Wanneer we geen paddenstoelen aten, dan zou dit hoofdstuk tamelijk kort
kunnen zijn, want dan zou ik mij moeten bepalen tot het noemen van de
weinige soorten, waarvan wij zeker weten, dat ze schadelijk zijn voor
den boschbouw en dat ze gezonde boomen of boompjes ten verderve
brengen. Het is dus niet meer dan logisch, dat we met deze
paddenstoelen beginnen en het allereerst komt dan aan de beurt de
beruchte Dennenmoorder (Trametes radiciperda) (71), ook bekend als
Fomes annosus.
Eigenlijk is het een sluipmoordenaar, want hij begint zijn aanval in
het duister, onder den grond, waar de stam van de jonge dennetjes
overgaat in den wortel, aan den wortelhals. Daar drijven de sporen hun
myceliumdraden naar binnen en dan breidt de zwamvlok zich het sterkst
uit in de grenslaag van schors en hout en in de schors zelf. De wortels
kunnen nu geen voedsel meer uit de groene takken krijgen, want dat gaat
naar omlaag langs die schors. Zij verhongeren en verrotten gaandeweg en
dan gaat de boom dood. Lang eer dat gebeurt, is het hem al aan te zien,
dat hij kwijnt; de naalden verkleuren, ze worden roodbruin en tegelijk
gaan ook de jonge loten verwelken. Al dien tijd is nog geen paddenstoel
te zien, maar in het najaar vindt ge aan den voet der kwijnende
boompjes, tusschen mos en naalden, platte korsten, in bouw wel
eenigszins herinnerend aan onzen vrind Polyporus perennis (18). Maar er
is geen vaste vorm te bekennen; het is alsof het zwamlichaam
uitgevloeid is uit den boomstam en het omgeeft dan ook naalden, takjes,
sprietjes en mos. Aan den bovenkant zijn die plakken groenig bruin, aan
de onderzijde wit en daar zie je dan ook de poriën, waaruit de sporen
te voorschijn komen. Deze kunnen door wind en water en door dieren weer
andere boompjes in de buurt bereiken en zoo kunnen groote stukken bosch
worden aangetast. Een Trametes-zieke boom kan het wel eenige jaren
uithouden en ieder jaar wordt het zwamlichaam rondom den wortelhals
grooter, want telkens wordt een nieuwe korst gevormd rondom de oude.
Het komt dan ook wel boven den grond; de kenner vindt het al veel
eerder, door eventjes bij verdacht uitziende boompjes de naalden of het
mos aan den voet van den boom opzij te schuiven. Dan zal hij meteen
probeeren de ziekte te stuiten door het graven van greppels, het
verwijderen van den zieken boom, het omwerken van den bodem, het
inplanten van loof hout en allerlei andere listige bedenksels, die
gaandeweg den dennenmoorder zullen maken tot een der zeldzaamste
verschijningen in ons land.
De Dennenmoorder belaagt alleen het naaldhout; de Honingzwam
(Armillaria mellea) (75) daarentegen komt zoowel op loofhout als op
naaldboomen voor. ’t Is een van onze allermooiste paddenstoelen en
tegenwoordig ook nog zeer algemeen, want hij groeit nog langen tijd op
doode boomstronken. Soms is zoo’n stronk geheel overdekt met de
honingzwam, want hij groeit groepsgewijs en als er op één stronk drie
groepen groeien, elk van twintig hoeden, dan blijft er van die stronk
niet veel te zien. Het is dan één massa van mooie honinggele hoeden,
die zelf weer vlokkig bruin gevlekt kunnen zijn. De stelen zijn fraai
gebogen en dragen bovenaan een witten ring of manchet, dus op de manier
van de Amanita’s en Champignons. De platen zijn licht geel en loopen
dikwijls in fijne ribbeltjes langs den steel voort tot aan de manchet.
