VI

Het kastenstelsel is in Nepâl niet minder diep ingeworteld dan in

het overige Indië, en dat zoo wel bij de Boeddhisten als bij de

Brahmanisten. Het is eene algemeen verspreide en toch ten eenemale

onjuiste meening, dat de Boeddha de afschaffing der kasten zou

hebben geleerd. Wel leerde hij dat alle menschen, onverschillig tot

welke kaste zij behooren, de verlossing deelachtig kunnen worden en

door hunne daden hun toekomstig lot bepalen; maar verder ging hij

niet. De boeddhistische geschriften van Nepâl--de oudste die wij

kennen--bewijzen onwedersprekelijk, dat het Boeddhisme nimmer het

kastenwezen als maatschappelijke instelling heeft aangetast. Het

stelsel wordt dan ook in Nepâl niet minder streng gehandhaafd dan

elders in Hindostan. Voor een Nepalees staat het verlies zijner

kaste gelijk met het verlies van alles wat hij heeft en is. Hij die

van zijne kaste wordt ontzet bij vonnis van het hooge kerkelijke

gerechtshof, dat met de behandeling van alle kwesties betreffende

het kastenwezen is belast, verliest zijne familie, zijne vrienden en

zijne maatschappelijke positie; hij verkeert vrij wel in denzelfden

toestand als de geëxcommuniceerde in de middeleeuwen. In Hindostan

heeft de ontzetting uit de kaste tegenwoordig geene strafrechtelijke

gevolgen, al zijn de maatschappelijke gevolgen dezelfde gebleven; maar

in Nepâl gaat zij met verschillende straffen, bepaaldelijk kerkerstraf,

gepaard. In zeer ernstige gevallen kan de schuldige als slaaf verkocht

worden; bij zijn dood wordt zijn lijk op het veld geworpen ter prooi

der roofvogels en jakhalzen.

Het kastenstelsel is sedert omstreeks drieduizend jaren de hoeksteen,

waarop het geheele maatschappelijke gebouw in Indië rust. Het is van

zoo overwegende beteekenis, en deze beteekenis wordt over het algemeen

zoo weinig begrepen, dat het inderdaad wel de moeite waard is, in

korte trekken den oorsprong, de ontwikkeling en de gevolgen van het

stelsel te schetsen. Een stelsel, waardoor een handvol Europeanen in

staat wordt gesteld eene bevolking van tweehonderd-vijftig millioen

zielen onder den duim te houden, verdient voorwaar wel de aandacht

van den wijsgeer en den historiekenner. Hetgeen wij, op grond onzer

persoonlijke waarnemingen, omtrent Nepâl gaan mededeelen, geldt

trouwens even zoo goed voor geheel het overige Hindostan.

Zoo als ik zeide, bestaat het kastenwezen in Indië sedert meer dan

twintig eeuwen. Ongetwijfeld vindt het zijn oorsprong in de door

langdurige waarneming verkregen kennis van de werkingen van de wet

der erfelijkheid. Toen de blanke veroveraars, die wij met den naam

van Ariërs aanduiden, in Indië doordrongen, vonden zij daar, behalve

vroegere veroveraars van toeranischen oorsprong, eene zwarte bevolking,

die zij aan hun gezag onderwierpen. De veroveraars zelven verkeerden

in den overgangstoestand tusschen het nomadendom en het gezeten leven:

zij waren half herders, half landbouwers, en gehoorzaamden aan vorsten,

wier gezag alleen in toom werd gehouden door dat van de priesters,

de tolken en bemiddelaars der goden. Hunne bezigheden splitsten

hen van zelve in drie standen, die trouwens in elke geordende

maatschappij worden gevonden: die der priesters of brahmanen, die

der kshatryas of krijgslieden, en die der vaisyas, landbouwers,

herders en handwerkslieden: deze laatste bestond misschien uit de

afstammelingen der vroegere veroveraars, die door de Ariërs uit de

heerschappij werden verdrongen.

