VI. ALS HET WINTERT

Het dagboek van een paddenstoelenzoeker kan er het eene jaar heel

anders uitzien dan het andere. Wanneer we 1908 eens vergelijken met

1911 of 1920 met 1927, dan krijgen we heel merkwaardige dingen te zien,

verschillen van weken en maanden in de datums van het eerst verschijnen

en voor goed verdwijnen. De oorzaak daarvan ligt eerder in de

vochtigheid dan in de temperatuur en dat maakt dat in den winter en in

het voorjaar nog heel wat soorten van paddenstoelen kunnen worden

aangetroffen.

Gedurende de eerste vorst-periode sneuvelen veel ridderzwammen,

russula’s en amanieten. De aardsterren echter houden het nog dapper uit

en we vinden nu de gelegenheid om naast onze Kraag-Aardster uit

Hoofdstuk I nog eens uit te zien naar een paar kleine soorten,

ongelooflijk mooie dingetjes. We noemen het eerst de Kleine Aardster

(Geaster cesatiï) (111). Het ster-lichaam, met een geleerd woord

genoemd, het buitenste peridium, scheurt in 5–10 slippen, die

buitenwaarts omkrullen, waardoor het gesteelde bolletje (het binnenste

peridium) iets in de hoogte komt. Dat bolletje loopt naar het gat, waar

de sporen uit komen, kegelvormig toe en dat kegeltje is fijn gerimpeld

en verschilt in kleur van de rest van het peridium. Haast nog aardiger

is de Vierslippige Aardster (Geaster fornicatus). Die heeft ook zoo’n

mooi kegelvormig mondje, maar het buitenste peridium scheurt in vier

slippen en dan weer eens in twee platen, een bovenste en een onderste,

die tegengestelde kanten uit opkrullen en zoo komt dit aardsterretje

dan op hooge pooten te staan. Dan hebben we nog de Tepel-Aardster (G.

mammosus) (114); de Gewimperde Aardster (G. fimbriatus) (126) en de

Peperbus (G. coliformis) (112), die alleen in de Hollandsche duinstreek

voorkomt. Hij heet zoo, omdat hij niet één opening heeft, waaruit de

sporen gestrooid worden, maar een stuk of tien; hij draagt dus zijn

naam met eere. Wij vinden die aardsterren hier meestal op oude

buitenplaatsen; een enkelen keer ook wel in openbare parken, maar het

is net, alsof die mooie dingetjes een rustige, stille omgeving zoeken.

In ieder geval hebben ze een rustigen bodem van noode. Daar zien we ook

andere vreemde paddenstoelen, bruine fluweelige ronde of ovale plakken,

half over elkander gegroeid, met franje’s aan den rand, zwart of wit,

al naar den leeftijd. Deze Franjezwam (Thelephora terrestris) (106)

behoort tot de Korstzwammen, maar heeft soms het uiterlijk van een

stekelzwam. In een donker sparrenlaantje heb ik ze nog al veel op den

bruinen naaldengrond en daar zijn ze dan haast niet te zien: alleen

donkere vlekken met hier en daar een wit randje.

De eigenlijke korstzwammen verdienen hun naam door boomstammen en

paaltjes als met een korst te bekleeden. Sommige blijven jaar in jaar

uit vlak tegen hun schors aangeplakt, dat zijn de Melkwitte en de

Vleeschkleurige Korstzwam (Corticium lacteum) (122) en (C. incarnatum)

(125), andere laten bij droogte heelemaal los en schrompelen weg, b.v.

de Donkerpaarse Eiken-Korstzwam (C. quercinum) en de wasachtigwitte

Harszwam (C. giganteum) (116), die op dennen voorkomt en werkelijk voor

zijn doen reusachtig groot kan worden. Een heel mooie oranje korst,

dikwijls aardig met paars gestreept, vormt de Oranje Aderzwam (Phlebia

aurantiaca) (115), meest op zieke beuken.

