IV. GEVAARLIJKE PADDENSTOELEN

Wanneer we geen paddenstoelen aten, dan zou dit hoofdstuk tamelijk kort

kunnen zijn, want dan zou ik mij moeten bepalen tot het noemen van de

weinige soorten, waarvan wij zeker weten, dat ze schadelijk zijn voor

den boschbouw en dat ze gezonde boomen of boompjes ten verderve

brengen. Het is dus niet meer dan logisch, dat we met deze

paddenstoelen beginnen en het allereerst komt dan aan de beurt de

beruchte Dennenmoorder (Trametes radiciperda) (71), ook bekend als

Fomes annosus.

Eigenlijk is het een sluipmoordenaar, want hij begint zijn aanval in

het duister, onder den grond, waar de stam van de jonge dennetjes

overgaat in den wortel, aan den wortelhals. Daar drijven de sporen hun

myceliumdraden naar binnen en dan breidt de zwamvlok zich het sterkst

uit in de grenslaag van schors en hout en in de schors zelf. De wortels

kunnen nu geen voedsel meer uit de groene takken krijgen, want dat gaat

naar omlaag langs die schors. Zij verhongeren en verrotten gaandeweg en

dan gaat de boom dood. Lang eer dat gebeurt, is het hem al aan te zien,

dat hij kwijnt; de naalden verkleuren, ze worden roodbruin en tegelijk

gaan ook de jonge loten verwelken. Al dien tijd is nog geen paddenstoel

te zien, maar in het najaar vindt ge aan den voet der kwijnende

boompjes, tusschen mos en naalden, platte korsten, in bouw wel

eenigszins herinnerend aan onzen vrind Polyporus perennis (18). Maar er

is geen vaste vorm te bekennen; het is alsof het zwamlichaam

uitgevloeid is uit den boomstam en het omgeeft dan ook naalden, takjes,

sprietjes en mos. Aan den bovenkant zijn die plakken groenig bruin, aan

de onderzijde wit en daar zie je dan ook de poriën, waaruit de sporen

te voorschijn komen. Deze kunnen door wind en water en door dieren weer

andere boompjes in de buurt bereiken en zoo kunnen groote stukken bosch

worden aangetast. Een Trametes-zieke boom kan het wel eenige jaren

uithouden en ieder jaar wordt het zwamlichaam rondom den wortelhals

grooter, want telkens wordt een nieuwe korst gevormd rondom de oude.

Het komt dan ook wel boven den grond; de kenner vindt het al veel

eerder, door eventjes bij verdacht uitziende boompjes de naalden of het

mos aan den voet van den boom opzij te schuiven. Dan zal hij meteen

probeeren de ziekte te stuiten door het graven van greppels, het

verwijderen van den zieken boom, het omwerken van den bodem, het

inplanten van loof hout en allerlei andere listige bedenksels, die

gaandeweg den dennenmoorder zullen maken tot een der zeldzaamste

verschijningen in ons land.

De Dennenmoorder belaagt alleen het naaldhout; de Honingzwam

(Armillaria mellea) (75) daarentegen komt zoowel op loofhout als op

naaldboomen voor. ’t Is een van onze allermooiste paddenstoelen en

tegenwoordig ook nog zeer algemeen, want hij groeit nog langen tijd op

doode boomstronken. Soms is zoo’n stronk geheel overdekt met de

honingzwam, want hij groeit groepsgewijs en als er op één stronk drie

groepen groeien, elk van twintig hoeden, dan blijft er van die stronk

niet veel te zien. Het is dan één massa van mooie honinggele hoeden,

die zelf weer vlokkig bruin gevlekt kunnen zijn. De stelen zijn fraai

gebogen en dragen bovenaan een witten ring of manchet, dus op de manier

van de Amanita’s en Champignons. De platen zijn licht geel en loopen

dikwijls in fijne ribbeltjes langs den steel voort tot aan de manchet.

