III. DE NUTTIGE PADDENSTOELEN

We weten tegenwoordig, dat vele paddenstoelen van onberekenbaar groot

nut zijn en dat menige boom, menig bosch niet zou kunnen bestaan zonder

hun bijstand. Het is geruimen tijd geleden, dat men dit begon te

vermoeden; in de laatste jaren is dat vermoeden tot zekerheid geworden.

Het heeft al lang de aandacht getrokken, dat sommige paddenstoelsoorten

liefst groeien in gezelschap van bepaalde boomsoorten, soms slechts

één, soms eenige. De Vliegenzwam vindt ge doorgaans bij berken, ook

onder dennen of lariksen, maar zelden in andere omgeving. Dikwijls heb

ik heksenkringen van Vliegenzwammen gevonden rondom alleenstaande

berken en ik behoef u niet te zeggen, hoe prachtig dat er uit ziet:

echt om te schilderen. De berk heeft nog een paar andere vrienden en

wel de Ruwe Boleet (Boletus scaber) (38) en de Berken Gordijnzwam

(Cortinarius hemitrichus) (36). Van deze laatste is gezegd, dat hij

evenzeer verknocht is aan den berk, als de dolfijn aan zijn schip. Ge

weet dat de dolfijnen er schik in hebben, om uren lang en mijlen ver

een schip te vergezellen.

De Ruwe Boleet ontbreekt ook nooit in berkenbosschen. Het is niet een

van de mooiste Boleten: de steel nog al slank, grijs met donkere

stippeltjes en ruig, de hoed bol, bruin en de buisjeslaag zoo’n

gruttebrij-kleurtje. Hij komt ook voor onder ratelpopulieren en nu

wordt wel beweerd, dat die van de ratelpopulieren er anders uitziet dan

die van de berken, meer rossig. Let er eens op! Maar ze zouden toch van

één en dezelfde soort zijn. Dat is alleen door kweeking uit te maken.

Ook is vastgesteld, dat het Eekhorentjesbrood (Boletus edulis) (39) bij

de berken behoort. Deze boleet is een van de grootste paddenstoelen. De

bruine hoed kan wel een middellijn hebben van 25 c.M. De steel is dik,

mooi bruingrijs en dikwijls versierd met een netachtige teekening. Het

vleesch is wit en blijft wit als we den paddenstoel doorbreken.

Misschien kan het vlak aan den buitenrand een beetje rose worden.

Andere boleten behooren bij de Naaldboomen. In de eerste plaats noemen

we de Melkboleet (Boletus granulatus) (37), één van de kleine boleten.

De mooi glimmende bruine hoed wordt zelden grooter dan 8 c.M. in

middellijn; de steel is tamelijk kort, middelsoort dik, lichtgeel bij

wit af en vlak onder den hoed dikwijls gestippeld door kleine gele of

bruine knobbeltjes. De poriën zijn geel en daar zitten vaak witte

melkdroppeltjes aan. Dit mooie boleetje is een van de eerste, die zich

’s zomers in het dennenbosch vertoonen en wel het liefst langs de paden

en open plekken. Let er eens op, dat de paddenstoelen meer voorkomen op

de lichte en halflichte plekken in het bosch dan op de donkerste.

De Bruine Ringboleet (Boletus luteus) (40) heet zoo, omdat hij een

mooie paarse ring rondom den steel heeft, eigenlijk een echte sluier of

manchet, die net als bij de Amanita’s en Psalliota’s ontstaat, doordat

een vlies, dat aanvankelijk de poriënlaag bedekte, loslaat en nu rondom

den steel komt hangen. Deze sluier verwelkt wel spoedig, maar er blijft

toch altijd een duidelijk donker ringetje om den steel. Er is ook een

Gele Ringboleet (Boletus flavus) (42). Deze is lichter van kleur, heeft

een witte sluier en toont een bijzondere voorkeur voor lariksen. Een

echte dennenvriend is weer de Kastanjeboleet (Boletus badius) (41), ook

bruin, maar zonder sluier en zijn witte vleesch wordt, aan de lucht

blootgesteld, mooi bleekblauw. Ziezoo, dat is een heele verzameling van

boleten; later noem ik er nog een paar bij.

