Neem eens een tamelijk grooten hoed van een paddenstoel, liefst een met
plaatjes aan de onderzijde, dus een Vliegenzwam, een Parasolzwam of
beter nog een gewone Champignon. Hij moet mooi vlak uitgespreid zijn.
Leg hem nu met de platen omlaag op een vel papier en stulp daarover een
klok of een kom, want er mag geen zuchtje langs dien hoed waaien,
anders krijgen we niet precies wat we willen. Na eenige uren of na een
dag, al naar het uitkomt, lichten we stolp en hoed op en krijgen nu op
het papier een keurige figuur te zien, allemaal fijne strepen, die
straalsgewijs gaan van het midden naar den omtrek. Wanneer we een
Champignon genomen hebben, dan zijn de strepen van verschillende
lengte, bij een Russula krijgen we allemaal heele stralen te zien,
sommige met een aftakking. De figuur die de Champignon geeft is donker
van kleur, die van de Russula wit. Deze laatste is dus op wit papier
niet duidelijk te zien en ’t is dus beter om bij Russula en ook bij
Lepiota (Parasolzwam) en Amanita (Vliegenzwam en zijn kornuiten) een
donker getint papier te nemen.
Wij noemen deze figuren „sporenfiguren”, want ze worden gevormd door de
kleine stofjes, die de paddenstoel bij millioenen uitstrooit en dat
zijn de sporen. We hebben nu al dadelijk ontdekt, dat die sporen
verschillend van kleur zijn en wel wit, rose, bruin, purperkleurig en
zwart. De plaatzwammen worden zelfs ingedeeld naar de kleur van de
sporen, die ze voortbrengen in Witsporigen (Leucosporeae), Rosesporigen
(Rhodosporeae), Bruinsporigen (Ochrosporeae), Purpersporigen
(Pupureosporeae) en Zwartsporigen (Melanosporeae). Het maken van deze
sporenfiguren gaat gemakkelijk genoeg, als je maar de tocht weet te
weren. Voor de aardigheid kun je ook eens de klok op een kier zetten.
Dan houdt de tocht huis onder de vallende sporen en blaast ze tot heel
onverwachte en leerzame figuren. ’t Is gemakkelijk te begrijpen, dat de
wind ze in bosch en beemd wijd en zijd kan meevoeren. Maar dikwijls
genoeg is het in het bosch doodstil en dan ziet ge onder de
paddenstoelen het dorre blad of het groene mos bedekt met het fijne
sporenpoeder. Natuurlijk is dat bij de Witsporigen het duidelijkst te
zien.
Wanneer je ziet, hoe klein dikwijls de afstand is tusschen den
onderkant van den hoed en den grond, dan krijg je den indruk, dat de
wind niet zoo heel veel kans heeft om de sporen wijd weg te blazen. Wij
moeten hierbij echter bedenken, dat die kleine sporen evenals al het
fijne stof maar heel langzaam vallen. Een flinke kei valt in de eerste
seconde al meer dan vier meter, maar zoo’n spore gaat wel honderdmaal
zoo langzaam. Hoe dat komt, leer je op de natuurkunde-les in de vierde
klas.
Wij behoeven er ons dus niet over te verontrusten, of die sporen wel
naar behooren verspreid worden. Natuurlijk hebben de paddenstoelen hoog
in de boomen de beste kans, en daaruit volgt weer, dat elke boom de
kwade kans heeft om bereikt te worden door de sporen van paddenstoelen,
die zijn lichaam zullen teisteren.
Wat gebeurt er nu met zoo’n spore? Wel, heel dikwijls niets. Wij hebben
heele vrachten rijpe paddenstoelen naar wat wij meenden geschikte
plaatsen in onzen tuin gebracht zonder eenig resultaat en slechts in
heel enkele gevallen een goeden uitslag gekregen. Die sporen moeten
gaan groeien, maar daarvoor moeten bepaalde voorwaarden vervuld worden
en dat schijnt lang niet altijd het geval te zijn. Men heeft ook vaak
geprobeerd om ze in fleschjes en buisjes op kunstmatig toebereiden
voedingsbodem aan den groei te krijgen en dat is in ons land het eerst
goed gelukt aan wijlen mej. C. Cool, een dame, die om haar kennis van
paddenstoelen beroemd is in ons land en daar buiten. Wanneer wij
verlegen zaten met de een of andere vreemde paddenstoel, dan stuurden
wij hem maar op aan mej. C. Cool, Rijksherbarium te Leiden, en als er
in de wijde, wijde wereld iets van den paddenstoel bekend is, dan
konden wij er gerust op zijn, dat mej. Cool ons dat zou laten weten.
