tempel van de maagd Bagavady, aan den voet van het altaar, op de
binnenplaats geplaatst. Alle Tiven van Mahé zijn tegenwoordig. De
Bannan, in dezelfde kleeding van overdag, steekt de schapen dood
met een mes van eigenaardigen vorm, versierd met kleine afhangende
versierselen, zoodat het instrument leven maakt, als het gezwaaid
wordt onder het oorverdoovend tromgeroffel. Het bloed wordt in een
groot vat opgevangen, en als alle slachtoffers dood zijn, worden er
bloemen bijgevoegd, rijstpoeder, santal en kurkuma, ingrediënten,
die bij de plechtigheid behooren; vervolgens gaat hij op een bankje
zitten tegenover de menigte en met geopende handen laat hij al het
bloed uit het vat loopen, terwijl hij het links en rechts en vóór zich
uit werpt. Door de vrees voor stolling van het bloed moet de bewerking
snel geschieden. Eindelijk laat hij het ledige vat om zich heen rollen
en werpt het weg, waarna een helper het opneemt. Hij heeft dan nog
slechts een paar woorden tot de menigte te zeggen van af het altaar,
om de menschen op te wekken, veel offeranden aan de godheid te brengen,
en de plechtigheid is afgeloopen. De plek is, als men denken kan,
ruim verlicht met een aantal lampions en er wordt bij geschoten als
bij alle feestelijkheden in dit land.
Het is moeilijk, thuis te raken in de verwarring van deze ingewikkelde
theogonie, die millioenen goden erkent, van Brahma en zijn vrouw
Sarasswady af, de godin der welsprekendheid en der schoone kunsten,
tot de kleine huisgoden, die afwisselen naar de streek, tot de dieren
en de voorwerpen, die in godheden zijn veranderd en met evenveel vuur
worden aangebeden als Brahma zelf, de heer der wereld. Wij bepalen
ons tot wat het toeval der reis ons aanwees van de zeden en gebruiken
en ceremoniën.
De plechtigheden bij de meeste der malabarsche feesten komen met
elkander overeen: bezoeken en giften aan de pagode, reiniging
door een bad, aalmoezen, gegeven en ontvangen, en eindelijk het
vasten. De vastentijden zijn voor hen, die trouw de godsdienstige
voorschriften volgen, talrijk in het Brahmaïsme; als ze angstvallig
in acht worden genomen, brengen ze de dagen, waarop de geloovigen
zich mogen voeden, wel tot de helft terug. Men zou een heel hoofdstuk
kunnen vullen met de optelling der dagen en omstandigheden, waarbij
een vrome Indiër zich van alle voedsel moet onthouden. De nieuwe en
de volle maan, bepaalde dagen van de maan van een bepaalde maand,
de dagen van de nachteveningen, het zonnestilstandspunt enz., de
talrijke heiligendagen, de verjaardagen van den dood der ouders,
ongunstige dagen enz., het zijn alles redenen van vasten. Men stelt
zich schadeloos bij de veroorloofde maaltijden en wie het kunnen,
maken daar ter wille van de tegenstelling dan ook groote festijnen van.
Op de kust van Malabar erkennen de strenge volgers van de Vedam,
het wetboek, dat de Sastrom aanvult, drie voorname vastendagen in het
jaar: de Astany-Rohiny, dag van de geboorte van Sry-Kristnine in de
maand Tsjingon (13 tot 16 Augustus); er wordt gewaakt en er worden
gebeden gelezen; pruimen, zelfs betel kauwen is verboden. De tweede,
Goeroevayoer Egadechy is de gedenkdag van den dag, waarop Vishnoe een
vrucht van zijn gouden speld liet vallen en dus een dag zonder eten
bleef. Voor een god was dat allermoeilijkst, en Vishnoe beloofde daarom
het paradijs aan diegenen, die ter herinnering aan de onhandigheid
dien dag der maand Virchigon (14 tot 16 November) zouden vasten. De
derde heet Tiroevatira in de maand Danon (13 tot 15 December); hij
wordt voorgeschreven ter herdenking van Sry-Paramaitsjoerein, derde
in de drieëenheid. Het is de niet zeer duidelijke geschiedenis van
een jager in het bosch, die op een boom was geklommen, om het wild
te bespieden. Daar de bladeren hem hinderden in het zien, begon hij
ze af te plukken, en het gebeurde, dat ze vielen op het beeld van een
godheid Tsjivalingon, wier beeld onbekend is gebleven. Maar dat feit
beviel Brahma zoo goed, dat hij den boozen jager rechtstreeks naar
het paradijs zond en dat beloofde aan allen, die den verjaardag van
de gebeurtenis met vasten zouden vieren. Het is een der trouwst in
acht genomen vastendagen bij de Malayali.
