rol in het leven. Het is een reinigingsmiddel bij uitnemendheid,
zooals ook de urine van het dier; die asch wordt hier koery genoemd
en er zijn twee soorten van, bassemon en tsjandanon, wat sandal
beteekent. Het eerste is een mengsel van asch van mest met asch van
sandelhout. De derde persoonlijkheid van de hindoesche Drieëenheid,
Paramaitsjoerein van Malabar, is altijd ingewreven met bassemon;
allen dus, die na zich gebaad te hebben, zich voorhoofd, maag en
armen met dit poeder insmeren, zijn van hun redding en zaligheid
verzekerd. De andere soort is gewijd aan Vishnoe en is niet minder
belangrijk. Er wordt tot geen enkele plechtigheid overgegaan, dan nadat
de beide koery's eerst zijn aangebracht, De Vedam is zeer uitvoerig,
zoowel over het gebruik van die beide poeders, als over de toekomstige
zegeningen, die de geloovigen uit het gebruik zullen trekken.
III. Ceremoniën bij het volwassen worden, het huwelijk en bij
het begraven.--De Pandel.--De fauna van Malabar, visschen,
krokodillen, jakhalzen, otters, enz.--De flora, arecapalmen,
kokospalmen, jacquinia's enz.--Klimaat.--De oogst en de dieven.
De plechtigheden buiten de praktijk van het leven van elken dag bepalen
zich tot de groote evenementen van het bestaan, de zwangerschap, de
geboorte, het maagd worden der jonge meisjes, het huwelijk, den dood,
en lijken alle een weinig op elkander, daar deze arme menschen geen
pracht kunnen ten toon spreiden, zooals de beter bedeelde bevolkingen
der andere streken zich kunnen veroorloven. Er zijn blijkbaar
verschillen naar de kasten, en de kleinste bijzonderheden worden
angstvallig in acht genomen en mogen onder geen enkel voorwendsel
verwaarloosd worden.
Vóór het maagd worden van het meisje heeft een belangrijke
plechtigheid plaats, namelijk de toekenning van het symbolische
sieraad, dat thali heet. Het meisje wordt bij een brandende lamp
in nieuwe kleeren gestoken en behangen met alle mogelijke sieraden,
die men heeft kunnen bijeenbrengen. Als er dan iemand is, die haar
later wil huwen, zendt die haar een bloedverwante, die de thali brengt
en die het versiersel zelf het meisje om den hals hangt. Dat is dan
een soort van verloving. Is de plechtigheid afgeloopen, dan wordt de
thali opgeborgen tot op den dag van het huwelijk.
Vóór het feest gaan onder de Tiven de moeder of enkele bloedverwanten
de uitnoodigingen doen, en de pandel wordt gereed gemaakt. Dat is een
lichte veranda, opgeslagen aan den ingang van het huis of op het erf,
bestaande uit een dakje van stof, katoen meestal, of van bladeren, met
gekleurde zijde versierd, soms ook met bloemen en altijd met groen,
en gedragen door elf of twaalf houten pilaren, die afwisselend zijn
behangen met roode of witte banden. Onder de pandel hebben de meeste
feestelijkheden plaats. De oprichting gebeurt met staatsie, en het
plaatsen van den middenpaal brengt het godsdienstig gebruik mee
van de poedja of het offer aan de goden van water, wierook, rijst,
bloemen, sandalpoeder, suiker, betel en andere zaken, plechtigheid,
die geschiedt onder de tonen van de onvermijdelijke trommel.
