De derde plaats, die ik na Khatmandoe en Samboenath bezocht, was
Patan, eene der voormalige hoofdsteden van Nepal, en zeker eene der
merkwaardigste steden van Azië. Hoewel ik gansch Europa, van Londen
tot Moskou, en geheel het klassieke Oosten, van Marokko tot Egypte
en Palestina, heb doorreisd, had ik nog nooit iets gezien, dat kon
vergeleken worden met de hoofdstraat van Patan. Ongetwijfeld zijn
de details van deze fantastische architectuur somwijlen barbaarsch,
maar het geheel is schitterend, overweldigend. Onze afbeeldingen
kunnen daarvan slechts een zeer onvolledig denkbeeld geven, want zij
missen de kleur, die zoo ontzaglijk veel bijdraagt tot het tooverachtig
effect van deze monumenten. Die vuurroode paleizen, waarvan de steenen
en koperen daken worden gedragen door duizenden beelden van goden en
godinnen, stralende in de bontste kleurenpracht, en waarvan de bronzen
deuren, door steenen monsters bewaakt, schitteren in het verblindende
zonnelicht, zijn niet te beschrijven, haast niet af te beelden.
Patan is eene stad met veertigduizend inwoners, ten zuidoosten van
Khatmandoe gelegen; naar het schijnt, werd zij omstreeks het jaar
300 na Chr. gesticht. Het is eene der voormalige hoofdsteden van de
koninkrijken of vorstendommen, waaruit Nepal vroeger bestond. Hare
huizen zijn in den regel van baksteen en hout opgetrokken; de kolommen
en de lijsten van deuren en vensters zijn met bewonderenswaardige
kunst gebeeldhouwd. Het groote plein, waarop het koninklijk paleis
en eenige tempels staan, levert zeer zeker een aanblik op, die
in schilderachtigheid niet licht overtroffen wordt. Het paleis
is een zeer merkwaardig monument; de groote bronzen deur, die den
hoofdingang vormt, verdient vooral de aandacht. Sedert de inneming en
de plundering van Patan door de Gorkhas, heeft de stad veel van haar
vroegere beteekenis verloren; onderscheidene monumenten verkeeren in
jammerlijk vervallen staat. De tempels zijn hier nog talrijker dan te
Bhatgaon. Aan die tempels waren onderscheidene kloosters verbonden,
die echter sinds lang hunne oorspronkelijke bestemming verloren hebben
en in winkels zijn herschapen.
In de nabijheid van Patan ziet men verschillende groote, half
bolvormige tôpen, geheel overeenkomende met die van Boeddnath en
Samboenath, en waarschijnlijk even oud. Volgens de overlevering
zouden deze tempels gesticht zijn door Açoka, bij zijn onderstelden
pelgrimstocht naar Nepâl, ongeveer tweehonderd-vijftig jaren voor
onze jaartelling. De opschriften dier tôpen zijn onleesbaar geworden.
Even als te Bhatgaon, vindt men ook te Patan verscheidene steenen
tempels; een van de voornaamste en tevens een van de merkwaardigste
van geheel Indië, uithoofde van zijn eigenaardigen en smaakvollen
bouwtrant, verrijst tegenover het koninklijk paleis. De tempel rust op
een massieven onderbouw en bestaat uit twee inspringende verdiepingen
of terrassen, gekroond met eene soort van pyramide. De zuilenportiek
en de smaakvolle met kolommen versierde paviljoenen op de beide
verdiepingen geven aan dit monument eene sierlijkheid en bevalligheid,
die aan weinig indische monumenten eigen is. Ik kan niet met zekerheid
zeggen, hoe oud deze tempel is, want het is mij niet mogelijk geweest,
het inwendige te bezichtigen: ieder Europeaan, die het wagen zou in
dit heiligdom te willen doordringen, zou onfeilbaar door het volk
worden vermoord. Niettemin houd ik het er voor, dat hij niet veel
hooger opklimt dan het begin der zestiende eeuw.
Te Patan ziet men, even als te Bhatgaon en te Khatmandoe, dikwijls
voor de tempels hooge zuilen, versierd met beelden, meestal de
rajahs voorstellende, die de heiligdommen hebben gesticht. Bij den
zoo even genoemden tempel te Patan staat eene vierkante zuil, die
eene knielende figuur draagt, boven wier hoofd zich eene bronzen
slang verheft; op den kop der slang zit een vogeltje.
Van Patan begaf ik mij naar Pashpatti. Deze stad ligt op den
linkeroever van de rivier Baghmati, ten noordwesten van Khatmandoe,
en is rijk aan tempels van steen en hout. Een van de beroemdste
en eerwaardigste dezer tempels is die van Pashpatinath, dien geen
vreemdeling zelfs mag naderen; de poorten van dit in geheel Nepâl hoog
vereerde heiligdom zijn van geciseleerd zilver. In de nabijheid van
dien tempel is eene bijzondere plaats aangewezen, waar de weduwen,
die haar echtgenoot niet willen overleven, den vuurdood ondergaan.
De tempels van Pashpatti zijn modern en niet ouder dan het einde der
zeventiende eeuw. De meest kenmerkende trek van deze steenen monumenten
is de koepel in de gedaante van een klok. De steenen tempels zijn,
in geheel Nepâl, verre in de minderheid: maar naar het schijnt,
hebben hunne bouwmeesters er zich op toegelegd, om telkens iets
nieuws te leveren; met uitzondering van de tempels te Pashpatti,
wijken alle steenen tempels zeer belangrijk van elkander af. Met de
baksteenen en houten tempels is het juist omgekeerd: die schijnen
allen naar hetzelfde model gebouwd.