Deze drie klassen of standen komen in hoofdzaak geheel overeen

met onze oude standen: geestelijkheid, adel, derden stand. Het is

trouwens de natuurlijke, organische indeeling der maatschappij in

wat de Duitschers zoo juist _Lehr-Ehr-und-Nährstand_ noemen: eene

in de orde der dingen gewortelde hiërarchie, die door de wetgevers

van alle eeuwen werd geëerbiedigd. Beneden deze aristokratie stond

de massa der oorspronkelijke bevolking, de dusgenoemde soedras,

die natuurlijk verreweg de meerderheid vormden.

De ondervinding bewees weldra de nadeelige gevolgen eener vermenging

van het hoogere ras met de lagere rassen; en zoodra men deze waarheid

eenmaal erkend had, was het streven des wetgevers er van zelf op

gericht, om die vermenging en daarmede de verbastering van het

hoogere ras te beletten. "Een land waarin menschen uit vermengde

rassen geboren worden, zegt de oude wetgever der Hindoes, de wijze

Manoe, gaat te gronde, zoowel als zij die het bewonen." De uitspraak

is hard, maar het is niet mogelijk hare juistheid te loochenen. De

ondervinding heeft, in spijt van alle humanitaire gelijkheidsdroomen,

geleerd, dat alle hoogere volken die zich met een te zeer beneden

hen staand ras hebben vermengd, zijn verbasterd of in het lagere ras

versmolten. Ik behoef mij slechts te beroepen op het voorbeeld der

Spanjaarden in Amerika en der Portugeezen in Indië.

Doordrongen van het hooge gewicht dezer anthropologische waarheid,

welke de moderne wetenschap boven allen twijfel heeft verheven,

verzuimt de wet van Manoe--die sedert zoo vele eeuwen de grondwet van

Indië is en die, even als alle wetten van vroeger tijd, het resultaat

was van langdurige waarneming en ervaring, en niet de formuleering

eener abstracte theorie,--niets wat strekken kan om de zuiverheid

van het bloed te verzekeren. Elke vermenging van de hoogere kasten

met de lagere, vooral die der soedras, is op de strengste straffen

verboden. Om deze laatsten van alle gemeenschap met de heerschende

klasse uit te sluiten, worden geene bedreigingen gespaard: als de

soedra met minachting van zijn meester sprak, werd hem met een gloeiend

ijzer de mond verbrand; als hij luisterde naar de voorlezing der

heilige boeken, werd hem kokende olie in de ooren gegoten. De vrucht

van de verbintenis van een soedra met eene brahmaansche vrouw werd

als een verworpeling beschouwd: volgens de wet van Manoe moest hij de

straten en riolen reinigen en de krengen begraven, met wier vleesch hij

zich voeden mocht. De soedra kende slechts plichten en geen rechten;

hij kon zich zelfs niet aan zijn toestand onttrekken, want, zegt Manoe,

"wie kan hem bevrijden van de wet, door de natuur zelve gesteld?" De

eenige hoop voor hem was, althans volgens de mildere opvatting van den

Boeddha, dat hij na zijn dood in een beteren stand kon worden herboren.

Maar in den loop der eeuwen moesten deze geduchte bolwerken toch,

uit den aard der zaak, op menige plaats worden doorgebroken. Hoe laag

ook geplaatst door hare kaste, behoudt de vrouw, hare verlokkende

bekoorlijkheid. Trots het verbod van Manoe, greep de vermenging van

rassen toch veelvuldig plaats; en het is niet noodig, lange jaren

in Hindostan vertoefd te hebben, om te bespeuren dat de bevolking

van alle standen tegenwoordig zeer gemengd is. Het aantal personen

wier blanke kleur bewijst dat hun bloed zuiver is gehouden, is zeer

gering. Het woord kaste, in de oorspronkelijke beteekenis opgevat,

is thans niet meer, als in het sanskriet, synoniem met kleur; en

zoo het kastenstelsel zich op niets anders kon beroepen dan op de

boven aangegeven ethnologische gronden, dan zou het geen reden van

bestaan meer hebben. Feitelijk zijn de oorspronkelijke onderscheidingen

tusschen de kasten als rassen sinds lang verdwenen. Maar daarvoor zijn

andere onderscheidingen in de plaats getreden, waarvan de oorsprong

elders te zoeken is dan in het verschil van ras--met uitzondering

altijd van de brahmanen, wier bloed betrekkelijk nog het zuiverst

gebleven is.

