Een van de volksstammen, en een der belangrijkste, van de ku

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Aan de kust van Malabar.

Naar het Fransch van Emile Deschamps.

I.--Mahé.--Algemeene aanblik.--De stad.--De markt.--De

bevolking.--De visscherswijk.--Rijstvelden en voetpaden.--De

Aldeeën.--Prijsuitdeeling.--De Mopla's.--De Polea's, lager

dan de Paria's.--Enkele bijzonderheden over de kasten.--

De kust van Malabar strekt zich in het Zuid-westen van het schiereiland

Voor-Indië uit over een lengte van ongeveer 540 kilometer tegenover de

Arabische Zee. Boven de kuststrook verheffen zich de West Ghats met

hun prachtige teakbosschen, en in de laagte vertoont het land veel

meren en plassen, die van de zee zijn gescheiden door duinen en door

vruchtbare vlakten. De havensteden, als Cochin, liggen niet aan zee,

maar aan de lagunen. Op de kust van Malabar begonnen de veroveringen

van de Portugeezen; daar stichtten de Franschen Mahé; daar vestigden

de Engelschen zich voor goed te Tellicherry in 1863.

Als men bij het verlaten van laatstgenoemde stad de houten brug op

palen betreedt, die over de rivier is geslagen en naar de fransche

bezitting Mahé leidt, heeft men een prachtig uitzicht. Rechts heeft men

de riviermonding met de reeks rotsen en de lijn van het witte schuim

der branding; aan den eenen kant de woning van den administrateur,

half begraven onder het hooge groen, waarboven palmen wuiven;

tegenover dat huis een zandige landtong, omzoomd met kokospalmen,

waarvan de kruinen zich buigen naar het blauwe water der zee; links

de blauwgrijze rivier, in glanzige kalmte, stroomend tusschen twee

hagen van groen, dat de warme tint heeft van het tropische gebladerte;

op den achtergrond in de verte de afgeronde bergtoppen van de Ghats;

op den voorgrond tuinen en aanplantingen, en heel boven de fijne,

elegante kruinen der kokospalmen, silhouetten van dakbungalows dicht

aan het water, wegschuilend in diepe schaduw. Op het water varen

eenige prauwen, slank en lang, voortgepagaaid door een inboorling,

die aan een der uiteinden staat. Op het punt, waar de woning van

den resident verrijst, teekent zich de vlaggestok van de fransche

driekleur scherp tegen het azuur der lucht af.

Daar passeeren enkele inboorlingen, bronskleurig, met zwarte,

schitterende oogen, gehuld in hun wit ruim overkleed; sommigen met

buizen aan, anderen met bloote schouders, allen met een reuzenhoed

van palmbladeren op het hoofd, dat daaronder bijna onzichtbaar is. De

vrouwen zijn wonderlijk gekapt, met een kegel van haar op zij van

het hoofd of aan den achterkant. Zij dragen eenzelfde rokje of pagne

als de mannen, met een stuk vuil linnen over de borst, die ten halve

bedekt of geheel naakt is. Daar loopen kleine kinderen als aapjes,

met een lapje, niet grooter dan een hand, om de decentie te redden

of ook wel zonder zulk een kleedingstuk; een soldaat met breeden,

rooden gordel en een tulband van dezelfde kleur, met bloote voeten

en een wijde broek van zware, blauwe stof en eindelijk een Europeaan

met grooten helmhoed, wit van het hoofd tot de voeten en gebruind

door de lucht en het klimaat.

Op het oogenblik van mijn aankomst was het overal kalm en rustig;

ik kreeg het gevoel, dat ik mij bevond in een slapende of verlaten

stad. De inboorlingen, die ik tegenkwam, liepen met ernstig gezicht

zachtjes voort, in groepjes en zwijgend, en van boven viel in de diepe

schaduw onder de hooge boomen een zware en heete lucht op ons neer. Men

is ten hoogste verbaasd, als men na eenige straten, of wat daarvoor

moet doorgaan, te hebben doorloopen, te hooren, dat dit nu Mahé is

en te vernemen, dat er niet minder dan 4000 inwoners leven. Slechts

enkele hutten vertoonen zich, en enkele honderden inboorlingen vormen

de menigte op de markt, ziedaar alles. Dat komt, doordien de hutten

en huisjes, die vrij ver uiteenstaan, verloren zijn in het hooge

groen der tuinen en verdwijnen achter de hooge bermen van de wegen.

Die geweldige bermen, die de wegen insluiten tot een hoogte van

twee meters en meer, worden in den regentijd overdekt met een echt

tapijt van kleine, teêre grassen, met mos en varenkruid, met kleine

begonia'tjes en andere planten, en de grond gaat geheel wegschuilen

onder de bekoorlijke bekleeding, die in wezen blijft gedurende een deel

van het droge seizoen. Ook de kleinste paden worden aldus omlijst. Men

moet op de teenen gaan staan, om in de tuinen te kijken. Op bepaalde

afstanden is in den berm een trapje aangebracht, steil en smal, met

nauwelijks ruimte voor het plaatsen van den voet. Daar is een ingang

van een inboorlingenwoning. Of wel de stam van een kokospalm is maar

eenvoudig over het mostapijt gelegd en van insnijdingen voorzien,

om als trap te dienen, en de inboorlingen gaan er parmantig op en af

als over de traptreden van een paleis.

Aan de andere zij van dien natuurlijken muur heeft iedere hut haar

tuin, haar paramba, die het geheele terrein omvat met de stroohut,

door een groot dak van gevlochten palmtakken bedekt, goed gebouwd

en met leem bestreken en van een zekere welvaart getuigend, en de

aanplanting van mangoboomen, kokospalmen, arecaboomen, vanilleplanten,

bananen, mimosa's, peperboomen, alle ordeloos door elkaar staande

en hun gebladerte ondereen mengend, dat in de hoogte zich tot een

indrukwekkenden koepel vereenigt.

De pyramidale klokketoren van de katholieke kerk geeft aan Mahé eenige

gelijkenis op een fransch dorp. Bij de kerk begint de Marktstraat en

op het plein stond vroeger een kleine steenen zuil op een vierkant

voetstuk, met een borstbeeld van de Republiek, omsloten door een

ijzeren hekje, waar op feestdagen de fransche kolonie hulde kwam

brengen aan het verre vaderland. Thans is de kleine zuil overgebracht

naar de rivier bij de woning van den administrateur.

Tegenover de kerk verrijst naast een mooien bloementuin de school met

een breede veranda onder witte kolommen, die een groot dak dragen

van gevlochten kokosbladeren. Aan het plein staan eenige bungalows

met strooien daken, dan kleine winkeltjes en eenige tuinen, waarboven

hooge palmen wuiven.