De sporen zijn wit; meestal vinden we dan ook in rijpe groepen de
onderste hoeden wit bepoederd door de sporen, die uit de bovenste zijn
neergevallen. Het mycelium, de zwamvlok, ontwikkelt zich weer het best
in de grenslaag van schors en hout. Behalve dat vlokkig mycelium maakt
deze Honingzwam ook nog dikke zwarte draden; je zoudt ze soms voor
verkoolde wortels kunnen houden. Deze dingen heeten Rhizomorphen; ze
dringen door langs het hout van de stammen en door den grond heen en
uit die Rhizomorphen kunnen dan weer hier en daar nieuwe
honingzwamgroepen opschieten. De boschbouwer is in het geheel niet
gesteld op deze prachtige zwammen. Kleine boompjes, die er door zijn
aangetast, verwijdert hij geheel, bij grootere gaat hij greppelen en
graven en vooral zorgt hij er voor, om afgekapte boomstronken, vooral
die van loofhout, tijdig te verwijderen. In jeugdigen staat is deze
honingzwam eetbaar. Wanneer ge honingzwammen weet te groeien, ga er dan
ook in het donker eens naar kijken; het mycelium en vooral de uiteinden
van de Rhizomorphen verspreiden soms een spookachtig licht, als van
stukjes phosphorus.
Verwant met de honingzwam is de Porceleinzwam (Armillaria mucida) (80),
die zooals de naam al doet vermoeden, glanzig spierwit is. Ge moet haar
zoeken in het beukenbosch en wel op oude stervende boomen. Soms bij
honderden komen de zwammetjes uit de schors te voorschijn, net
isoleerpotjes voor electrische geleiddraden en nu eens in groepjes
bijeen, dan weer alleenstaand. Het is gemakkelijk te begrijpen, dat het
heele lichaam van den boom doortrokken moet zijn met zwamvlokdraden,
met andere woorden, dat hij daar staat te vermolmen en te vergaan. Ook
deze paddenstoel is, dank den goeden zorgen tegenwoordig aan het bosch
besteed, al minder algemeen dan veertig jaar geleden.
Wij weten niet zeker, of de Porceleinzwam wel gezonde beuken aantast.
Waarschijnlijk krijgen de boomen eerst een ander kwaaltje en dan komt
de zwam daarboven op. Met het bestrijden van de Porceleinzwam hebben
wij dan de oorspronkelijke kwaal nog niet te pakken. Er zijn nog heel
veel van die boompaddenstoelen; hieronder zullen wij er nog eenige
noemen die zich alleen vertoonen aan stervende of reeds gestorven
boomen en die dus niet als de eerste oorzaak van het sterven van den
boom beschouwd moeten worden. Intusschen is het ook mogelijk, dat het
mycelium al jaren lang in den boom heeft voortgewoekerd, eer de
paddenstoel aan den buitenkant verschijnt en dan is hij dus wèl de
schuldige. Hier is de waarheid ook alweer zeer moeilijk te ontdekken.
Ik weid hier een beetje over uit, vooral met het oog op de berken. In
het Kennemerduin hebben wij vele en uitgestrekte berkenboschjes. Dat
waren heerlijke lustoorden, vooreerst om de berken zelf, dan ook om de
vele mooie en interessante planten, die er op den boschbodem groeien,
de paddenstoelen niet te vergeten, eindelijk om de fraaie bloem- en
besheesters, die ze omzoomen (liguster, meidoorn, geldersche roos,
lijsterbes, egelantier, kamperfoelie) en ten slotte om de rijke
insecten- en vogelwereld, die onafscheidelijk verbonden is aan rijken
plantengroei. In de laatste dertig jaren is die rijkdom allertreurigst
verminderd, veel van die boschjes staan nu hol en ledig, de helft van
de berken dood, sommige nog overeind, kaal en bladerloos, andere tegen
den grond gesmakt. En op al die doode stammen vinden we de prachtige
Berkenzwam (Polyporus betulinus = Placoderma betulinum) (67).
