrond van engelsch aangelegde tuinen de huizen der officieren,

met op de pilaren aan den ingang de namen van de huurders en de

aanwijzing hunner compagnie. Overal bloemen en vreemde planten, manden

vol klimplanten en bonte heggen, waar heerlijke geuren uit opstijgen.

Door breede prachtlanen met reusachtige broodboomen, waar lange

luchtwortels van neerhangen, komt men in een uur aan de oude barakken

van het fort op een wijde esplanade bij het strand, van waar men

de forten kan zien en een vuurtoren met de britsche vlag. Op het

oogenblik, toen ik voorbijging, waren enkele engelsche soldaten,

die half gekleed waren en languit op den grond lagen, bezig, met een

spiegeltje de zonnestralen in de oogen der voorbijgangers te werpen,

een werk, dat hen zeer scheen te boeien. Het strand was een zandige

vlakte, begrensd door kokospalmen en visschershutten, waar op dat

oogenblik de visschersschuiten lagen te rusten onder een looden zon.

Het deel van het dorp, waar ik mij bevond bij het terugkeeren van

de forten, waarvan het gescheiden is door een ruime weide, was

nog al druk. Ik zag veel kleurlingen, die lastig waren door hun

nieuwsgierigheid.

Er was een Hindoetempel, die er nog al armoedig uitzag, waarbij een

plek behoorde, die voor de wasschingen diende, een klein bassin met een

opening als van een put, beneden aan een reeks van trappen, die zich

bevonden achter een breeden ingang in een spits toeloopenden muur,

waarin openingen waren gelaten in driehoekvorm voor de illuminatie

op feestdagen. Met een ander tempeltje in de buurt, dat merkwaardig

was om zijn eenvoud, is dit zoowat het eenige bouwwerk van eenige

beteekenis in Cannanore.

Er zijn daar een heele verzameling van radjahs of ten minste de

afstammelingen van veel radjahs, die hebben geregeerd, mohammedaansche

radjahs, hindoesche radjahs; dan is er Bibi, een koningin in partibus,

aan wie de Engelschen goedig hebben toegestaan, den titel van koningin

te blijven dragen, waardoor niemand eenige schade lijdt. Die schaduwen

van de oude indische potentaten leven tegenwoordig met de herinnering

aan hun vroegere grootheid. Hun antieke paleizen zijn eenvoudige

bungalows geworden; hun hofhouding bepaalt zich tot enkele bedienden,

die ze niet betalen; de rijke ameublementen zijn veranderd in goedkoope

engelsche waren; de sieraden en vroegere juweelen komen thans uit den

bazar; hun invloed bepaalt zich tot eenige goedmoedige uitspraken

tusschen twistende eigenaars, en hun luisterrijke uittochten zijn

geworden tot wandelingen te voet tusschen twee rijen winkels in

vuile, modderige straten. Ze wonen buiten de stad in eenvoudige

woningen en leven van het jaargeld, dat de engelsche regeering hun

toestaat. Vroeger was het garnizoen van Cannanore zeer belangrijk, en

de drukte en beteekenis van de stad ondervond daar den terugslag van;

maar thans gaan de zaken veel minder goed en het geld is schaarscher

geworden, nu de barakken ledig zijn en zooveel huizen onbewoond

blijven. De stad heeft veel van een doode stad.

Ik bleef eenige dagen in het dakbungalow, waar tegen mijn twee francs

per dag, den officiëelen prijs, ik het recht kreeg, op de leunstoelen

uit te rusten, al waren het maar rieten stoelen zonder armleuningen,

en waar ik het genoegen mocht hebben, 's nachts legers van ratten

over mijn bed te zien wandelen. Het was zonder leedwezen, dat ik

Cannanore vaarwel zei....