Nu, mej. Cool dan heeft verschillende paddenstoelen uit sporen
opgekweekt en het hoe of wat daarvan heeft zij uitvoerig verteld in
„Het Paddenstoelenboekje” dat zij geschreven heeft tezamen met een
ander groot paddenstoelkenner, Dr. H. A. A. v. d. Lek. Daar komen wij
later nog wel eens op terug.
Wij weten nu, dat onder bepaalde gunstige omstandigheden van bodem,
temperatuur, vochtigheid en omgeving uit de spore een dunne draad komt
groeien, die zich spoedig vertakt en dan ontwikkelt zich naar alle
kanten een fijn netwerk van draden, die soms vlokkig aaneenhangen en
zich een weg banen tusschen de dorre bladeren door, zelfs in de dorre
bladeren, wanneer er maar eenmaal een opening is te vinden, langs en om
en zelfs in de wortels van allerlei planten, soms ook in het hout van
boomen en palen, kortom op allerlei plaatsen, al naar den aard van den
specialen paddenstoel. Iedere soort stelt zijn bijzondere eischen en
zoo komt het dan, dat we bosch-paddenstoelen, weide-paddenstoelen,
moeras-paddenstoelen, grond-paddenstoelen, hout-paddenstoelen, enz.
kunnen onderscheiden. Sommige zijn al heel bijzonder kieschkeurig. Er
is een klein, wit of geelachtig bekerzwammetje, dat we gerust het
Eikelbekerzwammetje kunnen noemen, want we vinden het bijna altijd op
eikels, afgevallen eikels op den grond. Een enkele maal groeit het ook
op beukenootjes, maar ge weet dat eiken en beuken en tamme kastanjes
zeer nauw met elkaar verwant zijn. De wetenschappelijke naam van dit
bekerzwammetje is Peziza fructigena.
Ga ook eens zoeken in het dennenbosch naar oude dennekegels. Let er
meteen op, dat dennekegels op sommige plaatsen spoedig verdwijnen, op
andere jaren lang kunnen blijven liggen. Welnu, het zal u licht
gebeuren, dat ge uit zoo’n dennekegel een heel zonderling zwammetje te
voorschijn ziet komen: een bruin steeltje met bovenaan een hoedje, dat
aan zijn kant aan ’t steeltje bevestigd lijkt. Daardoor heeft dit
zwammetje eenigszins den vorm van een lepeltje en wordt daarom ook
Oorlepelzwam (Hydnum auriscalpium) (63) genoemd. ’t Is natuurlijk niet
netjes, om in je oor te peuteren, noch met je pink, (al noemen de
Franschen dat lichaamsdeel dan ook „oorpeuterding”: auriculaire) noch
met een lepeltje. Ik laat dat oor dan ook maar weg en noem het
paddenstoeltje voortaan lepelzwam. Het is geen plaatjeszwam en ook geen
gaatjeszwam. De onderzijde van den hoed is bedekt met allemaal
stekeltjes en aan den buitenkant van die stekels worden de sporen
gevormd. Er zijn nog meer van die Stekelzwammen in ons land en
daaronder zeer mooie en groote, die we in volgende hoofdstukken dan ook
behoorlijk zullen ontmoeten.
Nu we toch eenmaal bezig zijn, om uit te kijken naar klein goed, letten
we eens op vermolmde bladeren, takjes en dergelijke dingen en vinden
dan misschien een van onze allerbekoorlijkste paddenstoeltjes, de
Wieltjes-marasmius (Marasmius rotula) (27). We kunnen hem ook wel
kortweg „het Wieltje” noemen. De naam zegt alles. Het hoedje is rond en
heel dun, zoodat de randen van de platen er door heen schemeren. Die
platen staan wijd uit elkaar, zoodat het hoedje werkelijk lijkt op een
wiel met een stuk of twintig spaken. Zelden wordt het grooter dan 1
c.M. in doorsnee, dikwijls blijkt het kleiner, tot enkele millimeters
toe. De steel is draaddun, taai en zwart, het hoedje zelf licht van
kleur met een donkere punt in het midden. Soms vindt je deze wieltjes
bij honderden bij elkaar en dat geeft een heel sterken indruk van de
levendigheid en levensrijkdom van den boschbodem.
