_voor de goede vrienden van den uitgever._
_Friezen, waarde landgenoten!_
Onfangt met genegenheid deze zwakke pogingen van mij en mijnen broeder
Eeltsje Halbertsma om uwe schone taal enigen hoe flaauwen luister bij
te zetten. Gaarne hadden onze ontwerpen zich tot groteren voorraad en
ene prachtiger uitvoering der drukkunst uitgebreid, indien de last der
onderneming tusschen de bijdragen van vermogende Friezen en den arbeid
onzer hersenen had mogen verdeeld worden; maar in beide opzichten aan
onze eigene geringe middelen alleen overgelaten, omdat wij ons het
vragen schaamden, zijn die ontwerpen uit onmacht en niet uit onwil tot
dit geringe beperkt gebleven.
In dit boekje zult gij vinden proeven van allerlei stijl: kindergebeden
en satires; verhalen en zamenspraken; het vaderlandsche lied en den
tederen zang der moederliefde naast het kluchtig minnedeuntje. Indien
het enen meester vordert in slechts één dezer onderwerpen uit te
munten, zult gij de moeilijkheid beseffen om aan alle deze uit één
lopende onderwerpen te gelijk den eisch hunnes stijls te geven. Zijn
wij slechts geslaagd om u de mogelijkheid te bewijzen, dat de taal, die
heden nog onder u wordt gesproken, zich in allerlei gedaanten zal laten
plooien, zoodra haar ooit een vernuft als Gijsbert te beurt valt, dan
zullen wij het doel van onzen arbeid getroffen achten.
Grote moeite hebben wij ons gegeven tot ene waardige behandeling van
het hekelschrift. De satire, die de ontdekking van het menschelijk
hart, de opruiming van vooroordeelen en de verbetering der zeden ten
oogmerk heeft, wordt hier te lande ongelukkig verward met bouffonnerie,
die niets hogers bedoelt dan een ijdel lachen. Zeer zelden, en dan nog
met luim verstikkenden schroom, durfden vaderlandsche vernuften dit
vooroordeel trotseeren, uit vrees van hun karakter in het oog der
menigte tot dat van een potsemaker te verlagen. Ondertusschen leren de
voorbeelden van Persius en Juvenalis bij de Romeinen, van Boileau bij
de Franschen, en van Rabener bij de Duitschers, dat het hekelschrift
bij andere volken zijne eigene plaats der ere heeft naast dichtkunst en
welsprekendheid, en ook wij, zonder enige aanspraak op de hoge
verdiensten dier vernuften te maken, hebben gemeend op onze wijze de
satire te moeten beproeven, als een onderwerp, waarvoor de aart der
Friesche taal bij uitnemendheid berekend is. In de deftigste kerkrede
en in het kluchtigste hekelschrift zijn doel en waarheid één; de
omhulsels verschillen slechts.
In dit geschrijf, waarde landslieden, zal zeker, gelijk in alle
voortbrengselen van stervelingen, het kwade met het goede gemengd zijn.
Vergeving vragende voor het kwade bedelen wij gene lof voor het weinige
goede, dat uwe welwillendheid hierin misschien zou kunnen ontdekken.
Uit uwen lof immers kunnen wij niet leren, maar veel, zeer veel uit de
openhartige aanwijzing onzer misslagen, waarom wij minzaam verzoeken.
Mocht ons het geluk gebeuren van u te vernemen wat u mishaagt, wij
zullen gene kosten of moeite, die onder ons kort bereik vallen, sparen,
om ons te verbeteren. Wij kennen geen strelender denkbeeld, getrouwe
Friezen, dan dat van u vermaak te doen, dewijl het zich sluit aan het
andere denkbeeld van langs dien weg een kleine plaats te verwerven in
uw welwillend aandenken.
Justus Halbertsma.
Deventer den 28 Augustus 1829.