een onthaal voor de Polea's, de concurrenten van de raven en de
jakhalzen. Maar het gerecht, dat het meest hun verhemelte streelt,
is een frituur van kariahs, termieten, witte mieren, die een lastige
vijand zijn in de huizen. Als in het begin van den moesson, na de
eerste regens die larven en poppen uit hun verstijving doen ontwaken,
de warmte de eitjes doet uitkomen en bij milliarden de insecten
in het leven roept; als de kariahs hun verschijning maken in hun
gevleugelden vorm, dien ze slechts vertoonen in den tijd der paring,
vieren de Polea's, de paria's en de raven feest. Er is mij gezegd,
dat te Pondichéry de inboorlingen ook de witte mieren opeten, in boter
gebakken; maar ik twijfel eraan, of het vette, glibberige insect ooit
onze kolonisten heeft aangelokt.
De schildpadden, die overvloedig in de rijstvelden voorkomen, de
vleermuizen, twee soorten van salamanders, een zwarte met groote,
gele vlekken en een andere zeer dikke met grijze huid, waarop door
honden zeer behendig jacht wordt gemaakt, zijn ook lievelingsgerechten
en men kan er heerlijke kerry's van bereiden. De beet van de laatste
soort, die niet gevaarlijk is en alleen zwarte builen en een soort van
zweer veroorzaakt, kan enkel genezen naar het zeggen der inboorlingen
door het eten van gebakken ratten, een aanwinst voor de culinaire
hulpmiddelen van het land.
Ter vergoeding biedt die laatste salamander zichzelf als remedie aan,
ten eerste voor een vrij veel voorkomende ziekte van het tandvleesch,
veroorzaakt door een parasiet, en ten tweede om het lang uitgerekte
oorlelletje te genezen, als het soms verscheurd is door het dragen
van de zware oorhangers. In het eerste geval wordt het dier gebakken
gegeten, zoodat het wel lijkt, dat de inboorlingen van dit land er
een liefhebberij in hebben, geneesmiddelen te nemen, die tegelijk de
maag vullen. In het tweede geval wordt het vleesch versch en wel op de
gescheurde deelen gelegd, en trots andere ingrediënten, die eveneens
voor deze bewerking worden gebruikt, wordt aan het salamandervleesch
toch de aaneenhechting toegeschreven. Men bemerkt, dat de Malayali
niet ver ten achter zijn bij het oude Europa ten opzichte van deze
speciale chirurgie. Een afzonderlijke kaste, de Korors, die niet
zeer talrijk moet wezen, daar ongelukken van dezen aard betrekkelijk
zeldzaam zijn, onderneemt de kunstbewerking.
Die kaste der Korors komt uit het bergland. De menschen maken matten,
laten apen dansen en eten ravenvleesch. Een andere kaste, die
denzelfden naam draagt, komt uit Coïmbatore; ze spreken het Tamoel
en maken graag voor hun vrouwen bonte vogels buit, als papegaaien
en ijsvogels.
De raaf gaat, om met hem deze dierenserie te besluiten, voor het
listigste dier van de schepping door, en hij wordt de paria onder
de vogels genoemd, zooals de ezel het is onder de zoogdieren. Er
zijn legio in Indië en soms, als ze des morgens in grooten getale
bijeen zijn, wordt hun geschreeuw zoo vervelend en scherp, dat het
onverdragelijk is. Ze worden niet beschermd door een plaatselijk
bijgeloof, zooals het geval is met den arend van Malabar, met slangen,
apen en enkele visschen, en dat is eigenlijk een onrechtvaardigheid,
want ze bewijzen groote diensten aan de openbare gezondheid door
den reinigingsdienst, dien ze in de steden op zich nemen. Men kan ze
bijna niet verjagen, en ze zijn van een wel eens amusante brutaliteit,
wanneer men hen bij voorbeeld stapje voor stapje de keukenmeid ziet
volgen, als ze van de markt komt, om wat uit haar mand te stelen.
