We weten tegenwoordig, dat vele paddenstoelen van onberekenbaar groot
nut zijn en dat menige boom, menig bosch niet zou kunnen bestaan zonder
hun bijstand. Het is geruimen tijd geleden, dat men dit begon te
vermoeden; in de laatste jaren is dat vermoeden tot zekerheid geworden.
Het heeft al lang de aandacht getrokken, dat sommige paddenstoelsoorten
liefst groeien in gezelschap van bepaalde boomsoorten, soms slechts
één, soms eenige. De Vliegenzwam vindt ge doorgaans bij berken, ook
onder dennen of lariksen, maar zelden in andere omgeving. Dikwijls heb
ik heksenkringen van Vliegenzwammen gevonden rondom alleenstaande
berken en ik behoef u niet te zeggen, hoe prachtig dat er uit ziet:
echt om te schilderen. De berk heeft nog een paar andere vrienden en
wel de Ruwe Boleet (Boletus scaber) (38) en de Berken Gordijnzwam
(Cortinarius hemitrichus) (36). Van deze laatste is gezegd, dat hij
evenzeer verknocht is aan den berk, als de dolfijn aan zijn schip. Ge
weet dat de dolfijnen er schik in hebben, om uren lang en mijlen ver
een schip te vergezellen.
De Ruwe Boleet ontbreekt ook nooit in berkenbosschen. Het is niet een
van de mooiste Boleten: de steel nog al slank, grijs met donkere
stippeltjes en ruig, de hoed bol, bruin en de buisjeslaag zoo’n
gruttebrij-kleurtje. Hij komt ook voor onder ratelpopulieren en nu
wordt wel beweerd, dat die van de ratelpopulieren er anders uitziet dan
die van de berken, meer rossig. Let er eens op! Maar ze zouden toch van
één en dezelfde soort zijn. Dat is alleen door kweeking uit te maken.
Ook is vastgesteld, dat het Eekhorentjesbrood (Boletus edulis) (39) bij
de berken behoort. Deze boleet is een van de grootste paddenstoelen. De
bruine hoed kan wel een middellijn hebben van 25 c.M. De steel is dik,
mooi bruingrijs en dikwijls versierd met een netachtige teekening. Het
vleesch is wit en blijft wit als we den paddenstoel doorbreken.
Misschien kan het vlak aan den buitenrand een beetje rose worden.
Andere boleten behooren bij de Naaldboomen. In de eerste plaats noemen
we de Melkboleet (Boletus granulatus) (37), één van de kleine boleten.
De mooi glimmende bruine hoed wordt zelden grooter dan 8 c.M. in
middellijn; de steel is tamelijk kort, middelsoort dik, lichtgeel bij
wit af en vlak onder den hoed dikwijls gestippeld door kleine gele of
bruine knobbeltjes. De poriën zijn geel en daar zitten vaak witte
melkdroppeltjes aan. Dit mooie boleetje is een van de eerste, die zich
’s zomers in het dennenbosch vertoonen en wel het liefst langs de paden
en open plekken. Let er eens op, dat de paddenstoelen meer voorkomen op
de lichte en halflichte plekken in het bosch dan op de donkerste.
De Bruine Ringboleet (Boletus luteus) (40) heet zoo, omdat hij een
mooie paarse ring rondom den steel heeft, eigenlijk een echte sluier of
manchet, die net als bij de Amanita’s en Psalliota’s ontstaat, doordat
een vlies, dat aanvankelijk de poriënlaag bedekte, loslaat en nu rondom
den steel komt hangen. Deze sluier verwelkt wel spoedig, maar er blijft
toch altijd een duidelijk donker ringetje om den steel. Er is ook een
Gele Ringboleet (Boletus flavus) (42). Deze is lichter van kleur, heeft
een witte sluier en toont een bijzondere voorkeur voor lariksen. Een
echte dennenvriend is weer de Kastanjeboleet (Boletus badius) (41), ook
bruin, maar zonder sluier en zijn witte vleesch wordt, aan de lucht
blootgesteld, mooi bleekblauw. Ziezoo, dat is een heele verzameling van
boleten; later noem ik er nog een paar bij.