Doch ook bij de latere oorzaken, die het kastenwezen in stand

hebben gehouden, speelt het beginsel der overerving een overwegende

rol. Naar het oordeel van den Hindoe, worden aanleg en bekwaamheid

door overerving voortgeplant: de zoon moet dus, als het ware krachtens

de natuurwet, het beroep van zijn vader volgen, omdat hij ondersteld

wordt daarvoor de meeste geschiktheid te hebben. Daar het beginsel

van de erfelijkheid der beroepen algemeen is aangenomen, volgt

daaruit het ontstaan van even zoo vele kasten als er verschillende

beroepen en bedrijven zijn: het aantal kasten in het hedendaagsche

Indië bedraagt dan ook eenige duizenden. Met elk nieuw beroep of

bedrijf wordt tevens eene nieuwe kaste geboren. Een Europeaan, die

zich in Hindostan komt vestigen, bemerkt al spoedig hoe talrijk die

kasten of gilden zijn; hij ziet zich toch daardoor verplicht, een

groot aantal personen in zijne dienst te nemen, want ieder van zijn

bedienden weigert hardnekkig iets anders te doen dan datgeen wat de

wet zijner kaste hem vergunt. Nooit zal de kok, die uwe spijs gereed

maakt, er in bewilligen om het noodige water te gaan halen ten einde

het eten te koken; de palfrenier, die trouw de de paarden verzorgt,

zal voor geen goud den stal aanvegen. De geringste ambtenaar is op

die wijze wel genoodzaakt, een dozijn bedienden er op na te houden,

waar een of twee Europeanen meer dan voldoende zouden zijn.

Bij de twee genoemde oorzaken van het ontstaan en het behoud van het

kastenstelsel--het rassenverschil, dat tegenwoordig weinig beteekenis

meer heeft, en het beroepsverschil, dat nog zeer grooten invloed

uitoefent,--voegen zich nog de staatkundige ambten en het verschil

van geloofsbelijdenis.

De kasten, door het bekleeden van staatsambten ontstaan, kunnen

gerangschikt worden onder de beroepskasten of gilden; maar de kasten

voortspruitende uit het verschil van godsdienstige overtuiging vormen

eene afzonderlijke groep. In theorie, dat wil zeggen volgens de

boeken, behoort de geheele bevolking van Hindostan tot twee of drie

groote godsdiensten: Brahmanen en Mohammedanen, voorts Boeddhisten,

Christenen, enz. Doch in de werkelijkheid is het geheel anders,

en bedraagt het getal der godsdienstige sekten misschien ettelijke

duizenden. De oorspronkelijke godsdiensten, waaruit deze sekten

zijn ontstaan, zijn zoo onbepaald, zoo weinig duidelijk omschreven

en zoo rekbaar, dat bijna allerlei meeningen en opvattingen daarin

plaats kunnen vinden zonder de schijnbare eenheid te verbreken. Zij

zijn te vergelijken bij de takken van een boom, die allen onderling

verschillen, zonder dat de boom waaruit zij spruiten daarom ophoudt

dezelfde boom te zijn. Nieuwe goden, die eenvoudig voor incarnaties

van oude goden doorgaan, ontstaan en verdwijnen om zoo te zeggen

elken dag; en hunne aanhangers vormen weldra eene nieuwe kaste,

niet minder exclusief dan de reeds bestaande.

Twee hoofdregelen zijn er, die voor alle leden eener kaste gelden

en hen scheiden van allen die buiten, vooral die beneden staan:

eerstens, dat de leden eener kaste slechts met elkander mogen eten;

ten tweede dat zij uitsluitend onder elkander mogen huwen. Deze twee

voorschriften zijn onverbrekelijk, en het eerste niet minder dan

het tweede. In Hindostan zult ge honderden brahmanen aantreffen,

die postjes bekleeden bij de posterijen of de spoorwegen, tegen

eene bezoldiging van vijf-en-twintig francs per maand, of zelfs

die als bedelaars rondzwerven. Maar die ondergeschikte beambte,

die havelooze schooier, zal liever sterven dan aan te zitten aan de

tafel van den onderkoning van Indië; en de machtigste rajah, zoo hij

tot eene lagere kaste behoort,--want men kan koning zijn en toch tot

eene lagere kaste behooren, getuige de rajah van Gwalior,--zal van

zijn olifant afstijgen om hem te groeten.