Ik besluit deze optelling van de inlandsche feesten met ons nationaal
feest. Ik heb te Mahé een 14 Juli bijgewoond, en ik kan getuigen dat
het geen alledaagsch schouwspel is, in de prachtige omlijsting van den
weelderigen plantengroei de spelen te volgen van de mooie inlanders
met hun zwarte huid; maar er is iets kouds in de uitingen, die niet
begrepen, niet gevoeld worden, die uit gewoonte voortkomen, eerder
dan uit innerlijken drang, die een artikel zijn van het jaarlijksch
programma eerder dan vaderlandsliefde en die geen warmte ontleenen,
noch aan de verhitte aangezichten, noch aan den gloed van de atmosfeer.
Den dag te voren heeft er uitdeeling van rijst plaats in het
regeeringsgebouw, waar al vroeg vrouwen en kinderen zich verdringen
met den zak van kokosvezels in de hand; ze zijn in lompen gehuld
of ook wel behoorlijk in wit katoen gekleed, arme drommels, die
van de administratieve goedgeefschheid voedsel ontvangen voor één
of twee dagen. Het gebeurt langzaam, ongehaast, want ieder weet,
dat er is voor iedereen. Op den avond een-en-twintig kanonschoten,
die van de kerk afkomstig zijn, want de kleine mortieren behooren
aan de kerkelijke gemeente, en die afgevuurd worden aan de rivier,
in tegenwoordigheid van veel kleine jongens. Op den morgen van den
14den weer een salvo om half zeven. Men is hier aan de stem van het
kruit gewend, die alle feesten aankondigt, de katholieke zoowel als
de heidensche, de groote plechtigheden, de groote aanleidingen tot
blijdschap zoowel als tot smart, een huwelijk, de canonisaties van
heiligen in Rome even goed als de cholera.
Om half negen ontvangt mijnheer de Administrateur het bestuur
der kolonie. In de groote zaal van het regeeringsgebouw zitten
allen onbewegelijk en vormen een veelkleurig borduursel op zwarten
grond. Men kan daar op de aangezichten een heele kleurengamma vinden,
van de lichte café au lait tot donkere chocolade en het zwartste bruin;
witte tulbanden naast roode, paarse, vergulde of verzilverde; hoeden
van allerlei vorm en allerlei leeftijd en allerlei conserveering;
menschen in witte overkleederen of gekleurde gewaden, met broeken,
vesten en rokken, geschoeid met de kothurnen van het land, met
europeesche schoenen of op bloote voeten. Op de borst van een jongen
Indiër straalt een decoratietrofee, waaronder de academische palmen
en de medaille voor landbouwverdiensten.
Ik vroeg: "Wie is de zoo gedecoreerde aanbidder van Brahma daarginds?"
"Dat," antwoordt mijn buurman met zijn indische pagne, "dat is de
secretaris van de regeering, men zou kunnen zeggen, de gouverneur
van Mahé."
Ik keek verbaasd.
"Ja, hij maakt de verkiezingen en de verkiezingen hebben hem gemaakt."
"O, maar hij lijkt mij wel jong, om reeds voor langdurige diensten aan
de regeering zooveel eervolle onderscheidingen te hebben verdiend. Komt
hij uit Pondichéry?"
"Neen, hij komt van Tellicherry; hij is de vroegere beambte, die uit een
duitsch handelshuis is weggezonden om.... minder mooie handelingen."
"Dat lijkt mij inderdaad een buitengewone aanspraak op iets bijzonders,
maar niet op den post dien hij bekleedt. En het paarse lint en de
medaille voor landbouwverdienste, heeft hij die aan verdiensten van
denzelfden aard te danken?"
Mijn zegsman ziet mij van ter zijde aan, want ofschoon ik ernstig ben,
schijnen mijn woorden voor hem in te houden, dat ik spot met iemand
of iets. "Ik weet het niet," antwoordt hij droogjes.
Werkelijk loopt mijnheer de secretaris heen en weer en voelt zich
blijkbaar te huis. Ik verbaas mij niet langer; ik heb zooveel gehoord
en zelfs gezien, dat ik het vermogen heb verloren, mij te verwonderen,
vooral in onze koloniën.