Wat het jonge-meisjesfeest aangaat, op het vastgestelde uur komen de
genoodigden. De mannen zijn uitgesloten van het feest, met uitzondering
van de broeders en den vader van de hoofdpersoon. De laatste blijft
in een hoek zitten; ze is onrein en niemand komt dicht bij haar of
spreekt met haar. Als allen bijeen zijn, gaat men naar het bad in den
naburigen vijver. Na de afwasschingen en het insmeren met de bladeren
van een boompje met roode bloemen, dat in de meeste tuinen te vinden
is, of met het sap ervan, dat van te voren in een kokosnootschaal is
toebereid, wordt het jonge meisje gekleed in een nieuwen lendendoek,
met sieraden behangen en van armbanden en thali voorzien, waarna
men naar de hut terugkeert. Daar wordt de rijst voorgediend in
banaanbladeren, die in een kring op den grond liggen vóór iederen
genoodigde, en na het eten, na de uitreiking van de onvermijdelijke
betelpruim, gaat ieder naar zijn huis.
Laat ons overgaan tot de plechtigheid van het huwelijk, de
belangrijkste. Iedereen trouwt in Indië, want de tradities van ras,
kaste en familie over te dragen op een zoon, is de eerste plicht. Er
zijn dus zoo goed als geen oude vrijers en vrijsters.
Bij de Brahmanen van Malabar, een vrij rijke kaste, is het huwelijk
een ceremonie, die tallooze verplichtingen meebrengt, maar ongeveer
als voorgeschreven in geheel Indië. De kinderen, die trouwen, worden
niet geraadpleegd als in de andere kasten; de gunstige maand, dag
en uur worden vastgesteld, de echtgenoot brengt een zekere som gelds
aan de ouders van het jonge meisje; het orakel wordt ondervraagd. De
verloving en het huwelijk worden afzonderlijk gevierd, en dan spelen
beurtelings een meer of minder belangrijke rol de pandel, de huisgoden,
de offeranden, de giften, de planeten, de reiniging, het bad, de
aanroeping der voorouders, de gewijde kruiden, de beschermgoden uit
de acht hoeken der wereld, de processie, de gebeden, de gaven aan de
goden en aan de aanwezigen, en het ter hand stellen van de thali; en
dat alles met een zoo groote massa voorschriften, dat ze te vermelden
een boekdeel zou vullen.
In de andere kasten is men minder veeleischend, daar dat alles zeer
duur is, maar het gaat met evenveel omslag.
Laat mij hier een en ander meedeelen over het huwelijk, zooals
het wordt gevierd in de kasten, die speciaal zijn voor de kust van
Malabar. Bij de Tiven wordt eerst een verzoek gedaan door de beide
partijen aan den tandean of het hoofd der kaste, die zijn toestemming
geeft op een strook ola, dat is een reep van een palmblad. Hij krijgt
daarvoor een pakje betelbladeren, wat tabak, eenige arecanoten en
tweemaal twee malabarsche fanons, wat te zamen zoowat zeven stuivers
holl. is in geld. Dan worden de uitnoodigingen gedaan van elken kant,
door een man en een vrouw, bloedverwanten van de verloofden. Als de dag
is gekomen, begeeft de bruidegom zich met zijn ouders en zijn vrienden,
een trommel voorop, naar zijn toekomstige vrouw. Hij brengt de geldsom
mee, die de prijs is voor het meisje, want trouwen is hier zich een
vrouw koopen, en tevens 150 tot 200 betelbladen, tien of vijftien
arecanoten en stukken tabak, welke ingrediënten in de eerstvolgende
vier-en-twintig uren door de gasten zullen worden genoten.
Als de koopprijs geteld en goed bevonden is door den vader en de
moeder, wordt er rauwe rijst gebracht in een stuk van een banaanblad;
men steekt een lamp, waarin kokosolie brandt, aan, een stukje gedraaid
katoen in een of ander vat met olie gestoken, en alles wordt neergezet
midden in de kamer, waar de aanwezigen zich ophouden.
Er wordt rijst geworpen op de hoofden van de aanstaande echtgenooten
en daarna wordt alles opgeruimd. Dan wordt er gegeten en braaf wordt
er geschranst, want maaltijden behooren evenals ten onzent bij alle
feesten; eerst rijst met boter, bananen en paplom, een soort van
koekjes, die bij de rijst worden gegeten, daarna kary en opnieuw
rijst. Elke gast moet voor het maal minstens twee fanons betalen.