Andere korsten krullen aan één kant buitenwaarts om en gelijken dan

oppervlakkig wel wat op Polyporus-soorten, doch zij vertoonen nooit

gaatjes. Deze deels omgekrulde korstzwammen heeten Stereum en zij maken

in den winter een flink figuur door hun sneeuwwitte, bruine, purperen,

gele randen en lijsten. We hebben een paar van die taaie knapen voor u

afgebeeld en wel de Purper-Korstzwam (Stereum purpureum) (107) en de

Gele Korstzwam (St. hirsutum) (118). Natuurlijk houden de even taaie

Polyporussoorten, zooals de Elfenbankjes, het in den winter even goed

uit en er is er zelfs een, die met reden den naam draagt van

Winterhoutzwam (Polyporus brumalis) (103). Hij staat met een kort dik

steeltje op doode takken en stammen en spreidt een eenvoudig effen

grijsbruin hoedje uit; de onderzijde waar de poriën zitten is

geelachtig wit. Een heel mooie Polyporus, die den winter overduurt, is

de groote Sparrenhoutzwam (Polyporus Schweinitziï) (120). Hij is wat

onregelmatig ter been, weet nooit hoeveel voeten hij zal maken en

spreidt een fluweelig bruinen hoed een paar decimeter wijd uit. Die

hoed is mooi met donkere en lichte kringen versierd. Hij groeit op de

wortels van levende sparren of van stompen van pas gekapte boomen en

behoort bij de schadelijke paddenstoelen.

Op stronken vinden wij ook de Gewei-Zwam (Xylaria hypoxylon) (104), een

prachtig ding met zijn zwarte lichaam en witte geweitakken. Hij behoort

tot de Kernzwammen evenals de Rupsendooder en hierbij behoort ook het

zwammetje, dat wij vroeger het luciferskoppen-zwammetje noemden, maar

thans heet het Meniezwammetje (Nectria cinnabarina) (123). Gij hebt het

honderden malen gezien op doode takjes, allemaal kleine roode stippels,

net luciferskoppen.

Naast al dat droge gedoe vinden we wonder boven wonder in den winter

ook nog heel teere geleiachtige zwammen aan takken en stammen. Kijk

eens in het bladerlooze eikenhout, dan ziet ge iets geels glinsteren,

een geel geleiklompje, aardig geplooid en trillend bij de minste

aanraking. Dit is de Gele Trilzwam (Tremella mesenterica) (119). Er is

ook een Zwarte Trilzwam (Exidia glandulosa) (108), net zoo’n

geleiachtig en rimpelig gedoetje als de Gele. Nu vindt ge op eiken ook

vaak zwarte weeke uitpuilsels, op knoopen gelijkend, dat is de

Knoopzwam (Bulgaria) en die is verwant met onze Peziza’s en Helvella’s.

Om nu nog eens tot de Trilzwammen terug te keeren, daartoe behoort ook

het beroemde Judasoor (Hirneola auricula Judae) (105). Dat groeit op

oude vlierstruiken. Al vijfendertig jaar lang heb ik nu hier dan daar

mijn oude vlierstruiken, waar ik elk najaar, elken winter ga kijken

naar de Judasooren. Ze komen eerst uit de zware takken te voorschijn

als kleine bruine knopjes, dicht op elkaar. Die knopjes groeien uit tot

bekertjes, die zich later weer grillig vervormen en daarbij komt het

dikwijls uit, dat zij werkelijk veel gaan gelijken op een menschelijke

oorschelp. Een jaar of tien geleden heeft een oude vriend er een voor

mij gefotografeerd, die inderdaad haast precies een oor leek. Ge kunt

een afdruk ervan vinden in het Paddenstoelboekje van Cool en v. d. Lek.