De weg van Cannanore naar Angerakandi, waarheen wij trokken, om niet

denzelfden weg terug te gaan, is niet bijzonder prettig. Er is weinig

drukte, en de weg is steenachtig over de geheele lengte en daarbij

slecht onderhouden. Lantana's staan aan beide zijden; aan den horizon

ziet men lage heuvels zonder plantengroei; hier en daar ontmoet men

buffels en een paar koelies. Geen schaduw en een looden zon over de

geheele twintig kilometer, die de beide dorpen scheiden, geen wonder,

dat ik de plaats bij aankomst prachtig vond. Ik zag er jungle, hooge

aanplantingen, rijstvelden en een rivier, die kalm tusschen groene

oevers vloeide. Aan den eenen kant van de brug was het dorp der Tiven,

aan den anderen dat der Mopla's. Welk een vroolijkheid en zachte rust

kwamen hier over lichaam en geest in de koele schaduw der lanen met

hooge boomen en op de met bloemen omzoomde voetpaden van de tuinen!

Ik bracht er twee dagen door en scheepte mij op een morgen in

de vroegte in op een bootje, dat den avond te voren voor mij was

ontboden van een naburig station. De zon was nauwelijks opgegaan,

toen ik al lag uitgestrekt op het bed van droge palmbladeren, dat men

voor mij onder in de boot had gereed gemaakt, toen mijn twee roeiers,

één aan den vóór- en één aan den achterkant met den langen bamboestok

in de hand de prauw over het water deden schieten.

Twee uren lang gleden we onder de koele schaduw langs de rustige

oevers, waar kokos- en pandanuspalmen en struikgewas uit het

water schenen te komen. Buiten een licht geklater van het water

en het schuiven van de bamboestokken langs de randen der boot was

alles volkomen stil. Er stegen uit den warmen plantenovervloed en

de vochtige lucht allerlei zoete geuren op, die verdoovend op den

geest werkten. Van tijd tot tijd waarschuwde mijn Malayalam, die aan

den voorsteven werkte en de opdracht had, den horizon in het oog te

houden, mij, dat er otters te zien waren. Men bespeurt dan hun zwarte

koppen op de glanzige oppervlakte van het kalme water. Dan stuwt de

roeier de boot langzaam naar de dieren toe, die vluchten en snel in

hun schuwheid onderduiken, terwijl het water hier en daar hoog opspuit.

De zon stijgt hooger en stooft de atmosfeer. Behalve bij den heuvel

Mavillaï, dien we vóór ons zien, wordt de achtergrond verborgen

door een hoog gordijn van groen, dat van de oevers opstijgt. Enkele

kokospalmen hebben een merkwaardigen vorm aangenomen en rekken zich

over de oppervlakte van het water, alsof ze daaruit koelte wilden

opzuigen. Op den oever, die hier en daar zwart ziet van de schelpen van

zoetwaterdieren, ontwaren wij soms een bruine gedaante, die één schijnt

met de omgeving en die zich bij onze nadering terugtrekt met een enkele

snelle beweging, waardoor we den persoon niet kunnen onderscheiden,

zoo het een mensch is. Maar weldra blijken het krokodillen te wezen,

en ik verlies verscheiden kogels aan hun ondoordringbare huid.

Bij een hut, bekend aan mijn mannen, hielden we stil, en het deed

mij genoegen, eens aan den wal te gaan, om mijn stijf geworden

beenen wat te vertreden. Er was daar een winkeltje, waar ik alleen

versche kokosnoten kon krijgen, om het nat te drinken. Ik doe als

mijn roeiers en ontbijt met bananen en koekjes van arengsuiker, die

ik had meegenomen. Daarna gingen we weer op reis. Het was twaalf uur

gepasseerd, en de zon in het zenith zond vuurstralen op ons af. Bij

die gedwongen onbewegelijkheid beneden in de boot, werd ik door de

warmte onweerstaanbaar slaperig en ik zag tusschen mijn half gesloten

oogleden niets anders dan de bruine, naakte beenen van de mannen, die

spookachtig bewogen. Ze duwen, duwen onophoudelijk met den bamboestok,

een betelpruim achter de kiezen, stil en zwijgend als de goden in

hun tempels.

We voeren de rivier, de Koendji, binnen, en tegen vijf uur in den avond

kwamen we eindelijk aan Tellicherry of liever in de nabijheid bij

het dorp Dharmadhon, waar we stilhielden. Ik betaalde mijn roeiers,

moest daarna een goed uur wachten om koelies te krijgen, en kwam te

Mahé om tien uur in den avond in een inktzwarte nachtelijke duisternis.