Hoe staat dat nu met het bondgenootschap tusschen de boleten en de
dennen of berken? Daarvoor moeten we even aan het graven en zoeken naar
worteluiteinden van deze boomen. Ge zult zien, dat die er heel anders
uitzien dan de worteltjes van radijs, die pas opkomt. Die
radijsworteltjes zijn nabij hun punt dicht bezet met fijne wortelharen
en dat is nu bij onze boomen heelemaal niet het geval. Ze vertoonen
dikkige, bruinige, wittige, eventjes ruige worteluiteinden en als we
die onder het microscoop onderzoeken, dan blijkt dat ze dicht omsponnen
zijn met myceliumweefsel. Nu zijn knappe onderzoekers er niet alleen in
geslaagd, om voor veel gevallen uit te maken tot welke paddenstoelsoort
dat myceliumweefsel behoorde, maar ook hebben ze bewezen, dat boomen
met zoo’n zwamwortel beter groeien, dan zonder. Zoo’n combinatie van
wortel met myceliumdraden heet een Mycorrhiza, en dat beteekent
letterlijk zwamwortel. Soms zitten de myceliumdraden om den wortel maar
dikwijls ook in den wortel en in beide gevallen is het een voordeel
voor de plant. Het aantal planten, die er een mycorrhiza op na houden,
is bijzonder groot. Om te beginnen alle boomen en heesters van bosch en
heide, maar dan ook nog een aantal kruidachtige planten, zooals de
bosch-anemoon, de wespen-orchis, koraal-orchis, vogelnest-orchis, ook
alle orchideeën, die op den grond groeien en dan nog om niet te
vergeten het bleeke Stofzaad, dat eenig en alleen is aangewezen op het
voedsel, dat de zwamdraden hem verschaffen.
De paddenstoelen zijn dus onmisbaar voor den plantengroei van bosch en
heide, weide en akker. Gaandeweg zullen we daar nog wel meer van te
weten komen en iedereen kan daaraan meehelpen, al is het dan ook nog
zoo’n beetje. De jeugdige paddenstoelzoekers moeten alvast beginnen met
voor iederen paddenstoel, dien ze vinden, aan te teekenen bij welke
boomen of andere planten die groeide. Of, omgekeerd, maak een lijst van
boomen en noteer dan bij iederen boom, welke paddenstoelen eronder op
den grond groeien. Ge zult ontdekken, dat de Spijkerzwammen
(Gomphidius) al even goede dennevrienden zijn als de Boleten en dat de
Melkzwammen hun weldaden verdeelen over dennen, berken en eiken.
De beroemdste van alle Melkzwammen is de Oranjegroene Melkzwam
(Lactarius deliciosus) (59). Deze groeit vooral in naaldbosschen, onder
dennen en lariksen en is ook te vinden in onze helaas steeds
schaarscher wordende Jeneverbeswouden van de Drentsche, Veluwsche en
Brabantsche zandstuivingen. ’t Is een van de gemakkelijkst kenbare
soorten, want het is een echte oranjeklant; hoed oranje met donkerder
kringen, steel oranje, vleesch oranje, melk oranje, platen oranje. Als
je even met den nagel langs de platen strijkt, komen de oranjedroppels
te voorschijn en die melk smaakt zoet. Door het hanteeren gaat deze
paddenstoel er minder smakelijk uitzien, want overal waar ge hem
eventjes drukt of knijpt wordt hij dadelijk vaalgroen. Deze paddenstoel
wordt nog al eens gegeten en de Latijnsche bijnaam van „deliciosus” zou
je doen vermoeden, dat hij al heel bijzonder lekker moet zijn, maar dat
valt toch niet mee. Er zijn tal van lekkerder soorten, te beginnen met
ons Eekhoorntjesbrood.