De lange straat, die tegenover de zuil begint, leidt naar de markt. Aan

den eenen kant ziet men de bungalows of woningen van kleurlingen,

allen van eenzelfde type, verdwijnend onder hun groote daken van

palmbladeren en op lage palen rustend. Aan den anderen een lange

donkere laan, leidend naar de varges, zooals de rijstvelden worden

genoemd. Hier is het postkantoor, het Zustershuis met een groote

koetspoort, en daarna een reeks kleine winkeltjes, laag en smal, tegen

elkander aan gebouwd, waar van alles wordt verkocht, gezouten visch,

betelbladeren, katoentjes, glaswerk, kruidenierswaren, aardewerk,

producten uit Europa, naast vruchten uit het land zelf en inlandsche

geneesmiddelen. Koopers en verkoopers, wandelaars, Mohammedanen, Tiven,

Naïrs, Hindoes uit Koromandel, mannen en vrouwen, verlevendigen den

stoffigen weg.

Daar staan verkoopers van ledige kokosnoten, de eenige brandstof,

naast met zorg ingezamelden en gedroogden buffelmest, daar het hout

schaarsch is en te duur; ze dragen de notenbasten in groote netten

aan het eind van een bamboestok; kooplui van groene kokosnoten,

op dezelfde manier gedragen; colporteurs met manufacturen, die als

overal in Indië Muzelmannen zijn; een barbier in functie onder het

strooien afdak van zijn winkel; koopvrouwen met stukjes palmsuiker;

nieuwsgierigen met den langen parasol van een kokosblad in de hand of

de banale parapluie van vijf-en-twintig stuivers open in de schaduw,

zooals de mohammedaansche vrouwen gewoon zijn; jonge Malabarschen,

die er frisch en welgedaan uitzien, met enorme oorhangers; oude,

gerimpelde vrouwen, wier oorlellen verlengd zijn door de rekking van

de zware looden oorversierselen; Tamoelen met ringen of kleine gouden

sieraden in den neus gestoken, en een hoop kleine zwarte kinderen,

als aapjes met dikke buikjes vóór de uitstallingen, naakt als wormen

of met een zeer klein zilveren hartje aan den gordel hangend aan een

dunnen plantenvezel, bij wijze van vijgeblaadje. De zeevisch ligt ten

toon gesteld in manden en verspreidt een leelijken stank; verder ziet

men ossenkarren, terwijl groote buffels met horizontale horens lange,

met palmbladeren gedekte wagens trekken; politiesoldaten met rooden

gordel en rooden fez loopen langzaam rond; gebronsde Europeanen,

bijna zwarte kleurlingen met hoeden en vesten, maar zonder hemd, en

overal raven, op de daken gezeten, die in groepjes op roof uittrekken

en van den grond den afval oppikken, of een vrouw volgen, die haar

portie gezouten of versche visch van de markt heeft gehaald, klaar,

om als het oogenblik gunstig is, zich op de mand te storten.

Uit het roode stof van den weg stijgt een onmogelijk te beschrijven

geur op, samengesteld uit rook, roet, bloemen, muskus en visch, een

exotisch geurtje, dat meer verrassend is dan wel hinderlijk. De markt

loopt door langs den weg tot even vóór de grens; aan den anderen kant

begint het engelsche gebied.

Achter de eerste rij winkels strekt zich langs het vlakke strand

de visscherswijk uit. Het zand is er wit en fijn; de grond ligt vol

manden, netten en vischgereedschap; tusschen de hutten van stroo zijn

de lange, smalle prauwen op het strand getrokken, en de overhellende

kokospalmen schijnen zich te rekken, om hun bladerbouquetten te

verfrisschen boven het verkwikkende water.

Een lange, donkere laan loopt tusschen eenige woningen, die verborgen

liggen tusschen bloemen en klimplanten, hagen van hooge boomen en

muren, behangen met vochtig groen, waaruit sterke geuren opstijgen, en

komt uit met een breede straat op de promenade van Mahé. Daar heeft men

tegen het ondergaan der zon te midden van den prachtigen plantengroei

in de koelte van den vallenden avond een heerlijke gelegenheid, zich

te verkwikken. Op de banken zitten Portugeezen te praten; langs den

weg wandelen kalm eenige Mohammedanen; een Malajala vrouw verhaast

haar schreden; ze heeft een bundel hout op het hoofd en verdwijnt

in de tuinen, loopend langs de smalle paden, die de overstroomde

rijstvelden van elkander scheiden. Verderop komt een zuster uit een

donkere gang, waar ze in de eene of andere armoedige hut troost en

lafenis heeft gebracht.

Aan het eind staat een groote, ronde, steenen bank, van waar de

voetpaden uitgaan, die rechts en links naar de paramba's of erven

leiden. Van die plek heeft men het gezicht op de rijstvelden, enkel

afgebroken door een paar bouqetten van kokospalmen, door kleine tuinen,

die oasen gelijken, en heel in de verte een lijn van witte heuvels,

verdwijnend in een lichten, blauwen nevel. Hier en daar graast een

kudde buffels in een weide, en als de wandelaars voorbijgaan, ziet

men ze den kop wantrouwig opheffen en vijandig hun zwarten snuit

vooruitsteken. Ook wentelen ze zich wel in het slijk der rijstvelden,

een natte modder, die hun aangenaam schijnt aan te doen. Maar men moet

oppassen met die beesten, want ze houden niet van Europeanen, en het

is, of er in hen iets schuilt van den tegenzin van den overwonnene

voor den overwinnaar, van den Hindoe voor den Engelschman.

Nu en dan treft men op de rustige, stille paden een winkel, gehouden

door een Mopla of Moplay, zooals de Engelschen, of Maplet, zooals de

Franschen hen noemen, dat is een mohammedaansche Malabaar met tulband,

het mes in den gordel als al zijn geloofsgenooten, wachtend op de

klanten, en het lijkt vreemd, dat er in deze begroeide eenzaamheid

nog behoefte is aan koophandel. Maar wat zijn deze winkels dan

ook eenvoudig! Wat specerijen, eenige trossen bananen, die aan het

stroodak hangen, een beetje rijst, rijpe kokosnoten, ghee, dat is de

boter van het land in een grooten aarden pot, dat is alles.

Laat ons terugkeeren naar het Kerkplein of dat der Republiek,

een weinig buiten, tegenover de Marktstraat. Daar komen drie wegen

samen, een van Tellicherry, een, daar rechthoekig op staande naar de

tuinen, en een derde langs het plein in steile helling naar beneden

gaande. Slaat men dien laatsten in, dan komt men aan de kleine

kade bij de rivier voorbij huisjes en hutten, een weg, die naar den

engelschen post voert en het raadhuis, waar op feestdagen de driekleur

uithangt. Aan den ingang van dat gebouw staan altijd twee of drie

soldaten op wacht, of liever ze hurken neer op de steenen banken,

en staan op, als wij voorbijgaan, met een hand aan de fez, de andere

hangend langs den naad van een te wijde broek, waaruit dorre, zwarte

beenen te voorschijn komen.