Ik noemde zoo even den naam van Boeddnath. Boeddnath is slechts
een dorp, maar het bevat den grootsten tempel van Nepal, die niet
alleen door de Nepaleezen, maar ook door hunne buren uit Thibet
wordt bezocht. Even als de tempel van Samboenath, bestaat ook die te
Boeddnath uit een grooten half bolvormigen koepel, waarboven zich een
vierkante toren verheft, die met eene pyramide is gekroond. De tempel
verschilt hierin van dien te Samboenath, dat hij op een terras van
drie verdiepingen is gebouwd. De totale hoogte van dat terras komt
bijna overeen met die van den koepel; op elk der vier zijden staat
een kleiner heiligdom. De afmetingen van dezen tempel zijn grooter
dan die van eenigen anderen in Nepal: hij heeft bijna negentig el in
doorsnede en is ongeveer twee-en-veertig el hoog.
De tempel verrijst te midden van een soort van plein, dat door huizen
is omringd, welke vroeger tot kloosters dienden, maar nu bewoond
worden door handelaars in koperen afgodsbeelden, juwelen, amuletten,
bidrollen en andere voorwerpen van dien aard. Even als te Samboenath,
is in een dezer huizen eene familie van thibetaansche lamas gevestigd,
met de bewaking van het heilige vuur belast. De kapellen en andere
kleine gebouwen rondom den tempel hebben niets bijzonders.
De laatste stad van Nepâl, die ik bezocht, was Bhatgaon, op vijftien
mijlen afstands van Khatmandoe, op een heuvel gelegen. De stad werd
in de negende eeuw gesticht; zij was vroeger de hoofdstad van een
der drie koninkrijken van Nepâl; haar tempels en paleizen behooren,
met die van Patan, tot de merkwaardigste des lands. Slechts een
derde gedeelte der bevolking van Bhatgaon is Boeddhistisch. Daar
de meerderheid de hindoesche godsdienst belijdt, zijn ook de meeste
tempels aan brahmaansche godheden gewijd.
Voor de verovering van Nepâl door de Gorkhas, was de koning van
Bhatgaon een gewichtiger personage dan de rajahs van Khatmandoe en
Patan. Daar de stad zich aanstonds overgaf, toen de Gorkhas zich gereed
maakten haar te belegeren, bleven hare monumenten beter gespaard
dan die van de beide andere steden. Bhatgaon is ook nu nog eene
zeer bloeiende stad, die geenerlei sporen van verval vertoont. Oude
monumenten heb ik er evenwel niet gevonden. De materialen waaruit de
tempels zijn opgetrokken, baksteen en hout, maken van zelf een langen
duur mogelijk. Ik geloof niet dat de oudste monumenten meer dan twee
à drie eeuwen tellen.
De voornaamste tempels van Bhatgaon staan bij elkander op een plein,
waarvan de eene zijde geheel wordt ingenomen door het koninklijk
paleis. De plaat op bladz. 53 geeft eene getrouwe voorstelling van
dit plein.
In het midden ziet men een tempel van eene verdieping, waarvan het
houten, met ivoor ingelegde snijwerk uitmuntend is uitgevoerd.--Links,
half verborgen door een modern gebouw, staat een steenen tempel van
uiterst bevalligen vorm. Even als de tempels van hout en baksteen,
staat hij op een vrij hoog, trapvormig terras, waartoe trappen toegang
geven, welke ter wederzijde met steenen monsters zijn bezet. Maar
de tempel zelf heeft verder geene overeenkomst met de pagoden van
baksteen en hout; hij heeft dezelfde gebogen pyramidale gedaante als
de tempels van noordelijk Indië.
In het voorbijgaan zij opgemerkt, dat tijdens het gezantschap van
Megasthenes, dat is dus drie eeuwen voor onze jaartelling, de paleizen
der indische vorsten van baksteen en hout waren gebouwd. Steenen
monumenten waren toen eene hooge uitzondering. Nepâl nu bevindt zich
nog heden in het tijdperk van overgang, waarin noordelijk Indië kort
voor Christus geboorte verkeerde. De nauwkeurige zorg, waarmede de
steenen zuilen der tempels worden gekopieerd naar de houten kolommen,
schijnt wel de algemeen aangenomen meening te bevestigen, dat de
eerste steenen monumenten in Indië de zuivere navolging waren van
vroegere houten gebouwen.
Tot de belangrijkste monumenten van Bhatgaon behoort ook een groote
tempel van hout en baksteen, vijf verdiepingen hoog, die wel de
grootste van alle tempels der stad mag worden genoemd. Deze tempel
werd gesticht door een koning, die omstreeks het einde der zeventiende
eeuw leefde. Even als alle tempels van de derde groep, waarvan wij tot
dusver gesproken hebben, rust hij op een rechthoekigen, terrasvormigen
onderbouw. Aan een der zijden bevindt zich een steenen trap, versierd
met steenen beelden van goden, helden en fabelachtige dieren.
Op onze plaat ziet men links een gedeelte van het koninklijk paleis,
dat geheel van rooden baksteen is gebouwd. De lijsten van deuren
en vensters zijn met uitmuntend snijwerk versierd. De hoofdingang
van dit paleis, dat insgelijks in het laatst der zeventiende eeuw
werd gebouwd, is eene prachtige bronzen deur, die den naam draagt
van de Gouden-poort, en waarvan de plaat op bladz. 49 eene getrouwe
afbeelding geeft.
