Eigenlijk zijn ze allemaal mooi, groote en kleine, en er zijn er te
vinden op alle tijden van het jaar. Gewoonlijk echter denkt men bij het
woord paddenstoelen dadelijk aan nazomer en herfst, aan mooie,
levendige kleurtjes op den boschbodem en aan sierlijke vormen, ongewoon
in de plantenwereld. Helaas denkt menigeen dan ook nog aan dood en
verderf en griezeligheid, maar dat komt eigenlijk niet te pas. Iedereen
behoort nu al wel zooveel van paddenstoelen te weten, dat hij er niet
bang voor behoeft te zijn. Integendeel, wij moeten ze om velerlei
redenen bewonderen en liefhebben. En wie zich het genoegen wil gunnen,
eenige soorten van paddenstoelen te eten, die kan met weinig moeite en
veel plezier een dozijn of zoo soorten leeren onderscheiden, die lekker
en voedzaam zijn en daar tegenover weer een aantal, die hij moet
mijden. Ik kom daar in volgende hoofdstukken wel op terug en wij zullen
er ook wel dadelijk mee te rekenen hebben, wanneer we eerst gaan
uitzien naar de mooist gekleurde en merkwaardigst gevormde
paddenstoelen. We kunnen alvast beginnen met te zeggen, dat er geen een
paddenstoel zoo vergiftig is, of je kunt er toch nog met plezier naar
kijken, hem betasten, hanteeren, nateekenen en fotografeeren.
Paddenstoelen groeien overal; langs wegen en dijken, in weiden en
moerassen, op akkers en afvalplaatsen, in de duinen, op de heide, in de
bosschen. Misschien groeit betrekkelijk het grootste aantal wel in de
bosschen en in het bijzonder in de naaldbosschen. Daar zie je ze in
ieder geval het makkelijkst op den naaldenbodem, die behalve aan mossen
en paddenstoelen slechts aan weinig planten een groeiplaats biedt. Zoo
is het in beukenbosschen ook en ge moet nu zelf maar eens natellen, of
ge meer paddenstoelen vindt onder dennen of onder beuken.
Als we nu in Augustus beginnen uit te kijken, dan worden we wel het
eerst getroffen door roode en gele en witte paddenstoelen, die vaak in
troepjes tegelijk verschijnen, dat is de gewone paddenstoelmanier. Een
van de eerste is wel een paarsrood zwammetje met spierwitten steel. De
hoed is alleen rood aan zijn bovenzijde; de onderkant is ook wit en
bestaat uit prachtig gespannen platen, met duidelijke tusschenruimten.
Alle platen reiken van den omtrek van den hoed tot aan den steel.
Sommige platen zijn vertakt, maar je vindt geen losse platen, die
halverwege den steel reiken, zooals dat bij de meeste andere
paddenstoelen met platen, „plaatzwammen”, voorkomt. Wanneer we nu nog
eens kijken naar den hoed, dan zien we, dat die heel dun is, zoodat
naar den kant toe de ribben van de platen er door heen schemeren. Is
dit het geval, dan hebben we te doen met een van onze gewoonste en
mooiste paddenstoeltjes: de Broze Russula (Russula fragilis) (3). De
meeste van onze paddenstoelen hebben geen volksnamen. In den laatsten
tijd hebben de dames en heeren, die over paddenstoelen schrijven, wel
aardige Hollandsche namen bedacht, die we ook braaf zullen gebruiken.
Voor de veiligheid zullen we ze ook maar altijd bij hun
wetenschappelijken naam noemen, al lijkt dat ook een beetje geleerd.
Het zijn meestal Latijnsche of Grieksche woorden, allemaal met een
eigen beteekenis en die zullen we in het voorbijgaan dan meteen maar
even leeren. Het gebruik maakt ons er spoedig mee vertrouwd.
Die strakke platen geven aan de Russula-hoeden een heel gaven, vasten
vorm; een ervaren zoeker herkent ze al, zonder dat hij naar den
onderkant van den hoed behoeft te kijken. Al heel gauw merkt ge, dat er
heel wat soorten van Russula’s voorkomen. De meeste zijn op de een of
andere manier rood, maar er zijn ook witte en gele en groene Russula’s.