Het lijkt dan, alsof het bosch bezweken is onder den aanval van dien
paddenstoel. Wij vermoeden echter, dat de boomen eerst zijn gaan
kwijnen, vooral doordat de duinwaterleiding zooveel water aan den bodem
onttrekt en dat daarna de zwam is opgetreden. Let er maar eens op, of
ge hem ooit aantreft op levende boomen. De Berkenzwam is heel mooi en
’t is interessant om zijn groei na te gaan van het oogenblik af, dat ge
hem als een klein knikkertje uit den schors ziet puilen, totdat hij
weken en weken later volledig is uitgegroeid. Als hij op een los
liggenden stam groeit, moet ge dien eens keeren en wentelen en dan zult
ge zien, dat de paddenstoel dan de richting van zijn groei verandert:
steeds zoo, dat de bleeke poriënlaag horizontaal komt te liggen en naar
beneden gericht. Haast alle planten hebben een soort van gevoel voor
boven en onder, rechtop en scheef, en de paddenstoelen hebben dat ook,
anders zouden ze nooit zoo sierlijk staan, waar zij groeien. Aan
zwammen op een los paaltje kunnen we nu zien, hoe lang zij onder
invloed van dit gevoel den gewenschten stand nog weer kunnen bereiken,
als zij er uitgebracht zijn. De Berkenzwam evenaart in gaafheid en in
zachtheid van tint de schors van den prachtigen boom, waar hij op
groeit.
Er zijn nog meer merkwaardige berkengasten, o.a. de
Berkenplaatjes-Houtzwam (Lenzites betulina) (74). Die doet wel denken
aan onze elfenbankjes uit Hoofdstuk I, want hij groeit ook zoo in
platen, die er fluweelig uitzien en gekleurd zijn in kringstrepen van
bruin en grijsgroen, een beetje soberder dan de elfenbankjes. Als ze
jong zijn, dan zou hun onderkant ook doen vermoeden, dat we hier met
een gaatjeszwam te doen hebben, maar als ze ouder worden, dan worden
het plaatjes: rijk vertakt en onregelmatig met elkaar verbonden. Zij
staan dus als het ware tusschen gaatjeszwammen en plaatjeszwammen in.
Evenals de elfenbankjes kunnen ze het zeer lang uithouden, den winter
door.
Een dergelijke klant is de Doolhofzwam (Daedalea quercina) (68), die
aan eiken, beuken en esschen voorkomt en zelfs nog aan timmerhout
groeien kan. Zijn naam doelt er op, dat de onderkant allerlei gangen en
spleten en kronkelingen vertoont, zoodat we soms twijfelen of wij met
een gaatjes- of met een plaatjeszwam te doen hebben. Wij rekenen hem
toch nog bij de gaatjeszwammen. Hij heeft een lang leven en kan jaren
achtereen als harde houtige massa aan de boomen blijven zitten. Soms
vindt men onder aan oude boomen een heele plakkaat van loodgrijze tot
bruine platte hoeden langs en over elkander. Een onderzoek van den
onderkant leert ons al spoedig, dat wij hier ook met Polyporus-soorten
te doen hebben. Er zijn er namelijk twee. De bruine, die plakkaten
vormt van wel een meter breed, wordt kortweg Reuzenzwam (Polyporus
giganteus) genoemd; de andere, die meer in het grauwe loopt en wel meer
voorkomt dan de eerste, heeft een aardigen volksnaam en wel Eikhaas
(Polyporus frondosus) (70). Ze zijn allebei tamelijk zeldzaam, wat
natuurlijk voor de boomen die ze belagen, zeer plezierig is.
Zeer bekend zijn ook de groote houtzwammen, die ge als dikke
uitsteeksels aan oude boomen opmerkt. Ze blijven vele jaren achtereen
op dezelfde plaats voortgroeien, steeds een nieuw laagje van
sporenbuisjes vormend. De meest bekende is de Vuurzwam (Fomes
igniarius) (69), die vooral veel aan abeelen, zwarte populieren en
wilgen wordt aangetroffen. Het vleesch is roodbruin, maar heelemaal
niet vleezig, want het heele ding is zoo hard als hout en wordt dan ook
wel als brandhout gebruikt.
Lichter vleesch en grilliger groei heeft de Witte Populierzwam (Fomes
connatus) (72), die op populieren groeit en wel zoo groot kan worden,
dat de vogels er bovenop komen nestelen. Wij hebben tenminste eens een
vliegenvangernest op zoo’n zwam gehad.