Ieder zwijgt en zit stil; tegenover ons zit de burgemeester met zijn
lint over een buis, dat hij over zijn witten schouderdoek draagt,
met bottines aan en een tulband op het hoofd, zeer waardig, zeer
zachtmoedig, zelfs onderworpen van gelaatsuitdrukking.
Rechts en links de leden van den gemeentelijken raad en de secretaris
van den Raad in rok, maar met zeer donkere gelaatskleur. Dan de
politiecommissaris, met een officieel costuum, dat groen lijkt,
versierd met galon, en de directeuren van al de kleine diensten,
de schatkist, de post, de domeinen enz. en de leden der plaatselijke
raden. De uitnemende pater Veaux was met mij meegegaan.
De Administrateur hield zijn toespraakje, goed gevoeld, eenvoudig,
en met de zwarte oogen rollend door het wit, dat nog witter lijkt dan
anders. Bedienden met witte schouderdoeken, rooden gordel en rooden
tulband presenteeren glazen champagne en gebakjes, en ieder drinkt en
eet kalm, terwijl de leider op het welzijn van de Republiek drinkt,
zonder den geringsten weerklank te vinden of te wekken in die duistere
gemoederen, die den grooten dag en de vergadering met angst tegemoet
hebben gezien.
Daar het tweede deel van het programma voor den morgen een ontvangst
aan het gemeentehuis inhoudt, gaat ieder opstaan en wendt zich naar
de deur. De drie trommels en de twee fluiten, die zooeven de gasten
ontvingen aan den ingang met helsch rumoer, gaan voorop; de beide boden
van het bestuur met een symbolischen staf, omslingerd met linten van de
fransche kleuren in de hand, blijven in de buurt van den burgemeester
en den Administrateur; de anderen volgen in losse groepen, en bij de
tuinpoort scharen zich de zes soldaten met bloote voeten en rooden
tulband aan weerszijden van de processie, drie aan elken kant. De
smalle weg in de schaduw van de hooge kokos- en mangoboomen is met
wat palmtakken versierd; de ingang van het stadhuis is bevlagd en
aan den oever der rivier worden de spelen in gereedheid gebracht.
Wij stonden stil op twintig meter afstands ongeveer van een huisje van
één verdieping, wit aangestreken, waar beneden het politiebureau was
en boven het gemeentebestuur zetelde. Het orkest hield stand op eenige
schreden afstands, en de heer burgemeester bood met uitgestoken hand
een welkom aan al zijn gasten op den drempel van het gemeentehuis. Op
eerbiedigen afstand stond de "menigte", een twintigtal Tiven en drie
of vier Mopla's, nieuwsgierig te kijken naar die ongewone ontplooiing
van zwarte jassen, naar den hoed van den Administrateur, het lint
van den burgemeester en den onbewogen ernst van al die "hoogen" in
de vervulling van hun nationalen plicht. Wij gingen naar boven langs
een smal houten trapje, naar het kleine zaaltje met een veranda,
en ieder nam plaats tegen den muur.
De zaal was versierd; daarvoor heeft de burgemeester een crediet van
8.50 francs ontvangen, heel precies. Er waren palmtakken aangebracht,
cycasbladeren en ander groen; er liepen slingers van vlaggedoek naar
de zoldering; kleine papieren vlagjes waren tegen de wanden bevestigd,
en wijd ontplooid hing er de driekleur. Een ontroerende stilte kondigt
het verwachte oogenblik aan. De heer burgemeester haalt uit zijn zak
een groot papier en opstaande, leest hij een mooie toespraak over de
onveranderlijke toewijding van de kolonie aan Frankrijk sedert twee
eeuwen, over de vrijheid, de goede instellingen, de welvaart van het
land, de erkentelijkheid jegens den gouverneur, den Administrateur,
de Republiek. Hij eindigt met een "Leve!" op alle machten, door geen
enkele stem na de zijne overgenomen. Die vivats zijn de herhalingen
van het opschrift op een groot doek, dat een geheele zijde van de zaal
beslaat, in zwarte, met rood omzoomde letters geteekend, dat luidt:
"Leve de Republiek!" "leve de gouverneur!", "leve de administrateur!",
"leve de kolonie te Mahé!" en nog andere vivats.