We kunnen ze niet allemaal afbeelden, ge moet U tevreden stellen met de
Blauwgele Russula (R. cyanoxantha) (5), de Roode Russula (R. rubra)
(4), de Braak Russula (R. emetica) (1), de Purperroode Russula (R.
Queletiï) (2) en de Gele Geelplaat Russula (R. ochracea) (6). De
Purperroode is wel een van de allermooiste, de hoed kan diep purperrood
zijn, fluweelig van kleur, soms bijna bij zwart af en dan de steel
gewasschen met karmijn. Het is een van de grootste Russula-soorten, als
de hoed vlak uitgespreid staat, dan kan hij wel een middellijn hebben
van 1 decimeter.
Zoowel in het dennenbosch als in het loofbosch en het meest wel in de
buurt van berken vinden we de bekende en beruchte Vliegenzwam (Amanita
muscaria) (B). In Hoofdstuk IV zal ik een boel narigheid van deze plant
vertellen, nu letten we alleen maar op kleur en vorm. De hoed is
prachtig rood en versierd met witte schubben. Ook de platen aan de
onderzijde van den hoed zijn wit en ze zijn van verschillende lengte.
Sommige reiken van den rand van den hoed tot aan den steel. Andere
komen maar halfweg en nog andere zijn weer kleiner. Dat ziet er dus
heel anders uit dan bij Russula. Aan den witten steel hangt mooi
gedrapeerd een witte manchet, de voet van den steel is knolvormig en
van den bovenkant van den knol gaat een soort van rand omhoog, dat is
de „beurs”. Paddenstoelen met dikken voet, beurs, manchet en witte
platen moogt ge altijd Amanita noemen. Ze zijn haast allemaal
vergiftig.
De Vliegenzwammen groeien altijd troepsgewijs, dikwijls in kringen en
het is nog al makkelijk ze te vinden van verschillenden leeftijd. Neem
er nu eens een die pas zijn rood-met-witten ronden bol boven den grond
begint uit te steken. Ge ziet, dat hij te voorschijn komt uit een wit
omhulsel en dat in den uitgegroeiden paddenstoel de schubben op den
hoed en de beurs aan den voet niet anders zijn dan brokstukken van dit
omhulsel. En de manchet is een vlies, dat eerst langs den onderkant der
platen reikte van hoedrand tot steel; het is van dien rand afgescheurd
en aan den steel blijven hangen. Dat is allemaal heel mooi en noodigt U
uit tot teekenen en fotografeeren.
Om nu bij de roode paddenstoelen te blijven, noem ik er nog een paar,
die bij het groote publiek nog wel niet zoo goed bekend zijn als de
Russula’s en de Vliegenzwam, maar toch Uw aandacht verdienen. Ik bedoel
de Vermiljoenzwam (Dermocybe cinnabarina) (10) en de Gedeeltelijke
Vermiljoenzwam (D. semi-sanguinea) (11). Ze groeien in loofbosschen,
graag onder beuken en komen in het Oosten van ons land meer voor dan in
het Westen. Zooals de naam al doet vermoeden, is de Vermiljoenzwam mooi
rood, de hoed, zoowel als de steel en de platen, vooral in jeugdigen
staat. Als ze heel jong zijn, zit de hoed met een vliesje aan den steel
verbonden en wanneer de hoed zich ontplooit, dan rekt dat vliesje zich,
splijt en breekt draderig uiteen. Wanneer de hoed heelemaal is
uitgespreid, zijn die draden doorgaans verschrompeld en verdwenen, maar
bij de jonge zwammen is het „gordijntje” dat ze vormen, nog goed te
zien. Er zijn veel van die gordijnzwammen; niet gemakkelijk te
onderscheiden. De Gedeeltelijke Vermiljoenzwam heet zoo, omdat hij niet
heelemaal rood is: alleen de platen; hoed en steel zijn bruin. De
middellijn van den hoed is bij beide soorten 4–9 c.M. De grootste heb
ik gezien in Buskersbosch bij Winterswijk, ons mooie natuurmonument.