De hoedanigheid van brahmaan is erfelijk, even als de adeldom in

Europa, en is volstrekt niet synoniem met de priesterlijke waardigheid,

zoo als men vrij algemeen gelooft, omdat de priesters uitsluitend

uit de kaste der brahmanen genomen worden. Men wordt brahmaan

geboren, zoo als men bij ons baron of graaf geboren wordt. Deze

titel, die tegenwoordig veel van zijne waarde verloren heeft, was

vroeger zoo hoog geacht, dat zelfs het bezit eener koninklijke kroon

ter nauwernood voldoende was om naar de hand te mogen dingen der

dochter van een brahmaan. Wij zien dat in het drama van Sakontala,

omstreeks de vijfde eeuw door Kalidasa geschreven; als Doeshanta,

de koning van Hastinapoera, Sakontala ontmoet, vraagt hij zich met

eenige ongerustheid af of zij soms niet tot de kaste der brahmanen

zou behooren, in welk geval hij haar niet zou kunnen huwen.

De regels en bepalingen, die het kastenwezen in stand houden, missen

onder het engelsche bestuur alle legale sanctie; maar zoodanige

sanctie is ook niet noodig: het door de eeuwenoude traditie gewijde

en overgeleverde stelsel is zoo diep in de gemoederen geworteld,

zoo geheel in het leven ingeweven, dat niemand daartegen in verzet

komt. De gronddenkbeelden, waarop het stelsel rust, zijn in merg

en bloed der Hindoes overgegaan; zij worden met hen geboren en

beheerschen al hun denken en gevoelen. Een Hindoe zou liever sterven

dan de wet zijner kaste schenden. Een magistraatspersoon aan de kust

van Orissa verzekerde mij, dat tijdens den jongsten hongersnood,

duizenden inwoners dier streek van honger gestorven zijn, omdat zij

geen rijst wilden aannemen die door Europeanen was toebereid. Zij die,

door honger gedwongen, eindelijk deze spijs gebruikten, vormden nu eene

nieuwe kaste, waarvan de leden wederom slechts met en onder elkander

kunnen eten en trouwen. Toen de indische regeering het plan vormde om

inlandsche troepen naar Soedan te zenden, was een van de moeilijkste

en lastigste vraagstukken dit: hoe men elk regiment van den noodigen

voorraad en het noodige materieel zou voorzien, zoodat de soldaten van

de verschillende kasten afzonderlijk hunne spijzen konden bereiden

en afzonderlijk eten. Ik bevond mij destijds in Hindostan, en men

behoefde slechts een oog in de dagbladen te slaan, om te bespeuren,

hoezeer deze vraag de gemoederen bezig hield. Een verzuim op dit

allerbelangrijkst punt zou de ernstigste gevolgen kunnen hebben:

was niet eene dergelijke nalatigheid, indien al niet de oorzaak, dan

toch stellig de aanleiding tot dien geduchten opstand der sipayers,

die Engeland bijna op het verlies van zijn indisch rijk was te staan

gekomen?

Door zeer verschillende oorzaken, die wij niet allen kunnen opnoemen,

kan iemand zijne kaste verliezen; daaronder is een der voornaamste het

aannemen van spijs en drank, al ware het ook slechts een glas water,

uit handen van iemand van lager kaste. Toen Jang Bahadoer van zijne

reis naar Engeland in Nepal was teruggekeerd, ware hij bijna gevallen

als het slachtoffer eener samenzwering, die voornamelijk hierin haar

grond had dat, aangezien hij met vreemden had moeten eten, hij zijne

kaste verloren had.