De raaf wordt door de Hindoes veracht, hoe nuttig hij ook is en
hoewel hij hier wordt beschouwd als de schakel tusschen de levenden
en de dooden, zooals men bij de gebruiken in zake sterfgevallen heeft
kunnen zien. Daarentegen zijn andere dieren, die inderdaad kwaadaardig
zijn, zooals de slangen, hier het voorwerp van een eeredienst en
zij zijn dat niet alleen, maar ook aan andere dieren valt die eer te
beurt. Maar aan de kust van Malabar hebben de menschen niet veel op
met dien dierendienst en vooral uit het binnenland komen Brahmanen,
die heilige ossen rondleiden, hier herinneren aan de vereering,
die men aan die beesten schuldig is. Die wandelingen zijn wezenlijk
niet meer dan een der duizend middelen, door de Brahmanen aangewend,
om aan geld te komen. Als de rondreis is gedaan, laten ze de heilige
ossen in het veld los, waar ieder er eerbied voor moet hebben, en
keeren rustig met den buit naar huis terug.
Die soort van onverschilligheid van de kasten aan de kust van
Malabar, vooral voor den os, een der begunstigde goden van de
aanhangers van Siva, geeft een goed denkbeeld van hun innerlijke
godsdienstigheid. Buiten de vaste gebruiken, de feesten,
pelgrimstochten, plichten in de pagoden, waaraan men zich sinds
eeuwen trouw houdt, en die door allen worden gevolgd met mechanische
regelmatigheid, denken de menschen hier weinig aan hun goden. Toch
treft men hier en daar kleine pagoden aan, gewijd aan den dienst der
dieren, voornamelijk aan de slangen, en ieder van die heiligdommen
heeft zijn eigen jaarlijksch feest, waar bij voorbeeld de slangen zich
te goed doen aan de eieren en kannen met melk, die de geloovigen hun
geven. De bewaker van de pagode trekt voor dien plechtigen dag een
grooten mantel van kokosbladeren aan, die hem geheel omhult en waarop,
evenals op zijn lichaam, slangen ruw zijn geteekend.
Om op de slangen in de vrije natuur terug te komen, de engelsche
statistiek heeft uitgemaakt, dat jaarlijks ongeveer 25000 personen in
Indië door slangen worden gebeten en gedood, en het ware cijfer moet
stellig vier maal grooter wezen, want vooral in de kleine dorpen,
waar men het met de statistiek niet zoo nauw neemt, komen die
ongelukken voor.
De olifant ontmoet men zoowat overal aan de kust van Malabar, waar
hij vooral gebruikt wordt voor het vervoer van hout. De regeering
onderhoudt olifanten voor de groote werken, en moet nog enkele keeren
van particulieren de nuttige dieren leenen. Vooral de hooge en rijke
kasten hebben olifanten, de Naïrs meer bepaald. Daar een olifant
voor tien roepijen per dag wordt verhuurd of voor een roepij per uit
het bosch aangevoerden boom, vertegenwoordigt zoo'n dier een niet
onbelangrijk kapitaal voor zijn eigenaar.
Laat ons nu eens kijken naar de plantenwereld, de handelsflora en de
industriëele. De kust van Malabar is ten gevolge van het gebrek aan
havens ter verscheping, een weinig buiten de handelsbeweging in het
overige Indië geraakt. Er zijn slechts drie havens, die men aantreft
op ongeveer 500 kilometer afstands van elkander, Cochin, Calicut en
Tellicherry, ver van elkander dus en slecht in orde. Dus zijn ook
de industrie en de culturen beperkt tot de plaatselijke behoeften,
en het aantal der uitgevoerde producten is zeer gering.