Den volgenden morgen gaat de echtgenoot bij zijn vrouw eten, die bij
haar ouders is gebleven. Men slijt den dag met vrienden, praat wat,
pruimt veel, en de eerstvolgende nacht wordt daar doorgebracht. Dan
keeren den volgenden dag de jonggehuwden in hun eigen huis terug;
er worden nog uitnoodigingen gedaan, en alles is afgeloopen.
Jongens trouwen al van hun zestiende jaar af, en meisjes wel reeds
op tienjarigen leeftijd, dikwijls zelfs eer de maagdelijkheid is
ingetreden.
Bij de Naïrs begeeft de bruidegom zich, vergezeld van bloedverwanten
en vrienden, des avonds naar het huis van het meisje, dat hij gaarne
wil huwen.
Onder de veranda zijn matten gelegd, om iedereen te ontvangen;
de jonge man wascht zich de voeten in een bak met water, door
een dienstvrouw voor dat doel gebracht, en ieder neemt plaats, de
vrienden en bloedverwanten ter zijde. Dan vertoont zich de oom van
het jonge meisje en hem wordt dan het aanzoek gedaan door een oom
van den jongeling. Is het aanzoek aangenomen, dan haalt de laatste
uit een pakje een stuk katoen, waar hij een lap van afknipt, die hij
ter hand stelt aan diegene, wier hand is gevraagd. Er wordt een lamp
gebracht en een maat rauwe rijst, die vóór de deur wordt neergezet,
waarna de aanwezigen bij beurten de rijstkorrels op den jongen man en
het meisje strooien, dat intusschen is aangekomen. De plechtigheid is
geëindigd. De jongeling treedt het huis binnen met zijn vrouw, gaat
zitten en praat een oogenblik. Dat gesprek is de bezegeling van de
vereeniging. Des avonds neemt men gezamenlijk aan een maaltijd deel. De
aangestoken lamp is de meest onmisbare getuige van de ceremonie. De
Brahmanen worden vooraf geraadpleegd en geven hun toestemming tegen
een overeengekomen geschenk.
Den volgenden morgen zendt de vader van het jonge meisje haar naar
haar nieuwe domicilie in gezelschap van een dienstbode en een wasch
vrouw. Als men aan het huis van den echtgenoot is aangekomen, wordt
de waschvrouw teruggezonden met een geschenk, en de dienstbode, die
vaak een slavin is, blijft. Bij rijke menschen komen er nog eenige
bijzonderheden bij deze essentiëele formaliteiten.
De belangrijkheid van de lamp, die men aantreft bij alle plechtigheden,
is een gevolg van het feit, dat de Malayali allen in meerdere of
mindere mate vuuraanbidders zijn. Ze moeten de zon aanbidden bij haar
opkomst, en de kleine aangestoken lamp, die soms in den nacht flakkert
aan de deur der hutten, dient als symbool van een eeredienst, die bij
hun plechtige feesten behoort. De spaarzaamheid doet het gebruik van
het nachtelijke branden van het lampje in onbruik komen.
Bij de Mopla's is het de vrouw, die den man koopt; ze brengt hem
geen bruidschat aan, maar den prijs van den koop, waarover de niet
al te bescheiden man naar welgevallen beschikt. De plechtigheid heeft
plaats des nachts in het huis der verloofde. Het contract, dat de te
betalen som vaststelt, is vooraf in de tegenwoordigheid van getuigen
opgemaakt. De som kan 50 roepijen (85 francs) bedragen, maar ook tot
verscheiden duizenden roepijen stijgen. Als de avond is gekomen en de
priester of kadi, de notabelen, bloedverwanten en vrienden tegenwoordig
zijn, reikt de vader of de oom van den bruidegom het contract aan den
kadi, die het leest en de voltrekking van het huwelijk uitspreekt. De
oom ontvangt de som in een zakje en voor ontvangst teekent hij op een
reep kokosblad. Dan beginnen muziek en gezang, die duren tot tegen
den morgen. Bij het aanbreken van den dag trekken de gehuwde man en
zijn vrienden zich terug. Op den dag of nog denzelfden morgen komt
de vader van de getrouwde vrouw den man uitnoodigen, naar zijn vrouw
terug te keeren, en de gasten worden weggezonden.