Plotseling barst een koor los, dat begonnen is met een geluid als
dat van een twist en al gauw op de Marseillaise is gaan gelijken met
begeleiding van een accordeon. Het komt uit een aangrenzend vertrek,
waarvan de opengelaten deur fraai is versierd. Daar houdt zich de
heer burgemeester op en moedigt de zangers met blikken en bewegingen
aan. En twee coupletten worden gezongen met bepaald ongebruikelijke
volledigheid. Maar dan weer "Aux armes...." en velen blijven achter
of kunnen die muzikale hoogten niet bereiken, en zoo goed en zoo
kwaad als het gaat, door velerlei veranderingen van den toon komt
men aan het eind, terwijl de accompagnateur eenige arabesken in de
lucht teekent bij wijze van finale.
Nieuwe stilte, terwijl allen elkander aanzien; de oogen wenden zich
naar den Administrateur, die is opgestaan en den burgemeester zal
beantwoorden. Maar na enkele gelegenheidswoorden gaat die heer over
de vrijheid praten, en in een warme improvisatie schildert hij aan
de door het algemeen stemrecht gekozenen wat de vrijheid is, niet
het recht voor ieder, om te doen wat hij verkiest, maar den plicht
te betrachten, geen vooroordeelen tegen zijn naaste te koesteren; hij
schetst haar in haar openhartigen, eerlijken vorm, gewaarborgd door de
wetten, die allen hebben na te leven en te eerbiedigen, en waar allen
zich op moeten beroepen op den grooten dag van de openbare debatten,
zonder zich te bedienen van geheimzinnige en slinksche gedragingen
of zijn toevlucht te nemen tot laffe beschuldigingen.
Dienzelfden dag had het hoofd der kolonie weer een anoniemen brief
ontvangen, waarin van iedereen kwaad werd gezegd in een ontmoedigende
overeenkomst, en hij had zich voorgenomen, de gelegenheid niet te
laten voorbijgaan, om den duisterling van een briefschrijver te
tuchtigen, die daar ergens moest zitten aan de wanden der zaal
achter een der zwarte tronies of der bruine of gele maskers,
die verschrikken zouden door de toespeling, te direct, om niet te
worden begrepen, daar de zaak te zeer in de zeden lag, om iemand
te verbazen. Doch toen het oogenblik der verrassing voorbij was,
hervatten allen hun ernst als van standbeelden, tot er kleine glaasjes
werden gepresenteerd. De burgemeester stak het zijne uit, en enkele
personen kwamen aanstooten. Dat was het eind; bij het uitgaan opnieuw
handen schudden met den persoon, die de driekleurige sjerp droeg,
en de stoet vormde zich weer aan de deur en kwam aan de rivier onder
het geroffel van trommen en fluitenmuziek.
Drie kleine eenden zwommen rustig rond en lieten zich met den stroom
mee drijven, tot na de aarzeling van een kwartier de spelen begonnen,
doordat een knaap het waagde, zich in het water te begeven, om ze te
vangen, daarna een tweede, dan een derde. Maar de toeschouwers moeten
een schuilplaats zoeken; van de zee komen zwarte wolken nader, die
boven ons hoofd schijnen te zullen losbarsten. De Pater en ik werden
door de bui overvallen op den schaduwrijken weg, die totaal donker
was geworden, en waar het water langs gudste, dat als een hoos op de
stad neerdaalde.
In den namiddag vermaakten enkele kinderen zich met een horizontalen
mast, die vóór het regeeringsgebouw lag en uitstak over de rivier;
met het steken naar een ton met water, wat velen een bad bezorgde,
met een soort van loterij, waar prijzen van enkele centimes waren
te trekken en met allerlei dergelijke spelletjes. Des avonds zou
er vuurwerk worden afgestoken, maar men was op het goede denkbeeld
gekomen, daarvoor in de plaats twee of drie zakken rijst meer uit te
deelen den vorigen dag, toen de gewone voor de armen bestemde gaven
werden uitgereikt. De één-en-twintig kanonschoten en eenige illuminatie
langs de muren van het gouvernementsgebouw besloten de vermakelijkheden
van dien gedenkdag, die zoo levendig en druk en in oprechte vreugde
wordt gevierd in Frankrijk, en die hier in dit afgelegen hoekje van
het vaderland, verloren in de oneindigheid van Engelsch Indië, zoo
triest en saai was. De kleine groep Europeanen van de kolonie neemt
soms aan de plaatselijke feesten deel. Zoo heeft men hen wel eens mee
zien opgaan naar de pagode van Poutlett, gezeten op olifanten, die men
niet dikwijls te Mahé ziet. Maar hoe zeldzaam zijn die dagen, waarop er
wat afwisseling opdaagt in het stille, eentonige leven van iederen dag!