In ons land worden paddenstoelen nog niet veel gegeten. De menschen
zijn er huiverig van en terecht, want onvoorzichtigheid in dezen kan je
den dood aandoen. Alleen bepaalde soorten zijn eetbaar en die moet ge
op en top kennen, met al hun kenmerken, eer ge het waagt, den tand erin
te zetten. Er bestaat geen enkel algemeen kenmerk, om vergiftige
paddenstoelen te onderscheiden van de eetbare. Men hoort wel eens van
dergelijke huisregeltjes, b.v. dat een zilveren lepel zwart zou worden
in vergiftige paddenstoelen en blank zou blijven in de goede. Daar is
niets van waar: de lepels blijven blank in de allergiftigste Amanieten.
Verkleurend vleesch zou een kenmerk zijn voor giftigheid; heelemaal
niet waar: verschillende van die verkleur-paddenstoelen zijn heel goed
om te eten. Paddenstoelen, waar slakken van eten, zouden goed zijn;
volmaakt onjuist: je ziet dikwijls slakken smullen van soorten, die
voor ons giftig zijn. Neen, wie paddenstoelen wil eten kan er niet
buiten, om de soorten, die hij wil eten, goed te leeren kennen aan hun
uiterlijk en meteen make hij kennis met de giftige soorten, die, hoewel
vaak oppervlakkig, gelijken op de goede. Het aantal soorten waarvan
bekend is, dat ze eetbaar zijn is al zeer groot; in ons land wel over
de honderd. Catharina Cool geeft in haar paddenstoelboekje den naam van
78 eetbare paddenstoelen en daar tegenover 28, die vergiftig of
verdacht zijn.
Voorzichtige menschen eten maar liever in het geheel geen
paddenstoelen, doch daaraan hebben ze ongelijk. ’t Is ook niet noodig,
dat we ieder jaar duizenden kilogrammen stikstofvoedsel laten verrotten
en vergaan en zeker wel de moeite waard, om ons een paar dozijn soorten
van paddenstoelen goed in het hoofd te prenten. In Duitschland, België,
Frankrijk, Zwitserland worden paddenstoelen bij massa’s gegeten. Daar
worden ze ook op de groentemarkten verkocht, evengoed als worteltjes en
andijvie en dikwijls genoeg heb ik op de markt te Bazel, Bern, Lausanne
of Genève met groot genoegen naar de paddenstoelkraampjes staan kijken.
Daar mogen slechts bepaalde soorten ten verkoop worden aangeboden en
een controleur waakt er voor goede naleving der bepalingen, onderzoekt
ook, of de aangeboden waren versch genoeg zijn. En als ze een partijtje
afkeuren, dan moet je hooren, hoe die oude kwieke paddenstoeldames hun
controleur aftakelen in een dialect, dat volkomen onverstaanbaar is,
maar dat verduidelijkt wordt door gebaren en geluiden uit de wereldtaal
van de boosheid. De markt in Genève is zeer streng; daar mogen zelfs
geen Koraalzwammen verkocht worden, ofschoon ze niet vergiftig zijn. Ze
schijnen echter een al te bespoedigenden invloed te hebben op het
verloop van de spijsvertering.
De paddenstoel, dien je ieder kan aanraden om te eten, is de Hanekam of
Dooierzwam (Cantharellus cibarius) (52). De Duitschers noemen hem
Pfefferling en inderdaad heeft hij een heel aangenaam prikkelend
peperachtig smaakje en geeft daarbij nog een geurige gewaarwording als
van ooft. In allerlei bosschen, maar misschien in loofbosch meer dan in
naaldhout, ziet ge al vroeg in den nazomer groepen van mooi-oranje
knopjes uit den grond komen en die groeien uit tot trechtervormige
figuren met omgekrulden hoedrand. ’t Is een plaatjeszwam, maar de
plaatjes zijn niet hoog en lijken eerder dikke ribbels, zeer typisch.
Deze zwam heeft geen gevaarlijken dubbelganger, zooals zoo menig
andere. Vroeger dacht men van wel en hield men de Valsche Dooierzwam
(Cantharellus aurantiaca) (54) voor vergiftig. Dat is gelukkig
heelemaal niet het geval; alleen is hij niet zoo lekker, doordat zijn
vleesch nog al slap is, terwijl dat van de echte dooierzwam zoo lekker
knappert. Deze beide Cantharellen worden haast nooit aangetast door
insecten. Geen wonder, dat de „Chanterelle” op de Zwitsersche markten
een gewild artikel is. Ze werden er vroeger bij het gewicht verkocht.