Toch had Mahé eenige beteekenis in het begin der 18de eeuw. Het was
toen de stapelplaats voor de aan de kust voortgebrachte peper, voor
het cardamon, de santal, het sapanhout; ook was het de voornaamste
haven van de producten van den kokospalm en zelfs van de eetbare
vogelnestjes en de vinnen van haaien. Maar toen de Engelschen de stad
veroverden in 1779, vernielden ze alles, de openbare en de bijzondere
gebouwen en de entrepôts. De handel met Frankrijk schijnt nooit veel
te hebben beteekend. Getallen, die van 1821 dagteekenen, geven als
totaal van den invoer voor een waarde van 14340 francs en van den
invoer een van 58788 francs alleen met de stad Bordeaux; het laatste
cijfer vertegenwoordigt enkel de waarde van de peper. In 1899 werd
voor 8591 francs aan voortbrengselen uitgevoerd en voor 21564 francs
ingevoerd, dus voor den geheelen handel is er een vermindering met
de helft van de getallen in het begin der vorige eeuw.
In het bergland wordt de koffie gekweekt, die er door de overvloedige
regens tweemaal bloeit, eerst in Maart en dan weer in April, en
cardamon, dat een boschrijke omgeving noodig heeft. Zoowat overal
groeit de peperboom, een der rijkste culturen. Op goede onderstammen
geënt, zooals op den mangoboom en den jacquinia, brengt een peperboom
van tien meter hoogte per jaar voor 15 tot 20 roepijen op, dat is 12
tot 17 gulden holl.
In alle tuinen treft men den kokospalm aan; men zou haast kunnen
zeggen, dat die boomen de tuinen maken. Die palm is de boom bij
uitnemendheid van dit land; hij geeft te eten en te drinken, brengt
weefsel op voor de vervaardiging van touw, olie om te branden en
om in de spijzen te gebruiken, het vleesch der noten, dat gedroogd
uitgevoerd wordt onder den naam van copra, en hij verstrekt materiaal
voor de bedekking der hutten. Alle deelen van den boom zijn bij uitstek
nuttig; men heeft daar het noodige en het overtollige, van hoeden af
tot een gegisten drank, dien de Malayali zeer op prijs stellen. De
bladeren voorzien ook in de behoefte aan boeken en schriften van de
leerlingen op school. Zelfs maakt men er toortsen van. Wanneer men
des nachts een licht ziet, dat afwisselend helder en duister brandt,
dat zich in geregelde beweging van beneden naar boven beweegt, is men
eerst verbaasd. Het is een inboorling, die een armvol kokosbladeren
zwaait van boven naar beneden of horizontaal, om ze aan het vlammen
te krijgen. Dat is de landslantaarn, de tsjoeta. Als het donker is,
en de maan den weg niet verlicht, is de stad Mahé stikdonker als een
graf en even stil. Men ziet wel hier en daar lantaarns met petroleum,
maar die schijnen wel aangebracht, om enkel den glimwormen concurrentie
aan te doen; ze verlichten niets anders dan den top van hun paal. Het
zou zelfs beter wezen dat ze er niet waren en dat het gemeentebestuur,
door ze weg te laten, een aanzienlijke besparing vond op het budget.
Ik zag vaak op het marktplein van Mahé in de smalle zijstraatjes,
die er als open tunnels uitzagen, de kleine Malayali met hun vuile
lendendoeken en hun groote, verbaasde oogen op mij gevestigd,
hun boeken en schriften onder den arm dragen in den vorm van
kokosbladeren, elk afzonderlijk of aaneengehecht, terwijl ze op weg
waren naar de school. Er wordt namelijk nog aan de kust van Malabar
op die bladeren geschreven met een stalen punt, die de zonderlinge
letters van de taal vormt, welke dan later met wat inkt voor den dag
worden gebracht. Verscheiden van de jongste kinderen hadden enkel het
alphabet, of liever slechts een deel daarvan, want de plaatselijke
taal heeft niet minder dan 483 verschillende teekens voor de klinkers,
de voegwoorden, de uitgangen enz. En dan te weten, dat er 130 van
die talen in Indië zijn.
