V. GEURIGE PADDENSTOELEN

Het vorige hoofdstuk eindigde ik met een bescheiden aansporing, om uw

waarnemingsvermogen te scherpen. Hoe beter we zien, hooren, ruiken, des

te beter kunnen we de natuur genieten en waardeeren. Gezicht en gehoor

wordt bij de meesten onzer wel geoefend, daarvoor nemen we teekenles en

muziekles en school en kunst houden ons voortdurend in die richting

bezig. Maar we hooren niet veel van reukles of geurkunst; evenwel kan

Boldoot bestaan, en dat vind ik al een heel belangrijk bewijs voor de

groote beteekenis van geuren en reukzin.

Wat mij betreft, ik heb altijd een goed reukvermogen gehad en het nooit

bedorven door veel te rooken of vaak verkouden te zijn. Daarvan geniet

ik nu veel op mijn wandelingen het heele jaar door. Het is een groot

genot om de ontluikende boomen te ruiken en allerlei bloemen, nog voor

ge ze ziet. Het berkenmoeras in het laatst van April en in Mei is een

symphonie van geuren, als ik het tenminste zoo zeggen mag. Van het

Naardermeer heb ik haast een even goed reukbeeld als gezichtsbeeld en

ik zou er in een donkeren voorjaarsnacht heel aardig op den reuk af den

weg kunnen vinden.

Maar ter zake; we willen in dit hoofdstuk eens probeeren eenige

paddenstoelen te vinden op den reuk af, of ze te herkennen aan hun

geur. Paddenstoelen en schimmels zijn broertje en zusje en waar het

schimmelt, ruikt het duf. Nu hebben veel paddenstoelen ook een duffen

geur en je kunt het in een oud krot heel goed ruiken als de vloeren en

balken soms aangetast zijn door de Huiszwam (Merulius lacrymans) (95).

’t Is eigenlijk het eenige middel om hem te vinden, want hij werkt

altijd in het duister en mooie hoeden brengt hij niet voort, doch

slechts een kleurige korst, waarop zich dikke droppels kunnen vormen en

aan die „tranen” dankt hij zijn wetenschappelijken bijnaam. Een eigen

geur heeft hij eigenlijk niet, maar slechts den algemeenen geur van

schimmels en mycelia. Er zijn echter heel wat paddenstoelen, die een

eigen persoonlijken geur hebben en daar is het nu om te doen. Ik ken

een bosch van hooge dennen en daar groeit op den grond in dezen tijd

(September-October) haast niet anders dan de Gele Knol-Amaniet (Amanita

mappa) (H, K). Bij stil weder ruik je die paddenstoelen gemakkelijk

boven de herfstgeuren uit, het is de geur van rauwe aardappelen. Ik zal

maar niet vertellen aan hoeveel menschen ik dien geur heb willen

aanwijzen en hoe vaak ik tot bescheid kreeg „ik ruik er niets van”.

Daar moet ik dan wel in berusten. Doch ik houd het meest van fijne,

subtiele geurtjes; het grof geschut bewaar ik voor het laatst. Welnu,

we zoeken een mooien grooten heksenkring van de ons reeds bekende

Nevelzwam (Clitocybe nebularis) (34). Pluk nu een halfwas exemplaar en

houd dat bij je neus. Is dat niet de lekkere geur van meel? Natuurlijk

moet je eerst den reuk van meel kennen en je daarvoor den tijd

herinneren, toen je nog zooveel belang stelde in het beslag voor

poffertjes, oliebollen en pannekoeken. De Trechterzwam, die in den

winter nog groote heksenkringen vormt in het dennenbosch, de

Wintertrechterzwam (Clitocybe brumalis) (90) ruikt ook naar meel. Deze

lijkt wel op de Nevelzwam, maar wordt niet zoo groot. De middellijn van

den hoed bereikt zelden 1 d.M. Hij is heelemaal vaal grijs, ook de

platen, maar als de droge Oostenwind waait, dan wordt hij bijna wit en

de platen geelachtig.

Sommige ridderzwammen ruiken ook naar meel b.v. de Voorjaarsridderzwam

(Tricholoma gambosum) (87) en de Witte Ridderzwam (Tricholoma album)

(91). Deze is ook alweer wit, wat goed overeenkomt met zijn meligheid.