V
Het hoofddoel van mijne reis naar Nepâl was de studie van de
architectuur: maar daarnevens was het mij te doen om, zoo mogelijk,
eene oplossing te vinden van een moeilijk vraagstuk dat sedert lang
de geschiedvorschers bezig houdt en waarvan de vergelijkende studie
van de indische monumenten mij reeds de verklaring had doen gissen: ik
bedoel de oorzaak van de verdwijning van het Boeddhisme uit Indië. Ik
beschouw de oplossing van dit hoogst belangrijke vraagstuk als een
van de gewichtigste resultaten mijner reis.
Het is algemeen bekend, dat het Boeddhisme, na zich uit Indië door
geheel oostelijk Azië te hebben verspreid, na in China, in Tartarije,
in Birmah, groote veroveringen te hebben gemaakt, na de negende of
tiende eeuw onzer jaartelling is verdwenen uit het land waar het
geboren was. Deze godsdienst, waartoe, heden ten dage vijfhonderd
millioen menschen--dat wil zeggen, bijna een derde van de bevolking der
aarde--behooren, wordt tegenwoordig nog slechts aan de twee uiterste
grenzen van het groote indische schiereiland beleden: in Nepâl ten
noorden en op Ceilon ten zuiden.
Daar de geschriften der Hindoes van deze verdwijning van het
Boeddhisme geene melding maken, heeft men, tot verklaring van
het feit, de toevlucht genomen tot de hypothese van bloedige
vervolgingen. Maar ook al neemt men aan, dat de van nature zoo
verdraagzame Hindoes tot godsdienstige vervolgingen zijn overgegaan,
en dat deze vervolgingen--in strijd met hetgeen de geschiedenis schier
overal elders leert--eene godsdienst hebben uitgeroeid, in plaats van
haar aanhangers tot nieuwen ijver te prikkelen en haar uitbreiding te
bevorderen; al neemt men deze onwaarschijnlijkheden aan, dan nog stuit
men op eene andere moeilijkheid: hoe is het denkbaar dat in een land,
in zoo verschillende koninkrijken verdeeld, al die vorsten eensklaps
tot het besluit zouden zijn gekomen om de sedert eeuwen door hunne
voorvaderen beleden godsdienst af te zweren en hunne onderdanen te
dwingen eene andere godsdienst aan te nemen?
Zoodra ik mij ernstig ging bezighouden met de studie der oude
monumenten van Indië, begon het probleem van het verdwijnen of liever
van de transformatie van het Boeddhisme mij allengs duidelijker te
worden; na mijn bezoek in Nepâl was het raadsel voor mij opgelost
en besefte ik ten volle de onjuistheid der tot dusver gegeven
verklaring. Na eene oplettende studie van de meeste belangrijke
monumenten van Indië, ben ik tot dit besluit gekomen, dat het
Boeddhisme eenvoudig daarom verdwenen is, omdat het zich langzamerhand
weer heeft opgelost in de godsdienst waaruit het geboren was.
Deze transformatie is zeer langzaam in haar werk gegaan; maar ten
aanzien van een land dat geene geschiedbeschrijving kent, in welks
historie wij nu en dan tijdvakken vinden van vijf of zes eeuwen
waarvan wij volstrekt niets weten, ontbreekt ons ieder middel om
begin, ontwikkeling en einde na te gaan van de verschijnselen, die
ons eensklaps voor oogen treden. Wij verkeeren te dien aanzien in
denzelfden toestand als de oude geologen, die wel de belangrijke
veranderingen constateerden welke de verschillende lagen der aarde
en hare bewoners hebben ondergaan, maar die niet konden nagaan wat
tusschen die verschillende phasen lag, en ze daarom toeschreven
aan geweldige plotselinge omkeeringen. Voortgezette studie en
nauwkeuriger waarneming heeft ons evenwel geleerd, dat ook de grootste
en ingrijpendste veranderingen slechts gaandeweg door eene reeks van
bijna onmerkbare evolutiën zijn tot stand gekomen.
Wanneer men nu de bas-reliefs en de beelden, waarmede de monumenten
van Indië als overdekt zijn, nauwlettend bestudeert, kan men daarin
de geschiedenis der transformatie van het Boeddhisme duidelijk
lezen. Zij toonen ons hoe de stichter eener godsdienst, die alle
goden verachtte, zelf god werd, en na eerst in geen enkelen tempel
eene plaats te hebben gevonden, eindelijk in alle tempels troonde;
hoe hij langzamerhand samensmolt met de oude brahmaansche godheden;
en hoe hij, die zich aanvankelijk zoo hoog boven deze talrijke
godenschaar verheven had, stap voor stap een hunner werd, zoodat hij
ten slotte niet meer was dan eene godheid van ondergeschikten rang,
in niets onderscheiden van talloos vele anderen. Wil men weten, wat
oudtijds het Boeddhisme was, dan moet men niet zoozeer de boeken,
maar veelmeer de monumenten bestudeeren, en hetgeen zij ons leeren
verschilt zeer wezenlijk van hetgeen sommige boeken ons trachten
diets te maken. Die monumenten leveren het bewijs dat het Boeddhisme,
hetwelk onze moderne geleerden als eene atheïstische godsdienst--eene
_contradictio in terminis!_--voorstellen, integendeel in de hoogste
mate polytheïstisch was.
