een ruimte, die precies ter hoogte van onze oogen komt. Het is een
toeval, maar het had niet mooier kunnen treffen. Men ziet er de tuinen
en onbebouwde gronden voorbijschuiven, de hutten aan den oever in hun
aanplantingen, de kalkovens, waar de vele schelpen worden gebrand, die
de rivieroevers bedekken. Groote booten passeeren, platte schuiten,
vol van die schelpen, verdeeld over kleine kegelvormige mandjes en
volkomen uitgebleekt door de zon, hoewel de schelpen oorspronkelijk
zwart zijn. Op sommige plaatsen zou men meenen, dat het land druk
bevolkt is; men ziet er tusschen de boomen boeren aan den veldarbeid;
badende vrouwen in een kleine baai, die afgezet is om het gevaar van
krokodillen, en waschvrouwen, die beurtelings met de beide armen het
waschgoed slaan op een platten steen. De randen van den oever zijn
rood en scherp afgesneden, soms met een dicht struikgewas begroeid
en dan weer laag en onbegroeid.
Aan beide uiteinden van de prauw staan de mannen, en al naar de diepte
van het kanaal pagaaien ze of duwen met den langen bamboestok. Men komt
maar langzaam vooruit bij zulk een primitieve manier van voortbeweging;
maar wat is het heerlijk, zoo te glijden over het stille water in het
grootsche kader van die van mildheid overvloeiende natuur! Onder onze
lichte bladbedekking komt een zachte koelte binnen, die niet warm
en niet koel is, maar alleraangenaamst ondanks de zonnehitte. Een
enkele maal wordt de stilte afgebroken door het geroep van vogels,
weerkaatst door de echo, of de pagaai slaat het water wat forscher,
of de bamboe schuift langs den bootrand. Maar de oogen worden vermoeid
door de weerkaatsing van al het licht, en langzaam sluiten ze zich,
terwijl de poorten van het droomland opengaan....
We gingen aan land bij een zeer drukke landingsplaats. Er bewoog zich
een dichte menigte van Mopla's en Tiven, die schreeuwden en vloekten
en gesticuleerden in het opwarrelende zure en vochtige stof. Ik kon
nauwelijks een hoop zakken aan den oever onderscheiden en een lange
rij met buffels bespannen karren, die er op lading stonden te wachten,
terwijl mijn bagage werd uitgeladen. Het lawaai was oorverdoovend, en
ik zocht een schuilplaats achter en tusschen twee hoopen zakken. In de
verte ontwaarde ik achter de karren een straat met lichten van winkels
en een drukte als van een mierenhoop, die er zich bewoog. Naast mij
liet de Portugees zijn bagage op een wagentje laden. Inlanders waren
bezig met het pakken van koffers in een prauw voor reizigers, die de
reis, welke wij gemaakt hadden, in omgekeerde richting ondernamen,
want veelal reist men des nachts, om de hitte te ontgaan.
Eindelijk was alles gereed; de mannen waren betaald; ik klom in het
kleine wagentje bij mijn bagage. Wij reden naar Calicut, dat nog zes
mijlen verwijderd was. De maan was opgegaan, en haar bleeke stralen
verlichtten onduidelijk silhouetten van tuinen en woningen; rechts
en links hadden we boomen. Bosch wisselde af met bewoonde streken;
duisternis volgde op licht van drukke winkels, waar de menschen
elkaar verdrongen ondanks het late uur. Dan werd de weg weer stil,
en we hoorden enkel het geknars van ossenkarren, die langzaam naderden.
Zestien uren nadat we Mahé hadden verlaten, hield mijn wagentje stil
voor het hotel Calicut. Den volgenden morgen voerde de trein mij naar
Pondichéry, en de laatste indruk, dien ik bewaarde van deze vreedzame
kust, is het prachtige scherm van groen geweest, dat er schijnt te
zijn neergezet, om haar te verbergen voor de nabuurschap.
End of Project Gutenberg's Aan de kust van Malabar, by Emile Deschamps