De bruine kleur gaat langzamerhand over in donker violet, maar keert

ook weer terug. Als het gaat vriezen en er waait een droge Oostenwind,

dan wordt het oor eerst pimpelpaars, dan bruin en ’t schrompelt

eindelijk in. Maar zoodra het gaat dooien en regenen, zuigt de

oppervlaktelaag weer water op en het oor is weer even frisch als te

voren. Eindelijk verdroogt het voor goed, maar in het najaar komen uit

denzelfden tak weer nieuwe ooren spruiten.

De bewoners van het bevoorrechte Zuiden en Oosten van ons land kunnen

op hun winterwandelingen in het naaldbosch eens uitkijken naar een van

onze zonderlingste paddenstoelen n.l. de Sponszwam (Sparassis crispa)

(127). Hij groeit aan den voet van dennen, lariksen, sparren, ook op

wortelstronken en lijkt uit de verte op een groote geelachtige spons of

bloemkool en onze oostelijke buren hebben er een klokhen in meenen te

ontwaren en noemen hem dan ook „Krause Glucke”. De massa kan wel

uitgroeien tot een ding van een halven meter in middellijn, dus van het

kaliber van de Reuzenbovist en er zijn er gevonden van 9 K.G. zwaar.

Hij is goed eetbaar, natuurlijk het lekkerst in zijn jeugd. Hazen, die

hem zeker voor bloemkool houden, knabbelen er aan en ook de herten en

reeën weten er raad mee. Als hij begint te bruinen wordt hij bitter en

dan heeft hij op de ingewanden dezelfde uitwerking als die

koraalzwammen, die de Geneveezen niet mogen eten. Hij kan nog al aardig

goed tegen de vorst; er is een geval bekend, dat hij een temperatuur

van -12.5° C. met glans heeft doorstaan.

Hetzelfde geldt voor een zeer bijzonder vriendje van me, de Groene

Glibberzwam (Leotia lubrica) (113); die heb ik ook wel na flinke vorst

nog frisch gevonden, hoewel de boeken hem geen langer leven schenken

dan tot in October. ’t Is een alleraardigst paddenstoeltje, week,

buigzaam, glibberig met dikken gelen steel en daarboven een bol hoedje

dat geel en groen of bruinig, op het laatst zelfs zwart kan zijn.

Plaatjes of gaatjes of stekels heeft deze Leotia niet; hij hoort bij de

Morieljes thuis evenals een andere klant, die na den winter in het

vroege voorjaar te voorschijn komt: het Vingerhoedje (Verpa

digitaliformis). Die groeit tegelijk met bloeiend Speenkruid en

Anemoontje. ’t Is een lichtgele of witte steel, zoo groot als een

vinger en daarboven een vingerhoed, glanzig geelbruin, mooi frisch. Dat

de vingerhoed voor den vinger een beetje te groot is, hindert

natuurlijk niet.

Zijn er dan in den winter geen plaatjes-paddenstoelen? Welzeker, en te

veel om te noemen. Ziet ge die donkerbruine paddenstoel wel, zoo groot

als een vuist? De randen van den hoed zijn naar beneden omgekruld. Aan

den onderkant vinden we de plaatjes, bruin dicht opeen. Dat is de

Krulzoom (Paxillus involutus) (129), die we het heele najaar ook al

hadden kunnen vinden. In zijn jongen tijd is hij lichter van kleur. Hij

groeit zoowel in bosschen als in weiden en moerassen.

Nu zien we aan boomstompen en takken nog wat grijze halfcirkelvormige

dingen uitsteken, waarschijnlijk ook plaatzwammen. Sommige hebben een

klein zijdelingsch steeltje en daar van straalt het hoedje waaiervormig

uit met fijne teekening van de dunne plaatjes, die onderling ook weer

verbonden kunnen zijn. Bij vorst en oostenwind schrompelen de

waaiertjes neer, maar de dooi doet ze weer herleven. Dit sierlijk

dingetje heet de Scherpe Schelpjeszwam (Panus Stipticus) (124).