Het kastenwezen is in Indië zoo machtig, zoo zeer saamgeweven met het

denken en gevoelen, het geheele leven des volks, dat alle veroveraars

het onaangetast hebben gelaten niet slechts, maar ook zelven zijn

invloed ondergaan. De Muzelmannen hebben het in de praktijk, in

meerdere of mindere mate overgenomen, hoewel het in strijd is met de

eerste beginselen hunner godsdienst. Ook de Engelschen hebben het

overgenomen, en dat wel in veel sterker mate dan een oppervlakkig

beschouwer der indische toestanden wel meenen zou. Ongetwijfeld hebben

zij het beginsel niet in hunne wetboeken geschreven; maar de engelsche

maatschappij vormt metterdaad eene niet minder streng afgesloten

kaste dan eenige andere in Hindostan. Even als de leden van andere

kasten, eten en huwen zij uitsluitend met en onder elkander. De tijd

ligt verre achter ons, waarin engelsche ambtenaren inlandsche vrouwen

trouwden. De Europeaan die zulk eene verbintenis aangaat,--een uiterst

zeldzaam voorkomend geval,--wordt door de maatschappij in den ban

gedaan en vindt alle deuren voor zich gesloten. Een gewoon soldaat

zou zich door zulk een huwelijk onteerd achten. "Zoudt gij een uwer

manschappen vergunnen, eene hindoesche vrouw te trouwen?" vroeg ik

eens aan een engelsch kolonel, met wien ik te Benares dineerde.--"Ik

zou het hem niet kunnen beletten, antwoordde hij, omdat de wet het

niet verbiedt; maar ik geloof niet dat het een mijner manschappen

ooit in de gedachte zal komen, zulk eene vergunning te vragen."

Deze volstrekte scheiding tusschen de nieuwe veroveraars en het volk

dagteekent eerst uit den laatsten tijd; vóór een dertig, veertig jaar

waren huwelijken tusschen de beide rassen volstrekt niet zeldzaam. Het

gevolg echter van deze verbintenissen was het ontstaan van eene

anglo-indische, zoogenaamd eurasiaansche bevolking, die al de gebreken

der Hindoes heeft, zonder de deugden der Engelschen te hebben geërfd:

een ras zonder traditie, zonder geschiedenis, zonder moraliteit, dat

door Europeanen en Hindoes beiden even diep wordt veracht. Daar zij

eigenlijk geene plaats in de maatschappij heeft, zou deze bevolking

een ernstig gevaar voor de indische regeering kunnen worden, indien

zij niet onverbiddelijk tot wegkwijnen en uitsterven scheen gedoemd.

Het verkeerde en verderfelijke van zulke verbintenissen--dat de

Ariërs oudtijds zeer goed hadden begrepen en dat bij hen den grondslag

legde voor hun kastenwezen,--hebben ook de Engelschen op hunne beurt

eindelijk leeren inzien; en aangezien dezelfde oorzaken steeds dezelfde

gevolgen hebben, zijn ook zij, ondanks hun humanitaire theorieën en

al schreven zij haar niet in hunne wet, feitelijk moeten komen tot die

volstrekte scheiding tusschen het heerschende en het onderworpen ras,

die eene onvermijdelijke anthropologische noodzakelijkheid schijnt

te zijn, wanneer de twee rassen onderling te veel verschillen. Zoo

is er tusschen de beide volken een kloof ontstaan, die de Engelschen

door alle middelen trachten in stand te houden en onoverkoombaar

te maken. In alle groote steden van Indië is de europeesche wijk,

het kantonnement, zooals het heet, op vrij grooten afstand gelegen

van de inlandsche stad, en niet dan bij uitzondering zal men in

deze laatste Europeanen ontmoeten. Zelfs op de spoorwegen zijn

de Europeanen en de inlanders volkomen gescheiden. Zeer zeker

hebben de inboorlingen, althans in theorie, evenzeer recht als

de Engelschen op het bekleeden van de hoogste ambten, en sommigen

brengen het ook inderdaad zoover, vooral in de rechterlijke macht;

maar ook dan bepaalt zich de aanraking tusschen beide klassen tot het

ambtelijk en officieel verkeer. De europeesche maatschappij blijft

ook voor hen onverbiddelijk gesloten. Vooral ten aanzien van de

ongelukkige Eurasiërs, de bastaardteelt van Europeanen en Hindoes,

laat het kastenvooroordeel zich in al zijne strengheid gelden. Mij

zijn te Parijs portugeesche bankiers, met hindoesch bloed in de

aderen, bekend, die daar in alle salons ontvangen worden, en die,

in Hindostan, buiten de twee of drie half-europeesche metropolen,

nimmer aan eene engelsche tafel zouden worden toegelaten, ja zelfs

niet in tegenwoordigheid van een Engelschman zouden mogen gaan zitten.