Hoe staat dat nu met het bondgenootschap tusschen de boleten en de

dennen of berken? Daarvoor moeten we even aan het graven en zoeken naar

worteluiteinden van deze boomen. Ge zult zien, dat die er heel anders

uitzien dan de worteltjes van radijs, die pas opkomt. Die

radijsworteltjes zijn nabij hun punt dicht bezet met fijne wortelharen

en dat is nu bij onze boomen heelemaal niet het geval. Ze vertoonen

dikkige, bruinige, wittige, eventjes ruige worteluiteinden en als we

die onder het microscoop onderzoeken, dan blijkt dat ze dicht omsponnen

zijn met myceliumweefsel. Nu zijn knappe onderzoekers er niet alleen in

geslaagd, om voor veel gevallen uit te maken tot welke paddenstoelsoort

dat myceliumweefsel behoorde, maar ook hebben ze bewezen, dat boomen

met zoo’n zwamwortel beter groeien, dan zonder. Zoo’n combinatie van

wortel met myceliumdraden heet een Mycorrhiza, en dat beteekent

letterlijk zwamwortel. Soms zitten de myceliumdraden om den wortel maar

dikwijls ook in den wortel en in beide gevallen is het een voordeel

voor de plant. Het aantal planten, die er een mycorrhiza op na houden,

is bijzonder groot. Om te beginnen alle boomen en heesters van bosch en

heide, maar dan ook nog een aantal kruidachtige planten, zooals de

bosch-anemoon, de wespen-orchis, koraal-orchis, vogelnest-orchis, ook

alle orchideeën, die op den grond groeien en dan nog om niet te

vergeten het bleeke Stofzaad, dat eenig en alleen is aangewezen op het

voedsel, dat de zwamdraden hem verschaffen.

De paddenstoelen zijn dus onmisbaar voor den plantengroei van bosch en

heide, weide en akker. Gaandeweg zullen we daar nog wel meer van te

weten komen en iedereen kan daaraan meehelpen, al is het dan ook nog

zoo’n beetje. De jeugdige paddenstoelzoekers moeten alvast beginnen met

voor iederen paddenstoel, dien ze vinden, aan te teekenen bij welke

boomen of andere planten die groeide. Of, omgekeerd, maak een lijst van

boomen en noteer dan bij iederen boom, welke paddenstoelen eronder op

den grond groeien. Ge zult ontdekken, dat de Spijkerzwammen

(Gomphidius) al even goede dennevrienden zijn als de Boleten en dat de

Melkzwammen hun weldaden verdeelen over dennen, berken en eiken.

De beroemdste van alle Melkzwammen is de Oranjegroene Melkzwam

(Lactarius deliciosus) (59). Deze groeit vooral in naaldbosschen, onder

dennen en lariksen en is ook te vinden in onze helaas steeds

schaarscher wordende Jeneverbeswouden van de Drentsche, Veluwsche en

Brabantsche zandstuivingen. ’t Is een van de gemakkelijkst kenbare

soorten, want het is een echte oranjeklant; hoed oranje met donkerder

kringen, steel oranje, vleesch oranje, melk oranje, platen oranje. Als

je even met den nagel langs de platen strijkt, komen de oranjedroppels

te voorschijn en die melk smaakt zoet. Door het hanteeren gaat deze

paddenstoel er minder smakelijk uitzien, want overal waar ge hem

eventjes drukt of knijpt wordt hij dadelijk vaalgroen. Deze paddenstoel

wordt nog al eens gegeten en de Latijnsche bijnaam van „deliciosus” zou

je doen vermoeden, dat hij al heel bijzonder lekker moet zijn, maar dat

valt toch niet mee. Er zijn tal van lekkerder soorten, te beginnen met

ons Eekhoorntjesbrood.