Het andere waaiertje is ongesteeld en lijkt in het eerst wel op een

soort van elfenbankje, net zoo taai en een beetje fluweelachtig en in

grijs en bruin kringsgewijs geteekend. We bekijken de onderzijde en

vinden daar geen poriën, maar zeer merkwaardige plaatjes, die zijn dik

en op hun snede gespleten en dan naar beide kanten eventjes uitgebogen.

We zouden deze zwam daarom wel Splijtplaat hebben kunnen noemen, maar

een vriendelijk lot heeft anders beslist en hij heet nu Waaiertje

(Schizophyllum commune) (117). Wanneer ge eenigszins ervaren zijt in de

Grieksche taal, zult ge begrijpen dat Schizophyllum toch splijtplaat

beteekent.

De aardigste en bij velen zeer geliefde Winterzwam is het Fluweelpootje

(Collybia velutipes) (128). Die groeit in oranje groepjes en een

oningewijde zou hem kunnen houden voor een Zwavelkopje, ge herinnert u

nog wel het drietal, dat zoo moeilijk is te onderscheiden. Nu zou er

hier nog een vierde bij komen, maar gelukkig is dat niet het geval, de

Fluweelpoot verschilt zeer duidelijk van den Zwavelkop. Weliswaar

groeit hij ook gebundeld op boomstompen, maar zijn steel is

betrekkelijk lang en dun, donkerbruin tot zwart toe en fluweelachtig

behaard. De stelen zitten diep in het hout, dringen daarin door met

wortelstrengen. De plaatjes zijn geel en de hoed is geel, met bruin in

’t midden en dat lijkt wel op Zwavelkop. Maar de plaatjes worden nooit

donkerder dan lichtgeel en zijn zelfs in het begin wit, want deze

Collybia behoort tot de Witsporigen, terwijl de Zwavelkop een

Purpersporige is. De Fluweelpoot is eetbaar.

In het bosch kunnen we ook nog soms bij honderden tegelijk op het mos

of in het gras de mooie teere Grasmycena (Mycena epipterygia) (131) te

zien krijgen, grijze hoedjes op ranke gele steeltjes en als waardig

kameraadje ook nog de Botercollybia (Collybia butyracea) (110), een

heel mooi paddenstoeltje, meestal vosbruin van hoed en bruinig oranje

van voet en witte plaatjes. De voet heeft een knolletje.

We zullen er nu maar een eind aan maken. Wanneer ge al de

paddenstoelen, die in dit album zijn afgebeeld, met zekerheid gevonden

hebt, dan zijt ge al aardig op weg, om aan de studie der paddenstoelen

te kunnen beginnen en ik hoop, dat ge al eerder de lust hebt gekregen

om er wat meer van te weten, dan ik op deze weinige pagina’s kon

vertellen.

Het is nog niet zoo heel lang geleden, dat men begonnen is met de

studie van de Nederlandsche paddenstoelen. Ruim veertig jaar geleden

zijn een drietal goede vrienden er met groote vlijt aan begonnen, drie

mannen die altijd nog met eere bekend staan bij de Nederlandsche

plantkundigen: Prof. Oudemans van Amsterdam, Kok Ankersmit en Abeleven.

Kok Ankersmit, dezelfde van die parasolzwam, heeft mij wel verteld, dat

ze alle drie begonnen zijn, zooals zoo velen onzer later ook zijn

begonnen, om met een Fransch paddenstoelenboekje, (Nederlandsche waren

er niet), alle paddenstoelen die ze konden vinden, te onderscheiden en

op naam te brengen, „determineeren” noemen wij dat. Het Fransche boekje

gebruiken wij nog; het is: Costantin et Dufour: Nouvelle Flore des

Champignons. Mijn trouwe kameraad van dertig jaren lang heeft honderden

wandelingen meegemaakt, maar zit nog stevig in zijn blauwe bandje en

zal het nog wel even lang uithouden als ik zelf; ik zou hem voor zijn

gewicht aan goud niet willen missen. Een best boekje.