Om ze nu zwaarder te maken, legden de verkoopers ze in water, alvorens
ze op de markt te brengen. Dit bedrog had ook slechte gevolgen voor de
ingewanden der koopers! Toen schreef de marktmeester voor, om ze bij de
maat te verkoopen en dat vonden de kooplui nog prettiger, want met
droge cantharellen heb je eerder een maat vol dan met natte; die
plakken in elkander.
Al de Boleten, die ik in dit en de vorige hoofdstukken genoemd heb,
zijn eetbaar. De beste is wel het gewone Eekhoorntjesbrood (Boletus
edulis) (39) en dan volgt de Melkboleet (Boletus granulatus) (37). Het
zal u blijken, dat het niet zoo makkelijk gaat, om volkomen gave
exemplaren van deze paddenstoelen te vinden, want ze zijn al heel
spoedig doorvreten door insectenlarven. Soms echter komen ze zoo vlug
en in zoo groot aantal voor, dat wij het niet kunnen bijhouden met eten
en dan gaan we ze „wekken”. Ik heb geen gelegenheid om in dit album te
vertellen van het koken, braden, inmaken enz. van paddenstoelen en moet
u daarvoor verwijzen naar het Paddenstoelboekje van Cool en van der Lek
en naar een kleiner werkje van Mej. Cool „Hoe maken we Paddenstoelen
klaar”, beide uitgaven van W. Versluys te Amsterdam.
De paddenstoel, die wel het meest gegeten wordt en dan ook opzettelijk
in groote hoeveelheden wordt gekweekt, is de Weide-Champignon of
Weide-Kampernoelje (Psalliota campestris) (45). Zooals de naam al
aanduidt groeit deze paddenstoel op weiden, vooral paardeweiden, ook op
strandweiden, waar trouwens altijd veel vee graast. Op deze plaatsen
bestaat weinig gevaar dat zijn doodelijk vergiftige dubbelgangers, de
Knol-Amanieten, ook zouden groeien, want deze hooren thuis in bosschen.
In boschweiden vindt men ze wel in elkaars gezelschap, dus daar heet
het oppassen. De Weide-Champignon heeft evenals de Vliegenzwam en de
andere Amanieten een manchet aan zijn steel en zijn voet is knollig,
doch heeft daar geen „beurs”, zooals de Amanieten hebben. Intusschen
kan die beurs bij de Amanieten ook wel eens heel onduidelijk zijn en
dan verkeeren we dus nog in twijfel. Gelukkig is er voor onze
Weide-Champignon nog een prachtig kenmerk en wel dit: de plaatjes zijn
bij de nog zeer jonge Weide-Champignon al vaalrose; ze worden gaandeweg
donkerder en zijn bij de oude Weide-Champignons met hun uitgespreiden
hoed bij zwart af. De Weide-Champignon groeit in troepen en ook heel
dikwijls in heksenkringen. De uitgespreide hoed kan tot twee decimeter
middellijn krijgen. Het mooist en het lekkerst zijn ze in jeugdigen
toestand, zoo in den tijd dat het dekvlies van de platen van den
hoedrand begint los te laten. Ze zijn te vinden van vroeg in den zomer
tot in den winter toe. Als groote bijzonderheid vonden wij er eens een
in Maart, één van de aardigste voorbeelden van de grillen der
paddenstoelen.
Nu kunnen wij eigenlijk met die Weide-Champignon al best tevreden zijn,
maar er is nog een Akker-Champignon (Psalliota arvensis) (43) en een
Bosch-Champignon (Psalliota sylvatica) (44), die er in het algemeen wel
op lijken en waarvan vooral de eerste heel lekker is, maar die hebben
in hun jeugd—als ze ’t lekkerst zijn—allebei heel lichte plaatjes, bij
wit af en kunnen dan wel eens bij het inzamelen een Amanita in hun
gezelschap krijgen, zonder dat je het zoudt merken. Daar zijn heel
ervaren paddenstoelzoekers al wel eens mee ingeloopen en een beginner
doet daarom het best zich maar uitsluitend te houden bij de veilige
Weide-Champignon en geen heldendaden te beginnen met Bosch-Champignons.