In ons land worden paddenstoelen nog niet veel gegeten. De menschen

zijn er huiverig van en terecht, want onvoorzichtigheid in dezen kan je

den dood aandoen. Alleen bepaalde soorten zijn eetbaar en die moet ge

op en top kennen, met al hun kenmerken, eer ge het waagt, den tand erin

te zetten. Er bestaat geen enkel algemeen kenmerk, om vergiftige

paddenstoelen te onderscheiden van de eetbare. Men hoort wel eens van

dergelijke huisregeltjes, b.v. dat een zilveren lepel zwart zou worden

in vergiftige paddenstoelen en blank zou blijven in de goede. Daar is

niets van waar: de lepels blijven blank in de allergiftigste Amanieten.

Verkleurend vleesch zou een kenmerk zijn voor giftigheid; heelemaal

niet waar: verschillende van die verkleur-paddenstoelen zijn heel goed

om te eten. Paddenstoelen, waar slakken van eten, zouden goed zijn;

volmaakt onjuist: je ziet dikwijls slakken smullen van soorten, die

voor ons giftig zijn. Neen, wie paddenstoelen wil eten kan er niet

buiten, om de soorten, die hij wil eten, goed te leeren kennen aan hun

uiterlijk en meteen make hij kennis met de giftige soorten, die, hoewel

vaak oppervlakkig, gelijken op de goede. Het aantal soorten waarvan

bekend is, dat ze eetbaar zijn is al zeer groot; in ons land wel over

de honderd. Catharina Cool geeft in haar paddenstoelboekje den naam van

78 eetbare paddenstoelen en daar tegenover 28, die vergiftig of

verdacht zijn.

Voorzichtige menschen eten maar liever in het geheel geen

paddenstoelen, doch daaraan hebben ze ongelijk. ’t Is ook niet noodig,

dat we ieder jaar duizenden kilogrammen stikstofvoedsel laten verrotten

en vergaan en zeker wel de moeite waard, om ons een paar dozijn soorten

van paddenstoelen goed in het hoofd te prenten. In Duitschland, België,

Frankrijk, Zwitserland worden paddenstoelen bij massa’s gegeten. Daar

worden ze ook op de groentemarkten verkocht, evengoed als worteltjes en

andijvie en dikwijls genoeg heb ik op de markt te Bazel, Bern, Lausanne

of Genève met groot genoegen naar de paddenstoelkraampjes staan kijken.

Daar mogen slechts bepaalde soorten ten verkoop worden aangeboden en

een controleur waakt er voor goede naleving der bepalingen, onderzoekt

ook, of de aangeboden waren versch genoeg zijn. En als ze een partijtje

afkeuren, dan moet je hooren, hoe die oude kwieke paddenstoeldames hun

controleur aftakelen in een dialect, dat volkomen onverstaanbaar is,

maar dat verduidelijkt wordt door gebaren en geluiden uit de wereldtaal

van de boosheid. De markt in Genève is zeer streng; daar mogen zelfs

geen Koraalzwammen verkocht worden, ofschoon ze niet vergiftig zijn. Ze

schijnen echter een al te bespoedigenden invloed te hebben op het

verloop van de spijsvertering.

De paddenstoel, dien je ieder kan aanraden om te eten, is de Hanekam of

Dooierzwam (Cantharellus cibarius) (52). De Duitschers noemen hem

Pfefferling en inderdaad heeft hij een heel aangenaam prikkelend

peperachtig smaakje en geeft daarbij nog een geurige gewaarwording als

van ooft. In allerlei bosschen, maar misschien in loofbosch meer dan in

naaldhout, ziet ge al vroeg in den nazomer groepen van mooi-oranje

knopjes uit den grond komen en die groeien uit tot trechtervormige

figuren met omgekrulden hoedrand. ’t Is een plaatjeszwam, maar de

plaatjes zijn niet hoog en lijken eerder dikke ribbels, zeer typisch.

Deze zwam heeft geen gevaarlijken dubbelganger, zooals zoo menig

andere. Vroeger dacht men van wel en hield men de Valsche Dooierzwam

(Cantharellus aurantiaca) (54) voor vergiftig. Dat is gelukkig

heelemaal niet het geval; alleen is hij niet zoo lekker, doordat zijn

vleesch nog al slap is, terwijl dat van de echte dooierzwam zoo lekker

knappert. Deze beide Cantharellen worden haast nooit aangetast door

insecten. Geen wonder, dat de „Chanterelle” op de Zwitsersche markten

een gewild artikel is. Ze werden er vroeger bij het gewicht verkocht.