Oudemans als professor in de botanie maakte er natuurlijk het meeste

werk van en schreef een prachtig werk, dat ons onschatbare diensten

heeft bewezen: „Révision des Champignons tant inférieurs que

supérieurs”, een lijvig boek. Vervolgen daarop verschenen van tijd tot

tijd in het Kruidkundig Archief. Zooals de titel aanduidt, hield

Oudemans zich niet alleen bezig met de groote paddenstoelen, maar ook

met de zwammen van andere groepen en wij moeten hem altijd dankbaar

blijven, dat hij ons zoo’n breeden grondslag heeft gebouwd voor latere

studie.

Intusschen waren al meer en meer wandelaars zich met onze Nederlandsche

paddenstoelen gaan bezig houden. Wie er eenmaal aan begint, laat ze

niet spoedig meer schieten en zoo werd het aantal liefhebbers aldra zoo

groot, dat er een Vereeniging kon worden gesticht: De Mycologische

(paddenstoelkundige) Vereeniging, (secretaris Dr. L. Vuyk, Schalkhaar

(O)). Deze is beroemd geworden, doordat zij door het heele land jaar op

jaar tentoonstellingen heeft georganiseerd van paddenstoelen, nu eens

in Haarlem, dan weer in Enschede, in Arnhem, ’s-Hertogenbosch, Zwolle,

eigenlijk overal, waar maar veel paddenstoelen in de buurt te vinden

waren. Van te voren gingen dan de getrouwen op zoek; ieder die iets

vond, dat van belang leek, stuurde het in en tal van uitmuntende

kenners zorgden en zorgen nog steeds ervoor, dat iedere paddenstoel

behoorlijk met naam en toenaam wordt vertoond en meestal nog met een

bewijs van goed of kwaad gedrag, het toevoegsel „eetbaar” of

„vergiftig” of „niet eetbaar maar onschadelijk” en meer dergelijke

uitspraken. Ook vindt ge er altijd mooie afbeeldingen en fotografieën

door kunstenaars en liefhebbers en allerlei boekwerken. Kortom, op

zoo’n tentoonstelling wordt ge op de aangenaamste wijze ingeleid tot de

studie der paddenstoelen en zoo ge er reeds eenige vorderingen in

gemaakt hebt, dan vindt ge er toch altijd weer iets nieuws naast al de

oude kennissen, die u dierbaar zijn. Ook is er meestal een

paddenstoelkeuken, waar huiverige nieuwelingen hun eerste hapje

nuttigen van een of ander smakelijk paddenstoelgerecht, door

vriendelijke, hoogst deskundige dames toebereid. Ge moogt niet

verzuimen, zoo’n tentoonstelling te bezoeken, wanneer die eens in de

nabijheid van uw woonplaats wordt gehouden, meestal op mooie dagen in

October.