In de oudste boeddhistische monumenten, die achttien tot twintig eeuwen
oud zijn, zooals de balustraden van Bharkoe, Sanshi, Boeddha-Gaya,
enz., wordt de groote hervormer slechts onder een of ander zinnebeeld
voorgesteld. Men vereert den indruk van zijn voet, de afbeelding
van den boom, waaronder hij de hoogste wijsheid deelachtig werd; maar
welhaast zien wij den Boeddha zelf god worden en eene plaats innemen in
alle heiligdommen. Aanvankelijk is hij alleen of zoo goed als alleen,
zoo als in de oudste tempels van Ajoenta; maar gaandeweg verschijnen
naast hem de voornaamste goden van het brahmaansche pantheon:
Indra, Kali, Sarasvati en anderen, zoo als men dat zien kan in do
boeddhistische tempels der monumenten van Ellora. Opgenomen te midden
van den talrijken drom van goden, die hij weleer beheerschte, gold hij
zelf, na verloop van eenige eeuwen, nog slechts als eene incarnatie van
Vishnoe. Toen het zoover gekomen was, was het Boeddhisme in Indië dood.
Deze transformatie, die wij hier in enkele regels hebben aangeduid,
heeft in werkelijkheid misschien meer dan duizend jaren noodig gehad om
geheel tot stand te komen. De talrijke monumenten, die ons het verloop
dezer evolutie te aanschouwen geven, dagteekenen uit het tijdvak,
beginnende met de derde eeuw vóór en eindigende omstreeks de negende
eeuw na Christus geboorte. Gedurende dit geheele tijdvak werd de
Boeddha door zijne vereerders als een goddelijk wezen aangebeden. In
de zoo talrijke legenden verschijnt hij in heerlijkheid aan zijne
volgelingen en verleent hun zijne gunstbewijzen. De chineesche pelgrim
Hioën Thsang, die in de zevende eeuw onzer jaartelling Indië bezocht
om het Boeddhisme aan de oorspronkelijke bron te bestudeeren, verhaalt
ons, dat hem in eene gewijde grot eene verschijning van den Boeddha
te beurt viel.
De legenden en de monumenten verhalen met onmiskenbare duidelijkheid
dezelfde geschiedenis; en zoo de studie van het Boeddhisme in de
eerste plaats met hunne getuigenis rekening had gehouden, zou men
zich omtrent deze godsdienst niet zulke verkeerde voorstellingen
hebben gemaakt, als thans algemeen in zwang zijn. Ongelukkig genoeg,
werd de studie der indische monumenten tot dusver door de europeesche
geleerden zoo goed als geheel verwaarloosd. Zij die ons het Boeddhisme
wilden leeren kennen, hadden voor het meerendeel nooit een voet in
Indië gezet; zij hadden deze godsdienst uit de boeken bestudeerd;
en een noodlottig toeval deed juist hunne aandacht vallen op de
geschriften der wijsgeerige sekten, minstens vijf of zes eeuwen
na den dood van Boeddha vervaardigd en ten eenemale vreemd aan de
werkelijke praktijk dezer godsdienst. De metaphysische bespiegelingen,
over wier diepzinnigheid de europeesche geleerden zich zoo verbaasd
hebben, waren overigens alles behalve nieuw. Sedert de oude
indische litteratuur beter bekend is geworden, heeft men diezelfde
denkbeelden teruggevonden in de geschriften der wijsgeerige sekten
en scholen, die in het brahmaansche tijdvak bloeiden. Het atheïsme,
pantheïsme en pessimisme, de verachting van het individueel bestaan,
de zoogenoemde onafhankelijke moraal, de opvatting der wereld als een
ijdel schijnbeeld: al deze en dergelijke denkbeelden, welke de moderne
philosofie ons als splinternieuwe waarheden wil aanpreeken, men vindt
ze reeds in de wijsgeerige geschriften onder den algemeenen naam van
Oepanishads aangeduid, waarvan men er ongeveer twee-honderd-vijftig
kent, die uit zeer verschillende tijdperken afkomstig zijn. Men ontmoet
in deze boeken volkomen dezelfde leeringen als in de wijsgeerige
geschriften der Boeddhisten. Zij allen huldigen de leer van het
Karma,--het grondbeginsel van het Boeddhisme evenals van alle andere
godsdienstige sekten in Indië--volgens welke de toestand waarin de
mensch in de toekomende phasen van zijn bestaan verkeeren zal, wordt
bepaald door zijne handelingen in dit aardsche leven; welke leer ook de
grondslag is der wetten van Manoe. Het einde van deze lange reeks van
gedaanteverwisselingen is de oplossing van het individu in het hoogste
algemeene zijn, in den Brahma, waarvan reeds Manoe spreekt, en die
zeer na verwant is aan de boeddhistische Nirwana. Eerst als zij dezen
eindpaal heeft bereikt, is de ziel van de wet der gedaantewisselingen
verlost en houdt haar individueel bestaan op. En om dien hoogsten trap
te bereiken, is het, volgens Boeddhisten en Brahmanen beiden, vóór
alle dingen noodig, alle aardsche lusten en begeerten te onderdrukken,
van de goederen dezer wereld afstand te doen en zijn leven in vrome
overdenking en contemplatie van het eeuwige door te brengen.