De kokospalm levert ook nog het brandhout. Hout is schaarsch en
duur aan de kust, en voor de keuken maakt men gebruik van ledige
schelpen, die heel goed branden en per honderd worden verkocht
in groote netten, die op straat worden aangeboden. De Macqueezen,
lieden, die de oude bijgeloofsgebruiken van Indië slecht in acht
nemen, hebben de stoutmoedigheid, koeienmest te branden, dien ze
eerst hebben gedroogd. Maar de Tiven zouden er een gewetensbezwaar
in vinden, zich voor een zoo profaan gebruik te bedienen van de bij
uitstek reinigende stof.
Een goede kokospalm in volle opbrengst geeft een honderdtal noten,
die voor vijf of zes centimes worden verkocht; dus brengt een enkele
boom zoowat vijf francs op per jaar. De mangoboom is voordeeliger. Men
kent die vrucht; de vrucht met goudgeel vruchtvleesch heeft een
groote, platte pit en smaakt pittig en frisch. Ze kosten van één
tot twintig centimes naar de hoedanigheid; als de boom van de goede
soort is en dus gewoonlijk twee- tot driehonderd vruchten oplevert,
kan hij van 25 tot 40 roepijen inbrengen, dus 42 tot 68 francs. Maar
goede mangoboomen zijn zeldzaam.
De jacquinia, die de verbazend groote vruchten oplevert van 7
tot 8 kilogram, maar welke vrucht 25 kilo kan wegen, met zacht,
geel vruchtvleesch, waarin veel pitten liggen, en die kwalijk riekt,
brengt ten hoogste 16 tot 20 francs op, want hij geeft tot 50 vruchten,
die voor 3 tot 4 anna's per stuk worden verkocht, dat is 30 tot 40
centimes. De arecapalm, die zoo geliefd is in het Uiterste Oosten,
is niet voordeelig. De opbrengst is 30 of 40 centimes per jaar, maar
men moet er rekening mee houden, dat vier of zes noten slechts één
centime kosten, een goedkoopheid, die noodzakelijk is, want ieder
heeft de noot noodig bij het betelkauwen, dat ieder doet, mannen,
vrouwen en kinderen.
Eindelijk worden de katoenstruiken nog verbouwd, enkel voor de
behoeften van het land zelf, ofschoon ze zeer goed gedijen. Dan de
muskaat en de kruidnagelen, de sesam om de olie, de tamarinde, die
veel gebruikt wordt voor inmaken en de tabak, die gepruimd wordt. Ook
doet men aan de cultuur van een soort van hennep, die als opium wordt
gerookt in kleine pijpjes, en van de bananen, waarvan er evenals van
de mangoboomen veel variëteiten bestaan. De vanilleplant wil zeer
goed voort en geeft goede resultaten, maar men doet niet veel aan
het kweeken.
De industrie is zeer beperkt. Ze bepaalt zich tot de gewone
katoentjes, die ter plaatse worden verkocht en geweven worden op
kleine weefgetouwen, die in de hutten hier en daar worden gebruikt;
tot de oliebereiding, die ook op de plaats wordt aangewend; tot de
vervaardiging van matten, van rijstbrandewijn, aardewerk, voorwerpen
van koper, bij de inboorlingen in gebruik, en tot het drogen van visch,
waarvan een kleine hoeveelheid naar Colombo wordt uitgevoerd. Het land
brengt niet genoeg rijst voort voor de bevolking, en dat hoofdvoedsel
wordt nog uit Bengalen ingevoerd.
Het hout van den mango is het voorwerp van een vrij belangrijken
handel, want het is uitstekend timmerhout. De Arabieren komen eens per
jaar het hier inslaan, namelijk tegen November. Ze komen uit Arabië
in hun groote schepen, die met twintig of vijf-en-twintig man bemand
zijn, en blijven tot in April. Ze doen aan vrachtvaart tot aan de
Perzische Golf en nemen galanteriewaren mee, die ze te Bombay inslaan,
evenals dadels en andere vruchten.