Eigenlijk zijn wij met het zoeken naar specialisten eventjes
afgedwaald. We waren pas zoover gekomen, dat zich uit de spore een
weefsel van zwamdraden gevormd heeft in een geschikte omgeving. Dat
weefsel nu noemt men de zwamvlok of het mycelium. De heele boschbodem
is doorweven met zwamvlokken van verschillende soorten van
paddenstoelen en wanneer ge even graaft in het dek van dennenaalden, in
de opeenhoopingen van afgevallen bladeren, onder het mos, overal stuit
ge op witte of grijze spinragdraden, zwamvlokken van allerlei soort.
Die zwamvlokken groeien steeds voort, zich op nog onbegrepen wijze
voedend met stoffen, die zij bereiden uit die naalden, bladeren, takjes
en alles wat eens geleefd heeft en ook wel uit planten en dieren, die
nog leven.
In die zwamvlokmassa nu gaan de draden op bepaalde manier samengroeien
en uitgroeien en zoo ontstaan de organen, waaraan zich de sporen zullen
vormen. Al die prachtige Russula’s, Amanita’s, Melkzwammen, Aardsterren
en hoe ze verder heeten mogen, zijn opgebouwd uit van die fijne draden
en die vormen eindelijk ook het laagje, waaraan de sporen ontstaan. Bij
wat wij de „echte” paddenstoelen zouden kunnen noemen vormen zich die
sporen in viertallen aan het eind van een draad en die draden staan dan
zijwaarts op de platen van de Plaatzwammen, of langs de binnenzij van
de buizen bij de Gaatjeszwammen, of langs den buitenkant van de stekels
bij de Stekelzwammen of in het binnenste van het lichaam bij de
Aardsterren en de Stuifballen, die tezamen de groep van de Buikzwammen
vormen. Dan zijn er ook nog Korstzwammen en Trilzwammen. Je kunt die
steeltjes met de sporen alleen te zien krijgen met een microscoop, dat
eenige honderden malen vergroot en moet het hier dus maar gelooven.
Bij de bekerzwammen vormen de sporen zich niet bij viertallen aan het
eind van een steeltje, maar bij achttallen binnen in een lang buisje,
dat eindelijk openspringt en dan de sporen uitstrooit, iets dat je ook
onder het microscoop prachtig kan zien gebeuren. Tot deze groep, die we
de Zakjeszwammen (Ascomycetes) noemen, behooren nog eenige zeer
beroemde en gemakkelijk te kennen soorten nl. de Kluifjeszwammen
(Helvella) en de Morieljes (Morchella). We zullen nog nader met hen
kennis maken.
Wanneer in bosschen en weiden de zwamvlok of mycelium ongehinderd kan
groeien, dan breidt hij zich naar alle kanten gelijkmatig uit en dan
komen de paddenstoelen, de sporedragers van het mycelium, in een kring
te staan. In alle talen is die kring vereerd met den titel van
heksenkring (Fransen: ronde de sorcières; Engelsch: fairy-ring;
Duitsch: Hexenring). Die naam dateert natuurlijk uit den tijd, toen men
alle gebeurtenissen, die men niet begreep, maar dadelijk toeschreef aan
bovennatuurlijke invloeden. Het heeft ook zeer lang geduurd, eer men de
verklaring voor de vorming van deze heksenkringen wist te geven. Ja, ik
herinner mij nog wel, dat in onze dagen een goed paddenstoelkenner, die
prachtig mooie paddenstoelboekjes heeft uitgegeven, meende, dat de
heksenkringen in de weiden veroorzaakt zouden worden door een geit of
ander dergelijk stuk vee, dat vastgebonden aan een touw in een kring
den bodem begraasd of bemest zou hebben en dat dan daardoor de groei
van de paddenstoelen bepaald was.