De wijsgeerige theoriën van het boeddhistische tijdperk waren dus
geheel dezelfden als van de voorafgaande brahmaansche periode. Maar
zij zijn ook niets meer dan theoriën, wijsgeerige stelsels en
bespiegelingen, die zich ontwikkelden met en naast de godsdienst, welke
door de priesters geleerd en door het volk geloofd en in praktijk
gebracht werd, doch die daarmede zeer weinig gemeen hadden. Deze
theoriën voor het Boeddhisme zelf te houden, is volkomen dezelfde
dwaling, als in de bespiegelingen van de Oepanishads de godsdienstleer
van het Brahmanisme te willen zien, of--om een meer bekend voorbeeld te
noemen--de grieksche philosofen te bestudeeren om de volksgodsdienst
der Hellenen te leeren kennen. Daar het Boeddhisme aanvankelijk
in Europa niet anders bekend was dan juist door de wijsgeerige
bespiegelingen van sommigen zijner aanhangers, is men er van zelf
toe gekomen om deze bespiegelingen voor de boeddhistische godsdienst
zelve te houden. Toch had men behooren te bedenken dat godsdienst
en wijsbegeerte twee zijn, en dat afgetrokken bespiegelingen nooit
of nimmer de stof kunnen leveren voor eenige godsdienst, laat staan
eene godsdienst, die niet minder dan vijfhonderd millioen aanhangers
telt. Dergelijke grove misvattingen zijn alleen verklaarbaar bij
geleerden, die zich zoo zeer in de studie van boeken en stelsels
hebben verdiept, dat zij het leven en de werkelijkheid uit het oog
hebben verloren en de menschen niet kennen. Zoo zal waarschijnlijk, na
verloop van twee- of drieduizend jaren, wanneer de zetel der beschaving
zich zal hebben verplaatst en onze boeken en onze talen vergeten
zullen zijn, een of ander geleerd professor, die tot de ontdekking
is gekomen dat er in der tijd een engelsche taal heeft bestaan, en
die de eerste de beste boeken vertaald heeft welke hem in die taal
in handen zijn gekomen, als bij voorbeeld de _First Principles_ van
Spencer of de _Origin of species_ van Darwin, den volke verkondigen
dat deze boeken de uitdrukking bevatten der godsdienstige overtuigingen
van de christelijke natiën der negentiende eeuw.
Een godsdienst zonder God! Het denkbeeld zelf is eene volslagen
ongerijmdheid; maar gesteld, zoo iets ware denkbaar, dan nog moet men
de Hindoes al zeer weinig kennen, om te onderstellen dat zulk eene
godsdienst bij hen ingang zou hebben kunnen vinden. De Hindoe zou
geen God erkennen! Maar de gansche wereld is in zijne oogen vol van
goddelijke wezens. Hij aanbidt den tijger die zijne kudden verslindt,
de slang die hem doodt door haar venijn, de spoorwegbrug door den
Europeaan gebouwd, en, als het moet, den Europeaan zelf. Zoo gij daarop
gesteld zijt, zal hij ten uwen pleiziere dien wonderlijken catechismus
der Boeddhisten van het zuiden van buiten leeren, die onlangs met
medewerking van zoogenoemd verlichte Europeanen is opgesteld, en waarin
ge, onder andere fraaiigheden, ook lezen kunt, dat het heelal geen
Schepper heeft, en dat de wereld niet anders dan eene schijnvertooning
en het leven een benauwde droom is; maar ondanks al deze zinledige
frasen zal hij de behoefte blijven gevoelen om zijn grooten Boeddha
te aanbidden en met hem al de andere goden van dat pantheon, waarin
hij als heerscher troont. Een der oudste boeddhistische boeken, de
_Lalita Vistara_, omstreeks achttienhonderd jaar oud en dus ongeveer
vijf eeuwen jonger dan Boeddha, bevat een zeker aantal vertoogen over
de ijdelheid en onwezenlijkheid aller aardsche dingen; maar tot wie
richt de Boeddha deze vertoogen? In de eerste plaats tot de goden,
tot die ontelbare goden, van wie op elke bladzijde van het boek
gesproken wordt en die, met Brahma aan hun hoofd, tegenwoordig zijn
bij de geboorte van den profeet die op zijne beurt een god zal worden,
hem overal vergezellen en eindigen met hem te aanbidden. Natuurlijk
wemelt het boek van tegenstrijdigheden, maar voor den Hindoe bestaan
die tegenstrijdigheden niet. Hij is ook geestelijk anders gevormd dan
wij, en zijn denken gehoorzaamt aan andere wetten dan het onze. Er
is geen enkel zijner boeken, van de antieke epopeeën de _Ramayana_
en de _Mahabharata_ tot de bovenbedoelde philosofische werken, dat
niet overvloeit van de onmogelijkste tegenstrijdigheden. Men kan niet
zoozeer zeggen dat de logika ten eenemale ontbreekt, doch het is eene
echt vrouwelijke logika, die hare deductiën soms tot het uiterste
doortrekt, maar die zich nooit om tegenstrijdigheden bekommert.