Vuurrood is ook het Vuurzwammetje (Hygrophorus miniatus) (9) met zijn
verwanten: het Scharlakenzwammetje (H. coccineus) (7) en de Granaatzwam
(H. puniceus) (12). Dit zijn kleine, glimmende, vettige, nattige
paddenstoeltjes, die ge het meest vindt in weiden en moerassen. Hun
hoed blijft lang kegelvormig, is maar zelden uitgespreid en dan
dikwijls gescheurd. Ze hebben nog een kameraad van hetzelfde kaliber
(ongeveer 5 c.M.), die op dezelfde plaatsen voorkomt, maar die is
groen, dikwijls met roode of gele vlekken en strepen en heeft den zeer
passenden naam gekregen van Papegaaizwammetje (Hygrophorus psittacinus)
(8). Aardige zwammetjes, om in het moeras te ontmoeten. Door hun felle
kleur vallen ze dadelijk in het oog, al zijn ze ook klein.
Maar nu staan we hier in het moeras naar al die kleine dingen te
kijken, terwijl in het bosch nog allerlei moois onze aandacht vraagt.
Uit een ouden dennestomp steekt een prachtig groepje naar buiten. Het
zijn paddenstoelen, haast zoo groot als een hand. Drie dikke roodbruine
stelen zitten met hun voeten aan elkaar vast en spreiden zich uit naar
verschillende kanten, zoodat de hoeden ruimte krijgen, al moet de een
dan ook nog soms onder den ander schuilen. Die hoeden zijn heel mooi
vlekkig gelig bruinrood en de platen zijn egaal geel. Deze
Pracht-Ridderzwam (Tricholoma rutilans) (13) is wel een van onze
allermooiste paddenstoelen en gelukkig ook een van onze allergewoonste;
ge kunt hem in de dennenbosschen, soms ook wel in het loofbosch vinden,
van het begin van de Groote Vacantie tot aan de Kerstvacantie toe. We
zullen in de volgende hoofdstukken nog wel meer ridderzwammen
ontmoeten; ze hebben haast allemaal mooie kleuren, groeien vaak
groepsgewijs en dikwijls in „heksenkringen”. Ik kan u geen gemakkelijk
algemeen kenmerk voor de Ridderzwammen geven, zooals ik dat deed voor
de Amanieten en de Gordijnzwammen. Wel gaat dat gemakkelijk voor de
Boleten, die we vroeger ook wel Broodjeszwammen noemden en de mooiste
Boleet is wel de Heksenboleet (Boletus luridus) (15). Natuurlijk is hij
het mooist, zoo lang hij jong is en dan trekt hij wel het eerst de
aandacht door zijn dikken steel, die mooi rood is, ook wel oranje of
geelachtig en vaak met mooie vlekjes en mazen. De hoed is aan den
bovenkant eerst bruinig, maar wordt gaandeweg lichter, soms tot heel
licht groenig grijs. Aan den onderkant van den hoed vinden we geen
platen, maar een samenhangende roode of oranje massa, die bij nader
onderzoek uit tallooze buisjes blijkt te bestaan. Wanneer we, om dat
goed te zien, den hoed doorbreken, dan merken we meteen, dat de
hoedmassa, het vleesch, geel is en dat het, aan de lucht blootgesteld,
dadelijk verkleurt tot blauwgroen. Dat ziet er werkelijk spookachtig
uit en deze paddenstoel draagt zijn naam met eere. Ondanks alle
griezeligheid is de Heksenboleet in het geheel niet vergiftig; daar
komen wij later nog op terug. In dit hoofdstuk treedt hij alleen op als
mooiste van alle Gaatjeszwammen.