De sporen zijn wit; meestal vinden we dan ook in rijpe groepen de

onderste hoeden wit bepoederd door de sporen, die uit de bovenste zijn

neergevallen. Het mycelium, de zwamvlok, ontwikkelt zich weer het best

in de grenslaag van schors en hout. Behalve dat vlokkig mycelium maakt

deze Honingzwam ook nog dikke zwarte draden; je zoudt ze soms voor

verkoolde wortels kunnen houden. Deze dingen heeten Rhizomorphen; ze

dringen door langs het hout van de stammen en door den grond heen en

uit die Rhizomorphen kunnen dan weer hier en daar nieuwe

honingzwamgroepen opschieten. De boschbouwer is in het geheel niet

gesteld op deze prachtige zwammen. Kleine boompjes, die er door zijn

aangetast, verwijdert hij geheel, bij grootere gaat hij greppelen en

graven en vooral zorgt hij er voor, om afgekapte boomstronken, vooral

die van loofhout, tijdig te verwijderen. In jeugdigen staat is deze

honingzwam eetbaar. Wanneer ge honingzwammen weet te groeien, ga er dan

ook in het donker eens naar kijken; het mycelium en vooral de uiteinden

van de Rhizomorphen verspreiden soms een spookachtig licht, als van

stukjes phosphorus.

Verwant met de honingzwam is de Porceleinzwam (Armillaria mucida) (80),

die zooals de naam al doet vermoeden, glanzig spierwit is. Ge moet haar

zoeken in het beukenbosch en wel op oude stervende boomen. Soms bij

honderden komen de zwammetjes uit de schors te voorschijn, net

isoleerpotjes voor electrische geleiddraden en nu eens in groepjes

bijeen, dan weer alleenstaand. Het is gemakkelijk te begrijpen, dat het

heele lichaam van den boom doortrokken moet zijn met zwamvlokdraden,

met andere woorden, dat hij daar staat te vermolmen en te vergaan. Ook

deze paddenstoel is, dank den goeden zorgen tegenwoordig aan het bosch

besteed, al minder algemeen dan veertig jaar geleden.

Wij weten niet zeker, of de Porceleinzwam wel gezonde beuken aantast.

Waarschijnlijk krijgen de boomen eerst een ander kwaaltje en dan komt

de zwam daarboven op. Met het bestrijden van de Porceleinzwam hebben

wij dan de oorspronkelijke kwaal nog niet te pakken. Er zijn nog heel

veel van die boompaddenstoelen; hieronder zullen wij er nog eenige

noemen die zich alleen vertoonen aan stervende of reeds gestorven

boomen en die dus niet als de eerste oorzaak van het sterven van den

boom beschouwd moeten worden. Intusschen is het ook mogelijk, dat het

mycelium al jaren lang in den boom heeft voortgewoekerd, eer de

paddenstoel aan den buitenkant verschijnt en dan is hij dus wèl de

schuldige. Hier is de waarheid ook alweer zeer moeilijk te ontdekken.

Ik weid hier een beetje over uit, vooral met het oog op de berken. In

het Kennemerduin hebben wij vele en uitgestrekte berkenboschjes. Dat

waren heerlijke lustoorden, vooreerst om de berken zelf, dan ook om de

vele mooie en interessante planten, die er op den boschbodem groeien,

de paddenstoelen niet te vergeten, eindelijk om de fraaie bloem- en

besheesters, die ze omzoomen (liguster, meidoorn, geldersche roos,

lijsterbes, egelantier, kamperfoelie) en ten slotte om de rijke

insecten- en vogelwereld, die onafscheidelijk verbonden is aan rijken

plantengroei. In de laatste dertig jaren is die rijkdom allertreurigst

verminderd, veel van die boschjes staan nu hol en ledig, de helft van

de berken dood, sommige nog overeind, kaal en bladerloos, andere tegen

den grond gesmakt. En op al die doode stammen vinden we de prachtige

Berkenzwam (Polyporus betulinus = Placoderma betulinum) (67).