En nu moeten wij het eens hebben over de menschenmoorders. In Hoofdstuk
I heb ik u reeds de Vliegenzwam vertoond als vertegenwoordiger van het
geslacht Amanita, waartoe de allermooiste, maar ook de
allervergiftigste paddenstoelen behooren. Iedereen, die paddenstoelen
wil inzamelen om te eten, moet eerst duidelijk kunnen zien, of hij een
Amanita voor zich heeft. Zooals reeds gezegd is, herkennen wij ze aan
hun witte (of lichtgele) plaatjes, aan de manchet rondom het boveneind
van den steel en aan den dikken knolachtigen voet, die naar boven toe
ook alweer een kraagje of een zoogenaamde beurs heeft. De beurs is wel
het duidelijkst bij de Groene Knol-Amaniet (Amanita phalloïdes) (I),
een prachtige gave groenachtig-gele paddenstoel, die in zomer en herfst
in alle bosschen te vinden is. Met hem verwant zijn de Gele
Knol-Amaniet (A. mappa) (H, K) en de Gele Amaniet (A. junquillea).
Beginners kunnen ze niet gemakkelijk van elkander onderscheiden, maar
dit hindert niet, men moet ze toch alle mijden.
Het zijn deze drie, die onbegrijpelijkerwijze nog dikwijls verward
worden met de Champignons. Nog eens: de witte platen en de beurs aan
den voet zijn de kenmerken van de doodelijke Amanita’s, de manchet komt
zoowel bij de Amanita’s als bij de goede eetbare Champignons voor.
Het ergste is wel, dat de Amanita’s er altijd bekoorlijk uitzien en
noch door geur noch door smaak hun giftigheid verraden. Wanneer ze
toebereid worden als de gewone Champignons, dan leveren ze een
smakelijk gerecht. Het is voorgekomen dat een gezin van vijf personen
een stevigen maaltijd gebruikte van Amanita’s en zonder erg zich te
rusten begaf. Het gif van de Amanita’s begint zich pas bemerkbaar te
maken na 8–20 uren. Den volgenden dag kregen die vijf menschen dan ook
afschuwelijke buikpijnen, vergezeld van buikloop en braking. De dokter
constateerde dadelijk paddenstoelvergiftiging en deed al wat hij kon om
de menschen te redden, maar het tweetal, die het meest gegeten hadden,
bezweek den tweeden dag, de anderen haalden het met moeite op. Het
vergif dat in Amanita’s schuilt heet Muscarine of Amanitine en werd in
dat Amerikaansch geval bestreden door een tegengif, atropine, het gif
van de doodelijke Wolfskers of Belladonna.
Ook in ons land zijn nog al dikwijls Amanita-vergiftigingen voorgekomen
en dat legt aan ieder, die zijn naaste wil aansporen, om paddenstoelen
te eten, de verplichting op, om hem allereerst een flinken schrik te
bezorgen voor de Amanita’s en hem die giftzwammen duidelijk aan te
wijzen. De narigheid van het geval is, dat de Amanita’s gelijken op de
goede Champignons, doch die gelijkenis is oppervlakkig en de
verschillen zoo duidelijk, dat niemand zich behoeft te vergissen. Als
alles was, zooals het wezen moet, dan zouden in alle scholen prachtige
platen hangen met duidelijke afbeeldingen van deze boosdoeners en dan
zouden ieder jaar in streken waar ze groeien, de Amanita’s aan de
leerlingen vertoond worden en dan konden zij ze ook wel eens mooi
nateekenen.
De Vliegenzwam is niet vergiftig, maar erger. De beroemde Duitsche
paddenstoelkenner Michael heeft het roode velletje er af getrokken en
daarna de paddenstoel gegeten. Hij ondervond geen slechte gevolgen,
maar kon de spijs toch niet roemen. Merkwaardigerwijze hebben
Siberische volksstammen ontdekt, dat het vel van de Vliegenzwam
bedwelmende eigenschappen heeft en die stakkers gaan zich daaraan dan
te buiten, hoewel de gevolgen nog veel en veel erger zijn dan die van
het misbruik van opium, haschisch en hoe al die ellendige bedenksels
meer mogen heeten.