Om ze nu zwaarder te maken, legden de verkoopers ze in water, alvorens

ze op de markt te brengen. Dit bedrog had ook slechte gevolgen voor de

ingewanden der koopers! Toen schreef de marktmeester voor, om ze bij de

maat te verkoopen en dat vonden de kooplui nog prettiger, want met

droge cantharellen heb je eerder een maat vol dan met natte; die

plakken in elkander.

Al de Boleten, die ik in dit en de vorige hoofdstukken genoemd heb,

zijn eetbaar. De beste is wel het gewone Eekhoorntjesbrood (Boletus

edulis) (39) en dan volgt de Melkboleet (Boletus granulatus) (37). Het

zal u blijken, dat het niet zoo makkelijk gaat, om volkomen gave

exemplaren van deze paddenstoelen te vinden, want ze zijn al heel

spoedig doorvreten door insectenlarven. Soms echter komen ze zoo vlug

en in zoo groot aantal voor, dat wij het niet kunnen bijhouden met eten

en dan gaan we ze „wekken”. Ik heb geen gelegenheid om in dit album te

vertellen van het koken, braden, inmaken enz. van paddenstoelen en moet

u daarvoor verwijzen naar het Paddenstoelboekje van Cool en van der Lek

en naar een kleiner werkje van Mej. Cool „Hoe maken we Paddenstoelen

klaar”, beide uitgaven van W. Versluys te Amsterdam.

De paddenstoel, die wel het meest gegeten wordt en dan ook opzettelijk

in groote hoeveelheden wordt gekweekt, is de Weide-Champignon of

Weide-Kampernoelje (Psalliota campestris) (45). Zooals de naam al

aanduidt groeit deze paddenstoel op weiden, vooral paardeweiden, ook op

strandweiden, waar trouwens altijd veel vee graast. Op deze plaatsen

bestaat weinig gevaar dat zijn doodelijk vergiftige dubbelgangers, de

Knol-Amanieten, ook zouden groeien, want deze hooren thuis in bosschen.

In boschweiden vindt men ze wel in elkaars gezelschap, dus daar heet

het oppassen. De Weide-Champignon heeft evenals de Vliegenzwam en de

andere Amanieten een manchet aan zijn steel en zijn voet is knollig,

doch heeft daar geen „beurs”, zooals de Amanieten hebben. Intusschen

kan die beurs bij de Amanieten ook wel eens heel onduidelijk zijn en

dan verkeeren we dus nog in twijfel. Gelukkig is er voor onze

Weide-Champignon nog een prachtig kenmerk en wel dit: de plaatjes zijn

bij de nog zeer jonge Weide-Champignon al vaalrose; ze worden gaandeweg

donkerder en zijn bij de oude Weide-Champignons met hun uitgespreiden

hoed bij zwart af. De Weide-Champignon groeit in troepen en ook heel

dikwijls in heksenkringen. De uitgespreide hoed kan tot twee decimeter

middellijn krijgen. Het mooist en het lekkerst zijn ze in jeugdigen

toestand, zoo in den tijd dat het dekvlies van de platen van den

hoedrand begint los te laten. Ze zijn te vinden van vroeg in den zomer

tot in den winter toe. Als groote bijzonderheid vonden wij er eens een

in Maart, één van de aardigste voorbeelden van de grillen der

paddenstoelen.

Nu kunnen wij eigenlijk met die Weide-Champignon al best tevreden zijn,

maar er is nog een Akker-Champignon (Psalliota arvensis) (43) en een

Bosch-Champignon (Psalliota sylvatica) (44), die er in het algemeen wel

op lijken en waarvan vooral de eerste heel lekker is, maar die hebben

in hun jeugd—als ze ’t lekkerst zijn—allebei heel lichte plaatjes, bij

wit af en kunnen dan wel eens bij het inzamelen een Amanita in hun

gezelschap krijgen, zonder dat je het zoudt merken. Daar zijn heel

ervaren paddenstoelzoekers al wel eens mee ingeloopen en een beginner

doet daarom het best zich maar uitsluitend te houden bij de veilige

Weide-Champignon en geen heldendaden te beginnen met Bosch-Champignons.