Het lijkt dan, alsof het bosch bezweken is onder den aanval van dien

paddenstoel. Wij vermoeden echter, dat de boomen eerst zijn gaan

kwijnen, vooral doordat de duinwaterleiding zooveel water aan den bodem

onttrekt en dat daarna de zwam is opgetreden. Let er maar eens op, of

ge hem ooit aantreft op levende boomen. De Berkenzwam is heel mooi en

’t is interessant om zijn groei na te gaan van het oogenblik af, dat ge

hem als een klein knikkertje uit den schors ziet puilen, totdat hij

weken en weken later volledig is uitgegroeid. Als hij op een los

liggenden stam groeit, moet ge dien eens keeren en wentelen en dan zult

ge zien, dat de paddenstoel dan de richting van zijn groei verandert:

steeds zoo, dat de bleeke poriënlaag horizontaal komt te liggen en naar

beneden gericht. Haast alle planten hebben een soort van gevoel voor

boven en onder, rechtop en scheef, en de paddenstoelen hebben dat ook,

anders zouden ze nooit zoo sierlijk staan, waar zij groeien. Aan

zwammen op een los paaltje kunnen we nu zien, hoe lang zij onder

invloed van dit gevoel den gewenschten stand nog weer kunnen bereiken,

als zij er uitgebracht zijn. De Berkenzwam evenaart in gaafheid en in

zachtheid van tint de schors van den prachtigen boom, waar hij op

groeit.

Er zijn nog meer merkwaardige berkengasten, o.a. de

Berkenplaatjes-Houtzwam (Lenzites betulina) (74). Die doet wel denken

aan onze elfenbankjes uit Hoofdstuk I, want hij groeit ook zoo in

platen, die er fluweelig uitzien en gekleurd zijn in kringstrepen van

bruin en grijsgroen, een beetje soberder dan de elfenbankjes. Als ze

jong zijn, dan zou hun onderkant ook doen vermoeden, dat we hier met

een gaatjeszwam te doen hebben, maar als ze ouder worden, dan worden

het plaatjes: rijk vertakt en onregelmatig met elkaar verbonden. Zij

staan dus als het ware tusschen gaatjeszwammen en plaatjeszwammen in.

Evenals de elfenbankjes kunnen ze het zeer lang uithouden, den winter

door.

Een dergelijke klant is de Doolhofzwam (Daedalea quercina) (68), die

aan eiken, beuken en esschen voorkomt en zelfs nog aan timmerhout

groeien kan. Zijn naam doelt er op, dat de onderkant allerlei gangen en

spleten en kronkelingen vertoont, zoodat we soms twijfelen of wij met

een gaatjes- of met een plaatjeszwam te doen hebben. Wij rekenen hem

toch nog bij de gaatjeszwammen. Hij heeft een lang leven en kan jaren

achtereen als harde houtige massa aan de boomen blijven zitten. Soms

vindt men onder aan oude boomen een heele plakkaat van loodgrijze tot

bruine platte hoeden langs en over elkander. Een onderzoek van den

onderkant leert ons al spoedig, dat wij hier ook met Polyporus-soorten

te doen hebben. Er zijn er namelijk twee. De bruine, die plakkaten

vormt van wel een meter breed, wordt kortweg Reuzenzwam (Polyporus

giganteus) genoemd; de andere, die meer in het grauwe loopt en wel meer

voorkomt dan de eerste, heeft een aardigen volksnaam en wel Eikhaas

(Polyporus frondosus) (70). Ze zijn allebei tamelijk zeldzaam, wat

natuurlijk voor de boomen die ze belagen, zeer plezierig is.

Zeer bekend zijn ook de groote houtzwammen, die ge als dikke

uitsteeksels aan oude boomen opmerkt. Ze blijven vele jaren achtereen

op dezelfde plaats voortgroeien, steeds een nieuw laagje van

sporenbuisjes vormend. De meest bekende is de Vuurzwam (Fomes

igniarius) (69), die vooral veel aan abeelen, zwarte populieren en

wilgen wordt aangetroffen. Het vleesch is roodbruin, maar heelemaal

niet vleezig, want het heele ding is zoo hard als hout en wordt dan ook

wel als brandhout gebruikt.

Lichter vleesch en grilliger groei heeft de Witte Populierzwam (Fomes

connatus) (72), die op populieren groeit en wel zoo groot kan worden,

dat de vogels er bovenop komen nestelen. Wij hebben tenminste eens een

vliegenvangernest op zoo’n zwam gehad.