Na een paar grootere hutten te zijn voorbijgegaan met driehoekig

dak, die wel op magazijnen gelijken, verschijnt het Residentiehuis

van Frankrijk, zetel van den gouverneur der kleine kolonie, die

hier wordt vertegenwoordigd door een administrateur. Gelegen op een

vooruitspringend gedeelte der kade met zijn witte muren, groene luiken,

hooge palmen en zijn heerlijken tuin vol exotische bloemen, gelijkt

het hotel van den bestuurder op een bekoorlijk kasteeltje. Daarachter

ziet men de ruïne van een oud fort, dat langzaam wordt opgegeten door

den plantengroei en het vocht.

Aan den anderen kant begint het engelsche grondgebied met het strand en

de kokospalmen van Codotty. Er is daar een visscherskolonie met kleine

hutjes en lange, smalle prauwen, die op het zand zijn getrokken. Een

vesting, die er in 1793 verrees en die bij de overgave der stad werd

gesloopt, heeft niet de minste sporen meer achtergelaten.

En dat is het gansche Mahé. Een bouquetje van groen, een fransch

tuintje binnen in een engelsche kolonie aan de kust van dat Voor-Indië,

dat nu britsch is en dat een fransche bezitting had kunnen, had moeten

zijn. Midden op de brug eindigt ons terrein; daar is men op britschen

grond. Wanneer we er weer overgaan en rechts een weg inslaan langs

de rivier, komen we na een half uur aan de Aldeeën, een dépendance

van Mahé, die nog weer fransch is.

Dat verspreid liggen van de engelsche en fransche bezittingen is

onbegrijpelijk, en de juiste grenzen zijn zelfs nu nog niet precies

vastgesteld! De Engelschen zijn nooit tot de afbakening der grens

overgegaan, waardoor ze tegenover de onverschilligheid van onze

opeenvolgende bestuurders elken dag een weinig terrein hebben kunnen

winnen, totdat ons gebied met de helft was verminderd. In 1816 strekte

het zich volgens een manuscript uit dien tijd uit tot Tehombay, twee

mijlen zuidelijk, met de geheele kuststrook langs de zee; volgens het

engelsche plan, dat de regeering van Madras inleverde, ging het in die

richting 1055 meter ver en besloeg een breedte van 1573 meter, terwijl

er thans nauwelijks 7 of 800 meters toe worden gerekend, geloof ik. Wij

hadden in dien tijd ook nog veel andere terreinen, bij voorbeeld Mount

Delly boven Cannanore, Peringwetour in het Oosten e. a. .... Maar

al die punten zijn niet meer in ons bezit, en op andere, die we nog

hebben, gevoelen we ons niet tehuis. Het is echter hier niet de plaats,

om over de administratieve onverschilligheid uit te weiden.

Ongeveer op een halven kilometer afstands beginnen onze Aldeeën,

namelijk Chalakara rechts, Chambara links, Pallour tegenover en verder

het laatste stukje fransch grondgebied, Pandakei. De afstand van het

uiterste eind dezer bezitting tot Mahé bedraagt zes kilometer langs

een weg, die niet overal best is, die niet altijd door bekoorlijke

tuinen voert als die van Mahé, maar waar het uitzicht op de omringende

velden zeer schoon is. Bij het binnenkomen in Pallour aan de bocht,

waar men den weg van de Aldeeën weer betreedt, doet zich weer de mooie,

rijke plantengroei voor en gaat men door een laan van eerbiedwaardige,

mooie boomen met geweldige stammen.

Er is te Pallour een schooltje, dat door de Alliance Française is

gesticht, maar sinds kort is verplaatst, en het doet eigenaardig aan,

als ge u in deze zoo exotische omgeving door kleine Malayalams met een

doek om de lendenen en een bundeltje haar op de kruin van het hoofd,

hoort toespreken en aanhouden onderweg met een "bouzour moussiou",

waarbij een aardig rijtje witte tandjes te zien komt.

Wonderlijke mengeling van beschaafden en primitieven is het hier; van

naakte, gebronsde menschen, die onze taal gebrekkig, maar daarom niet

onaardig spreken; van ellendige hutten met een donkere opening naast

de groote kerkdeur; van vrouwen met ontbloot bovenlijf naast dames,

naar europeesche mode gekleed; van parijsche hoeden en knotten haar

boven op het hoofd.

Er waren op het oogenblik, dat ik mij te Mahé bevond, 1661 kiezers

ingeschreven op de kiezerslijsten, onder wie slechts enkele Europeanen,

het besturend element, en twee of drie vertegenwoordigers van fransche

huizen. In 1820 telde men er volgens een aanteekening uit dien tijd

35 Europeanen, 129 "menschen met hoeden", waarschijnlijk portugeesche

kleurlingen, en 2616 "Indiërs". Het is merkwaardig, op te merken,

dat er in genoemd jaar niemand trouwde onder de Europeanen en slechts

een enkel paar onder de "menschen met hoeden", wat wel heel weinig

was. Die bevolking was verdeeld over 336 huizen, waaronder de hutten

blijkbaar waren meegerekend, en er waren toen 33 winkels, 52 cantines,

122 open terreinen en 3 velden nelly of rijst. De kolonie is niet veel

in belangrijkheid vooruitgegaan. Ze is vrijwel op het oude standpunt

gebleven, klein en nederig.

Mahé bezit enkele scholen, een voor jongens onder een directeur,

die gediplomeerd is en uit Pondichéry is gekomen, en een voor

meisjes onder de zusters; dan was er te Pallour het schooltje van de

Alliance Française, dat naar Mahé is overgebracht, naar ik meen. In

het geheel vier scholen met 830 leerlingen en 22 onderwijzers, zonder

de mohammedaansche school mede te rekenen, die de Alliance heeft in

het leven geroepen.