Eer ik u nog meer Gaatjeszwammen vertoon, moet ik nog afrekenen met een
paar Plaatzwammen, in de eerste plaats de Parasolzwam (Lepiota procera)
(A). Die draagt ook zijn naam met eere. Ik denk er altijd nog met
genoegen aan, hoe ik een dikke vijfentwintig jaar geleden in de Loolaan
te Apeldoorn een van de voorloopers van de paddenstoelstudie in ons
land, den Heer Kok Ankersmit, ontmoette met een parasolzwam in de hand,
die hij werkelijk als parasol gebruikte. De steel was niet veel korter
dan de stokken van de tegenwoordige dames-parapluies en de hoed was
naar rato. Op de hoogte waar bij een echte parasol de sluitbus van de
baleinen zit, heeft deze paddenstoel een mooie stevige ring en de voet
van den steel is tot een knol verdikt; een bruikbaar handvat. We vinden
dezen paddenstoel zoowel op weiden en akkers als in bosschen en hij is
witachtig tot roomkleurig en overal, zoowel op den steel als op den
hoed, met bruinige schubjes bestrooid. Hij heeft een kleinen verwant,
die meest in dennenbosschen voorkomt en die den parasolvorm nog
duidelijker vertoont, hoewel de ring doorgaans ontbreekt. Maar het
hoedje is mooi licht van kleur en zeer bijzonder fraai gevlekt en
geschubd, naar het midden toe hoe langer hoe dichter. De steel wordt
niet langer dan 8 c.M. en is zoowat even groot als de middellijn van
den hoed. Deze Kleine Parasolzwam (Lepiota clypeolaria) (47) is een van
de mooiste dingetjes langs onze boschpaden.
Op een boschpad onder de sparren, mijn sparrenlaantje, verschijnen in
den nazomer altijd heele troepen van kleine rossig-oranje zwammetjes,
egaal van kleur en zonder schubben, draden of kringen. De hoed staat
een beetje hol en de talrijke platen loopen langs den steel naar
omlaag. Raken we even met een nagel aan zoo’n plaat, dan komt er
onmiddellijk een wit melkdroppeltje uit. Dit is de Rossige Melkzwam
(Lactarius rufus) (60). Zij heeft een dubbelganger in de Kleine
Melkzwam (Lactarius subdulcis), maar die groeit meest in loofbosschen;
haar melk smaakt zoetig, terwijl die van de Rossige Melkzwam scherp op
de tong is. ’t Is nog al aardig, dat we die melkzwammen aan hun melk
moeten kennen. Ik wijs u er alvast op; in de volgende hoofdstukken
zullen we nog meer van die melkzwammen ontmoeten; sommige met witte
melk, andere met gele melk, nog andere met melk, die eerst wit is en
dan geel wordt en nog weer andere met oranje melk, allemaal mooie
paddenstoelen en nog al gemakkelijk te herkennen.
„Heb je wel eens een groen paddenstoeletje gezien” hoor ik een klein
meisje aan haar tweelingbroertje vragen; ’t is ook alweer vijfentwintig
jaar geleden. Ze hield het ding eerst achter zich en bracht het toen
met een triomfantelijk gebaar te voorschijn; een vergiftig uitziend,
kopergroenkleurig, nog al slijmerig ding, maar heel mooi. Er stond een
heel troepje van in de langzaam molmende beukebladeren en ze heeten
natuurlijk Kopergroenzwam (Stropharia aeruginosa) (17). Ze zijn ook wel
buiten het bosch te vinden langs de wegen, op bouwland en weiden en
ondanks de kopergroenerigheid zijn ze niet vergiftig.
Aan paaltjes en oude boomstronken zie je vaak verzamelingen van aardig
gekringde paddenstoeltjes, die geen steel hebben, maar als
halfcirkelvormige platen uit het hout naar buiten puilen. Dat zijn de
Elfenbankjes. Die naam is wel goed bedacht. Maar ook de
wetenschappelijke naam is in dit geval nu eens goed gekozen. Die is
Polyporus versicolor (16). Iedereen begrijpt dat het woord Polyporus
doelt op de vele gaatjes, die we zien aan den onderkant van die
schijven en versicolor (verschillende kleur) drukt heel goed uit, dat
de bovenkant kringsgewijs gekleurd is met bruin en zwart en geel, soms
blauwig en groen en heel vaak een randje spierwit; prachtige dingen en
gelukkig alweer uiterst gewoon. Jaar in jaar uit komen die fraai
gekleurde en zacht fluweelig uitziende elfenbankjes uit de paaltjes en
stronken te voorschijn, totdat die eindelijk geheel vermolmen, maar dan
zijn er al wel weer ergens andere paaltjes.