Mannen en vrouwen aan de kust van Malabar dragen een dubbelen
lendendoek, een, die meer of minder schoon is boven en een altijd
vuilen eronder. De mannen trekken daarbij bovendien, daar de toeni,
zooals het kleedingstuk wordt genoemd, vaak doorschijnend is, een
smal stuk katoen, dat aan den gordel van voren bevestigd is en daar
ook van achteren wordt vastgemaakt, aan. Dat is de langoeti of de
konon der inboorlingen. Een ander stuk fijne, witte stof, de moendu,
bedekt de borst der vrouwen, als ze die verbergen, maar heel kiesch
zijn ze niet op dat punt aan de kust van Malabar. Onderweg, op reis,
het grootste deel van den tijd hangt die lap over één schouder of
is totaal afwezig; enkele malen bedekken ze zich in de straten der
stad of bij het voorbijgaan van een Europeaan; maar veelal loopen ze
volkomen onverschillig voort of wel ze draaien zich om. Ik was verbaasd
die onverschilligheid waar te nemen te Calicut, een voor deze streek
betrekkelijk groote stad en bovendien een engelsche plaats. Men ziet
er mooie, jonge meisjes van veertien of vijftien jaar, die aan de
deur der woning werken, naar de markt gaan of daarvan terugkeeren
en geen de minste bewustheid schijnen te hebben van haar naaktheid;
maar over het algemeen kleeden zich de jonge vrouwen nog het meest;
bij de oude is het uitzondering.
De Mohammedanen en de Naïrs dragen geen langoeti; de eersten dragen
op het hoofd een wit mutsje met of zonder tulband; die laatste is
bijna altijd rood. De lendendoek is ook tehuis vrij vaak gekleurd
of heeft boven en onder een gekleurden rand, waarin ook het rood
overheerscht. Ook hebben ze dikwijls een buis aan. Hun vrouwen bedekken
zich het hoofd, niet het gelaat, met een doek en zijn meestal in een
wit jakje gekleed.
Het kapsel is zeer eenvoudig; een kegeltje achter op het hoofd of ter
zijde, of ze laten de haren samengeknoopt op den rug hangen. Bij de
mannen is naar gelang van de kaste het hoofd geheel geschoren, met
uitzondering van een langen lok, die op de kruin is ineengedraaid,
of wel het hoofd is slechts gedeeltelijk kaal in een kring, met den
langen lok, vallend naar één kant of geknoopt op de kruin. Enkele
kasten scheren zich het hoofd niet, bij voorbeeld de Maleeërs of
trommelspelers. Alle haar wordt afgeschoren van het lichaam bij de
Tiven, terwijl de Muzelmannen het hoofd scheren, maar niet het gelaat,
behalve de jongleurs, die een geschoren gezicht vertoonen.
Als overal elders leggen de vrouwen de meeste behaagzucht aan den dag
in het dragen van sieraden. Die zijn niet overvloedig in deze arme
streek, en er is niet veel verscheidenheid; ook zijn ze niet altijd
echt, maar hetzij voor de kinderen, die door de ouders soms als kleine
heiligenbeeldjes worden opgesierd, hetzij voor de jonge meisjes,
er worden altijd wel eenige roepijen uitgegeven voor versiering. Ze
dragen zilveren ringen om de enkels, of maar eenvoudig kralen of
kleine koperen voorwerpjes om den hals, kunstelooze dingetjes,
maar die versiering zijn in haar oogen. Zoo hebben de Polea's, die
al niet armer kunnen zijn dan het geval is, want ze hebben heelemaal
geen bezit en missen de vrijheid, in de ooren kleine koperen ringen;
hun vrouwen dragen ook koperen sieraden om den hals of glazen kralen,
aan een kokosvezel geregen, en hun kinderen eveneens. Intusschen is
de thali, een sieraad voor de getrouwden, altijd van goud, zelfs bij
de armsten en wordt met een touwtje om den hals gedragen. In de ooren
hangt de groote takka, die alleen aan deze kust wordt gedragen. De
hanger is niet zoo zwaar, als men zou denken naar de afmetingen
te oordeelen, doordat de gouden plaat over een vorm van was is
gespannen. De ringen van lood of de stukjes van hetzelfde metaal,
die ze vervangen bij de armen en die alle morgen gewreven worden, om
ze doen glimmen, zijn veel zwaarder. Ze worden reeds in de kindsheid
gedragen, en de ringen worden talrijker, als het meisje grooter
wordt, zoodat de opening al wijder wordt en eindelijk de takka kan
doorlaten, als die kan worden gekocht. De kleine looden ringen en
de gouden, gestoken in de uitgerekte lel van het oor, komen minder
dikwijls voor. Als de hangers eruit zijn genomen, is de aanblik van
het verlengde oor verschrikkelijk leelijk; het hangt bijna tot op de
schouders, en dat ze het zelven ook zoo vinden, blijkt wel hieruit,
dat men de vrouwen zelden zonder de hangers ziet. Ook boven in het
oor zijn soms sieraden gestoken, kleine langwerpige aan weerszijden,
of vastgehecht op de manier van een hemdsknoop in een knoopsgat.