Wil men dus het Boeddhisme leeren kennen en begrijpen, dan moet
men de wijsgeerige bespiegelingen laten rusten, die er zich wel aan
vastgeknoopt hebben, maar die de godheid zelve ongedeerd laten, zonder
welke de indische godsdienst, evenmin als eenige andere, bestaanbaar
is. De Boeddha dacht er even zoo weinig aan, het brahmaansche pantheon
ter zijde te zetten, als hij er--in spijt van de zoo dikwijls herhaalde
bewering--ooit aan gedacht heeft, de kasten af te schaffen. Geen
enkele hervormer zou het hebben durven wagen, aan dien hoeksteen,
waarop het gansche gebouw der maatschappelijke organisatie van Indië
rust, te raken. Het nieuwe element, dat door den Boeddha in de oude
aziatische wereld werd ingevoerd, was een geest van menschenliefde, die
niet overtroffen werd. Nimmer was zuiverder en verhevener zedeleer nog
den menschen verkondigd. Een uitstekend geleerde als Max Müller getuigt
dit met groote bewondedering, zoo als trouwens menige zendeling het
reeds vóór hem getuigd had. "De zuiverste zedeleer, zegt hij, die vóór
de verschijning van het Christendom der menschheid werd onderwezen,
werd verkondigd door mannen in wier oog de goden niets dan ijdele
schaduwbeelden waren, door mannen die geen altaren oprichtten, zelfs
niet voor onbekende goden." Deze getuigenis is zeer stellig onjuist,
voor zoo ver de goden en de tempels betreft, want Indië is vol van de
ruïnen dier heiligdommen; maar zij is volkomen waar ten opzichte der
moraal. Geene enkele oude godsdienst had zoo zoeten en rijken troost
voor alle schepselen, zoo diep en innig medegevoel met het menschelijk
lijden. Zij heeft met brandende liefde naar de middelen gezocht
om de menschen te verlossen,--en en de menschen hebben naar hare
stem geluisterd. Deze koningszoon, die een bedelaar wordt om deel te
hebben aan de ellenden en het lijden des volks en liefde te prediken,
is een der schoonste en aantrekkelijkste figuren van de geschiedenis
of misschien van de legende. Overal waar de godsdienst, die naar hem
wordt genoemd, is doorgedrongen, heeft zij de harten veroverd, en
dat bovenal door de zachtmoedigheid, de liefde, de zelfverloochening
harer predikers. Zij heeft de zeden van Azië verzacht en bloeddorstige
barbaren tot vreedzame burgers gemaakt. De wilde Mongolen, die weleer
pyramiden van menschenhoofden oprichtten, zijn niet het minst ook
door haar invloed beschaafd en aan tucht en wet onderworpen.
Uit het voorgaande volgt van zelve, dat het Boeddhisme niets anders is
dan eene ontwikkeling, eene evolutie van het Brahmanisme, waarvan het
al de goden behield en slechts de zedeleer wijzigde. Vermoedelijk
verliepen er eenige eeuwen, eer het zich merkbaar van de oude
eeredienst onderscheidde; het is zelfs twijfelachtig of men het,
gedurende langen tijd, als eene nieuwe eeredienst heeft beschouwd. Uit
niets blijkt, dat Açoka zich voor den belijder en verkondiger van
eene nieuwe godsdienst hield. In de vele godsdienstige edikten,
die deze koning uitvaardigde en waarvan een vrij groot aantal tot
ons gekomen zijn, wordt slechts zeer enkele malen van den Boeddha
gewag gemaakt. Hij predikt de ruimste verdraagzaamheid jegens alle
godsdienstige sekten; in het Boeddhisme zag hij vermoedelijk niet
anders dan eene dezer sekten, die zich bovenal aanbeval door den geest
van liefde en menschelijkheid, die den beroemden koningszoon bezielde,
door de sekte als haar stichter vereerd.
Zoo als wij zeiden, verdween het Boeddhisme langs natuurlijken weg,
door zijne oplossing in het oude Brahmanisme; maar dat geschiedde
niet zonder dat de godsdienst, waaruit het Boeddhisme geboren was,
eene zeer wezenlijke verandering had ondergaan. In de landen buiten
Indië, waar het vasten voet won, in Kambodja, Birmah en andere, bracht
het Boeddhisme evenzeer het brahmaansche pantheon mede; maar aangezien
dat pantheon daar nooit geheerscht had, waren er ook geen brahmanen,
die er belang bij hadden aan hun goden den ouden voorrang te hergeven,
zoodat de Boeddha daar bij voortduring de hooge plaats bleef bekleeden,
die hij in Indië weer verloor. Men heeft er lang over getwist, of de
beroemde monumenten van Angkor boeddhistisch of brahmaansch waren,
omdat men er zinnebeelden en symbolen vindt die aan de eeredienst van
Boeddha en aan die van Siva zijn ontleend. De vraag zou geene vraag
geworden zijn, indien de geleerden, die de monumenten van Kambodja
hebben onderzocht, vooraf die van Indië en Nepal hadden bestudeerd:
zij zouden daar geheel dezelfde vermenging van de beide eerediensten
hebben aangetroffen. Zij zouden die trouwens ook hebben gevonden in
een aangrenzend land, in Birmah. De heer Wheeler, vroeger engelsch
ambtenaar in dat land, merkt op dat de Birmanen, die zoo als men weet
Boeddhisten zijn, ook de vedische goden aanbidden, en dat de koning
van Birmah brahmanen aan zijn hof heeft. Hij voegt daarbij dat de
mongoolsche khans in de streken nabij het Altaïgebergte evenzeer de
vedische goden aanbidden.