Als men buiten Mahé komt en de streek van de tuinen voorbij is, wordt

de weg eentonig; het zijn niet anders dan duizenden kokospalmen,

die men ziet op een groote, zandige oppervlakte met hier en daar

een hutje. Maar het aanzien verandert; te Chambala zijn we weer in

tuinen, in aanplantingen van arecapalmen met donkergroen gebladerte,

van peperstruiken, die bij de stammen van hooge boomen opklimmen

en deze van boven tot onderen zoo smaakvol bekleeden, dat men aan

de versiering voor een feest denkt. Aan den rand van den weg, onder

geheel open afdaken, zijn Malabaren bezig rijst te stampen en houden

met hun werk op, om ons een onderworpen blik toe te werpen. In de

schaduw, die het dak op hen doet dalen, ziet men hen als schimmen,

wier voorkomen in overeenstemming is met de omgeving en die verdwijnen

tegen den achtergrond, terwijl ze den stamper doen neerkomen, die

geregeld klinkt onder de stilte van het werk. De jonge vrouwen met

ontbloot bovenlijf keeren zich even om met een bevallige beweging van

verraste kuischheid, maar zonder van den ketel te wijken, waarbij ze

geknield bezig zijn.

Ginds rijzen reusachtige ficusboomen op met verwrongen stammen in de

omhelzing van duizend wortels, die eromheen slingeren en ook de takken

omklemmen, terug vallend van de takken als een bundel lange en fijne

haren. Onze paarden raakten de wortels aan bij het onderdoor rijden

in de dichte schaduw. Bij tusschenpoozen lagen smalle rijstvelden

tusschen hooge hagen van een weelderigen plantengroei en vormden dan

een scherpe tegenstelling met de droogte van het ernaast gelegen land,

een vlakken, onbebouwden grond, waar onvruchtbaarheid heerschte te

midden van goed onderhouden gronden.

De aarde is hier okergeel. Onderweg kwamen we Tiven tegen, met

den grooten parasolhoed hoog op het hoofd, terwijl ze aan beide

uiteinden van een langen bamboe groenten of vruchten uit de streek

droegen. Verderop zagen we buffelkarren voorbijgaan, langzaam zich

voortbewegend met den regelmatigen tred der dieren, die afgepast is

naar de warmte, die alles moeilijker maakt. Hun oogen kijken naar

den grond, maar krijgen in den naar beneden gebogen kop dadelijk iets

wantrouwigs, als ze de vreemden zien. Ze trekken ladingen van trossen

bananen met gouden schil, die daar op elkander gestapeld liggen voor

de stad Mahé of Tellicherry; ook liepen vrouwen met manden kokosnoten

op het hoofd; ze keken natuurlijk om, want het zijn immers vrouwen, en

men bespeurt dat het haar hindert, half ongekleed door den vreemdeling

te worden gezien. In de slooten grazen de buffels vreedzaam achter

hagen van lantana's.

Maar wat is dat? Een man, een inboorling met een grooten tulband op

het hoofd, schijnt midden op den weg op ons te wachten en loopt dan

hard onze bendi, het wagentje, met twee kleine paardjes bespannen,

achterna en roept onder het harde loopen ons iets toe, waarbij hij

wat schijnt aan te bieden. Een woord van den koetsier ten antwoord,

en hij zet zijn loop voort, stil en zwijgend; het is eenvoudig een

schipper, die zijn boot aanbiedt en zoo een klant hoopt te snappen.

De rijstvelden volgen elkander op, in blokken als van een dambord

verdeeld, van elkander gescheiden door kleine dijkjes van aarde,

die zoo smal mogelijk zijn gehouden. De oogst is afgeloopen, en

groepen vrouwen snijden de stoppels. In andere velden zijn ze bezig,

de aardkluiten, die al hard en droog zijn geworden in de zon, stuk

te stooten met een houten werktuig met langen steel, dat ze met

handigheid gebruiken.