De Akker-Champignon heeft meestal een dubbelen schubbigen ring. De

Bosch-Champignon ziet er veel donkerder uit dan de beide andere,

doordat zijn hoed bedekt is met bruine schubben. Allebei,

Akker-Champignon, zoowel als Bosch-Champignon blijven kleiner dan de

Weide-Champignon; de middellijn van den hoed komt zelden boven de 12

c.M., terwijl de Weide-Champignon dikwijls met plezier de twintig

haalt. Een buitengewoon gevaarlijke dubbelganger van de Champignons,

waar niet dikwijls genoeg op gewezen wordt, is de Volvaria. Wij hebben

een Witte Volvaria (Volvaria speciosa) en een Grijze Volvaria (Volvaria

gloiocephala) (130). Ze verschillen in kleur, maar lijken overigens

veel op elkander. Het gevaar schuilt hierin, dat zij ook rose plaatjes

hebben evenals de goede Champignons en zij groeien op bemeste gronden

nog al eens een enkelen keer in gezelschap van de brave eetbare

kampernoeljes. Ze zijn goed te kennen aan de groote beurs, die onderaan

den voet omgeeft, maar die zit dikwijls in den grond, dus uitgraven!

Ook heeft de Volvaria geen manchet. Men behoeft zich dus nooit te

vergissen, maar toch, opgepast hoor!

De inktzwammen zijn in hun jeugd goed om te eten en zeer bijzonder

wordt aanbevolen de Geschubde Inktzwam (Coprinus comatus) (48) en dat

is tegelijk een van de allermooiste paddenstoelen, die er bestaan en

eigenlijk had hij al een eereplaats mogen innemen in het eerste

hoofdstuk. ’t Is er een, dien we zoeken moeten op vruchtbare akkers,

langs kleiïge dijken, op rommelige mestrijke, stikstofrijke plaatsen en

daar komen ze met hun spierwitte bolletjes boven den grond opsteken en

worden al hooger en hooger tot hun schubbige hoed als een groot ei

boven den grond komt, los op zijn steel. Nu moet ge hem plukken, want

over enkele uren gaat hij vervloeien, net als de gewone inktzwam.

Minder vergankelijk is de Biefstukzwam (Fistulina hepatica) (F). De

ervaren paddenstoelzoeker, die zijn buurt kent, weet wel oude eiken en

eikenstronken te staan, die jaar in jaar uit zijn biefstuk leveren.

Eerst komt er een dikke roodbruine knobbel te voorschijn en die wordt

dag aan dag tamelijk langzaam al grooter en grooter, al malscher en

malscher. Hij begint zich al gauw te doen kennen als een buisjeszwam,

evenals onze Boleten. De buisjes van deze Biefstukzwam staan echter

niet vlak tegen elkaar, maar met kleine tusschenruimten. Ze scheiden

ook een vocht af en alles met alles ziet deze paddenstoel er zeer

aantrekkelijk en smakelijk uit, wat hij dan ook werkelijk is. Langer

dan zes jaar achtereen heb ik hem niet uit één en denzelfden stronk

verkregen.

Nog een andere goed eetbare boomstronkpaddenstoel is de Oesterzwam

(Pleurotus ostreatus) (D). Hij groeit zoowel op levende zieke boomen

als op doode stammen en komt daar in groote waaiervormige massa’s te

voorschijn; de steel zit aan den kant van den hoed, vlak in den stam.

De hoed is bleekgrijs, soms heel mooi lavendelkleurig, ook wel

donkerder en met bijzonder mooi gekrulden rand. De platen flink groot

en licht van kleur; de overvloedige sporen wit.