En nu moeten wij het eens hebben over de menschenmoorders. In Hoofdstuk

I heb ik u reeds de Vliegenzwam vertoond als vertegenwoordiger van het

geslacht Amanita, waartoe de allermooiste, maar ook de

allervergiftigste paddenstoelen behooren. Iedereen, die paddenstoelen

wil inzamelen om te eten, moet eerst duidelijk kunnen zien, of hij een

Amanita voor zich heeft. Zooals reeds gezegd is, herkennen wij ze aan

hun witte (of lichtgele) plaatjes, aan de manchet rondom het boveneind

van den steel en aan den dikken knolachtigen voet, die naar boven toe

ook alweer een kraagje of een zoogenaamde beurs heeft. De beurs is wel

het duidelijkst bij de Groene Knol-Amaniet (Amanita phalloïdes) (I),

een prachtige gave groenachtig-gele paddenstoel, die in zomer en herfst

in alle bosschen te vinden is. Met hem verwant zijn de Gele

Knol-Amaniet (A. mappa) (H, K) en de Gele Amaniet (A. junquillea).

Beginners kunnen ze niet gemakkelijk van elkander onderscheiden, maar

dit hindert niet, men moet ze toch alle mijden.

Het zijn deze drie, die onbegrijpelijkerwijze nog dikwijls verward

worden met de Champignons. Nog eens: de witte platen en de beurs aan

den voet zijn de kenmerken van de doodelijke Amanita’s, de manchet komt

zoowel bij de Amanita’s als bij de goede eetbare Champignons voor.

Het ergste is wel, dat de Amanita’s er altijd bekoorlijk uitzien en

noch door geur noch door smaak hun giftigheid verraden. Wanneer ze

toebereid worden als de gewone Champignons, dan leveren ze een

smakelijk gerecht. Het is voorgekomen dat een gezin van vijf personen

een stevigen maaltijd gebruikte van Amanita’s en zonder erg zich te

rusten begaf. Het gif van de Amanita’s begint zich pas bemerkbaar te

maken na 8–20 uren. Den volgenden dag kregen die vijf menschen dan ook

afschuwelijke buikpijnen, vergezeld van buikloop en braking. De dokter

constateerde dadelijk paddenstoelvergiftiging en deed al wat hij kon om

de menschen te redden, maar het tweetal, die het meest gegeten hadden,

bezweek den tweeden dag, de anderen haalden het met moeite op. Het

vergif dat in Amanita’s schuilt heet Muscarine of Amanitine en werd in

dat Amerikaansch geval bestreden door een tegengif, atropine, het gif

van de doodelijke Wolfskers of Belladonna.

Ook in ons land zijn nog al dikwijls Amanita-vergiftigingen voorgekomen

en dat legt aan ieder, die zijn naaste wil aansporen, om paddenstoelen

te eten, de verplichting op, om hem allereerst een flinken schrik te

bezorgen voor de Amanita’s en hem die giftzwammen duidelijk aan te

wijzen. De narigheid van het geval is, dat de Amanita’s gelijken op de

goede Champignons, doch die gelijkenis is oppervlakkig en de

verschillen zoo duidelijk, dat niemand zich behoeft te vergissen. Als

alles was, zooals het wezen moet, dan zouden in alle scholen prachtige

platen hangen met duidelijke afbeeldingen van deze boosdoeners en dan

zouden ieder jaar in streken waar ze groeien, de Amanita’s aan de

leerlingen vertoond worden en dan konden zij ze ook wel eens mooi

nateekenen.

De Vliegenzwam is niet vergiftig, maar erger. De beroemde Duitsche

paddenstoelkenner Michael heeft het roode velletje er af getrokken en

daarna de paddenstoel gegeten. Hij ondervond geen slechte gevolgen,

maar kon de spijs toch niet roemen. Merkwaardigerwijze hebben

Siberische volksstammen ontdekt, dat het vel van de Vliegenzwam

bedwelmende eigenschappen heeft en die stakkers gaan zich daaraan dan

te buiten, hoewel de gevolgen nog veel en veel erger zijn dan die van

het misbruik van opium, haschisch en hoe al die ellendige bedenksels

meer mogen heeten.