Ik had het geluk, een uitdeeling van prijzen bij te wonen in het

lokaal, waar jonge Portugeezen en Malayali iets van onze taal komen

leeren. In de zaal met witgekalkte muren werd voor het auditorium,

waaronder de lichte toiletten van enkele familiën uit de beide koloniën

opvielen, op de gewone manier die plechtigheid gehouden; de toespraak

van meneer den president van de Commissie voor het openbaar onderwijs,

zeer correct in een onberispelijke jas; het komediestukje, dat met

groote moeite is van buiten geleerd door groote bruine of zwarte

meisjes, slecht op haar gemak in de gelegenheidskleeren en voorgedragen

op de manier van papegaaien, die zeggen: "Hebt u ontbeten?" Verder

het gezamenlijk gezang van de leerlingen van beide seksen; het

koor van "Brennus, hoofd der Galliërs" met accordeonbegeleiding,

dat de onderwijzer aan de "grooten" heeft geleerd; de uitdeeling

van de getuigschriften van gevolgd onderwijs; de overstrooming met

zwartjes en de ontevredenheid van enkele leden van den gemeenteraad,

die niet gesticht zijn over hun plaats of boos, omdat er geen stoel

gereserveerd is voor "Mevrouw."

Dat alles maakt in die exotische omgeving een zonderling effect;

die trossen van gekleurde aangezichten, die met open monden van

nieuwsgierigheid toekijken, die naakte, bronzen schouders; die toefjes

zwarte haren boven op de kale hoofden; die europeesche toiletten, die

zoo leelijk staan op de zeer mooie lichamen; die gouden en zilveren

sieraden ter verfraaiing van jonge meisjes en die aangebracht op

plaatsen, waar wij ze niet gewend zijn, in den neus, boven in de ooren

of aan de voeten; die zwarte jassen, de hoeden en dan de guirlanden

van kokosbladen, het is alles wonderlijk tusschen de geuren van

tropische bloemen en, ik weet niet, welken gemuskeerden aardgeur,

die overal vandaan komt en uit den grond schijnt op te stijgen.

Te Pallour was er ter eere van de prijsuitdeeling een landelijk

feest. Wij waren uitgenoodigd door den rechter van de kolonie, een

nog zeer jongen man, die met den griffier de gansche rechterlijke

macht vormde, en begaven ons erheen in een karretje, met een buffel

bespannen. De ontvangst was luisterrijk door het orkest, dat uit een

fluit en een trom bestond.

In een paar kleine ruimten op palen en onder dak, waar de grond

rijkelijk met cycasbladeren was bestrooid, stond aan den eenen kant

een troepje zwartjes met oogen, schitterend van nieuwsgierigheid, arme

kleinen, waarvan maar een klein gedeelte den vuilen schouderlap en het

rokje voor schoone kleeren heeft kunnen vervangen; aan de andere zijde

stonden de kleine meisjes, die trotsch het haarkegeltje op de kruin

netjes hebben opgebonden en er kranig uitzien, vroolijk en opgewekt. Er

waren banken voor de gasten en een paar stoelen voor "meneer den

rechter," die voorzitter was, voor "meneer den burgemeester," twee

of drie leden der plaatselijke raden en mij. Achter stond in de open

lucht het orkest, dat brandde van ijver en door den strengen blik

van den president met moeite in bedwang werd gehouden.

Zij openen de zitting. Daarna zegt de president zijn rede, die door

het kleine zwarte goed ernstig en kalm wordt aangehoord, als jonge,

welopgevoede burgers, die er niets van begrijpen. Vervolgens moeten

eerst de jongens, dan de meisjes antwoorden, en het is een waar

genoegen, bij deze banale plechtigheid de jeugdige wilden Fransch

te hooren spreken, ze te hooren lezen van een groot stuk papier,

waar een vetvlek van vingers op is te zien naast het groote schrift

van den meester. Hij is daar, de onderwijzer, in correcte zwarte jas,

een intelligente jonge Portugees, ook zijn jonge vrouw, een Katholieke

van Quilon, met de warme tint van de vrouwen van Malabar, de haren

vol vreemde sieraden, met neergeslagen oogen, in een houding van

achterafgezette godin en in een kleedje van veelkleurige tulle. Beiden

zeer waardig en al den lof verdienend, dien de president hun niet

onthoudt.

De prijsuitdeeling had plaats; er werden boekjes gegeven met half

engelsche en half malayalamsche titels, fransche boeken en pakjes,

die het meest begeerd werden, en die waren: eerste prijs, twee

roepijen; tweede prijs, één roepij; eerste accessit, acht anna's,

(75 centimes.) De handen rekken zich naar de kleine, witte papiertjes,

die allen begeerig bekijken, terwijl ze in hun haast, om ze te halen,

de kroon van groen papier vergeten, die ze op het hoofd moeten dragen

en dan weer mee terugnemen voor den volgenden prijswinner. Enkelen

houden de kroon op en denken er niet meer aan, gauw naar hun plaats

gaande, om het pakje te kunnen openen, dat hun in de vingers brandt,

waarna ze heengaan, bekranst met lauweren, waarboven het toefje zwarte

haren uitsteekt.

Dan treedt een aardig klein ding, een meisje, de glorie van de klasse

naar voren, met kleine oogjes, die intelligent schitteren, en zingt

een oud volksliedje. De fluit en de trom, waar een man zijn groote,

vereelte hand op heeft gelegd, om den klank te temperen, begeleiden

zacht het Hindoemeisje, dat de allures aanneemt van een jeugdige

bayadère. Het is alles naïef en bekoorlijk.

De plechtigheid is afgeloopen. Ieder gaat zijns weegs, bladerend in het

boekje met de verbazing van aapjes, die naar een a-b boek kijken. Maar

dat alles blijkt toch niet zonder invloed; een beetje eerbied voor de

vlag wordt meegenomen tusschen de bladen van de boekjes, en een gevoel

van liefde ontwaakt voor het volk, dat zich voor hen interesseert.

Een van de volksstammen, en een der belangrijkste, van de kust

van Malabar, de Maplets of Mopla's, zijn de afstammelingen van

de eerste arabische kolonizeerders, die Indië veroverden. Als alle

andere mohammedaansche secten worden ze aan de kust samengevat onder

den naam Boutimaré. Ze hebben een hoofd of tanguel, die te Ponany

resideert, in het Zuiden van Calicut en die de eerste kaste vormt. Na

hem volgen de koya's, dat zijn in zekeren zin de priesters, wonend in

bepaalde districten, waar ze de rechtsspraak uitoefenen. Zij wonen

de plechtigheden niet bij, waar eer aan de kadi's wordt bewezen, en

het voorschrift, dat den vrouwen verbiedt, tot mannen te spreken,

geldt niet voor hen. De tanguel, alsook de zoon van zijn zuster,

die naar malabarsch gebruik als troonopvolger wordt beschouwd, zijn,

naar het heet, in het bezit van een manuscript in het Arabisch,

dat zeer kostbaar is en het origineel moet zijn, waaruit Ferichta de

geschiedenis van deze kolonie heeft gehaald.