Het klimaat is niet slecht, het behoort zelfs tot de beste in
Voor-Indië. In het vochtige seizoen heerscht er een soort van
influenza, maar die is niet kwaadaardig. Aan de kust komt weinig
of geen koorts voor, maar zoo is het niet in het bergland, waar de
malaria in het warme jaargetijde nog al gevaarlijk is. De moesson,
die einde Mei begint of in het begin van de maand Juni, is het
frissche en minst droge seizoen, maar meer vochtig dan koel. Het
regent in stroomen in opeenvolgende buien, soms afgewisseld met een
vluchtigen zonnestraal. Dit jaargetijde wordt met ongeduld verwacht
door de bezitters van rijstvelden en door de dieven, want terwijl het
de planten doet groeien en de oppervlakte weer met groen bekleedt,
doet die moesson ook de dieven te voorschijn komen. Men zou zeggen,
dat ze met de rijst uit den grond komen, dat ze een product van
het plantenrijk zijn, net als de bloemen; maar het zijn vreesachtige
dieven, die alleen hun werk durven ondernemen met de zekerheid dat men
hen niet kan zien, daar ze den stok, de vuurwapens en de gevangenis
vreezen. Er worden in dezen tijd dan ook zelden dieven betrapt,
en die ongestraftheid vergemakkelijkt hun nachtelijke industrie.
En bovendien, bestaat er niet in Indië een kaste van dieven? Ze vormen
een kaste op zichzelf, even goed als de barbiers en de wevers, en er
zijn zelfs verscheiden kasten, wier levensonderhoud door diefstal wordt
gevonden. Zij zijn zeer behendig en een van hun voornaamste methoden
is, dat ze den buitenmuur van de hutten doorboren, waar ze willen
binnendringen, een werk, dat zoo stil wordt gedaan en zoo netjes en
voorzichtig, dat het waarlijk jammer is, hen die behendigheid niet
aan een betere zaak te zien besteden. Om te vermijden, dat ze worden
gepakt in geval van ontdekking, smeren ze zich het lichaam in met olie;
dan wordt het bijna onmogelijk, hen te grijpen, zoo glad voelen ze aan.
Ik vergat nog te zeggen, maar het laat zich wel begrijpen, waarom die
dieven alleen in den natten moesson werken. Het is dat dan regen valt,
vooral in den nacht, en zoo hevig, zoo kletterend, dat er een helsch
lawaai ontstaat, waardoor het werk begunstigd wordt aan deuren en
vensters en aan de wanden.
Die moesson eindigt tegen December, wanneer het droge jaargetijde
aanvangt met warmte, die het hevigst wordt in Maart en April. De
grond is dan de prooi van droogte; het plantenkleed, dat hem bedekte
in den regentijd, verdwijnt onder de brandende stralen van de zon.
IV.--Uitstapjes langs de kust.--Aanzien van het
land.--De rijst.--In een mohammedaansch dorp.--De
Mopla's.--Cannanore.--Ontspanning voor het engelsche
garnizoen.--Reis in een bootje.--De kokospalm en de
kokosnoten.--Aankomst te Elatur.--Terugkeer naar Pondichéry.
Van Mahé is over een lengte van zeven kilometer de weg
schilderachtig. Nu eens is hij ingesloten tusschen ware wanden van
groen, dan weer gaat hij over zandige stranden langs hagen en reeksen
van kokospalmen. Of wel het zijn onder water staande streken, waar
de boomen op stelten schijnen te staan of liever op voetstukken,
die vierkant zijn en door diepe geulen van elkaar zijn gescheiden,
open terreinen, hutten, schuren, waar de basten van kokosnoten
liggen te drogen, en lage heuvels, waar een armelijke vegetatie op de
weelderigste tuinen volgt. Van tijd tot tijd staan groote ficusboomen
met eerwaardige stammen, omringd door hun hooge luchtwortels, langs
den weg als getuigen uit een andere eeuw. Ik kwam nog juist bijtijds,
om in de Club te ontbijten, waar ik vriendelijk werd ontvangen, nadat
een mooie Hindoe met prachtigen witten tulband zich had overtuigd, dat
ik in het vreemdelingenboek ingeschreven en dat ik gepresenteerd was.