Zoo’n Polyporus is dus een gaatjeszwam even goed als de Boleet, die wij
al kennen. Intusschen verschillen ze nog al duidelijk. Bij de Boleten
kun je de buisjeslaag in zijn geheel gemakkelijk van den hoed afpellen;
die buisjes zijn ook nog al lang. Bij Polyporus zijn ze veel korter en
stijf met den drogen platten hoed saamgegroeid. Niet alle
Polyporussoorten komen uit het hout te voorschijn; er zijn er ook, die
uit den grond opkomen en dan hebben ze een steel, dikwijls zelfs meer
dan één. Ook groeien ze groepsgewijze en soms aan elkander verbonden en
dan krijg je een heele warreling van hoeden en stelen. De meest bekende
is de Tolzwam (Polyporus perennis) (18). Je mag hem ook Polystictus
perennis noemen. ’t Is een droog, bruiniggeel zwammetje, de hoed
bovenop donkerder en lichter gekringd en hij groeit nog al veel in
zandige dennenbosschen en bijzonder mooi in het Natuurmonument van de
Oisterwijksche vennen.
Iedere stadsbewoner heeft natuurlijk wel eens uit de iepeboomen een
zeer grooten paddenstoel te voorschijn zien komen, meestal op een wond,
die veroorzaakt is door het afbreken of afzagen van een tak.
Maandenlang zit dat ding aan den stam en het wordt al grooter en
grooter. Exemplaren van een halven meter breed zijn geen zeldzaamheid.
Van onderen is deze zwam roomwit met tallooze gaatjes, van boven is hij
heel mooi gevlekt, als waren het veertjes van een vogel. De Duitschers
noemen hem daarom ook Habichtsschwamm. In ons land is de naam Zadelzwam
bedacht en hij lijkt soms werkelijk op een fietszadel. De
wetenschappelijke naam is Polyporus squamosus (C). Een iep, die er mee
behept is, geniet geen goede gezondheid en wordt doorgaans binnen
korter of langer tijd door den dienst der plantsoenen verwijderd.
Nu moeten we in dit hoofdstuk nog eenige paddenstoelen gedenken, die
vooral merkwaardig zijn om hun vorm en dan noemen we in de allereerste
plaats de Gekraagde Aardster (Geaster triplex) (19). Die kun je al
vinden in de groote vacantie en dan nog door den heelen herfst en
winter heen en men ziet dikwijls genoeg verdroogde exemplaren van het
vorig jaar naast de nieuwe van het huidige. ’t Is altijd weer een
groote verrassing en vreugde, om de eerste aardsterren te zien, hetzij
in de schemering van het dennenbosch, of tusschen de zilverige stammen
van de berken of nog al tamelijk onverwacht, open en bloot in het
heldere licht op de duinhelling. Ze lijken niet op planten, zelfs niet
op paddenstoelen, maar veeleer op de voortbrengselen van een
kunstnijveraar. De lederkleurige ster met zijn vijftal punten (ook wel
eens meer of minder) ligt mooi uitgespreid op den grond en omgeeft een
kringvormig kraagje waarbinnen een grijze bol, die van boven eenigszins
kegelvormig toeloopt en daar bevindt zich te midden van fijne plooien
een opening. Als je even op den bol drukt, als er een takje opvalt of
een regendroppel, dan komt er uit die opening een donker stofwolkje te
voorschijn. Dat zijn de sporen.
Doorgaans groeien die aardsterren in groepjes bijeen en dikwijls zelfs
in heel mooie heksenkringen. Een aardster op zichzelf ziet er al
geheimzinnig en veelbeteekenend uit. Hoeveel te meer is dat het geval
met een heksenkring van aardsterren. Je moet eens midden in zoo’n kring
gaan zitten, geduldig, een half uurtje lang en al ben je dan nog zoo’n
nuchter mensch, je begint dan wel te begrijpen, dat sommigen heel diep
getroffen kunnen worden door de geheimzinnige dichterlijke bekoring van
deze planten. Onder onze Nederlandsche dichters en schrijvers zijn er
enkele, die telkens gewag maken van de aardsterren en dat zijn lang de
minsten niet. Ik denk hier in het bijzonder aan de beide Van Eedens,
Frederik en zijn vader, die trouwens ook Frederik heette.