We gingen voorbij een oliemolen. Het was een groote, holle boomstam,

waarin een andere stam ronddraait aan een lang stuk hout. Het zijn

meestal vrouwen en jonge meisjes, die het toestel in beweging brengen,

een bezigheid, waarmee ze haar loopbaan van lastdieren aanvangen. De

man brengt de copra aan, de gebruinde en gestampte kokosnoot, zamelt

de olie in en maakt met een vlam de pers van den molen warm, maar

hij vermoeit zich niet. Buiten zijn twee mannen bezig, de in tweeën

gesneden noten op rijen te leggen en het nog versche vruchtvleesch

schittert in de felle zon met een witheid van parelmoer tusschen de

zwarte kringen van de basten. Als het genoeg gedroogd zal zijn en

bruin zal zijn geworden, is het de copra.

Dan vegen op den weg de vrouwen de droge bladeren van de broodboomen

op; dat is een brandstof, evenals de ledige notenbasten, want droog

hout is er weinig in het land te krijgen. Talrijk zijn de rijen jonge

meisjes op haar Zondagsch gekleed, die zich naar het feest der pagoden

begeven, in den omtrek gevierd. Gedrapeerd in een fijne stof, die zeer

wit is, en die soms de fraaie vormen laat zien bij een slecht berekende

beweging, gaan ze voorbij, zonder nieuwsgierig te kijken, met lichten

bevalligen tred. Enkelen lijken zwarte godinnen achter een witte wolk.

We kwamen te Badagara, een klein malabarsch stadje, waar als hier

overal, datgene wat de natuur aanbrengt, prachtig en rijk is, terwijl

al, wat uit de handen van den mensch komt, nederig en armoedig is

van aanzien. Aan den eenen kant weelderige tuinen, door de toppen van

de schoonste palmen overhuifd, en waar de heerlijke bekoring van het

tropenlandschap van uitgaat, en aan den anderen hutten van bladeren

of leemen verblijven van het grofste maaksel. Hier pracht en weelde;

daar de grootste ellende.

Er loopt een kanaal door de stad, een slijkerig water, aan welks

oever men de booten heeft getrokken in rijen op het zwarte, zandige

strand. Die prauwen, die lang en spits zijn, zijn over vier vijfden van

hun lengte bedekt met een dak van palmbladeren in koepelvorm, zoodat

alleen de punten te zien zijn. Een luidruchtige menigte, een heele

schare van menschen, kwam op de reizigers af en bood hun van allerlei

aan onder heftige bewegingen, die veel op dreigementen geleken. Als

een zeldzame prooi kwam ik met mijn wapenen en bagage aan, door allen

begeerd, om te worden verscheurd. Waar is de geduldige looper, die onze

bendi onderweg heeft opgepikt en die de gunst heeft verdiend door het

onafgebroken gedraaf en door den weerstand, dien hij van zijn longen

heeft gevergd? Wie kan iets of iemand onderscheiden in dien warboel

van zwarte lichamen, van witte kleederen, van lichte hoofddeksels,

van roode tulbanden, van blauwe lendendoeken en geschoren hoofden,

waarop de toefjes haren zijn als bewogen bladeren in een stormwind,

en waarvan de gezichten alle den stempel dragen van de begeerte naar

een klein winstje, terwijl ze toch al alle op elkander gelijken?

Eindelijk komt er wat orde, want er is een keuze gedaan, en een

politieman is komen opdagen en bevrijdt mij van de opdringerige

menigte. Nog wat heen en weer geloop, en al die menschen zijn tot hun

gewone bezigheden teruggekeerd. Nu kan men zien en rondkijken. Over

het kanaal ligt een steenen brug, zoo hoog en steil, dat men er op

handen en voeten op moet klauteren, om aan den overkant te komen. De

brug is als een boog over het donkere water; daarnaast zijn vele lage

winkeltjes, sommige zijn met pannen gedekt en hebben een veranda,

andere hebben een strooien dak, van rijststroo namelijk. Ze liggen

vol met de voortbrengselen van het land, vruchten en groenten, die

er uitlokkend uitzien, met droge visschen, welker onaangename geur

zich verbindt met de stoffige uitwasemingen van de plek, met onbekende

zaken, plaatselijk gereedschap, zakken, manden en lappen. Daarvoor een

drukte als in een bijenkorf, een onophoudelijk geloop, waarin het rood

der tulbanden domineert. Men ruikt een flauwen roet- en muskusgeur,

als de wind geen reukjes van gedroogde of bedorven visschen u toezendt.