Ik vertrok zonder verwijl in den namiddag, mij niet ophoudend om de
stad te bezoeken, die niets bijzonders kan vertoonen dan een ouden
muur dichtbij de zee, door de Portugeezen opgericht. Het groote,
groene plein vóór de Club was brandend heet; er was geen wind, en
de straten waren zoo goed als verlaten. Wij verlieten de stad langs
een weg aan zee, ingesloten door een soort van snijding, die wel een
overblijfsel leek van oude vestingwerken, en daarna daalden we in de
tuinen af, die elkander opvolgden en waarin hutten verborgen lagen
onder het frissche groen.
We gingen door Kodowellé. In de rijstvelden bewogen witte figuren
met langzame bewegingen. Ze waren bukkend bezig, waarschijnlijk aan
het verplanten der kleine plantjes, en het scheen alsof ze de aarde
aanbaden, die hen voedt. Weer groote ficussen, wier stammen door
wortels zijn omgeven, dan onbebouwde terreinen, die steenachtig zijn en
waar men zich bij verbaast, dat ze zoo dicht op de prachtigste landen
volgen. Te Manneada waren we aan de monding van de rivier Kuda-Kadawe,
die wij overtrokken over een mooie ijzeren brug. Er lagen prauwen
op het zand, en in de buurt der manden vol visch die er stonden,
zoowel als in de heele omgeving, rook het naar een visschersdorp,
die goede reuk van algen, terwijl men aan de vischnetten, overal
langs de hutten gespannen, het visschersdorp kon herkennen. Rechts
zagen we op den top van een kaal heuveltje de ruïnen van een kasteel,
de oude residentie van een radjah.
Weer een rivier en een dorp, de Koendji en het dorp Dharmadhom. Boven
het lage en zandige strand zag men de toppen der hooge kokospalmen,
die op het zuivere blauw des hemels hun fijn gebladerte afteekenden. Er
lag een lange slang van groen aan weerszijden van het grijze effen
water van den stroom. Men ontmoet slechts Mopla's in dit dorp, dat
als alle bestaat uit twee rijen winkeltjes, waar men vruchten, droge
visch, arecanoten, betel en alles, wat men onderweg kan noodig hebben,
verkoopt, evenals lendendoeken van allerlei kleur, glaswerk en het
aardewerk van de streek. Daarachter liggen enkele hutten en de tuinen
of landen. Op den gewitten muur van een huisje kan men op een groote,
cylindervormige, ijzeren bus het woord "letters" (brieven) lezen. Het
is de brievenbus, en de hut is het postkantoor. Maar men moet er den
postdirecteur niet zoeken. Voor zijn vier francs per maand kan hij geen
uren op het kantoor zitten, en dat wordt ook niet van hem geëischt.
Hier passeert de wagen, die den dienst onderhoudt tusschen Cannanore
en Calicut, verscheiden keeren per dag. De weg loopt recht uit, en de
horizon getuigt in het minst niet van de veel bewonderde natuur van
Indië. Het is alles zand aan den rechterkant in de buurt van de zee,
die hier niet te zien is, en links ligt een reeks lage, kale heuvels,
met enkele kokospalmen boven een dorren plantengroei. Wij hadden nog
eenmaal een oase van tuinen, waar groote jacquinia's schaduw gaven.
Een groot aantal vrouwen ging ons voorbij in groepjes, kuisch in
haar betrekkelijke naaktheid, die snel den afgegleden doek over haar
borst trokken, of er haar armen voor hielden als een schild bij mijn
voorbijgaan. Ze kwamen van het werk op het veld terug, praatten onder
het loopen; anderen waren er nog bezig. De rijst groeit veertig dagen,
dan wordt ze bij kleine handen vol uitgerukt, en de wortels worden
zorgvuldig gewasschen met kleine herhaalde onderdompelingen, waarna
de voorraad wordt opgestapeld.