Om den hals is het voornaamste sieraad dat de vrouwen dragen, een
arabisch muntstuk of een pond sterling, dat altijd op dezelfde wijze
is gevat.
Aan de voeten, het minst edele deel van het lichaam, worden slechts
zilveren sieraden gedragen, voornamelijk groote holle ringen, die
vaak gevuld zijn met hagel, om door het oor de aandacht van het oog te
trekken. Aan den gordel, gedragen onder den rok, dus onzichtbaar, zou
men soms een zwaren zilveren ketting vinden, waarvan de aanwezigheid
zich openbaart door het geklingel van de holle schakels tegen elkander,
alle ook weer met hagel gevuld. Als men er nu nog de zilveren ringen
bij voegt, de armbanden aan polsen en om den bovenarm, zal men een
volledige lijst bezitten van de luxe uit het land. Men ziet dikwijls
ook aan de bovenarmen bij de Mopla's een klein zilveren doosje,
dat door een touwtje wordt vastgehouden; dat is geen voorwerp
van behaagzucht, maar het is een porte-bonheur, een geluksdoosje,
want het bevat een vers uit den Koran of eenvoudig maar een paar
woorden, op een stukje papier geschreven. Of wel men ziet een zwart
band van drie draden aan de polsen van de Tiven. Dat is bestemd, om
het booze oog te bezweren, waaraan het geloof in Indië al evenzeer
verbreid is als in vele beschaafde landen van Europa. Alle mannen,
behalve de Mopla's, hebben in de ooren kleine hangers van zilver,
koper of goud van eenvoudig model. Dat is geen zaak van versiering,
maar eenvoudig van gebruik, een uitvloeisel van een algemeene gewoonte.
In tegenstelling met de gewoonten aan de tegenoverliggende kust
eerbiedigen de malayali-vrouwen haar neuzen, hangen er geen voorwerp
in en bevinden zich er goed bij. Maar daarentegen maken de uitgetande
gouden banden en de spelden van hetzelfde metaal, die ze vaak op het
hoofd dragen, in het kapsel of op het voorhoofd en die door kleine
kettinkjes verbonden zijn, een zeer aardig effect.
Zelfs de rijke lieden maken hier niet zooveel misbruik van sieraden
als in de overige deelen van Indië; men ziet minder gouden halsketenen
of parelsnoeren, minder gouden of zilveren gordels en dergelijke.
In tegenstelling met de inboorlingen der andere districten,
waar de mannen op het voorhoofd onderscheidingsteekenen voor hun
secte vertoonen en verschillende andere teekeningen als tatouages,
beschilderen de Malayali zich het lichaam niet en dragen geenszins
de naamam. Dat teeken is het embleem van de aanhangers van Vishnoe
en wordt gevormd door drie strepen op het voorhoofd, de eerste een
loodlijn van af den neuswortel, de beide andere aan elken kant, schuine
lijnen, die er een stompen hoek mee vormen. De eerste is rood, de
beide andere zijn wit of wel men ziet een enkele roode verticale lijn.
De lingam is het teeken der adepten van Siva, een reliek in een
klein zilveren busje, gedragen om den hals of aan den arm; ook zijn
er aanhangers van Siva, die zich ten bewijze van groote vroomheid
het heele lichaam insmeren met asch en koemest. Hoogstens zullen de
Malayali soms bij plechtige gelegenheden, als vele andere Indiërs, een
klein, wit of rood puntje aanbrengen aan den neuswortel, een teeken,
dat ze slechts tijdelijk dragen en niet houden. Ook de vrouwen smeren
het lichaam niet met curcuma in, als elders geschiedt ter verhooging
van de schoonheid, en daar hebben ze gelijk in.