Eigenlijk is de goede verklaring toch zeer eenvoudig. Maar dan moesten
eigenlijk alle paddenstoelen die in een bosch of een weide groeien, in
kringen voorkomen. Nu, dat scheelt niet zoo heel veel. Van meer dan
veertig soorten heb ik het alvast gezien met groote zekerheid en
duidelijkheid. Die heksenkringen kunnen zeer groot worden. In
Zwitserland heb ik kringen gezien van de Reuzenbovist (Bovista
gigantea) van meer dan vijftig meter middellijn en die zag je meer dan
een half uur gaans ver tegen de groene berghelling. Als je soms eens
komt te wandelen van Ardez naar Fetan in het beneden Engadin (het hooge
pad), kijk er dan eens naar uit. Die Reuzenbovist groeit in ons land
ook en ik heb er wel een kring van gezien in het Vondelpark. De
afzonderlijke „hoeden” kunnen wel een halven meter in middellijn groot
worden, af en toe krijg ik wel eens zoo’n bakbeest toegezonden als
merkwaardigheid. Ook de kleinere stuifballen maken vaak heksenkringen;
ik vond ze van de Gesteelde Stuifbal (Tulostoma mammosum) (25), een van
de aardigste zwammetjes van de duinen en ook van de Melige Stuifzwam
(Lycoperdon furfuraceum) (31). Ook vergeet ik nooit de heksenkring van
aardsterren, die ik eens vond in een berkenboschje in het duin en
waarvan ik de lotgevallen een paar jaar kon volgen. Dat heb ik ook
gedaan met een heksenkring van de Paarse Ridderzwam (Tricholoma nudum)
(14), die ik vond in een ijl eikenboschje vlak tegen een sparrelaan.
Drie jaar lang heb ik die kring in de gaten gehouden. Ik vond hem op 6
November 1909. Het was meer een ovaal dan een cirkel; de langste as was
2.4 M. lang, de kortste 1.9 M. Er stonden 24 hoeden in en ze hielden
het bijna twee maanden uit; tegen Nieuwjaar was de heele kring verrot.
Het volgend jaar in November verscheen de kring opnieuw en was nu 3.92
M. bij 3.64 M. en telde tegen de tweehonderd hoeden. Ik kan niet
precies zeggen hoeveel, want onze groote paddenstoelkenster had er een
mandjevol van meegenomen, om te eten. In 1911 na den beruchten drogen
zomer kwam de kring in het begin van October al te voorschijn en bracht
het tot 232 hoeden in een kring van 5.54 M. bij 5.28 M., wat niet veel
verschilt van een cirkel. In het jaar daarop is helaas het boschje
gekapt en de grond omgewerkt, en zoo verloor ik mijn Ridderzwamkring,
waar ik al zeer bevriend mee was. Het zijn mooie paarse zwammen,
heelemaal paars, alleen de bovenzij van den hoed was bruinachtig. Ze
hadden het daar blijkbaar zeer goed, want de hoeden werden veel grooter
dan ze volgens de boeken behoefden te wezen; de grootste had een
middellijn van 22 c.M. In bosschen vinden we ook vaak reusachtige
heksenkringen wel van 10 M. middellijn of meer van de Nevelzwam
(Clitocybe nebularis) (34). Hij is van hetzelfde kaliber als de Paarse
Ridderzwam, maar wat hooger op de pooten, een flinke forsche
paddenstoel en heel mooi lichtgrijs bij wit af, maar toch duidelijk
grijs. De vlijtige paddenstoelzoeker heeft een prachtige gelegenheid,
om zich te oefenen in het onderscheiden van kleuren en tinten, dat
verzeker ik u. Wanneer de nevelzwam pas uit den grond komt, heeft hij
een ronden, bollen hoed. Langzamerhand gaat die zich uitspreiden en
eindelijk komen de randen wat omhoog zoodat het hoedoppervlak hol gaat
worden. Bij een verwante soort wordt de hoed zelfs trechtervormig; dat
is de Slanke Trechterzwam (Clitocybe infundibiliformis) (33, 89). Die
is donkerder van tint en gelig of kaneelkleurig en niet zoo grif in het
vormen van heksenkringen; meestal staat hij zelfs eenzaam.