Een Amaniet, die we in den zomer ook veel te zien krijgen, vooral in de

zandstreken van het Oosten van ons land is de Paarl-Amaniet (Amanita

rubescens) (G). Deze is ongevaarlijk, zelfs eetbaar en wordt in

Engeland op groote schaal gebruikt. Zooals de naam al aanduidt is hij

rossig, de hoed is lichtbruin, het vleesch roodachtig, ook de voet

bruinig. Boven op den hoed blijven evenals bij de Vliegenzwam brokjes

zitten van het oorspronkelijke omhulsel. Ik vind het een heel mooien

paddenstoel en omdat hij zoo algemeen voorkomt hebben wij hem dan ook

afgebeeld. Echter mag ik u niet aanraden, om hem te gaan eten, want er

is een kansje, dat ge in plaats van A. rubescens een andere zoudt nemen

en wel de Panther-Amaniet (Amanita pantherina) (J), die ook bruinig is

en met veel witte schubjes boven op den hoed. Hij is te onderscheiden

aan zijn voet, die boven de knol met beurs nog een paar ruwe ringen

heeft. Een pracht van een paddenstoel.

Van de Boleten heb ik u verteld, dat we ze bijna allen kunnen eten. Ik

behoef u hier slechts twee soorten te noemen die we niet in den pot

mogen stoppen: de vergiftige Satansboleet (Boletus satanas) (77) en de

Bittere Boleet (Boletus felleus). De Satansboleet is evenals de

Heksenboleet een van de verkleurende boleten. Ge herinnert u, dat de

Heksenboleet verkleurde van geel tot blauw. Wanneer we een Satansboleet

doorbreken of doorsnijden, dan verkleurt hij door rood en blauw naar

groen. Overigens lijkt hij veel op de Heksenboleet en de verschillen

zijn alleen goed merkbaar bij jonge exemplaren, want als deze boleten

ouder worden, dan veranderen zij ook hun kleuren en verkleuringen. Ik

lees ergens, dat de Satansboleet alleen op kalkhoudenden grond

voorkomt: wij moeten hem dus vooral zoeken langs de duinen en in

Zuid-Limburg.

Sommige Russula’s zijn eetbaar, andere niet en de niet eetbare zijn

dadelijk te kennen aan hun smaak. Ik heb al meer gezegd, dat geen een

paddenstoel zoo vergiftig is of je kunt gerust op een stukje ervan

knabbelen. Welnu, wanneer ge nu een van de kleine Russula’s ziet

(middellijn van den hoed niet grooter dan 6 c.M.) met prachtig rood

hoedje en witten steel, bijt dan even op een brokje van dien steel.

Wanneer het puntje van uw tong dezelfde gewaarwording krijgt als toen

ge bij ongeluk eens een pepertje doorbeet, dan hebt ge te doen met de

zeer mooie Roode Russula (Russula rubra) (4). Als je het roode velletje

van den hoed afpelt, dan blijkt het vleesch daaronder ook nog rood te

wezen.

Hetzelfde is het geval met een Russula, die wat op onze roode lijkt,

maar die heeft nog veel heeter vleesch en zeer onaangename

eigenschappen, waarom de Duitschers hem „Speiteufel” genoemd hebben.

Wij noemen hem Braak Russula (R. emetica) (1). Hij is niet zoo mooi

rood als de Roode, maar meer in het bruinige of purperachtig rood, soms

met strepen en vlekken en de steel ziet er ook zoo uit; soms een echt

ongezond uiterlijk. Gevoelige menschen krijgen het reeds te kwaad van

den geur alleen van het paddenstoeltje en moeten gauw de frissche lucht

in; anders zouden ze zeeziek worden. Het mooie Broze Russula’tje uit

Hoofdstuk I is ook vergiftig evenals de Purperroode en de Gele

Geelplaat Russula (R. ochracea) (6), die op witten steel een bruinig

gelen hoed draagt en ook gele platen, zelfs gele sporen heeft. Hij

groeit in allerlei bosschen, ik vond hem ook veel bij berkjes.

De pepersmaak is ook een uitmuntend middel om de Scherpe Marasmius (M.

urens) (73) die in bosschen groeit, te onderscheiden van de

Weide-Kringzwam (M. oreades) (30). Ook de vergiftige melkzwammen

herkent men gemakkelijk aan den scherpen smaak van hun melk. Een van de

scherpste is de Grijsgroene Melkzwam (Lactarius blennius) (76). Het is

een middelsoort melkzwam naar den kleinen kant, de hoed egaal donker

van kleur, groengrijs, soms bronzig of bruinig, de vuilwitte plaatjes

dicht op elkaar en ze geven overvloedig een scherpe melk, die eerst

wit, later grijs wordt. Ik vind hem het meest in loofbosschen, vooral

bij beuken.