Uit al het gezegde blijkt ten duidelijkste, dat de diepe kloof tusschen
het Boeddhisme en het Brahmanisme, waaraan men vroeger toen men het
eerste alleen uit de boeken kende geloof hechtte, in werkelijkheid
nooit bestaan heeft. Alleen uit deze vooropgezette meening omtrent de
verhouding tusschen de beide godsdiensten, laat het zich verklaren,
dat men geen oog heeft gehad voor de eenvoudige oplossing van
het raadsel der verdwijning van het Boeddhisme in Indië. Een der
scherpzinnigste waarnemers, die in Indië hebben gewoond, Hodgson,
sprekende over sommige tot den Siva-cultus behoorende zinnebeelden,
die men in de boeddhistische tempels van Hindostan vindt, geeft zich
veel moeite om dit verschijnsel te verklaren. Men mag, zegt hij, geen
oogenblik denken aan eene samensmelting tusschen de beide eerediensten,
die, altijd volgens hem, even ver van elkander gescheiden zijn als de
aarde van den hemel. Hodgson was toch, toen hij dit schreef, gezant
van Engeland in Nepal, en hij had slechts om zich heen te zien, om
te bemerken hoe telkens en telkens de boeddhistische en brahmaansche
goden vreedzaam naast elkander zetelen in de tempels van het land
waar hij woonde. Maar destijds beschouwde men de twee godsdiensten
als in die mate principieel gescheiden, dat de gedachte aan eene
samensmelting of gemeenschap tusschen haar bij niemand kon opkomen.
Om de juistheid van het boven gezegde omtrent de geleidelijke
transformatie en de eindelijke oplossing van het Boeddhisme in Indië
ten volle te bewijzen, zou men zich moeten kunnen verplaatsen in de
negende eeuw ongeveer onzer jaartelling, of wel in een land, dat in
een toestand verkeert, in hoofdzaak overeenkomende met dien waarin
Indië zich destijds bevond. Dit nu is werkelijk het geval met Nepâl,
mede een bakermat van het Boeddhisme, en waar deze godsdienst het best
weerstand heeft geboden aan de transformatie die haar overal bedreigde
waar zij in aanraking kwam met het oude Brahmanisme. Nepal verkeert
nog in dat tijdperk, waarin het Boeddhisme reeds vele brahmaansche
bestanddeelen in zich heeft opgenomen, maar zonder zich nog geheel
met het Brahmanisme te vereenigen. De hindoesche en boeddhistische
goden zijn in de tempels van Nepal in die mate door elkander gemengd,
dat het dikwijls onmogelijk is te bepalen, tot welke eeredienst een
tempel behoort. Dit wordt trouwens ook erkend door de engelsche
geleerden, die deze monumenten hebben bestudeerd, maar zij weten
voor dat verschijnsel geene verklaring te vinden. Dit feit, dat
ook inderdaad onverklaarbaar scheen zoo lang men niet voldoende
aandacht had gewijd aan de studie der oude indische monumenten,
verklaart zich echter van zelf, zoodra men deze laatsten nauwkeurig
bestudeert. Dan blijkt het, dat diezelfde bijeenvoeging en vermenging
van godheden zich, op een zeker tijdstip, overal heeft voorgedaan;
en dan begrijpt men volkomen, hoe zelfs hindoesche geleerden dezelfde
oude tempels nu eens aan de eene, dan weer aan de andere eeredienst
toeschrijven. Dan kan men zich ook het schijnbaar zoo raadselachtige
en zoo vaak voorkomende verschijnsel verklaren, dat boeddhistische
en brahmaansche tempels, blijkbaar uit denzelfden tijd afkomstig,
naast elkaar verrijzen. Denkt men zich terug in den tijd, toen de
samensmelting der beide eerediensten op het punt stond voltrokken te
worden, dan is er niets verwonderlijks in dat een indisch monarch zich
jegens beiden even vrijgevig betoonde, juist zoo als een middeleeuwsch
koning dit kon doen ten aanzien van kerken aan verschillende heiligen
gewijd. Wij bezitten slechts een enkel reisverhaal betreffende Indië,
afkomstig uit den tijd dien wij op het oog hebben: dat is het verhaal
van den chineeschen pelgrim Hioën Thsang. Welnu, daarin vinden wij
juist een indisch vorst, die ter gelegenheid van een feest, zijne
gaven gelijkelijk verdeelt tusschen de toen heerschende eerediensten,
die op den eersten dag geschenken uitdeelt aan de aanhangers van het
Boeddhisme, en op den tweeden aan die van het Brahmanisme. Men was dus
reeds zoo ver gekomen, dat de beide godsdienstvormen vreedzaam naast
elkander bestonden en tot elkaar naderden: een tijdperk van overgang,
dat door hunne volledige samensmelting gevolgd werd.
De beschouwing van den tegenwoordigen godsdienstigen toestand van Nepâl
leert ons, hoe die samensmelting tot stand kwam. Reeds zeer vroeg
werd het Boeddhisme in dit land ingevoerd; volgens de overlevering
zou de Boeddha zelf hier zijne heilleer hebben verkondigd. Zooveel
is in ieder geval zeker, dat de oudste boeddhistische manuscripten
in de voormalige kloosters van Nepâl zijn gevonden. Mede volgens de
overlevering, zou Açoka, de koning van Magadha, die in de derde eeuw
vóór Chr. regeerde, een pelgrimstocht naar Nepâl hebben ondernomen
om de tempels van Samboenath, Pashpatti en andere te bezoeken. Hij
zou ook de stichter zijn van de stad Patan, waarvan de naam in
het newari Lalita Patan is, eene verbastering van Patalipoetra,
zoo als de hoofdstad van Açoka heette. Nepâl was dus een van de
kweekplaatsen van het Boeddhisme, en de kerk bestaat hier sedert ruim
tweeduizend jaar. Moge al de afgezonderde ligging van het land haar
bewaard hebben voor de ontbinding die wij in het overige Indië hebben
waargenomen, zoo heeft zij toch ook hier de transformatie ondergaan,
die elders tot hare vernietiging geleid heeft. De bijzondere lokale
omstandigheden hebben hier het ontbindingsproces slechts vertraagd;
en juist aan dezen langzamen voortgang hebben wij het te danken,
dat wij ons rekenschap kunnen geven van hetgeen het Boeddhisme in
Indië omstreeks de achtste of negende eeuw onzer jaartelling was,
toen de kerk hare oude kloosterlijke inrichting had verloren, toen
de priesterlijke waardigheid weer erfelijk was geworden, en de oude,
nooit geheel onttroonde godheden weder haar ouden rang hadden hernomen.