De meest bekende heksenkringvormer van de grasvelden is de
Weidekringzwam (Marasmius oreades) (30). Bezitters van buitenplaatsen,
die er op gesteld zijn om een vlekkeloos gazon bij hun huis te hebben,
worden soms wel danig geplaagd door dit aardig paddenstoeltje, dat zijn
schalksche cirkels trekt op hun grastapijt. Ik ken er echter ook wel,
die de kringen met genoegen zien en de paddenstoeltjes zelve smakelijk
verorberen. Ze staan dicht opeen, soms zelfs in bundeltjes. In een
kring van 1.5 M. middellijn telde ik 138 hoedjes en dat hadden er nog
wel meer kunnen zijn. Het paddenstoeltje is er een van middelbare
grootte (lengte van den steel tot bijna 1 d.M., doorsnee van den hoed
1–6 c.M.) rossig bruin, later verbleekend. De hoed is eerst
kegelvormig, maar spreidt zich later uit en dan blijft er nog een
bobbeltje in het midden. De meeste paddenstoelen verrotten en
verwateren, als ze ouder worden, maar alles wat Marasmius heet,
verdroogt bij het verouderen. In de dennenbosschen vind ik veel
heksenkringen van een verwante soort, de Ringsteel (Marasmius
confluens) (28). Die wordt bij het verdrogen bijna spierwit. De kring
is doorgaans samengesteld uit duidelijk gescheiden groepjes en in deze
groepjes bestaat weer een groot verschil van steellengte. Daardoor ziet
een heksenkring van Ringsteeltjes er altijd zeer levendig uit.
Dat groeien in bundeltjes komt ook bij zeer veel paddenstoelsoorten
voor en het meest bekende voorbeeld daarvan is wel het Zwavelkopje
(Hypholoma fasciculare) (53). In onze kinderjaren noemden wij die
altijd „koekjes”, maar wij wachtten ons wel, om ervan te eten, want
mijn grootmoeder, die heel knap was in de plantenkennis en kruidkunde,
had ons gezegd, dat ze vergiftig waren. Ze zien er anders lekker genoeg
uit, rond en bol en mooi bruinig oranje met aan den top eventjes
aangebrand. De onderkant met zijn vellerige vaalzwarte platen zag er
minder lekker uit en we lieten ze dus stil staan, maar lieten niet na,
de prachtige groepjes te bewonderen, vooral wanneer ze zoo
schilderachtig geplaatst waren aan den rand van een boomstronk.
Een andere in groepjes groeiende paddenstoel, die ik mij uit mijn jeugd
herinner, is de Gewone Inktzwam (Coprinus atramentarius) (46). Die is
niet vergiftig, maar bracht ons toch dikwijls ongerief, doordat wij
elkaar er mee insmeerden en dan zat er doorgaans een pak slaag op. Ze
groeiden in den tuin in het hoekje waar altijd de mest gestort werd. Op
een mooien morgen zag je daar dan opeens iets, dat wel leek op een
partij bruine streperige eieren, die ter halve hoogte uit den grond
staken. ’s Middags waren dat al paddenstoelen met kegelvormige hoeden,
losjes wiegelend op slanke stelen. De platen aan den onderkant van die
hoeden waren eerst bleek rossig-bruin, maar werden spoedig zwart en dan
begon de pret. Want ze vervloeiden tot een zwarte brij; de heele hoed
vervloeit tot aan den steel toe en met die zwarte brij kun je nu naar
hartelust schilderen en klodderen. ’t Is wel merkwaardig, dat aan het
vervloeien van deze inktzwam het uitstrooien van de sporen voorafgaat.
De inktzwam vertoont zeer duidelijk twee eigenschappen, die men
gewoonlijk aan alle paddenstoelen toeschrijft: vergankelijkheid en
snellen groei. Nu valt dat met de snelheid van groei lang niet altijd
mee. Ik heb daar in den loop der jaren nog al veel op gelet en veel
paddenstoelen dag aan dag en uur aan uur gadegeslagen. Ze groeien het
snelst bij vochtig weer en niet te lage temperatuur en een onweersrijke
periode is voor hen zeer gunstig. Van den onmiddellijken invloed van
een onweer heb ik echter nooit iets met zekerheid kunnen vaststellen;
het zit dunkt mij dan niet zoo zeer in de electrische verschijnselen,
dan wel in de gunstige samenwerking van zon en regen. Het rechte weet
ik er nog lang niet van en ik mag hier mijn jonge vrienden en
vriendinnen wel eens aansporen, om op al deze dingen te letten. Let
eens op bepaalde paddenstoelen dag aan dag en liefst drie, vier keer op
een dag van het oogenblik af dat zij zich beginnen te vertoonen, totdat
zij vergaan of verdroogd zijn. Zie hoe ze opkomen, hoe snel ze hun hoed
ontplooien, wanneer ze hun sporen strooien en hoe ze hun loopbaan
eindigen.