De vrouw woont altijd bij haar ouders, behalve in het geval dat haar
familie, die te arm is, den man niets heeft kunnen geven. Dan alleen
gaat ze bij hem wonen en onderwerpt zich eraan, te zorgen voor zijn
huishouding. De getrouwde Mopla is dus enkel in zijn woning den tijd,
dien hij voor zijn zaken noodig heeft; hij woont inderdaad bij de
ouders van zijn vrouw, voor wier onderhoud hij zorgt. Natuurlijk
krijgt de vrouw haar kleederen en sieraden van haar man, en soms
krijgt ze er ook eigendomsrechten op.
Echtscheiding kan plaats hebben. De kadi spreekt die uit. Als de
man haar aanvraagt, moet hij de som teruggeven, die hij ontving op
den dag des huwelijks. Zijn er kinderen, dan moet de man ze met zich
meenemen of voor hun onderhoud door de moeder betalen.
De Mopla's vieren ook een feest, als de jonge meisjes volwassen zijn
geworden, maar terwijl die plechtigheid bij de Malayali in het openbaar
wordt gevierd, is ze meer intiem bij de Mopla's.
Laat ons nu overgaan tot de gebruiken bij sterfgevallen. Voordat
ik vertel van de gewoonten aan deze kust, die vooral bewoond wordt
door arme volksstammen, waarbij de rijke kasten, die hun dooden
verbranden, weinig talrijk zijn vertegenwoordigd, zou ik eraan willen
herinneren, dat de gewoonte van de weduwen, om op den brandstapel met
den overleden man den dood te zoeken, nog altijd in Indië bestaat,
ondanks de pogingen der Engelschen, die al sedert 1829 beproefd hebben
haar uit te roeien. Het wordt nog even druk gedaan als vóór honderd
jaar, en zelfs nog vaker. Ik heb er geen statistiek van gezien; maar
het is bekend, dat in plaats van te verminderen, dit wreede gebruik
verder verspreid wordt. In het Noorden van Indië, vooral in Bengalen,
dat door den heiligen stroom wordt besproeid, zijn de vrouwen van
Brahmanen en radjahs, die op den brandstapel van haar overleden man den
vuurdood ondergaan, nog zeer talrijk. Die ongelukkigen worden voor de
dweepzieke geloovigen van het land een soort van heiligen, godinnen,
die het aantal doen toenemen van de honderdtallen hindoesche godheden.
In het Zuiden is die gewoonte, waartegen zich de mohammedaansche
vorsten altijd hebben verzet daar, waar ze regeerden, zeldzamer
geworden; maar het verbranden van de weduwen gebeurt toch altijd nog
te vaak, dan dat men kan zeggen, dat het is afgeschaft. Vooral de
vrouwen, die hun echtgenooten verliezen, zonder dat ze kinderen van
hem hebben, onderwerpen zich aan dat lot, waartoe de Brahmanen haar
aansporen en dat door de dweepzucht van haar omgeving wordt gewenscht,
meer dan dat het eigen overtuiging is.
In de kasten, die hun dooden begraven, heeft men vrouwen gezien,
die zich levend lieten begraven; maar dat komt minder voor, daar de
niet belangelooze ijver van de Brahmanen zich daar veel minder sterk
laat gelden dan in de hoogere kasten.