De uitgespreide hoed kan een middellijn hebben van anderhalven

decimeter, de dikke steel wordt een decimeter hoog. Meestal zijn ze een

heel stuk kleiner. De hoed kan ook geelachtig zijn of wit met geel in

het midden of wit met gele vlekken. Zoo ook de steel. Er zijn nog meer

van die wittige ridderzwammen en je onderscheidt ze niet gemakkelijk

van elkander. Onze Witte Ridderzwam moet je eigenlijk herkennen op den

smaak, die gewoonlijk bitter is.

De Cantharellen ruiken naar abrikozen, maar nu moet je niet denken, dat

een mandje met Cantharellen dadelijk even sterk geurt als een

fruitwinkel. Evenmin moogt ge denken, dat de Narciszwam (Tricholoma

sulfureum) (86) altijd den geur van narcissen heeft. De meeningen der

kenners over den geur van dezen paddenstoel loopen zeer uiteen.

Sommigen zeggen: hij ruikt naar boerenjasmijn; anderen naar narcissen

en dat is allebei zeer aangenaam. Maar nu is er ook een partij, die

zingt een heel ander liedje en wel van skatol en zwaveldioxyde of met

andere woorden uitwerpselen en rotte eieren. Zooals meestal hebben

beide partijen gelijk; de geur zit om zoo te zeggen net op de grens van

aangenaam en onaangenaam en de kleinste kleinigheid kan hem doen

overslaan naar de eene of naar de andere richting. Hebt ge er ook wel

eens op gelet, dat de bladeren van den egelantierstruik nu eens

heerlijk kunnen geuren naar zure appelen en een andermaal weer zeer

benauwend naar tabak? De persoonlijkheid van den waarnemer spreekt hier

ook een woordje mee. De Narciszwam is heelemaal geel; alles: steel,

platen, hoed en mooi ook. De platen zijn stevig en staan niet dicht op

elkander. Bruine stippeltjes aan den steel en bruine partijtjes op den

hoed verlevendigen het geheel. Hij staat meest in loofbosch, maar ook

wel in het naaldhout, middelsoort groot, middellijn van den hoed 3–8

c.M.

Nu willen we snuffelen naar iets aangenamers. Denk maar eens aan

anijsmelk en ga dan in de herfstvacantie (daar dient die voor) wandelen

in het beukenbosch op de stille plekken, waar het blad is blijven

liggen en nu langzamerhand, o heel langzaam, vergaat, zooals dat bij

beukenblad de gewoonte is. Opgepast, daar zijn ze al. We willen nu niet

erover twisten, of we ze ’t eerst gezien hebben of het eerst geroken

hebben. Ze ruiken prettig naar anijs en wat een prachtige

paddenstoeltjes: de steel wit, de hoed, die eerst kegelvormig is, maar

zich later tot bekervorm uitspreidt, prachtig blauwgroen en ook de

platen, die een eindje langs den steel afloopen, blauwgroen. Dit is

weer een van de paddenstoelen, die reuzenvormen kan vertoonen;

gemiddeld is de middellijn van den hoed 7 c.M., maar hij kan wel

tweemaal zoo groot worden. Natuurlijk heet deze paddenstoel de Groene

Anijszwam (Clitocybe odora) (94). Er is ook nog een Kleine Grijze

Anijszwam (Clitocybe suaveolens) (88), zooals ge ziet ook alweer een

Trechterzwam, die is lichtbruin, met bijna witte plaatjes, de dunne

steel onderaan verdikt en daar een beetje fluweelig. Hij is ranker op

de pooten dan de Groene Anijszwam, maar zijn hoed is kleiner, op zijn

hoogst 7 c.M. breed en hij groeit meest onder of bij naaldhout op

grazige plekjes. In den regel riekt hij nog sterker dan de Groene.

Nog een andere merkwaardige Anijspaddenstoel is de Bruine Anijszwam

(Lentinus cochleatus) (102). Dit is een van de boomstronkbewoners en

hij groeit op de manier van de oesterzwam in heele kolonies, zoodat de

hoeden soms als dakpannen over elkaar liggen. Hij is warmbruin; de

plaatjes, die langs den steel afloopen, zijn licht gekleurd. De steel

is weer donkerder, zeer rimpelig en zit meestal niet aan het midden van

den hoed vast, maar excentrisch, zooals dat ook bij een paddenstoel,

die zijdelings uit een stronk te voorschijn komt, wel te verwachten is.