Een Amaniet, die we in den zomer ook veel te zien krijgen, vooral in de
zandstreken van het Oosten van ons land is de Paarl-Amaniet (Amanita
rubescens) (G). Deze is ongevaarlijk, zelfs eetbaar en wordt in
Engeland op groote schaal gebruikt. Zooals de naam al aanduidt is hij
rossig, de hoed is lichtbruin, het vleesch roodachtig, ook de voet
bruinig. Boven op den hoed blijven evenals bij de Vliegenzwam brokjes
zitten van het oorspronkelijke omhulsel. Ik vind het een heel mooien
paddenstoel en omdat hij zoo algemeen voorkomt hebben wij hem dan ook
afgebeeld. Echter mag ik u niet aanraden, om hem te gaan eten, want er
is een kansje, dat ge in plaats van A. rubescens een andere zoudt nemen
en wel de Panther-Amaniet (Amanita pantherina) (J), die ook bruinig is
en met veel witte schubjes boven op den hoed. Hij is te onderscheiden
aan zijn voet, die boven de knol met beurs nog een paar ruwe ringen
heeft. Een pracht van een paddenstoel.
Van de Boleten heb ik u verteld, dat we ze bijna allen kunnen eten. Ik
behoef u hier slechts twee soorten te noemen die we niet in den pot
mogen stoppen: de vergiftige Satansboleet (Boletus satanas) (77) en de
Bittere Boleet (Boletus felleus). De Satansboleet is evenals de
Heksenboleet een van de verkleurende boleten. Ge herinnert u, dat de
Heksenboleet verkleurde van geel tot blauw. Wanneer we een Satansboleet
doorbreken of doorsnijden, dan verkleurt hij door rood en blauw naar
groen. Overigens lijkt hij veel op de Heksenboleet en de verschillen
zijn alleen goed merkbaar bij jonge exemplaren, want als deze boleten
ouder worden, dan veranderen zij ook hun kleuren en verkleuringen. Ik
lees ergens, dat de Satansboleet alleen op kalkhoudenden grond
voorkomt: wij moeten hem dus vooral zoeken langs de duinen en in
Zuid-Limburg.
Sommige Russula’s zijn eetbaar, andere niet en de niet eetbare zijn
dadelijk te kennen aan hun smaak. Ik heb al meer gezegd, dat geen een
paddenstoel zoo vergiftig is of je kunt gerust op een stukje ervan
knabbelen. Welnu, wanneer ge nu een van de kleine Russula’s ziet
(middellijn van den hoed niet grooter dan 6 c.M.) met prachtig rood
hoedje en witten steel, bijt dan even op een brokje van dien steel.
Wanneer het puntje van uw tong dezelfde gewaarwording krijgt als toen
ge bij ongeluk eens een pepertje doorbeet, dan hebt ge te doen met de
zeer mooie Roode Russula (Russula rubra) (4). Als je het roode velletje
van den hoed afpelt, dan blijkt het vleesch daaronder ook nog rood te
wezen.
Hetzelfde is het geval met een Russula, die wat op onze roode lijkt,
maar die heeft nog veel heeter vleesch en zeer onaangename
eigenschappen, waarom de Duitschers hem „Speiteufel” genoemd hebben.
Wij noemen hem Braak Russula (R. emetica) (1). Hij is niet zoo mooi
rood als de Roode, maar meer in het bruinige of purperachtig rood, soms
met strepen en vlekken en de steel ziet er ook zoo uit; soms een echt
ongezond uiterlijk. Gevoelige menschen krijgen het reeds te kwaad van
den geur alleen van het paddenstoeltje en moeten gauw de frissche lucht
in; anders zouden ze zeeziek worden. Het mooie Broze Russula’tje uit
Hoofdstuk I is ook vergiftig evenals de Purperroode en de Gele
Geelplaat Russula (R. ochracea) (6), die op witten steel een bruinig
gelen hoed draagt en ook gele platen, zelfs gele sporen heeft. Hij
groeit in allerlei bosschen, ik vond hem ook veel bij berkjes.
De pepersmaak is ook een uitmuntend middel om de Scherpe Marasmius (M.
urens) (73) die in bosschen groeit, te onderscheiden van de
Weide-Kringzwam (M. oreades) (30). Ook de vergiftige melkzwammen
herkent men gemakkelijk aan den scherpen smaak van hun melk. Een van de
scherpste is de Grijsgroene Melkzwam (Lactarius blennius) (76). Het is
een middelsoort melkzwam naar den kleinen kant, de hoed egaal donker
van kleur, groengrijs, soms bronzig of bruinig, de vuilwitte plaatjes
dicht op elkaar en ze geven overvloedig een scherpe melk, die eerst
wit, later grijs wordt. Ik vind hem het meest in loofbosschen, vooral
bij beuken.