De plechtigheden met hun duizenderlei kleine, verstandige en
onverstandige bijzonderheden, die plaats hebben bij den dood van
Brahmanen en die soms logisch en soms bepaald absurd zijn, vormen een
onontwarbaar net van vormelijkheden. Gelukkig voor hun familie wordt
de noodzakelijkheid, ze alle in acht te nemen, afhankelijk gesteld van
het fortuin van den overledene. Hoevelen ook zouden in staat zijn,
de tien giften te offeren, die den goden, en vooral den Brahmanen,
die ze in ontvangst nemen, aangenaam zijn, te weten, koeien, goud,
grond, boter, katoen, suiker, sesamolie, zout, zilver en koren? De
reinigingsceremoniën duren het langst en moeten het nauwkeurigst in
acht worden genomen, maar ze zijn niet het zindelijkst, want koeienmest
en de urine der dieren spelen er een hoofdrol in. De hoogste reiniging
van het lijk bestaat daarin, dat men met vloeibare boter de openingen
van het lichaam van den overledene overgiet. Het lijk wordt dan door
vier Brahmanen gedragen; dezen blijven op de plek der verbranding,
tot alles is afgeloopen, terwijl alle overige aanwezigen de plaats
moeten verlaten op het oogenblik, dat de brandstapel wordt aangestoken.
Een Brahmaan mag niet sterven op zijn gewone legerstede, maar moet op
den grond den geest geven; als hij op het punt van sterven is, moet
hij op de aarde worden gelegd op een plek, die te voren gereinigd is
met urine van een rund, op een nieuw stuk katoen, en hij gaat naar
de andere wereld onder het vasthouden van den staart van een koe,
die ervoor is aangebracht, om den stervende den weg te wijzen op zijn
laatste reis en hem zonder brandwonden den stroom van vuur door te
voeren in het verblijf van Yama, den koning der onderwereld.
Na de begrafenis is het huis van den Brahmaan onrein geworden. Het
wordt gezuiverd door de besproeiing met mest, in melk opgelost,
na welke bewerking men de dingen weer mag aanraken; maar opdat
de menschen er weer mogen eten en hun gewone leven hervatten,
moeten er nog heel wat gebeden worden opgezonden. Den tienden dag
weer besproeiing en uitdeeling van gekookte rijst aan de raven,
ten behoeve van den doode. Men mag ten teeken van rouw zich in een
geheel jaar niet laten scheren; maar gewoonlijk wordt de barbier al
gehaald na den veertigsten dag na de begrafenis. Zooals bekend is,
verbiedt de wet in alle malabarsche kasten, dat men zichzelven scheert.
De verbranding der lijken heeft alleen in de hoogste kasten plaats;
de Tiven worden begraven, niet, naar mij verzekerd wordt, omdat
dat zoo is voorgeschreven, maar omdat het nu eenmaal gewoonte is,
waarschijnlijk daar begraven minder kosten meebrengt en het verbranden
daarentegen zeer duur is. Bij de Soederen wordt het lijk der oude
menschen verbrand, en jonge menschen en kinderen worden begraven,
zonder dat aan dien regel altijd wordt vastgehouden. Vroeger was de
toestemming van den radjah noodig voor de verbranding van een lijk,
behalve in de families, die er de vergunning voor hadden gekregen.
Het hout, dat ervoor gebruikt wordt, moet opzettelijk gekapt worden
van een mangoboom of een jacquinia, gekocht eer hij bestemd werd voor
industrieel of huiselijk gebruik. De stervende zelf wijst de plek aan,
waar hij wenscht te worden verbrand en die zijn eigen tuin mag wezen
of eenige plaats in de buurt.