Het opkomen gaat het snelst. Ik zie altijd met genoegen hoe zoo’n
opkomende paddenstoel den grond boven zich omhoog duwt en open splijt.
De meeste komen op met gesloten hoed, maar de Spleet-Vezelkop van de
duinen (Inocybe rimosa) (26) heeft bij het opkomen zijn hoed al heel of
half open en komt dan heel leuk uit het zand opduiken.
De Spijkerzwammen, zoowel de Gladde (Gomphidius viscidus) (65) als de
Gewone (G. glutinosus) (66) zijn dikwijls snel in het ontplooien.
Eigenlijk hebben ze niet veel te ontplooien, want hun steel is dik en
de hoed is dik en de plaatjes nog al smal, maar toch, ze komen bol op
en staan tenslotte hol of vlak en die overgang van bol naar hol heb ik
eens zien gebeuren in op zijn hoogst drie en een half uur. Die
Spijkerzwammen zijn gemakkelijk te kennen aan hun stoeren bouw, hun
bijzondere roodkoper-kleur, die in den steel overgaat in geel en aan de
dikke platen, die eerst mooi grijs zijn, later donkerder worden en ook
wel kopergroen aanloopen. Ze groeien in naaldbosschen.
Een andere snelgroeier is de Gesteelde Bekerzwam (Macropoda macropus)
(21). De wetenschappelijke naam duidt op zijn langen steel. ’t Is een
klein zwammetje, eigenlijk een ronde Peziza op een steel. Ook het
Kleverig Koraalzwammetje (Calocera viscosa) (51) is er een, die in nog
al zeer korten tijd van een glimmend oranje knikkertje, dat uit de
schors van een ouden dennestronk komt uitpuilen, verandert in een
prachtig rijk vertakt gewei.
De Amethystzwam (Laccaria laccata var. amethystina) (32) doet heel
raar. Soms schiet hij vlug op, een andermaal is er dagenlang geen
verandering te bespeuren. Ieder kent dat mooie paddenstoeltje, dat
vooral in het naaldhout groeit en door zijn prachtige diep
donker-paarsblauwe kleur onmiddellijk de aandacht trekt. Vooral de zeer
jonge zijn bijzonder mooi van kleur. Die verbleekt bij de oudere en er
komen dan ook wel bruinige strepen in den hoed of hij raakt wit
uitgebleekt. De zeer lange wetenschappelijke naam leert ons dat deze
Amethystzwam eigenlijk een bijvorm is van een anders uitziende soort en
het zal u ook weinig moeite kosten om een paddenstoel te vinden precies
van dezelfde grootte en vorm, maar dan mooi vosbruin; dat is dan de
typische Laccaria laccata (35). Hij is ook rooskleurig te vinden en om
al die kleurwisselingen heeft men er den naam van Fopzwam voor bedacht.
Dat kan er nog net mee door, maar mooi klinkt die naam niet. Men wil de
Amethystzwam ook wel Roodekoolzwam noemen. Nu vind ik roode kool wel
lekker, doch amethyst toch mooier.
Hoe lang leven de paddenstoelen? Hoe lang leeft de eigenlijke plant,
dat is de zwamvlok, het mycelium in den grond? Wel, het mycelium van
mijn Paarse Ridderzwam, waarvan ik hierboven vertelde, was op zijn
minst vier jaar oud toen het werd „omgewerkt” en zou het zeker nog wel
langen tijd uitgehouden hebben. Er is een mooie warm geelbruine ruige
zwam, die dikwijls groepsgewijs aan boomstronken groeit, dat is de
Schubbige Pholiota (Pholiota squarrosa) (29). Die vond ik eens
reusachtig groot op een ouden dennestronk, grooter dan waar de boeken
van gewagen. Die hield ik dus hoog in eere. Hij werd met rust gelaten,
alleen met veel zorg gefotografeerd en gemeten. Eenige jaren achtereen
konden wij ons in den aanblik van telkens nieuwe reuzen verheugen, maar
in het vijfde jaar bleef hij weg en sedert is hij niet weer verschenen.