Een heel mooie heldergele, flink scherpe melk heeft de Zwavel-Melkzwam

(Lactarius theiogalus) (78), ook een middelsoort groote. De hoed is

rossig geel met enkele donkere kringen en de randen gaan vrij spoedig

omhoog staan, zoodat het bovenvlak komvormig wordt: een zeer mooi

paddenstoeltje, meest in loofbosschen.

De giftigste melkzwam lijkt weer op de eetbare Oranje Melkzwam. Deze

Giftige Melkzwam (L. torminosus) (83) heeft echter geen oranje, maar

witte melk en zijn hoed kan wel oranje zijn, maar ook wel lichter en

heeft altijd een omgerolden ruigen rand en lijkt daardoor wel op een

andere melkzwam, die wij het Schaapje noemen (L. vellereus) (84). Dit

Schaapje onderscheidt zich weer van de Giftige doordat het geen kringen

op zijn hoed heeft; de Giftige wel.

Een melkzwam met zeer heete melk, maar die toch wel gegeten wordt, is

mijn oude vriend de Gepeperde Melkzwam (L. piperatus) (82), waar ik in

mijn jonge jaren eens heel erg mijn tong aan gebrand heb. Hij is

tamelijk groot en spierwit, ook de melk is prachtig wit; je zoudt er

zoo in happen, wat ik dan ook tot mijn nadeel heb gedaan. ’t Is er

alweer een, die je het meest vindt in de loofbosschen van Twente en den

Achterhoek.

En nu moet ik de lijst van mijn vergiftige paddenstoelen besluiten met

het Zwavelkopje (Hypholoma fasciculare) (53). Ik kan er wel geen

ijselijke verhalen van doen, zooals ik er nog verscheidene zou kunnen

verzamelen over onze Amanieten, maar toch, het Zwavelkopje is verdacht.

Eigenlijk geloof ik niet, dat velen op het idee zouden komen, om het te

eten, want de donkere plaatjes zien er niet zoo heel appetijtelijk uit;

eerst zijn ze geel, later zwart. Wij laten de zwavelkopjes dus

stilletjes op de boomstronken staan, waar zij in dichte groepen te

voorschijn komen. Aan de zeer jonge zien wij dat de hoedrand met den

steel verbonden is door een vliesje, dat tot „gordijn” wordt uitgerekt

en gespleten. Bij oudere is dat gordijn spoedig verdwenen.

De studie der paddenstoelen is in hooge mate geschikt om ons

waarnemingsvermogen te scherpen. Probeer nu eens of ge drie soorten van

zwavelkopjes kunt onderscheiden en wel:

Hypholoma fasciculare (53) met geelbruine hoedjes, donkerder in het

midden, plaatjes eerst mooi zwavelgeel, steel onderaan en bovenaan

ongeveer even dik, vleesch lichtgeel.

H. epixanthum (81) met bleekgele hoedjes, plaatjes meest bijna wit,

nooit groenig, steel over de geheele lengte overal zoowat even dik.

H. sublateritium (79) met roodachtige hoedjes met vale vlekken langs

den rand, plaatjes in het begin grijsgroen, steel onderaan veel dunner

dan boven, bruin, vleesch is bijna wit.

Misschien zegt ge: waar zijn al die spitsvondigheden voor noodig?

Welnu, om uw waarnemingsvermogen te scherpen. Volledigheidshalve willen

wij nog even zeggen dat van de Stuifballen de Aardappelbovist

(Scleroderma vulgare) (109) vergiftig is, maar niemand zal er aan

denken dit harde ding te eten. Snijdt hem eens door en bewonder de

zwarte sporenmassa binnenin. Andere stuifballen zijn in jongen staat

wel eetbaar maar niet bijzonder lekker, doch mooi van vorm en tint en

de mooiste is wel de Ruitjes-bovist (Lycoperdon caelatum) (E).

Paddenstoelen · 第 8 / 15 题