De Akker-Champignon heeft meestal een dubbelen schubbigen ring. De
Bosch-Champignon ziet er veel donkerder uit dan de beide andere,
doordat zijn hoed bedekt is met bruine schubben. Allebei,
Akker-Champignon, zoowel als Bosch-Champignon blijven kleiner dan de
Weide-Champignon; de middellijn van den hoed komt zelden boven de 12
c.M., terwijl de Weide-Champignon dikwijls met plezier de twintig
haalt. Een buitengewoon gevaarlijke dubbelganger van de Champignons,
waar niet dikwijls genoeg op gewezen wordt, is de Volvaria. Wij hebben
een Witte Volvaria (Volvaria speciosa) en een Grijze Volvaria (Volvaria
gloiocephala) (130). Ze verschillen in kleur, maar lijken overigens
veel op elkander. Het gevaar schuilt hierin, dat zij ook rose plaatjes
hebben evenals de goede Champignons en zij groeien op bemeste gronden
nog al eens een enkelen keer in gezelschap van de brave eetbare
kampernoeljes. Ze zijn goed te kennen aan de groote beurs, die onderaan
den voet omgeeft, maar die zit dikwijls in den grond, dus uitgraven!
Ook heeft de Volvaria geen manchet. Men behoeft zich dus nooit te
vergissen, maar toch, opgepast hoor!
De inktzwammen zijn in hun jeugd goed om te eten en zeer bijzonder
wordt aanbevolen de Geschubde Inktzwam (Coprinus comatus) (48) en dat
is tegelijk een van de allermooiste paddenstoelen, die er bestaan en
eigenlijk had hij al een eereplaats mogen innemen in het eerste
hoofdstuk. ’t Is er een, dien we zoeken moeten op vruchtbare akkers,
langs kleiïge dijken, op rommelige mestrijke, stikstofrijke plaatsen en
daar komen ze met hun spierwitte bolletjes boven den grond opsteken en
worden al hooger en hooger tot hun schubbige hoed als een groot ei
boven den grond komt, los op zijn steel. Nu moet ge hem plukken, want
over enkele uren gaat hij vervloeien, net als de gewone inktzwam.
Minder vergankelijk is de Biefstukzwam (Fistulina hepatica) (F). De
ervaren paddenstoelzoeker, die zijn buurt kent, weet wel oude eiken en
eikenstronken te staan, die jaar in jaar uit zijn biefstuk leveren.
Eerst komt er een dikke roodbruine knobbel te voorschijn en die wordt
dag aan dag tamelijk langzaam al grooter en grooter, al malscher en
malscher. Hij begint zich al gauw te doen kennen als een buisjeszwam,
evenals onze Boleten. De buisjes van deze Biefstukzwam staan echter
niet vlak tegen elkaar, maar met kleine tusschenruimten. Ze scheiden
ook een vocht af en alles met alles ziet deze paddenstoel er zeer
aantrekkelijk en smakelijk uit, wat hij dan ook werkelijk is. Langer
dan zes jaar achtereen heb ik hem niet uit één en denzelfden stronk
verkregen.
Nog een andere goed eetbare boomstronkpaddenstoel is de Oesterzwam
(Pleurotus ostreatus) (D). Hij groeit zoowel op levende zieke boomen
als op doode stammen en komt daar in groote waaiervormige massa’s te
voorschijn; de steel zit aan den kant van den hoed, vlak in den stam.
De hoed is bleekgrijs, soms heel mooi lavendelkleurig, ook wel
donkerder en met bijzonder mooi gekrulden rand. De platen flink groot
en licht van kleur; de overvloedige sporen wit.