Hij groeit niet alleen aan beuken, maar ook aan wilgen en elzen en

zeker ook nog wel op ander hout.

Van anijs naar radijs. Ge moogt niet rusten, eer ge onze Radijszwam

hebt gevonden (Hebeloma crustiliniforme) (93). Hij komt voor zoowel in

loofbosschen als in naaldhout en dikwijls in heksenkringen. ’t Is weer

een van die lastige soorten, die noch manchet, noch gordijn, noch

knolvoet hebben en de plaatjes hebben ook weinig bijzonders. Alleen

zijn ze op de snede vlokkig en met fijne insnijdingen en er hangen vaak

kleine vochtdroppeltjes aan. Ook de steel vertoont kleine kruimelige

vlokjes en de rand van den hoed is vaak gestippeld. De kleur is nog al

wisselend: van lichtgeel af tot bruingeel en zelfs een beetje rossig.

De steel is in dezelfde kleur als de hoed, maar veel lichter, soms bij

wit af. De kruimeligheid en de vlokjes en eindelijk de anijsgeur moeten

u op het rechte spoor brengen. De Vezelkop van de duinen ruikt ook wel

eens naar radijs en de Vermiljoenzwam ook.

Voor de bittere amandelen moeten we weer naar de Trechterzwammen en wel

naar de echte, de Slanke Trechterzwam (Clitocybe infundibuliformis)

(33, 89), een gele of bruinig gele paddenstoel, die volwassen dikwijls

zeer mooi en zuiver den trechtervorm aanneemt. De plaatjes zijn bij wit

af, de steel lichtgeel en onderaan omgeven door witte vlokjes, een heel

goed kenmerk. Wij vinden hem in loofbosschen en hij is eetbaar, al

wijst de geur van bittere amandelen op de aanwezigheid van het giftige

blauwzuur. Er zijn nog al veel eetbare paddenstoelen, die blauwzuur

bevatten; dat hindert ook niet, want het gaat bij de toebereiding er

uit. De Weidekringzwam verkeert ook in dat geval en het is daarom wel

beter om hem niet rauw te eten. Sommigen doen dat juist wel, om de

pittige amandelsmaak. Een beetje hindert ook niet. De Ringsteel bevat

eveneens blauwzuur.

Een, die het nog al erg heeft en dan nog gecombineerd met andere,

weerzinwekkende geurtjes, is de Stinkende Russula (Russula foetens)

(100), een groote bruine Russula, hoed tot 15 c.M. doorsnee. De bruine

hoed is straalsgewijs donker gestreept, wat bij gave, jeugdige

exemplaren heel mooi is. De plaatjes zijn wit en de steel grijzig. ’t

Is niet eens noodig, om te vertellen dat hij vergiftig is, want niemand

zal zich aan deze stinkadorus wagen.

Is de geur van knoflook aangenaam? Een paar verwanten van de

Weide-Kringzwam hebben een tamelijk sterken knoflookgeur en we noemen

in de eerste plaats de Knoflookmarasmius (Marasmius scorodonius) (99).

Het is een van de kleinere soorten, het rossige, ijle hoedje, dat met

het ouder worden straalsgewijs rimpelt, heeft op zijn hoogst een

middellijn van 25 m.M. en de donkere, bijna zwarte taaie steel is

ongeveer 3 m.M. dik. Hij groeit net als het Wieltje op afgevallen

bladeren, takken, rommel en wordt werkelijk om zijn knoflooksmaakje wel

gebruikt om andere paddenstoelgerechten te kruiden, of zelfs de

schapebout. In het officieele Haagsche Kookboek wordt hij echter niet

vermeld, wel bij juffrouw Cool. Wie hem gebruiken wil moet oppassen, om

niet in zijn plaats de Sparren-Marasmius (M. perforans) (98) te nemen.

Die ruikt ook wel een beetje naar knoflook, maar tegelijk ook naar

rotte kool, dus als je neus goed in orde is, ben je gauw gewaarschuwd.