Zoodra de dood is ingetreden, wordt het lijk gewikkeld in een laken,
dat gedompeld is in met curcuma geel gekleurd water of waarin saffraan
is opgelost en dan gebracht naar de verbrandingsplaats. Daar legt
men een laag van het uitverkoren hout neer en legt er het lijk op,
en daar boven bouwt men den brandstapel met kokosvezels, takken
en struikgewas, dat met petroleum in brand wordt gestoken. De
bloedverwanten en vrienden staan erbij; maar zoodra de brandstapel
ontstoken is, trekt iedereen zich terug zonder plechtigheid. In den
nacht wordt de verbranding voltrokken, tegen drie uur in den morgen
en ze is gewoonlijk om zeven uur afgeloopen.
Den tienden dag na den dood en na de verbranding of begrafenis heeft
er een andere plechtigheid plaats, de Pinom, waaraan verwanten en
vrienden deelnemen, een ceremonie, die overeenkomst heeft met de
uitdeeling van rijst aan de raven en bestaande in een uitdeeling van
dezelfde rijst aan de visschen, een variant, die te verklaren is bij
een zeevarend volk.
De bloedverwanten laten rijst koken, waaronder ze bloemen mengen,
verder curcuma, betel en òf aarde van het kerkhof òf asch van den
brandstapel. Dan leggen ze dat alles in een schotel, een koperen schaal
met een doek erover, die een stuk is van het lijkkleed, daar afgenomen
op het oogenblik van de begrafenis of de verbranding, en die alles
bedekt. Bovenop plaatst men een soort van lont, een opgerolde lap van
de eene of andere stof, die met petroleum is gedrenkt. De oudste zoon
of, als die er niet is, een neef of broeder of naaste verwant neemt
die schaal op het hoofd en, vergezeld door de verwanten en vrienden,
voorafgegaan door de trom en de fluit, treedt hij naar buiten, waar
voetzoekers worden geworpen. Men begeeft zich naar de rivier. De
processie is pas aan den oever aangekomen, of de zoon ontsteekt de
lont en stapt in het water, tot zoover, dat het water hem tot de kin
reikt. Op dat oogenblik werpt hij alles voor de visschen. Allen gaan
heen en samen versterken ze zich in het huis van den overledene....
De rivier van Mahé, die geelachtig water vervoert over een groot deel
van haar loop, ontspringt in de Ghats en vormt, als alle rivieren aan
de kust van Malabar, veel kronkelingen eer ze zich in zee stort. Zij
kan bij hoogen waterstand 40 tot 45 kilometer lang zijn en vertoont
zich soms als een watervlakte van 120 meter breedte. Bij de monding
wordt tweemaal per jaar, als de moessons wisselen, het strand, dat
zandig is, verplaatst, zoodat de rotsen, waar eerst de golven overheen
sloegen, bloot komen en een uitgestrekte vlakte omsluiten. Die
veranderingen staan in verband met de vereenigde werking van de
moessons en de zeestroomingen op het rivierwater. Bij laag water zou
een gewoon europeesch vaartuig er niet kunnen binnenloopen.
Er is veel visch. Die geeft zelfs aanleiding tot een eigenaardig
verschijnsel. Elk jaar tegen September of October, als het weinig
heeft geregend, vervoert de rivier een eindeloos aantal doode visschen,
groote en kleine, die van boven komen en zich nu en dan zoozeer aan de
monding ophoopen, dat er heele lagen worden gevormd en er ondiepten
ontstaan. In jaren, als de regelmatige hoeveelheid regen valt of als
het overvloedig regent, doet het verschijnsel zich niet voor. Houdt de
regen eenige dagen op, dan verschijnt het weer. Er heeft dan blijkbaar
een vergiftiging plaats, die zich uitbreidt over de andere leden van
de vischfauna. Maar wat is de oorzaak?