Een heel mooie heldergele, flink scherpe melk heeft de Zwavel-Melkzwam
(Lactarius theiogalus) (78), ook een middelsoort groote. De hoed is
rossig geel met enkele donkere kringen en de randen gaan vrij spoedig
omhoog staan, zoodat het bovenvlak komvormig wordt: een zeer mooi
paddenstoeltje, meest in loofbosschen.
De giftigste melkzwam lijkt weer op de eetbare Oranje Melkzwam. Deze
Giftige Melkzwam (L. torminosus) (83) heeft echter geen oranje, maar
witte melk en zijn hoed kan wel oranje zijn, maar ook wel lichter en
heeft altijd een omgerolden ruigen rand en lijkt daardoor wel op een
andere melkzwam, die wij het Schaapje noemen (L. vellereus) (84). Dit
Schaapje onderscheidt zich weer van de Giftige doordat het geen kringen
op zijn hoed heeft; de Giftige wel.
Een melkzwam met zeer heete melk, maar die toch wel gegeten wordt, is
mijn oude vriend de Gepeperde Melkzwam (L. piperatus) (82), waar ik in
mijn jonge jaren eens heel erg mijn tong aan gebrand heb. Hij is
tamelijk groot en spierwit, ook de melk is prachtig wit; je zoudt er
zoo in happen, wat ik dan ook tot mijn nadeel heb gedaan. ’t Is er
alweer een, die je het meest vindt in de loofbosschen van Twente en den
Achterhoek.
En nu moet ik de lijst van mijn vergiftige paddenstoelen besluiten met
het Zwavelkopje (Hypholoma fasciculare) (53). Ik kan er wel geen
ijselijke verhalen van doen, zooals ik er nog verscheidene zou kunnen
verzamelen over onze Amanieten, maar toch, het Zwavelkopje is verdacht.
Eigenlijk geloof ik niet, dat velen op het idee zouden komen, om het te
eten, want de donkere plaatjes zien er niet zoo heel appetijtelijk uit;
eerst zijn ze geel, later zwart. Wij laten de zwavelkopjes dus
stilletjes op de boomstronken staan, waar zij in dichte groepen te
voorschijn komen. Aan de zeer jonge zien wij dat de hoedrand met den
steel verbonden is door een vliesje, dat tot „gordijn” wordt uitgerekt
en gespleten. Bij oudere is dat gordijn spoedig verdwenen.
De studie der paddenstoelen is in hooge mate geschikt om ons
waarnemingsvermogen te scherpen. Probeer nu eens of ge drie soorten van
zwavelkopjes kunt onderscheiden en wel:
Hypholoma fasciculare (53) met geelbruine hoedjes, donkerder in het
midden, plaatjes eerst mooi zwavelgeel, steel onderaan en bovenaan
ongeveer even dik, vleesch lichtgeel.
H. epixanthum (81) met bleekgele hoedjes, plaatjes meest bijna wit,
nooit groenig, steel over de geheele lengte overal zoowat even dik.
H. sublateritium (79) met roodachtige hoedjes met vale vlekken langs
den rand, plaatjes in het begin grijsgroen, steel onderaan veel dunner
dan boven, bruin, vleesch is bijna wit.
Misschien zegt ge: waar zijn al die spitsvondigheden voor noodig?
Welnu, om uw waarnemingsvermogen te scherpen. Volledigheidshalve willen
wij nog even zeggen dat van de Stuifballen de Aardappelbovist
(Scleroderma vulgare) (109) vergiftig is, maar niemand zal er aan
denken dit harde ding te eten. Snijdt hem eens door en bewonder de
zwarte sporenmassa binnenin. Andere stuifballen zijn in jongen staat
wel eetbaar maar niet bijzonder lekker, doch mooi van vorm en tint en
de mooiste is wel de Ruitjes-bovist (Lycoperdon caelatum) (E).