Die Mopla's beschouwen zich als van hoogere afkomst dan de Mohammedanen

uit het Noorden van Indië, die daarentegen juist het tegenovergestelde

denken. Ze zijn in het land gekomen kort na de uitbreiding van het

Islamisme en hebben zich er al spoedig van al den handel meester

gemaakt. Later hebben ze zich sterk vermengd met de verschillende

bewoners van andere stammen en van hen veel gebruiken en gewoonten

overgenomen, ook de taal is niet zuiver gebleven, zoodat ze van

hun afkomst niets hebben behouden dan het eigenaardige type en hun

mohammedaanschen godsdienst, ofschoon sterk veranderd. Ze noemen zich

afstammelingen van Ali en Fatima, dochter van Mohammed.

Aan de kust van Malabar hebben de Mopla's allen handel in handen. Voor

dat vak geboren, jagen ze de winst na en zijn hard van karakter. In

het algemeen zijn het knappe menschen, meer of minder donker van tint,

soms zeer licht van kleur. Ze dragen in enkele gevallen het gewone

malabarsche costuum, maar meestal het korte buisje van wit katoen

en een mutsje van dezelfde kleur met een doek eromheen gebonden,

bij wijze van tulband. Die doek, waaraan hun sleutels hangen,

speelt een zekere rol in hun leven, als het stuk vuil linnen van de

Singhaleezen. Ze houden hem in de hand, over den schouder geslagen,

om den hals of op het hoofd; hij doet dienst als zakdoek, als handdoek,

of dient tot tijdverdrijf als de rozenkrans van de Turken.

Ik heb hooren zeggen, dat ze een afzonderlijke taal zouden hebben, die

ze nooit spreken, en een schrift, dat van het malayalamsche verschilt;

maar zoo iets is, hoe eenvoudig het moge schijnen, niet gemakkelijk

te onderzoeken. Ze hebben hun moskeeën, die zeer eenvoudig zijn en

meestal slechts uit niet veel meer bestaan dan een strooien dak bij een

vijver of plas, waar ze komen bidden en hun wasschingen verrichten. Hun

invloed in het land is groot, zelfs in gevallen, waarin de strenge

kastenregels gelden. Zoo zal een Tive bij een bezoek vertrekken, als

een Mopla binnen komt, of hij zal wachten, tot deze is vertrokken,

als, wanneer hij komt, de ander er reeds is. Ze hebben hun stamtaal

vergeten, want weinigen onder hen kennen nog eenige arabische woorden;

maar toch kennen de meesten enkele verzen uit den Koran. Stoutmoedig

tot het vermetele, hebben de Mopla's herhaaldelijk last gegeven aan

de engelsche overheden door hun brutaal optreden, hun strijdlust en

hun samengaan in kleine groepen opstandelingen, die moord en brand

stichtten en dan zich in een moskee verscholen, waar ze zich vaak

tot den laatsten man lieten doodschieten.

Dan zijn er de Tiven, oudtijds Sjenon geheeten, de talrijkste groep

aan de kust van Malabar. Het zijn de dragers van de reuzenhoeden van

palmbladeren, waaronder ze er zoo vreemd uitzien; ze bereiden hun

toddy uit het sap van de kokosnoot tot een sterken gegisten drank. In

het Fransch worden ze in Mahé "soureurs" genoemd. Hun manier, om in

de kokospalmen te klimmen, met gebonden handen en voeten in een paar

seconden evenals de inboorlingen van Ceylon, is zeer karakteristiek. De

behandeling der boomen is dezelfde als in geheel Indië; de man slaat

de bloemen, nog in hun scheeden besloten, van den boom, geeft er een

snede in met een scherp stuk hout; met een mes snijdt hij dan telkens

een klein stukje van de bloemscheede af en wrijft de oppervlakte in

met kalk, als het sap bestemd is voor de vervaardiging van suiker,

en met een blad, als er kalloe, dat is de gegiste drank, van moet

worden gemaakt.

De Tiven zijn maar een kaste, en een zeer lage kaste, van de Soedra's,

die hier Souderen worden genoemd. Men kan hen in twee categorieën

verdeelen, de stedelingen en het landvolk; de eerste klimmen niet in de

kokospalmen, maar voeren zoowat van alles uit buiten de werkzaamheden,

opgedragen aan bepaalde kasten. Het zijn arme lieden, die soms werken,

maar naar elke gelegenheid hunkeren, om niets te doen, over het geheel

een rustig volkje.

Evenals geheel Indië heeft ook de kust van Malabar haar paria's,

die er Polea's heeten. Die mogen niet in Mahé komen en in geen enkele

andere stad. Ze bewonen in den omtrek ellendige hutten in een buurt,

die voor hen afzonderlijk wordt gehouden. Hun type verschilt eenigszins

van dat der overige Malayali; ze zijn donkerder, maar niet leelijk. Ze

moeten zich op grooteren afstand van de overige kasten houden dan de

echte paria's, die er ook niet ontbreken. Als een Tive hen ontmoet

of zich in hun tegenwoordigheid bevindt, moet hij zich onmiddellijk

gaan baden. Er waren weinig, toen ik hen ging zien in hun kamp op een

kwartier afstands van Mahé; ze waren bijna allen vertrokken met verlof

van hun heer naar Wynaad, waar ze op plantages moesten werken. Maar ik

heb hen dikwijls gezien te Pandakel, met een hakmes in de hand, staande

onder een grooten boom bij een kleinen tempel bij de gemeentelijke

bungalow, terwijl ze bij de brug wachtten, tot die vrij was, om er

op hun beurt over te gaan, en van het pad ter zijde tredend, als er

iemand van een andere kaste voorbij ging. Hun vrouwen zijn niet minder

behaagziek dan andere vrouwen en sieren zich graag met kostbaarheden.

De paria's zijn in Indië de slaven van de andere kasten. Ze vormen de

armste kaste, en daar ze niet meer verdienen dan de enkele korrels

rijst, hun door hun meesters toegestaan, hebben ze weinig kans,

zich uit hun ellendigen toestand op te heffen. Maar ze staan ten

minste op zichzelf. De polea's van de kust van Malabar doen dat niet,

want ze maken deel uit van het stuk grond, waar ze wonen. De eigenaar

koopt hen met den grond, en ze hebben het recht niet, zich aan die

lijfeigenschap te onttrekken. Dit is de eenige streek in Indië, waar

de echte slavernij tot op onze dagen in stand is gebleven, trouwens

een vreedzame slavernij, daar de menschen goed worden behandeld en

goed voedsel krijgen, alsook de weinige kleeding, die ze behoeven. In

vroeger tijden was het gebruikelijk onder de eigenaren, die paria's aan

elkander te verkoopen. Voor eenige roepijen en wat rijst veranderde

een mensch van meester; maar tegenwoordig is die handel, als hij nog

eens plaats vindt, ver van gebruikelijk.