En van den diepblauwen hemel, uit de diepten van een apotheose van

schitterende klaarheid, valt als een stroom van vuurstralen neer, die

bestemd schijnen alles te braden, wat leven heeft op dit hoekje gronds.

Ik ben er later langs gegaan in den nacht; het was laat; de gesloten

winkels verlichtten den weg niet langer; alles was in een diepe

duisternis gehuld, waarin alleen de daaraan gewende oogen van de

inboorlingen zich konden terechtvinden, en op den tast van handen

en voeten kon ik eerst na een half uur den afstand afleggen, die ons

scheidde van de aanlegplaats aan het kanaal.

Ik ben er ook gepasseerd, toen ik van Calicut kwam met het rijtuig

van de post, en ik zie nog de beide rivieren, die men op dezen weg

moet oversteken, de Kora-poya en de Kota-poya, die laatste op 13

kilometer afstands van Mahé. Ik zie weer de overzetpont, die ons te

Moerat opnam, den reiziger en zijn voertuig met de paardjes, terwijl

de pont met een stok werd voortgeduwd onder het gezang van de roeiers,

dichtbij een brugje in aanbouw en bij een andere grootere brug van

de toen aangelegde lijn tusschen Calicut en Cannanore, die niet ver

van Mahé langs gaat, waar men een station moest maken.

Laat ons naar Badagara terugkeeren. Nu zijn we onder dak, onder

een palmendak, het smalle en lange dakje der prauw. Aan voor- en

achterkant is het vol koffers en kisten, mijn slecht vastgebonden

colli's, die de al te geringe ruimte innemen, die er overblijft buiten

de plaats, bestemd voor een neergehurkt mensch. Het was er donker,

want de opening aan den achterkant is op het laatst nog afgesloten,

zoodat men er stikt.

Rechts en links wordt er geroep gehoord en een geluid van beweging

en drukte, waaraan het oor niet is gewend. Uit het kanaal stijgen

moerasdampen. Wat gebeurt er? Wij vertrekken niet. Ik zie een langen

bamboestok heen en weer bewegen vóór de cylindrische opening van

mijn gevangenis. Ik voel een schommeling van den eenen kant naar den

anderen, die met onze lading niet zonder gevaar is en mij ongerust

maakt. Een bad in die zwarte brij, die zoo akelig ruikt, heeft iets

afschrikwekkends. Maar dan is alles stil, en men hoort niets dan de

geluiden van buiten. Mijn reisgezel achter mij, een Portugees uit Mahé,

die met mij mee is gegaan, heeft zijn schoenen uitgetrokken evenals

zijn jas; hij legt het geweer op een goed plekje bij de hand, neemt

een snuifje, gaat op zijn Turksch zitten en blijft stil afwachten,

geduldig en onderworpen, als was hij een aanhanger van Mohammed. Hij

heeft gelijk; dat is het eenige wat wij kunnen doen, en ik volg zijn

voorbeeld, het snuifje alleen door de sigaret vervangend.

Maar daar komt verandering. Aan den ingang van de donkere ruimte, die

nu wel wat lijkt op de donkere kamer voor photografie, vertoonen zich

staande droge, zwarte beenen van een der roeiers, die iets beweegt,

dat wij niet kunnen zien. Er worden schokken gevoeld, een geluid van

iets, dat schuift tegen de prauwen, waaruit wij ons losmaken, en nu kan

ik zien, dat de mannen zich hebben gebukt, en dat de eene een pagaai

en de ander een langen bamboestok, den tsjalon, in de hand heeft. Met

den stok worden wij geboomd over den slijkerigen bodem van het kanaal.

Eindelijk zijn we dan onderweg, en het wordt stil buiten; vóór ons zien

we slechts de toppen der kokospalmen, die onmerkbaar bewegen. Evenals

overal aan de rivieren zijn er, die zich over het water buigen en wier

pluimen van bladeren dicht boven de oppervlakte van het water wuiven.

Aan de kust van Malabar De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 5 / 6 段