Boeddhisme en Brahmanisme zijn thans in Nepâl, als in het
middeleeuwsche Indië, twee in naam onderscheiden godsdiensten, maar
die elkander zoo goed verdragen en zoo nauw met elkander verwant
zijn, dat hare aanhangers een zeker aantal tempels, godheden en
feesten met elkander gemeen hebben. In plaats van, met sommige
boeddhistische sekten, de eeuwigheid der stof on der haar inwonende
krachten te leeren, vereert de boeddhistische kerk in Nepâl eene
hoogste drievuldigheid, bestaande uit Adi-Boeddha, den hoofdpersoon,
den vertegenwoordiger van den geest; Dharma, vertegenwoordigende de
stof; en Sangha, den vertegenwoordiger van de zichtbare wereld, door
de vereeniging van geest en stof voortgebracht. Deze drievuldigheid,
welke reeds in de edikten van koning Açoka vermeld wordt, is zeer
na verwant aan de brahmaansche drievuldigheid, Brahma, Vishnoe en
Siva.--Op deze hoogste drievuldigheid volgen in rang de goden van het
oude brahmaansche pantheon, Vishnoe, Siva, Ganesa, Laksmi en andere,
die niet anders zijn dan openbaringen, uitstralingen van het hoogste
goddelijke wezen. Hoewel afgedaald van den verheven rang, dien zij in
de brahmaansche eeredienst bekleedden, staan zij toch nog hoog genoeg
om recht te hebben op de aanbidding der stervelingen. De theoriën van
de Boeddhisten van Nepal over de ziel der menschen verschillen niet
wezenlijk van de oude brahmaansche leer. De ziel is eene emanatie
van Adi-Boeddha en als zoodanig in haar wezen vlekkeloos rein; door
hare vereeniging met de stof wordt zij in meerdere of mindere mate
bezoedeld, de prooi van zonde en ellende--beiden zijn één--, en moet om
hare reinheid te herwinnen, eene reeks van wedergeboorten ondergaan,
om daarna weder in het goddelijk wezen, van waar zij uitging, te
worden opgenomen. De verlossing van deze reeks van wedergeboorten,
van dit individueel bestaan, door het verzinken in Adi-Boeddha,
is het einddoel van het streven aller geloovigen. Het aantal en de
aard van deze wedergeboorten hangt geheel af van 's menschen gedrag
gedurende dit leven: zijne daden bepalen zijn toekomstig lot.
De voornaamste tempels van Nepal zijn aan Adi-Boeddha gewijd. In allen
ziet men de boeddhistische drievuldigheid afgebeeld, onder de gedaante
van beelden, met gevouwen beenen op lotusbladen gezeten. Boeddha heeft
twee armen, Dharma en Sangha hebben er doorgaans vier. Dharma alleen,
de godin der stof, wordt als eene vrouw voorgesteld. Voorts vindt
men in de tempels de beelden van den stichter der godsdienst en van
de Boeddha's, die hem zijn voorafgegaan; en daarna de goden van het
hindoesche pantheon: Mahenkal, een der avatars van Siva; Kali, zijne
echtgenoote; Indra, den koning des hemels; Garoeda, den god met den
vogelkop; Ganesa, den god der wijsheid, met den kop van een olifant,
en nog anderen. Deze laatste vooral wordt algemeen vereerd; men vindt
zijn beeld aan den ingang van alle tempels, en alle boeddhistische
ceremoniën beginnen met de aanbidding van deze godheid.
Is alzoo het Boeddhisme in Nepâl sterk met brahmaansche elementen
vermengd, zoo heeft het Brahmanisme zich evenmin aan boeddhistische
invloeden kunnen onttrekken. In de tempels aan Siva gewijd, vindt men
zeer dikwijls den Boeddha afgebeeld; en een aantal heiligdommen,
waarin godheden worden vereerd, die aan de beide eerediensten
gemeen zijn, worden ook door de aanhangers van beiden bezocht. Dit
zelfde verschijnsel openbaart zich in tallooze legenden en bij de
godsdienstige feesten. Van sommige dezer laatsten zou men inderdaad
niet kunnen zeggen, of zij boeddhistisch, dan wel brahmaansch zijn. De
pelgrims bezoeken met even veel devotie en ijver de tempels der
beide eerediensten.
Zoodanig is tegenwoordig de toestand van het Boeddhisme in Nepal. Op
grond van het boven aangevoerde valt het niet moeilijk te voorspellen
dat, eer twee of drie eeuwen verloopen zijn, de geheel verwereldlijkte
boeddhistische kerk, even als voor ettelijke eeuwen in het overige
Indië is geschied, ook hier zal zijn ontbonden en in het Brahmanisme
opgelost. Het is zeer opmerkelijk dat de godsdienst van den Boeddha op
den duur onmachtig is gebleken om zich in haar vaderland te handhaven,
terwijl zij daarentegen--zij het ook in een vorm, zeer verre afwijkende
van de oorspronkelijke gedachte des stichters,--hare heerschappij
over honderden millioenen van niet-indisch ras heeft uitgebreid en
tot dus ver behouden.