Er bestaat geen enkele vrije polea; ze worden allen als slaven

geboren. Het is waar, dat ze hun vrijheid zouden kunnen krijgen door

de vlucht; maar niemand is ooit op dat denkbeeld gekomen. Ze hebben

geen voorstelling van een ander bestaan, en het is zoo goed als zeker,

dat een dergelijke vraag nooit onder hen besproken wordt, noch in

hun gedachten opkomt. Toen ik met hen sprak bij hun ellendige hutje

met de leemen wanden, vroeg ik hen: "Maar kunt ge niet gaan werken

ergens anders, te Calicut of te Tellicherry?"--"Ja," antwoordden ze,

"als onze heer het goed vindt."

Bij een der woningen vond ik een hoop schelpen van zeedieren, het

overblijfsel van veel maaltijden, als er gebrek was aan rijst. "Wij

zijn arm," herhaalden ze graag tot mij, maar niet om te bedelen;

vragen deden ze niet. Ze houden zich kalm, en hun lot is thans

niet ongelukkig; maar wat moet het geweest zijn, toen een Naïr, die

hen onderweg ontmoette, het recht had, ze als kwaadaardige dieren

te dooden!

Tiven en Macqueezen, de visschers, over wie ik reeds heb gesproken,

vormen de malabarsche onderkasten van de laatste der vier groote

afdeelingen, waarin de bevolking van Indië is verdeeld, en die

zijn: de Brahmanen of priesters, die den eeredienst leiden, het

dogma verklaren en de eenigen zijn, aan wie de kennis van Brahma is

geopenbaard, omdat ze volgens de legende uit het hoofd van den god

zijn gesproten. De Ksjatria's of krijgslieden, tot wie de Radja's

behooren, voortgekomen uit de schouders van Brahma en die ik heb hooren

verdeelen in afstammelingen van de zon en afstammelingen van de maan,

de eersten reiner en in staat, om in een grooter aantal landen koning

te wezen. Dan de Vayssia's, die zich met landbouw bezig houden, met

veeteelt en handel en eindelijk de Soedra's of landbouwers, arbeiders

van allerlei aard, waarvan de eerste onderafdeeling die der Naïrs is,

nader te vermelden om hun eigenaardige gebruiken.

Men weet, dat die kasten met hun onderverdeeling tot in het oneindige,

want er zijn ongeveer negentig soorten van Brahmanen bekend en veel

honderden andere, als zooveel verschillende volken zijn, van elkaar

gescheiden door niet te overkomen slagboomen; dat ieder handwerk

een eigen kaste vormt, of liever, dat ieder kaste en onderkaste zich

enkel met een enkel bedrijf inlaat, dat ze reeds van den aanvang af

beoefende en dat onder geen enkel voorwendsel iemand eraan zou denken,

iets anders ter hand te nemen of zich op te werken uit den toestand,

waarin zijn geboorte hem heeft geplaatst.

Sommige kasten, het grootste aantal, zijn eigen aan het geheele

schiereiland, dikwijls onder verschillende namen naar de taal, die

ze spreken; andere behooren bij een bepaalde streek en worden alleen

daar aangetroffen. De kust van Malabar is een der gebieden, die over

een kleine oppervlakte de meeste kasten herbergen van die, welke in

het land voorkomen. Wij zullen ze nu en dan ontmoeten, de Vanyens,

die olie bereiden en verkoopen; de Maléens, die de trom bespelen en

hun haren laten groeien, terwijl ze ook jongleurs zijn; de Tyens,

die Tiven door de Europeanen worden genoemd, die toddy bereiden,

de huizen dekken met palmbladeren en enkele andere werkzaamheden

verrichten; de Tsjaliens, die weven; de Sjetty, die platte koekjes

bakken ten gebruike bij de curry, waarmee de rijst wordt gekruid en

die het lekkerste eten is voor den inboorling; de Maréens, die de

trommels fabriceeren, en de Ceyons, die aardewerk maken. Door deze

eenvoudige optelling van slechts enkele der kasten uit het land kan

men wel bemerken, hoe talrijk zij zijn.

De verwarrende overvloed van gebruiken en gewoonten, die wetten in het

leven roepen, waartegen zelden wordt gezondigd, is bij deze veelheid

van onderscheidingen buitengewoon. Laat ons als voorbeeld enkele

regelen over de opvolging nemen in het bezit. Er zijn aan de kust van

Malabar twee wijzen van erfopvolging naar de kasten. Bij de Brahmanen,

de Vayssia's en tien andere zijn de kinderen de erfgenamen. Bij de

Ksjatria's, de Soedra's tot aan de kaste der Palichans, de vroegere

palankijndragers van den vorst, erven de zusterskinderen. Bij de

Tyens en de Igeaven zijn beide manieren in gebruik; maar van de rivier

Kotté af in het Zuiden zijn het de kinderen, die erven, terwijl aan

den anderen kant van den stroom erven de neven en de zoons naar de

bepalingen, die op het oogenblik van het huwelijk zijn gemaakt.

Het meest gevolgde gebruik is dat, hetwelk aan de kinderen van

de zuster de erfenis verzekert van den broeder. Maar er zijn

uitzonderingen; zoo heerscht onder de barbiers van de twee laagste

kasten onder de bovengenoemde de gewoonte, dat de kinderen direct

van de ouders erven.

In de families, waar de kinderen erven, zijn giften, aan de

zusterskinderen geschonken, alleen van kracht, als de rechtstreeksche

erfgenaam erin heeft toegestemd. De erfgenaam is dus niet gehouden,

de schulden te betalen, aangegaan zonder zijn toestemming; is hij nog

onmondig, dan is het consent der moeder noodig. Het gebruik wil ook,

dat een goed, roerend of onroerend, aan iemand geschonken door zijn

vader, rechtens toebehoort aan den zoon van dien man; de zusterszoon

heeft er in het geheel geen recht op.

Naar dit eenvoudig overzicht kan men oordeelen over de moeilijkheid,

die deze stammen soms moeten vinden in het bepalen van wat hun in

den doolhof van regels en voorschriften te doen staat, want alles

verschilt weer naar de districten, de rassen, de kasten en in eenzelfde

district naar de onderscheiden plaatsen. Het is niet mogelijk voor

een Europeaan, er zich in thuis te vinden.

II.--Godsdienstige en andere feesten.--Dansen, liefdegaven en

vasten.--Het hanenoffer.--Dat van de schapen.--De 14de Juli te

Mahé.--Kleeding, haartooi.--De ringen in de oorlellen.--De

versierselen van goud, zilver of lood.--Verschillende

gebruiken.--Enkele van de reinigende stoffen.