Ik ben niet geroepen om over dit stelsel een oordeel te vellen, maar

bepaal mij eenvoudig tot de mededeeling van de door mij waargenomen

feiten. Men oordeelt noodzakelijk oppervlakkig en eenzijdig, en

dus valsch, wanneer men dergelijke eeuwenoude instellingen uit

een bloot theoretisch oogpunt gaat beoordeelen. Zij hebben alle

omwentelingen overleefd; en haar macht en invloed moet wel groot

zijn, dat zelfs een der beschaafdste volken van de wereld, hoewel

in theorie, van den kansel en de tribune, in de pers en in de boeken

al dergelijke instellingen veroordeelende, niettemin metterdaad het

stelsel onvoorwaardelijk in praktijk brengt. Dit is niet de minst te

waardeeren vrucht van het reizen, dat wij leeren begrijpen, dat de

volken hunne maatschappelijke en staatkundige instellingen niet naar

willekeur kunnen kiezen, maar dat die de noodzakelijke vrucht zijn

van de geaardheid, van het ras, van de omgeving, van de historische

ontwikkeling. Door hooger dan menschelijke macht bepaald, leidt iedere

poging om ze ter zijde te zetten en naar eigen willekeur te vervangen,

nooit tot iets anders dan tot verwarring, ontbinding en eindelijk

tot ondergang.

Dank zij de afgezonderde ligging van hun land, die hen tegen de

muzelmansche overheersching vrijwaarde, en het weren van allen

europeeschen invloed, hebben de Nepaleezen hunne eeuwenoude zeden en

gewoonten schier ongeschonden bewaard. Vooral geldt dit van de Gorkhas,

de afstammelingen van Hindoes, die, om zich aan de mohammedaansche

heerschappij te onttrekken, de wijk namen naar de ontoegankelijke

valleien van Nepâl.

Het voedsel der Nepaleezen is hetzelfde als in Hindostan, met dit

onderscheid evenwel dat het gebruik van vleesch er zeer algemeen is,

althans onder de gegoede klasse. Schapen- en geitenvleesch, gevogelte

en wild verschijnen dagelijks op tafel. De armsten leven van rijst en

eenige groenten. De meest algemeene drank is water, zooals trouwens

in geheel Indië. Echter bereidt men ook een alkoholischen drank, rakhi

genoemd, die uit rijst en meel wordt gestookt; dronkenschap is evenwel

eene hooge uitzondering. Het gebruik van thee, die uit Thibet wordt

ingevoerd, is zeer algemeen.--De kleeding der mannen bestaat uit een

soort van tuniek of kiel van witte of blauwe katoen. Aan den gordel

hangt altijd de geduchte koekhri, een wapen dat bepaaldelijk in Nepâl

inheemsch is en dat zoowel wordt gebruikt om hoofden af te houwen,

als om hout te hakken en biefstuk te snijden. De vrouwen dragen,

behalve de tuniek, nog een jakje. Als alle hindoesche vrouwen, zijn

zij overladen met sieraden: halskettingen, armbanden, oorhangers,

ringen in den neus, bloemen in het haar, en andere fraaiigheden van

dien aard. Zij verschijnen in het openbaar zonder sluier; zelfs zag

ik in sommige dorpen winkels, die door vrouwen werden gehouden.

In Nepal bestaat nog de slavernij. Elk vermogend man heeft een groot

aantal slaven, die tot zijn huisgezin behooren; men schat hun aantal

in het geheele land op minstens veertigduizend. Velen zijn als slaven

geboren; maar anderen waren aanvankelijk vrij en zijn wegens een of

ander misdrijf, met name wegens overtreding van de wet der kaste, als

slaaf verkocht. De prijs van een slaaf bedraagt twee- à driehonderd,

die van eene slavin drie- à vierhonderd francs. De slaven worden over

het algemeen zeer goed behandeld, en zijn, zoo als trouwens in alle

oostersche landen, tevreden met hun lot.