Bovendien is de Sparren-Marasmius kleiner, zijn steel draaddun en een

beetje fluweelig. Ook heeft het echte Knoflookzwammetje licht

vleeschkleurige plaatjes, ook wel eens wit met een vleeschkleurig

randje. Al die kleine Marasmiusjes groeien bij duizenden, ik raak in

het dennenbosch wel eens diep onder den indruk van al dat gekrioel van

het kleine grut.

Er is ook een Zeepzwam (Tricholoma saponaceum) (96), dat is dus alweer

een van die moeilijke Ridderzwammen. Daarbij komt nog, dat hij

verschillende kleuren kan hebben, dus ge kunt er wel eens vinden, die

van ons plaatje verschillen. Nu dan, het is weer een van de groote

paddenstoelen: middellijn van den hoed 5–15 c.M., steel 5–10 c.M. hoog,

1–3 c.M. dik. De kleur van den hoed kan zijn groenachtig grijs,

groengeel, groenig zwart, geel, bronsbruin, loodgrijs, een waar

kameleon dus. Maar die hoed is altijd glad en niet vlokkig, streperig

of zijdeachtig, zooals andere ridderzwammen dat wel hebben. De dikke

steel is wel een beetje schubbig en dikwijls zijn de schubbetjes zwart.

Het vleesch is wit, maar wordt bij het doorsnijden licht rood. Het

smaakt bitter en riekt een beetje zeeperig, den eenen keer meer, den

anderen minder.

Naar het scheikundig laboratorium ruiken de Chloor-Entoloma (Entoloma

nidorosum) (85) en de Chloor-Mycena (M. alcalina) (97). Deze Mycena is

een van de kleintjes: een klokvormig hoedje met een middellijn van 25

m.M., een rank dun steeltje, tot 8 c.M. lang; zonder den chloorgeur

zouden we weer moeite hebben met het herkennen, want hoedje zoowel als

steel kunnen allerlei kleuren hebben: zwart, bruin, geel met roode

vlekken maar altijd glanzend. Hij groeit op boomstronken en boschafval

troepsgewijs en groepsgewijs. De Entoloma heeft een hoed, die eerst

bol, later uitgespreid is en grijs van kleur, tot 7 c.M. middellijn, de

plaatjes zijn eerst wit, later vleeschkleurig n.l. als de sporen

rijpen, want Entoloma behoort tot de tamelijk kleine groep van de

Rosesporige paddenstoelen. Op hun ranke witte steeltjes maken deze een

zeer goed figuur in het eiken- of beukenbosch. Zeer dikwijls zult ge ze

niet vinden.

En nu het grof geschut, de beruchte Stinkzwam (Phallus impudicus) (92).

Die ruik je soms vijfentwintig meter ver, of nog verder en de

herinnering aan den geur omzweeft je nog uren lang. In een van de

eerste jaargangen van De Levende Natuur kunt ge nog nalezen, hoe

Heimans mij eens in een kistje het voetstuk van zoo’n zwam uit Zwolle

thuis stuurde uit plagerij. Ja, ja, je kunt met die zwam allerlei

stukjes uithalen. Heiman’s snaakschheid heeft in dat jaar nog menigeen

aan het werk gezet en de duivelseieren werden rondgestuurd over het

heele land. Ik had er ook in Hummeloo een aantal gevonden en de oude

heer Kok Ankersmit nam er weer een drietal mee naar Apeldoorn, waar hij

zich er ook bijzonder mee geamuseerd heeft.

Heelemaal afgezien van den geur is het ook een zeer merkwaardige plant.

Hij vormt eerst in den grond een bolvormig lichaam zoo groot als een

aardappel met een taai vel, maar daaronder voelt het week aan, want

daar zit een dikke geelachtige laag. Dan volgt weer een vel en

daarbinnen ligt de eigenlijke sporendrager, de hoed al duidelijk, maar

de steel nog zeer kort. Dat aardappelachtig ding wordt wel duivelsei

genoemd en zit met taai wortelachtig weefsel verbonden met het

mycelium.

Als nu zoo’n duivelsei „rijp” is, dan schiet de paddenstoel daaruit

omhoog met vrij groote snelheid. Dat kan in een paar uren gebeurd zijn.