De kust van Malabar is een van die gebieden in Indië, die de

eigenaardigste zeden en gebruiken hebben en ook een der minst

bekende en bezochte. Men kan zich niet voorstellen, hoeveel er in de

bergachtige districten, waaraan ze grenst, nog te ontdekken valt uit

het oogpunt der wetenschap.

In de feesten kan men de meest belangwekkende zijden van het

leven der inboorlingen herkennen, omdat daarbij, hier nog meer

dan elders, de bijzonderheden wortelen in den godsdienst. Er

worden veel feesten gevierd; de geboorten, de sterfgevallen, de

volwassen leeftijd der jonge meisjes, de verloving, de oogst geven

aanleiding tot verschillende plechtigheden, dikwijls met bepaalde

tusschenpoozen herhaald. Enkele daarvan zijn alleen hier in gebruik;

andere worden gevierd over het geheele schiereiland van het Noorden

tot het Zuiden door de Mohammedanen en de onderscheiden kasten van

inboorlingen. Zonder te gewagen van de feesten, eigen aan Indië in

zijn geheel, gelden er bij de Malayali zes hoofdfeesten in het jaar,

die door alle kasten worden in acht genomen.

Het eerste is dat van het Nieuwe Jaar, dat den eersten van hun maand

Medon (11, 12 of 13 April) begint. Het duurt twee dagen; maar de kaste

van de Macqueezen begint de viering tien dagen vroeger, van acht tot

tien uur des avonds in de kleine pagode te Mahé.

Op den vooravond van dien eersten dag van het jaar worden er,

òf binnen de hut òf onder de varanda neergezet een kandelaar met

aangestoken kaarsen, rijst, rijpe kokosnoten, komkommers, een kruik

vol water, gouden en zilveren sieraden, een stuk gevouwen wit linnen,

een goudstuk met de beeltenis van den een of anderen god, bloemen,

een godsdienstig boek, en bij het aanbreken van den dag moet ieder

inwoner van de hut die voorwerpen hebben bekeken onder het prevelen

van gelegenheidsgebeden en eer hij of zij nog tot iemand heeft

gesproken. Als die kleine bedevaart is volbracht, gaat men baden,

om zich te reinigen en begeeft zich dan naar de pagode, waarna de

armen gaan bedelen en de anderen hun bloedverwanten en vrienden op

het feest noodigen.

Het Bahoefeest, dat dan volgt, valt op den avond vóór volle maan van

de maand Karkadon, omstreeks 14 Juli. Op dien dag schiep volgens de

Sastrom, het samenstel van alle godsdienstige en maatschappelijke

voorschriften op de kust van Malabar, God den man en de vrouw,

van wie hij lichaam en geest genadiglijk in het Paradijs wilde

ontvangen. Toen de beide eerste menschen dezelfde gunst vroegen voor

hun afstammelingen, antwoordde hun de Schepper, dat al degenen, die

op den Bahoedag vurig voor hen zouden bidden en ook ter herinnering

van de dooden, het Paradijs zouden winnen. Daarom beschouwen de

Malabaren het Bahoefeest, dat beteekent "feest der dooden", als een

van hun hoofdfeesten; slechts zeer weinigen zouden eraan denken het

niet te vieren. In een expresselijk daarvoor bestemden pot koken ze

de rijst voor het feest, en na de schimmen der gestorvenen te hebben

aangeroepen, geven ze de rijst aan de raven. Evenals het vorige feest

moet ook dit aan aalmoezen worden gewijd.

Dan is er het Onomfeest, verjaardag van de geboorte van Maa-Velly,

den eersten vorst, die door den Schepper was afgezonden, om de wereld

te regeeren. Het valt in de maand Tsjingon, (13 tot 16 Augustus). Het

wordt vooruit wiskundig vastgesteld. Tien dagen lang zet men in de

meeste huizen op den drempel bloemen neer en linten van verschillende

kleuren schikt men er. Dan baadt men zich ter reiniging, gaat bidden

in de pagode, trekt nieuwe kleederen aan, en zij, die het kunnen doen,

deelen aalmoezen uit.

Hier moet worden opgemerkt, dat aalmoezen geven en ze ontvangen

een voorrecht is van de kaste der Brahmanen. Bedelen heeft dus

voor hen volstrekt niets vernederends, en dat is gemakkelijk waar

te nemen, zoowel aan de vrijmoedige manier, waarop ze vragen, als

aan de onverschilligheid, die ze aan den dag leggen, nadat ze iets

hebben ontvangen en zelfs nadat ze niets hebben gekregen. Het zijn

trouwens niet enkel arme Brahmanen, die giften in ontvangst nemen;

de vijf goede gaven, dat zijn koeien, kleeren, grond, graan en goud,

worden met evenveel genoegen aangenomen door de rijken; ze vragen

er wel om, als het noodig is. Dansers verschijnen op het Onomfeest,

door van hut tot hut te gaan dansen ter herinnering aan het bevel,

gegeven door Maa-Velly, zich aan die kunst te wijden. Dit deel van

de plechtigheden wordt zelfs aanbevolen in de Sastrom.

Het Naravatryfeest valt in de maand Kanny, de zesde van het jaar,

van den 15 tot den 17den September. Het duurt negen dagen en

wordt vastgesteld als het vorige door berekeningen van hindoesche

wiskunde. Het is het feest van de maagd Sarasswady, godin der

wetenschap en ook van de welsprekendheid, de muziek en de kunst,

de vrouw van Brahma. Van den eersten dag af worden alle boeken van

de Sastrom in de huizen op een afzonderlijke plaats neergezet, waar

ook alle soorten van wapenen worden bijeengebracht en alle werktuigen

van landbouwer en handwerksman. Zoo gebeurt eveneens in de pagoden,

en niemand mag die plek naderen, buiten dengene, die er de wacht

moeten houden. Aan den persoon, die het grondigst onderlegd is in de

kennis van de godsdienstige gebruiken, wordt die zorg toevertrouwd. Men

moet gedurende die negen dagen zich voorbeeldig gedragen, zich wijs en

godsdienstig toonen, omzichtig in zijn woorden en eerlijk in zijn zaken

zijn, wat wel eenigszins doet vermoeden, dat het tegenovergestelde

dikwijls voorkomt in gewone tijden. Er zijn ook personen die in de

feestdagen vasten. De radja's of vorsten laten het aanbreken van de

negen dagen begroeten met geweerschoten. Alle kasten, waar men aan

muziek doet, grijpen naar hun instrumenten. Eindelijk worden weer

aalmoezen aanbevolen..... vooral door de Brahmanen, die ze ontvangen.