De rechtsbedeeling is in Nepal veel eenvoudiger en veel minder

omslachtig en langdradig dan in Europa; daar advokaten hier weinig

in tel zijn en men van hunne tusschenkomst in den regel geen gebruik

maakt, is het te onderstellen dat de rechtspraak minder dan elders

ontaardt in een wedstrijd van behendigheid tusschen spitsvindige

_debaters_. Sedert de hervormingen van Jang Bahadoer wordt de doodstraf

alleen voor de volgende misdaden toegepast: doodslag van een mensch

of eene koe--vooral van eene koe--verraad en desertie.

De heilige koeien spelen eene zeer gewichtige rol in Nepâl; de

koning en zijne ministers worden niet in die mate vereerd als deze

dieren. Wie, zelfs onwillekeurig en bij vergissing, eene koe verwondt,

wordt gestraft met levenslange gevangenis. De koeien kuieren dan ook

ongehinderd rond door de straten, zonder dat iemand het waagt ze aan

te raken. De soldaten der lijfwacht, die mij vergezelden wanneer ik de

drukke straten van Khatmandoe doorkruiste, deelden, om ruim baan te

maken, rechts en links onder de saamgepakte menigte slagen uit; maar

wanneer wij eene koe ontmoetten, gingen zij eerbiedig uit den weg. De

engelsche gezant vertelde mij eens, dat de eerste minister hem met den

meesten nadruk had aanbevolen, alle vijandelijke aanraking met koeien

te vermijden. "Een mensch te dooden", zeide hij, "beteekent in Nepâl

niet zoo veel en heeft niet zulke slimme gevolgen; maar mijne macht

zou te kort schieten om het leven te redden van iemand die eene koe

gedood had."--Ik begreep toen ook, waarom de engelsche gezant mij,

in een zijner brieven, zoo ernstig had gewaarschuwd geen koeien aan

te randen of te wonden. Die waarschuwing had mij toen zeer verbaasd,

en ik had daarop geantwoord met de stellige verzekering, dat ik,

hoewel geen lid van de vereeniging tot bescherming der dieren, nooit in

mijn leven eene koe eenig letsel had gedaan. Toch is de waarschuwing

in Indië te minder overbodig, omdat de koeien zeer bepaald vijandig

gezind zijn jegens de Europeanen.

De familie is hier vrij goed ingericht, althans bij de Gorkhas. De

vaderlijke macht is onbeperkt, de moeder wordt door hare kinderen met

eerbied bejegend. Ook na hun huwelijk blijven de zonen in het ouderlijk

huis, tot de vermeerdering van hun gezin hen noodzaakt eene eigene

woning te vestigen. De huwelijksbanden zijn, in tegenstelling van de

Gorkhas, die ook in de eerbiediging van het huwelijk hun indischen

oorsprong verraden, bij de Newars, in wie het thibetaansche bloed de

overhand heeft, zeer zwak en los. Even als bij alle Hindoes, heerscht

echter ook bij de Gorkhas de veelwijverij; desniettemin verstaan zij

op het punt van huwelijkstrouw geen gekscheren, en boet de overspelige

vrouw haar misdaad met levenslange kerkerstraf. De vrouwen schijnen

over het algemeen veel van haar echtgenooten te houden, althans te

oordeelen naar het feit, dat nog altijd een aantal weduwen zich met

het lijk van haar man laten verbranden. Zelfs Jang Bahadoer is niet

geslaagd in zijne poging om dit gebruik af te schaffen; na zijn dood

lieten drie zijner vrouwen zich met hem verbranden.

Bij de Newars is de huwelijksband veel losser dan bij de Gorkhas. De

vrouw kan van haren man scheiden wanneer zij wil. Zij heeft daartoe

niets anders te doen dan een betelnoot onder het hoofdkussen te

leggen, waarna zij, zonder verdere formaliteit, de echtelijke woning

kan verlaten. Bij dezen stand van zaken is echtbreuk eene kwestie

van ondergeschikt belang.

Reis in Nepal De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 6 / 6 题