De grootste bewoners van de rivieren aan de kust van Malabar zijn
de krokodillen, waarvan het er wemelt. Dicht bij de houten brug te
Mahé ziet men ze op de zandige en donkere oevers liggen aan den voet
der struiken, die met hun voeten in het water staan; ze liggen er
zich te zonnen, onbewegelijk en bedriegelijk gelijkend op den grond;
zoodra eenig gevaar zich voordoet, komt de heele massa in beweging en
stort zich in het water, waaronder alle dieren onmiddellijk verdwenen
zijn. Voor de voorbijgangers op de voetpaden aan den stroom zijn ze
niet erg gevaarlijk; maar het gebeurt dat nieuwsgierige buffels, die
met hun snuit de struiken doorwoelen, waarbij het reptiel zich ophoudt,
gepakt worden door de reuzenkaken en in de rivier worden gesleept. Toch
is het een zeldzaamheid, en niet ver van den mond der rivier ziet
men vaak kudden zwarte runderen in volkomen gerustheid grazen niet
ver van de plekken, waar de krokodillen zich graag ophouden.
Onder de dieren, die deel uitmaken van de fauna der vlakten in de
nabijheid der kustdorpen, treft men den jakhals aan, een stoutmoedigen
roover, die in de tuinen sluipt en van alles eet, vooral groote, roode
krabben, waarvan de rijstvelden vol zijn; dan den vos, die grooter en
nog brutaler is, en een soort van wilde kat van wel een meter lang,
die in de nabijheid der rivier leeft, zich ook met krabben voedt en
niet gevaarlijk is. Die laatste, die ik niet heb gezien, moet reeds
aan de nabijheid van den mensch gewend zijn en is niet zoo groot als
de inboorlingen haar wel beschrijven.
De echte wilde dieren, ten minste de groote, ontbreken aan de kust
van Malabar. Maar in die vlakke streek, laag, met maar enkele heuvels
zonder bosschen, en zoodra als men komt aan den voet van de eerste
uitloopers van het gebergte de Ghats, waar het woud begint, zijn
tijgers en panthers algemeen. Eenige jaren geleden bracht echter
een tijger onder de bewoners van een dorp, een twaalftal mijlen van
Mahé verwijderd, een grooten schrik teweeg. Toen de heele bevolking
gemobiliseerd werd, verdween hij, en men was er met den schrik
afgekomen en ten koste van enkele stuks vee. Zoo is de panther ook
gezien tot bij het fort Saint-Georges.
De otter komt veelvuldig voor in de vischrijke rivieren aan de kust,
waar het dier altijd een gedekte tafel gereed vindt en waar het
voortdurend de kostelijkste maaltijden kan houden. De vischotter is
wel een der vraatzuchtigste dieren, die er bestaan. De inboorlingen
eten het vleesch niet; alleen de Polea's zijn er niet afkeerig
van. Overdag houdt de otter zich schuil op onbewoonde plaatsen, in
kuilen en gaten, tusschen de rotsen, de aardhoopen en de struiken,
en des nachts gaat hij erop uit. Al zwemmend jaagt het dier in de
rivieren. Bij hoog water, als het water tot op de oevers reikt,
gaat de otter te land, waar hij in de kleinere waterloopen genoeg
voedsel kan vinden, en als het water weer zakt, volgt hij de beweging
en bereikt zijn element weer.
In Juli en Augustus kan men des nachts op de oevers en zelfs
vrij ver van de rivier de dieren vinden langs de kanalen of in de
rijstvelden, waar ze spelen en springen en in grooten getale elkander
in vroolijkheid achtervolgen. Wee den jager, die op dat oogenblik zijn
slag wil slaan en die de gewoonten van dit wild niet kent! Want als
zijn schot het dier niet terstond doodt, zoodat het geen doodschreeuw
kan geven, is hij een kind des doods, even zeker, als wanneer hij
een tijger had gemist in het vlakke veld. Bij het hooren van den
kreet komen de andere dieren aan en zoeken den vijand, ontdekken
hem en werpen zich op hem met de grootste woede in een vereenigden
aanval met hun tienen, als er tien zijn, met hun honderden, als er
honderd zijn, en verscheuren den jager. Zoo ten minste vertellen de
inlandsche jagers.