De Mycologische Vereeniging doet nog meer. Zij heeft tal van

geschriften uitgegeven en haar eerste voorzitter maakte een boek,

waarin zoo niet alle soorten, dan toch alle geslachten der

Nederlandsche paddenstoelen worden behandeld. Ook stelde zij in

verschillende deelen van het land „consuls” aan, bij wie ieder om hulp

en raad kan aankloppen en die consuls hebben weer de aardige gewoonte,

om soms met elkander op stap te gaan naar een of ander bijzonder

paddenstoelerig hoekje van Nederland en doen daar allerlei plezierige

ontdekkingen. Zeer beroemde paddenstoelstreken zijn de Wouwsche

Plantage bij Bergen op Zoom, de Kennemer duinen en duinzoom, de

bosschen bij Oisterwijk, het Amersfoortsche, het Winterswijksche, het

Apeldoornsche gebied en nu zou ik nog wel eenige regels kunnen

voortgaan. Uit de voorgaande hoofdstukken hebt ge wel kunnen opmaken,

dat overal waar loofhout en naaldhout, akker en weide gezamelijk

voorkomen, de grootste kans bestaat op overvloed van verschillende

paddenstoelen. De consuls en hun trawanten vinden nog slag op slag

paddenstoelen, die nimmer te voren in ons land waren opgemerkt en een

wakker Amersfoorter heeft zelfs een paddenstoel gevonden, die nog nooit

te voren in de heele wereld was gezien. Voor alle zekerheid is die

eerst nog eens opgestuurd naar de knapste Fransche mycologen en toen

die hem als nieuw erkenden, heeft juffrouw Cool hem, zooals het

behoort, gedoopt en in het latijn beschreven. Hij heet nu Lepiota odora

(132) of Geur-Parasolzwam en ge kunt grooten mycologischen roem behalen

door hem nog eens weer te vinden. Denk maar niet, dat het zoo

gemakkelijk is en wanneer ge hem vindt, zult ge hoop ik den eersten

vinder bewonderen, omdat hij zoo gauw in de gaten had, dat daar iets

spiksplinternieuws groeide.

’t Is een van de kleine middelsoort paddenstoelen, een plaatjeszwam,

bijna heelemaal, ook inwendig, grijsachtig paars tot lavendelkleurig.

De steel is onderaan knolvormig verdikt en bruinig geel. De hoed is

broos en dun, eerst klokvormig, later vlak en bezet met kringen van

donkere schubben. Zooals de naam aanduidt heeft deze paddenstoel een

aangenamen geur, als van tuberosen. Hij is het eerst gevonden door den

Heer A. Joman in den tuin van het Rijks-Opvoedingsgesticht onder

berken. Later is hij weer gevonden bij het Huis ter Heide onder

Douglas-Sparren en onder berken en beuken, bij Bilthoven onder

loofhout, bij Wapenvelde aan den rand van een 20-jarig dennebosch. De

meeste kans hebt ge dus in loofbosschen en in het bijzonder in de buurt

van berken, de paddenstoelboomen bij uitnemendheid. Wanneer ge onze

Lepiota odora vindt, moet ge er natuurlijk dadelijk een van inpakken in

droog mos of papiersnippers en fluks opzenden aan het Rijksherbarium te

Leiden. Helaas is Mej. Cool daar niet meer, om zich daarover te

verheugen. Deze uitmuntende paddenstoelkundige, die meer dan iemand

anders gedaan heeft, om ons Nederlanders van de paddenstoelen te doen

genieten, is overleden, terwijl dit album in bewerking was. Zij heeft

mij veel goeden raad gegeven.

In dit album hebben wij nog niet het tiende deel van onze paddenstoelen

kunnen afbeelden, maar wanneer ge alle soorten, die ik genoemd heb, met

zekerheid kunt herkennen, dan zijt ge al knapjes op weg, om ook

mycoloog te worden. Ge kunt dan verder gaan met het Paddenstoelboekje

van Cool en van der Lek, waarin 400 soorten duidelijk staan beschreven

en voor een deel ook afgebeeld. Bovendien bevat het hoofdstukken over

den groei en ontwikkeling, over het kweeken en bewaren en over de

eetbaarheid. Ik ken in het buitenland geen boekje van dien omvang en

prijs dat zooveel geeft. Mettertijd zullen we in ons land ook wel eens

een boek krijgen, waarin al onze paddenstoelen worden beschreven, maar

zoover zijn we nog niet.

Er bestaan groote en dure buitenlandsche plaatwerken over

paddenstoelen, daarvan kunt ge er eenige aantreffen in onze groote

openbare bibliotheken. Teyler’s bibliotheek te Haarlem is goed

voorzien. Geef uw goede geld niet uit aan goedkoope prentenboekjes, die

meestal onduidelijke en onbetrouwbare afbeeldingen geven. Een zeer mooi

plaatwerk en niet te duur is Michaël’s Führer für Pilzfreunde, waarvan

na Michaël’s dood een nieuwe uitgaaf is verschenen, bewerkt door

Schmidt. Behalve fraaie afbeeldingen geeft dit werk ook goede

beschrijvingen en allerlei wetenswaardigheden. Ik meen, dat Costantin

en Dufour’s boekje niet meer in den handel is en tegenwoordig gebruiken

we als volledig boekje over de Midden-Europeesche paddenstoelen

Ricken’s Vademecum. Een beginner kan daar moeilijk mee terecht, maar

als je dit album achter den rug hebt en Cool en Van der Lek en dan nog

Michaël er bij, dan gaat het wel en dan sta je eigenlijk voor niets.