Neem maar eens de proef en zet op een geschikte plek een aantal van die

duivelseieren in vochtig mos op een schoteltje. Ik heb den indruk, dat

het uitgroeien meestal gebeurt gedurende den nacht. De hoed breekt door

de buitenhuid heen en dan strekt de witte steel zich heel snel. De

steel is prachtig wit en mooi van structuur, broos met mazen en poriën

maar gelijk van oppervlak. De hoed is groen en lijkt in bouw wel wat op

de morielje, vandaar ook de Duitsche namen Stinkmorchel en

Gichtmorchel. Het vel van het duivelsei blijft als een beurs rondom den

voet zitten.

De hoed zit heel los op den steel en is aan zijn top doorboord. De

groene sporenmassa wordt gaandeweg dun vloeibaar en droppelt van den

hoed omlaag, die dan ten slotte dun en vliezig wordt en indroogt. Al

dien tijd staat de zwam te geuren en de geur lijkt wel zeer

bedriegelijk op die van dierenlijken in staat van ontbinding en ’t is

mij wel gebeurd, dat ik op den reuk af een stinkzwam meenende te vinden

terecht kwam bij een dood egeltje, zooals er in den nazomer zooveel in

de bosschen te vinden zijn. ’t Is te begrijpen, dat de aasvliegen en

aaskevers zich ook zoo vergissen en waar ge de stinkzwammen vindt,

ontbreken dan ook zelden de groote groene en blauwe keizervliegen, de

geblokte vleeschvlieg en de platte aaskevers (Silpha), vooral de mooie

zwart met bruine soort (Silpha quadrimaculata) en de zwarte (S.

atrata). Wij vonden eens in het bosch bovenop den Amersfoortschen berg

een heele kolonie van Stinkzwammen (ze groeien doorgaans in troepjes)

en daar was een heele insectenverzameling present, zelfs een paar

doodgravers die met opgerichte knopsprieten rondliepen en natuurlijk er

niets van snapten, dat zij bij al dien geur geen behaard of bevederd

krengetje konden ontdekken, dat er naar hun ervaring toch altijd bij

behoort. Het spreekt vanzelf, dat al die insecten de sporen van onze

zwam wijd en zijd verspreiden door bosch en veld. In den regel vinden

we de Stinkzwam in bosschen, maar toch ook wel in het duin, midden

tusschen het helmgras. In een tamelijk dik en tamelijk geleerd Engelsch

boek van den jongsten tijd lees ik zelfs dat in Engeland de stinkzwam

alleen maar voorkomt in gezelschap van het helmgras. Nu, dat kan ik

niet gelooven. Wel schijnt er een verschil te bestaan tusschen den

duinbewoner en den boschbewoner en wel zou de eerste er vaak

rooskleurige duivelseieren en wortelvezels op nahouden. Alweer iets om

op te letten. Soms ook komen er uit één duivelsei twee, zelfs drie

paddenstoelen. En soms, het is mij overkomen, vindt ge een Stinkzwam

zonder stank. Alweer nieuwe geheimen.

In sommige jaren komt de Stinkzwam in zeer grooten getale voor,

dikwijls genoeg reeds in Juni. Je zoudt denken, dat is niet prettig

voor de wandelaars, die houden van rozengeur en dergelijke dingen. Maar

als je weet, dat die geur afkomstig is van dezen uiterst merkwaardigen

paddenstoel, dan raak je er wel een beetje mee verzoend, te meer omdat

er achter den lijkengeur toch nog weer een pittiger geur schuilt.

Wij hebben ook nog een klein stinkzwammetje, dat ook opschiet uit een

duivelsei. Het is half zoo groot als de gewone en heeft betrekkelijk

slanker en slapper steel en kleineren hoed en die is rood, als de

sporenmassa weg is. Deze Kleine Stinkzwam (Mutinus caninus) (101) is

minder algemeen dan de stinkzwam, maar toch lang niet zeldzaam en ik

heb hem gevonden in allerlei bosschen, zoowel naaldhout als loofhout.

Men zegt, dat hij een bijzondere voorkeur zou hebben voor hazelaars.

Let er eens op. Er zijn op het gebied van de paddenstoelenkennis nog

heel wat ontdekkingen te doen en beweringen te staven.

Paddenstoelen · 第 9 / 15 题