In het Oosten van ons land meer dan in het Westen, dus in het Gooi meer

dan in Kennemerland staan een paar smakelijke stekelzwammen, de Gele of

Uitgespreide Stekelzwam (Hydnum repandum) (64) en de Geschubde

Stekelzwam (Hydnum imbricatum) (62). Ik vond ze allebei veel in het

Koninklijk Park van Het Loo, en ook bij de Lage Vuursche, het meest in

beukenbosschen. Ze zijn allebei heel makkelijk te kennen aan hun

stekelige schubben. Voor de eerste heb ik een bijzondere voorliefde,

eigenlijk alleen, omdat ik mijn eerste vond op een van die fabelachtig

mooie zomersche dagen in het eind van November en dan aan de Vuursche

met de beuken in het diepst en felst van hun koperkleur en bonte

Vlaamsche gaaien, schreeuwend en stoeiend in het hout. ’t Is met de

paddenstoel-liefhebberij als met andere natuur-liefhebberijen: hun

hoogste beteekenis is deze, dat ze je naar buiten drijven en je de

gelegenheid geven goed te beseffen, hoe mooi onze wereld is. Er zijn

wel menschen, die het zoo druk hebben met andere dingen, dat ze dit

nooit te weten komen. Maar ik weet het wel.

Zoo ook met de Morieljes. Ik eet ze graag, heel graag, vooral wanneer

mijn vrouw ze heeft klaargemaakt. Maar wat heeft dat te beteekenen bij

het groote genoegen, het innige genot, dat ik ondervind bij het zoeken

van deze prachtige dingen. De nachtegaal is pas aangekomen en de berken

staan in jong loover, Anemoontjes nog in vollen bloei, en de Lelietjes

van Dalen in knop. Overal ontluikend groen en bloemen, vogelzang,

gegons van hommels en bijen en de lekkere lauwe lucht om je hoofd. En

dan in het gras of bij de blauwe Viooltjes of zoo maar in het duin bij

de Salomonszegeltjes die mooie bruine Morieljes op blank steeltje en

met het wafelachtige goudbruine oppervlak. Nu eens vinden we ze onder

iepen, dan onder eiken, op brandplekken; een vaste regel is niet te

geven. Ze hebben geen plaatjes of buisjes of stekels, maar hebben hun

sporen bij achttallen in zakjes, evenals de Peziza’s. Hoe kunnen ze

verschillen in grootte en vorm; soms zijn ze akelig groot, als een

vuist of nog grooter en dan hol en voozig. De beste zijn die van een

centimeter of acht hoog. Er zijn verschillende soorten van Morieljes.

Wij vinden hier in Bloemendaal voornamelijk twee soorten: de Gewone

Morielje (Morchella esculenta) (58) en de Kapjesmorielje (Morchella

rimosipes) (56). De eerste is bruinig en heeft duidelijk het

wafeltjespatroon, de tweede een tamelijk zuiver kegelvormigen hoed met

fijner plooien dan de eerste en grooter voet. Deze Morieljes mag men

meerekenen onder de paddenstoelen, die je met geduld en volharding in

je tuin kunt krijgen door maar altijd rijpe brokken uit te strooien op

de plekken, die je geschikt voorkomen. Zoo heb ik ze in mijn tuin

gekregen en geruimen tijd gehouden.

In het najaar vinden wij een paar paddenstoelen, die een zeer

oppervlakkige gelijkenis vertoonen met Morieljes en die door de

Duitschers dan ook Herbstmorchel worden genoemd. Hun hoed is echter

niet gewafeld, maar geplooid en in de plooien is het oppervlak dan

effen. De voet is buitengewoon mooi versierd met ribbels en à jour

werk, allemaal heel aardige openingen. We willen er ook twee soorten

van noemen, de Witte Kluifjeszwam (Helvella crispa) (57) en de Zwarte

Kluifjeszwam (Helvella lacunosa) (55). De eerste heeft een witten, de

laatste een bijna zwarten hoed. Die Helvella lacunosa is gemiddeld ook

kleiner en inwendig nog veel meer met gaten en openingen behept dan de

Helvella crispa. In sommige jaren komen ze voor in onbegrijpelijk

grooten getale, in andere jaren zoo goed als in het geheel niet.

Paddenstoelen · 第 7 / 15 题