Het vijfde feest is dat van Pattamoedeon in de maand Toelaon, de

zevende van het jaar (15 tot 17 October). Het duurt twee dagen,

de tiende en elfde dag van de maand zijn ervoor bestemd. Het is

ingesteld ter eere van prins Arjoenein, die, om de gave te erlangen

van onkwetsbaarheid in het gevecht, zich had onderworpen aan een

langdurige overpeinzing in het bosch. De Schepper nam, om hem op

de proef te stellen, de gedaante aan van een jager, die de bosschen

afzocht en juist een wild zwijn met zijn pijlen had neergelegd. Deze

man kwam zich onder de bescherming van Arjoenein stellen, die, nadat

hij zich van het dier had meester gemaakt, weigerde, het terug te

geven. Er brak een twist uit, die eindigde met een eigenaardig gevecht

van twee dagen, waarna de Schepper, getroffen door de zielskracht en

de rechtvaardigheid van den boetvaardige, hem het voorrecht verleende,

onkwetsbaar te wezen. Oudtijds vermaakte men zich met de jacht; maar

tegenwoordig, nu het bezit van wapenen aan de autoriteiten moet worden

opgegeven, wordt er weinig meer gejaagd.

Het zesde en laatste feest is het Oetsjal. Het valt op den 30sten

van de maand Magueron, (11 tot 13 Januari) en duurt ook twee dagen,

den eersten dag der genoemde maand en den eersten van de volgende,

Koembon. De beide dagen worden door de Malabaren Tsangrandi genoemd,

dat wil zeggen het eind der maand en het begin der volgende. Ze

beweren, dat dan de zon haar loop naar het Noorden hervat, en naar

de Sastrom zullen diegenen, die in deze periode sterven, gered

worden. Het feest wordt gevierd met een bezoek aan de pagoden,

met een reinigingsbad, met het geven van aalmoezen, als bij alle

andere feesten. Werklieden en geletterden moeten bij zich tehuis

hun gebruiksvoorwerpen welriekend maken, de eersten hun gereedschap

en hun werktuigen, de laatsten hun boeken, en niemand mag zich aan

eenigen arbeid overgeven. Ook de landbouwers staken den veldarbeid.

Buiten die door de godsdienstige boeken voorgeschreven feesten moet

men nog verscheiden door het gebruik verplichte bezoeken brengen aan

enkele tempels, bij voorbeeld aan dien van het district Arcalet,

op een dagreis afstands van Mahé, waar Tiven en Naïrs, mannen en

vrouwen, eenmaal per jaar naar een oud tempeltje moeten gaan en er

een gift offeren van minstens een fanon, ongeveer een kwart franc,

en naar de drie pagoden van Poutlett te Mahé, gewijd de eene aan

de Maagd Bagavady, de andere aan Goelien-Devon, haar bewaker, en de

derde aan Koetichatin-Devon, een andere beschermende godheid. Onder

alle kasten te Malabar heeft men pagoden, aan die drie goden gewijd,

zoowel als aan vele andere, maar die van Poutlett worden door de

Tiven hoog vereerd, en elk jaar, op den 22sten Koembon (2 Maart)

vieren ze er hun driedaagsch feest; ze komen van zeer ver, om

hun offeranden te brengen. Ze beweren op dit stuk, dat als iemand

voorbij die tempels gaat na middernacht, wanneer de plechtigheid is

afgeloopen, dat dan de god niet verzuimt, met steenen te gooien. Er

zijn er op die manier menschen verjaagd, zonder dat ze konden zien,

waar de projectielen vandaan kwamen, wat, op den tijd van het etmaal

gelet, niets onwaarschijnlijks heeft en wat aantoont, hoe groot de

waakzaamheid is der dienaren in de buurt van den god en hoe goed ze

zorgen voor de geheimzinnige gebruiken en.... voor hun kas.

Ziehier, waarin die plechtigheid bestaat of liever die plechtigheden,

want er zijn twee, één overdag, de andere 's nachts, beide al even

weerzinwekkend. Bij dag heeft het hanenoffer plaats. Het gebeurt

vóór het altaar van den god Koetinchatin, die, naar men mij gezegd

heeft, de duivel is en tevens een beschermgod. De toeloop is groot,

en velen brengen één of meer hanen mee. Op die wijze stellen de

geloovigen hun kippen en gevogelte onder de bescherming van den god,

die ze moet verdedigen tegen de aanvallen der vijanden, vooral raven,

die de kuikentjes stelen. Er worden den god één of verscheiden hanen

beloofd tegen het feest.

De Peroe-Bannan, de danser, die den god-duivel voorstelt, treedt al

dansend buiten de pagode, schreeuwt en gesticuleert, en gaat op het

een paar treden hooge altaar staan, tegenover het gebouw. Hij is geel,

zwart, rood en groen geverfd en draagt een mantel met roode strepen. De

eerst aangekomenen stellen hem de vogels ter hand, den eenen na den

anderen, en na enkele gillen als van een bezetene, vat hij een der

vogels bij de pooten aan met de eene en bij den kop met de andere

hand, slaat dan de oogen ten hemel en bijt in den hals van het dier,

waarvan hij het bloed drinkt. Daarna ontrukken de geloovigen elkander

de brokken van het slachtoffer. Er wordt den danser een andere haan

toegereikt, de lucht weerklinkt weer van rauwe kreten, en de daad wordt

herhaald; de Bannan drinkt of schijnt te drinken het bloed van het

tweede offer, dat weer verdeeld wordt. Dat afschuwelijke schouwspel

duurt drie of vier uren; al dien tijd slurpt de man zonder ophouden

en zonder vermoeienis, zonder weerzin schijnbaar, het warme bloed,

en de toeschouwers betwisten elkander de doode dieren. Honderden

hanen worden zoo om hals gebracht.

Daarna begint de muziek; de Bannan zet een ronden hoed op met vreemde

zilveren versierselen en pauwenveeren, schreeuwt, tiert draait en

wendt zich, gooit de booze geesten met steenen, die wel eens terecht

komen op het hoofd der Mopla's en wapent zich met een doosje vol

steenen, waarmee hij al springend en gillend naar buiten stort,

voorafgegaan door de muziek en gevolgd door de menigte, die hij op

een afstand houdt door de bedreiging met de steenen. Na een loopje

naar de rijstvelden komt men bij de pagode terug.

Gedurende de geheele plechtigheid hebben de geloovigen offeranden

gebracht aan den god, die ze zelf aan den bewaker der pagoden ter

hand stelt, volgens de verzekering van een Tive, die mij de zaak

uitlegde. De beiden verdeelen den buit, en de geloovigen gaan uiteen.

Aan de kust van Malabar De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 1 / 6 段