Den volgenden dag zal men weer aan het planten gaan in hoopjes
van enkele voeten oppervlakte, door de plantjes één voor één in de
slijkerige aarde te drukken onder de waterlaag. Dat is het voornaamste
werk van de vrouwen, dat bukken in het rijstveld en het verplanten,
waarbij ze met de beenen in het water staan. De kleeding wordt
opgeschort en babbelend en zingend zijn ze bezig. Hier is men aan
den oogst of die heeft reeds plaats gehad, en de omgewoelde aarde,
die onder water staat, van het rijstveld ruikt naar een moeras; daar
wachten hooge stapels op hun beurt; iets verder is het werk al gedaan
en de nieuwe rijst biedt den aanblik aan van een mooi groen tapijt,
waardoorheen men hier en daar den waterspiegel kan waarnemen.
Men onderscheidt aan de kust van Malabar twee-en-dertig soorten van
rijst, die ieder een eigen naam hebben, en zeven ervan bezitten een
kleinen en fijnen korrel. Te Mahé brengen de rijstvelden twee oogsten
voort per jaar, in Januari en in September; maar te Mangalore evenals
ten zuiden van Mané op een twintigtal mijlen afstands, kan men drie
keeren per jaar oogsten, in Januari, April en September.
Des avonds waren we te Hekadod, een muzelmansch dorp, een weinig
belangrijker dan de andere, die we al waren gepasseerd. Wij hielden
stil aan den politiepost. Een ambtenaar met rooden tulband,
donkerblauwe broek en tunica, met een gordel en bloote voeten,
Nr. 826 volgens het nommer, dat hij op zijn borst droeg op de plaats
van de medaille, gaf ons inlichtingen; maar hij was in slecht humeur
en daar hij mij midden op den weg liet staan, noodigde ik mijzelven
in den politiepost. Ik had groote behoefte aan dat donkere hoekje,
want den geheelen dag was de zon achter een koepel van witte wolken
verstikkend heet geweest. De adigari, of het hoofd van het dorp,
een Naïr, die het nog al verdelend vond, dat men hem dérangeerde
op een halve mijl afstands, kwam in niet al te beste stemming aan,
maar met hem kon ik mij toch eindelijk onderhouden.
Het was nacht, toen ik, verlicht door het schijnsel van een walmend
lantarentje en gevolgd door een menigte, die achter mij aan drong,
eindelijk een onderkomen kon vinden. Het was een leegstaand huis van
mohammedaanschen stijl met kamers, die zoo laag waren, dat men er in
stikte en lage houten divans, die aan honderden geslachten van ratten
en vleermuizen tot speelplaatsen schenen te hebben gediend. Massieve
deuren met of zonder hengels, zonder sloten, maar die er nieuw uitzien,
zijn even talrijk als de kasten. Een hoop steenen, sinds het bouwen van
het huis vergeten in een hoek, verbeeldt de keuken. Maar er ontstaan
groote moeilijkheden om het noodige voor een maaltijd bijeen te
krijgen, want ik heb het gebrek, of mogelijk is het een verdienste voor
een reiziger, die alles wil zien, dat ik niets meeneem dan linnengoed
en een couvert. De Mopla is evenmin als de mier bereid tot leenen,
en wat de kaste der Naïrs betreft, zij laat de Europeanen niet aan
de voorwerpen van huiselijk gebruik raken.
De adigari bepaalt er zich toe, mij aan te kijken. Ik heb rondom mij
staan al wat er maar aan menschen geborgen kan worden in het huisje,
waar ik ben en waar ik een schuilplaats vind op een der houten
divans. Mijn minste bewegingen werden met de oogen gevolgd; als er
een kist werd geopend, bogen twintig hoofden naar het mijne. Dat was
afschuwelijk! Eindelijk bevrijdde ik mij van al die lastige kijkers,
door hen buiten de deur te dringen; maar het was midden in den nacht,
eer ik erin slaagde wat rijst te eten uit gebroken schotels, die mijn
bediende eindelijk had gevonden bij een oude vrouw van zijn kaste,
daar de Mopla's hem allen de deur voor den neus hadden dicht gedaan.