De dennestomp staat er nog en ieder najaar ga ik braaf kijken, of het
mycelium misschien is herleefd. Tegenwoordig heb ik nog een
Vliegenzwamgroep, die reeds acht jaren achtereen op ongeveer dezelfde
plek in het bosch te voorschijn komt onder hooge dennen. Voor
waarnemingen als deze moet je de beschikking hebben over terreinen, die
vrij wel ongemoeid worden gelaten. Gelukkig hebben wij die tegenwoordig
in onze Natuurmonumenten.
Eer ik dit hoofdstuk eindig, moet ik nog een paar soorten noemen, die
op zeer bijzondere wijze groeien. We vinden wel eens in het bosch een
Russula, die niet zoo gaaf is, als we van Russula’s gewoon zijn. In
zijn jeugd is hij natuurlijk aardig genoeg; de hoed groenig grijs, de
steel wit, de platen wit. Die platen zijn heel dik en wat bij Russula’s
zelden voorkomt, ongelijk van lengte. De hoed, eerst bol, wordt
gaandeweg hol en nu gaat de heele paddenstoel verkleuren, eerst in het
bruine, dan tot zwart toe en dat gaat niet mooi gelijk maar met
vlekkerigheidjes. Eindelijk lijkt hij heelemaal te verkolen en zoo
blijft hij liggen tot in het volgend jaar. Hij heet de Grofplaat
Russula (Russula nigricans) (22). Op oude Russula’s van deze soort nu
kunt ge in het najaar groepjes van kleine paddenstoeltjes vinden, die
soms wel lijken op gesteelde stuifballen, maar bij nader toezien
blijken ze toch tot de Plaatzwammen te behooren. Soms zijn de platen
echter in het geheel niet ontwikkeld, maar dat hindert niet, want dit
Sterzwammetje (Nyctalis asterophora) (22) kan ook een bijzonder soort
van sporen vormen aan de oppervlakte van hoed en steel. Behalve het
Sterzwammetje groeit er ook nog wel een andere kleine paddenstoel op de
platen van vergane Russula’s en Melkzwammen, dat is de
Knolletjes-Collybia (Collybia tuberosa), zoo genoemd omdat de dunne
steel met een hard knolletje in het lichaam van de Russula vast zit.
Het is altijd nog al bijzonder, om deze paddenstoelen, die op
paddenstoelen groeien, te vinden.
En nu tot slot nog de paddenstoel, die op een rups groeit, de
Rupsendooder (Cordyceps militaris) (50), een heel mooi oranje tongetje,
van boven ruw, dat uit den grond komt steken. Graaf dat dingetje netjes
uit in een kringetje van een paar vinger breed rondom dat steeltje en
een centimeter of acht diep. Splijt dan de aardkluit voorzichtig open,
uitgaande van het steeltje en dan krijgt ge hoogstwaarschijnlijk een
vlinderpop te zien of een rups, natuurlijk dood en die is dan doorweven
van het mycelium van dit zwammetje. Doorgaans is het de pop van de
Huismoeder (Agrotis pronuba), de welbekende vlinder met de oranje met
zwarte achtervleugels, die zoo dikwijls onrust baart in uw
slaapvertrek. Als je nu weet, dat de rups van die vlinder knaagt aan de
wortels van gras en graan, dan begroeten wij hier in dezen Rupsendooder
alvast de eerste van onze „nuttige” paddenstoelen.
Niet ieder tongetje dat uit den grond komt kijken is een Rupsendooder.
Er zijn ook andere „Aardtongen”, onder andere de Gladde Aardtong
(Geoglossum glabrum) (61) die is donkerbruin en glad. Is zij bezet met
dichte haartjes, dan hebt ge de Ruwe Aardtong (Geoglossum hirsutum),
beide nog al zeldzaam.