Een bezwaar van de paddenstoelen is, dat je er zoo moeilijk een

verzameling van kunt aanleggen. Je kunt wel probeeren met

doorsneeschijven en het uitgespreide hoedvel te drogen, maar dat geeft

toch weinig voldoening. Beter is het, ze te bewaren in alcohol of

formaline in stopflesschen, maar dan mag je wel een aparte kamer

hebben, om al die honderden flesschen te bergen. Dat is natuurlijk wel

iets voor musea en op bescheidener schaal ook voor schoolverzamelingen.

Wel kunt ge een verzameling aanleggen van de sporenfiguren, waarvan ik

op blz. 17 heb verteld. Ge moet dan het papier, waarop ge de sporen

wilt opvangen eerst bestrijken met een oplossing van Arabische gom of

van dextrine en dat eerst laten drogen. Wanneer dan de sporenfiguur

goed en wel op dien gomkant ligt, legt ge het papier in water, zoodat

de kleefmassa vochtig wordt en de sporen vast houdt. Als het papier dan

weer droog is, zijn de sporen voor goed „gefixeerd”.

En eindelijk: teeken uw paddenstoelen en kleur ze. Neem zoo’n

ring-schetsboek, dan kunt ge uw aquarellen altijd mooi systematisch

naar vervolg leggen. Die aquarellen kunt ge zoo uitvoerig maken, als ge

maar wilt. Ik hoop, dat onze plaatjes u daarvoor goede voorbeelden

kunnen leveren. Ook mogen we de fotografie niet vergeten: weinig dingen

laten zich zoo mooi en gemakkelijk fotografeeren als paddenstoelen;

alleen moet ge goeden zorg besteden aan belichting en belichtingstijd.

Voor de bijzonderheden zal het noodig zijn, om ook den onderkant te

kieken en eigenlijk ziet het er ook vrij natuurlijk uit, wanneer er

eens een paddenstoel onderstboven ligt, want kinderen en onnadenkende

menschen trappen ze nog al eens dikwijls om.

Ik moet nu eindigen. Morgen is het 1 October en dan heb ik een vrijen

dag, dank zij mijn vlijt van hedenavond. We hebben een nat najaar

gehad. Bosch en duin staan vol paddenstoelen. Dat zal een mooie

morgenwandeling worden met Costantin en Dufour in den eenen zak,

schetsboek en kleurpotloodjes in den andere. De linden zijn al geel en

half ontbladerd. Roodborstjes zingen den heelen dag, dat het een lust

is. Het zou mij niet verwonderen, als ik de eerste bonte kraai ook te

zien kreeg. Doch dit is bijzaak, hoofdzaak zijn morgen paddenstoelen,

groot en klein, van allerlei vorm en kleur; geheimzinnig en

schilderachtig leven in het herfstwoud. Even het dagboek van verleden

jaar nagezien. Juist, in het jonge dennenbosch, dat tot in het najaar

van 1927 nog geen andere paddenstoelen vertoond had dan wat kleine

Mycena’s, stond toen opeens een Grijze Ridderzwam (Tricholoma terreum)

(L). Dat is een van de snelgroeiers en het zou mij niet verwonderen,

als het boschje nu opeens vol stond met die mooie, groote, lichtgrijze

zwammen. En zijn ze er niet, dan wacht mij toch stellig een andere

verrassing.

Paddenstoelen · 第 10 / 15 题