TOEVOEGSEL OP DE LAPEKOER van 1829

_voor de goede vrienden van den uitgever._

_Friezen, waarde landgenoten!_

Onfangt met genegenheid deze zwakke pogingen van mij en mijnen broeder

Eeltsje Halbertsma om uwe schone taal enigen hoe flaauwen luister bij

te zetten. Gaarne hadden onze ontwerpen zich tot groteren voorraad en

ene prachtiger uitvoering der drukkunst uitgebreid, indien de last der

onderneming tusschen de bijdragen van vermogende Friezen en den arbeid

onzer hersenen had mogen verdeeld worden; maar in beide opzichten aan

onze eigene geringe middelen alleen overgelaten, omdat wij ons het

vragen schaamden, zijn die ontwerpen uit onmacht en niet uit onwil tot

dit geringe beperkt gebleven.

In dit boekje zult gij vinden proeven van allerlei stijl: kindergebeden

en satires; verhalen en zamenspraken; het vaderlandsche lied en den

tederen zang der moederliefde naast het kluchtig minnedeuntje. Indien

het enen meester vordert in slechts één dezer onderwerpen uit te

munten, zult gij de moeilijkheid beseffen om aan alle deze uit één

lopende onderwerpen te gelijk den eisch hunnes stijls te geven. Zijn

wij slechts geslaagd om u de mogelijkheid te bewijzen, dat de taal, die

heden nog onder u wordt gesproken, zich in allerlei gedaanten zal laten

plooien, zoodra haar ooit een vernuft als Gijsbert te beurt valt, dan

zullen wij het doel van onzen arbeid getroffen achten.

Grote moeite hebben wij ons gegeven tot ene waardige behandeling van

het hekelschrift. De satire, die de ontdekking van het menschelijk

hart, de opruiming van vooroordeelen en de verbetering der zeden ten

oogmerk heeft, wordt hier te lande ongelukkig verward met bouffonnerie,

die niets hogers bedoelt dan een ijdel lachen. Zeer zelden, en dan nog

met luim verstikkenden schroom, durfden vaderlandsche vernuften dit

vooroordeel trotseeren, uit vrees van hun karakter in het oog der

menigte tot dat van een potsemaker te verlagen. Ondertusschen leren de

voorbeelden van Persius en Juvenalis bij de Romeinen, van Boileau bij

de Franschen, en van Rabener bij de Duitschers, dat het hekelschrift

bij andere volken zijne eigene plaats der ere heeft naast dichtkunst en

welsprekendheid, en ook wij, zonder enige aanspraak op de hoge

verdiensten dier vernuften te maken, hebben gemeend op onze wijze de

satire te moeten beproeven, als een onderwerp, waarvoor de aart der

Friesche taal bij uitnemendheid berekend is. In de deftigste kerkrede

en in het kluchtigste hekelschrift zijn doel en waarheid één; de

omhulsels verschillen slechts.

In dit geschrijf, waarde landslieden, zal zeker, gelijk in alle

voortbrengselen van stervelingen, het kwade met het goede gemengd zijn.

Vergeving vragende voor het kwade bedelen wij gene lof voor het weinige

goede, dat uwe welwillendheid hierin misschien zou kunnen ontdekken.

Uit uwen lof immers kunnen wij niet leren, maar veel, zeer veel uit de

openhartige aanwijzing onzer misslagen, waarom wij minzaam verzoeken.

Mocht ons het geluk gebeuren van u te vernemen wat u mishaagt, wij

zullen gene kosten of moeite, die onder ons kort bereik vallen, sparen,

om ons te verbeteren. Wij kennen geen strelender denkbeeld, getrouwe

Friezen, dan dat van u vermaak te doen, dewijl het zich sluit aan het

andere denkbeeld van langs dien weg een kleine plaats te verwerven in

uw welwillend aandenken.

Justus Halbertsma.

Deventer den 28 Augustus 1829.

Rimen en Teltsjes · 第 104 / 279 题