In het Oosten van ons land meer dan in het Westen, dus in het Gooi meer
dan in Kennemerland staan een paar smakelijke stekelzwammen, de Gele of
Uitgespreide Stekelzwam (Hydnum repandum) (64) en de Geschubde
Stekelzwam (Hydnum imbricatum) (62). Ik vond ze allebei veel in het
Koninklijk Park van Het Loo, en ook bij de Lage Vuursche, het meest in
beukenbosschen. Ze zijn allebei heel makkelijk te kennen aan hun
stekelige schubben. Voor de eerste heb ik een bijzondere voorliefde,
eigenlijk alleen, omdat ik mijn eerste vond op een van die fabelachtig
mooie zomersche dagen in het eind van November en dan aan de Vuursche
met de beuken in het diepst en felst van hun koperkleur en bonte
Vlaamsche gaaien, schreeuwend en stoeiend in het hout. ’t Is met de
paddenstoel-liefhebberij als met andere natuur-liefhebberijen: hun
hoogste beteekenis is deze, dat ze je naar buiten drijven en je de
gelegenheid geven goed te beseffen, hoe mooi onze wereld is. Er zijn
wel menschen, die het zoo druk hebben met andere dingen, dat ze dit
nooit te weten komen. Maar ik weet het wel.
Zoo ook met de Morieljes. Ik eet ze graag, heel graag, vooral wanneer
mijn vrouw ze heeft klaargemaakt. Maar wat heeft dat te beteekenen bij
het groote genoegen, het innige genot, dat ik ondervind bij het zoeken
van deze prachtige dingen. De nachtegaal is pas aangekomen en de berken
staan in jong loover, Anemoontjes nog in vollen bloei, en de Lelietjes
van Dalen in knop. Overal ontluikend groen en bloemen, vogelzang,
gegons van hommels en bijen en de lekkere lauwe lucht om je hoofd. En
dan in het gras of bij de blauwe Viooltjes of zoo maar in het duin bij
de Salomonszegeltjes die mooie bruine Morieljes op blank steeltje en
met het wafelachtige goudbruine oppervlak. Nu eens vinden we ze onder
iepen, dan onder eiken, op brandplekken; een vaste regel is niet te
geven. Ze hebben geen plaatjes of buisjes of stekels, maar hebben hun
sporen bij achttallen in zakjes, evenals de Peziza’s. Hoe kunnen ze
verschillen in grootte en vorm; soms zijn ze akelig groot, als een
vuist of nog grooter en dan hol en voozig. De beste zijn die van een
centimeter of acht hoog. Er zijn verschillende soorten van Morieljes.
Wij vinden hier in Bloemendaal voornamelijk twee soorten: de Gewone
Morielje (Morchella esculenta) (58) en de Kapjesmorielje (Morchella
rimosipes) (56). De eerste is bruinig en heeft duidelijk het
wafeltjespatroon, de tweede een tamelijk zuiver kegelvormigen hoed met
fijner plooien dan de eerste en grooter voet. Deze Morieljes mag men
meerekenen onder de paddenstoelen, die je met geduld en volharding in
je tuin kunt krijgen door maar altijd rijpe brokken uit te strooien op
de plekken, die je geschikt voorkomen. Zoo heb ik ze in mijn tuin
gekregen en geruimen tijd gehouden.
In het najaar vinden wij een paar paddenstoelen, die een zeer
oppervlakkige gelijkenis vertoonen met Morieljes en die door de
Duitschers dan ook Herbstmorchel worden genoemd. Hun hoed is echter
niet gewafeld, maar geplooid en in de plooien is het oppervlak dan
effen. De voet is buitengewoon mooi versierd met ribbels en à jour
werk, allemaal heel aardige openingen. We willen er ook twee soorten
van noemen, de Witte Kluifjeszwam (Helvella crispa) (57) en de Zwarte
Kluifjeszwam (Helvella lacunosa) (55). De eerste heeft een witten, de
laatste een bijna zwarten hoed. Die Helvella lacunosa is gemiddeld ook
kleiner en inwendig nog veel meer met gaten en openingen behept dan de
Helvella crispa. In sommige jaren komen ze voor in onbegrijpelijk
grooten getale, in andere jaren zoo goed als in het geheel niet.