Als je nu in zoo’n kring van aardsterren zit, dan is het ook wel goed,
om ze eens een voor een aan te kijken en ook te zoeken in de
tusschenruimten. Je ontdekt al gauw, dat ze niet alle even oud zijn.
Sommige zijn pas half open, andere komen pas door het mos of door de
dennenaalden heen dringen. Die zijn nog heelemaal gesloten en lijken
bijzonder veel op ruwe tulpenbollen. Ze kunnen nog dagen lang dicht
blijven, maar als het een beetje meeloopt met warmte en vochtigheid,
dan ontplooien ze zich soms binnen het uur. Ik heb daar wel naar zitten
kijken. Terwijl we naar aardsterren zoeken, ontmoeten we op den
boschbodem stellig nog wel meer dingsigheidjes, die in het geheel niet
lijken op gewone paddenstoelen met hoed en steel, maar toch wel
behooren tot hun verwanten, al zijn het dan ook dikwijls niet de
allernaaste. In sommige jaren vind ik nog al veel van die mooie
Koraalzwammen, die ook wel Bloemkoolzwammen genoemd worden. Het zijn
dikke lichaampjes, die zich naar boven telkens weer vertakken en dat
ziet er dan wel bloemkoolachtig, of als we het wat mooier willen
opvatten, koraalachtig uit. De mooiste is wel de Goudgele Koraalzwam
(Clavaria formosa) (49), die meest onder loofhout voorkomt, maar ook in
naaldbosschen niet behoeft te ontbreken. Deze koraalzwammen zijn nog al
onbestendig; ze kunnen soms jaren achtereen wegblijven, en dan opeens
staat het bosch er weer vol van. Hoe dat komt, weet ik niet.
In het bosch van de Schapenduinen was vroeger een plekje waar ik ieder
najaar heen ging om de Kleine Oranje Bekerzwammetjes (Peziza rutilans)
te zien. Dat zijn kleine platte kommetjes, rond of langwerpig rond en
met een middellijn zelden grooter dan twee centimeter. Meestal zijn ze
veel kleiner, maar hun fel oranjeroode kleur maakt ze tot een van de
schoonste sieraden van het bosch, vooral wanneer ze, zooals daar in de
Schapenduinen, groeien tusschen het korte, donkergroene haarmos. O, wat
was dat mooi. Je moest je geweld aandoen, om niet een heele zode van
dat moois uit te steken en mee naar huis te nemen. Een halve eeuw
geleden deed ik dat wel eens. Toen kon het ook nog wel lijden, want er
waren maar zeer enkele liefhebbers. Tegenwoordig zijn er gelukkig veel
meer liefhebbers en nu moeten we wat zuiniger gaan worden op al ons
moois en we zullen even goed als voor de mooie bloemen ook voor de
mooie mossen en paddenstoelen maatregelen moeten nemen, om ze te
beschermen. Dit heeft dan nog het voordeel, dat men om de mooie dingen
te zien naar buiten moet, lekkertjes er op uit en dan liefst een flinke
vermoeiende wandeling.
Van die bekerzwammen kunnen we verschillende soorten vinden. Naast de
Kleine Oranje Bekerzwam is er ook nog een groote. Andere bekerzwammen
zijn aardkleurig, vaak met een tintje in het violette. Eerst zie je ze
niet, maar gaandeweg merk je, dat op verschillende plaatsen de grond
vol zit met bolletjes en geplooide lappen, soms heel groot, tot een
decimeter toe. Een van de mooiste vind ik de Kleine Bruine Bekerzwam
(Peziza haemisphaerica) (20). Die wordt zelden grooter dan 2 c.M. en is
in jeugdigen toestand een prachtig urntje, van buiten bruin en ruig,
van binnen glimmend grijs, alsof er glazuur op gebracht is.
Al zoekende naar die bekerzwammen vinden we hoogstwaarschijnlijk ook
wel een Vogelnestzwammetje (Crucibulum vulgare) (24), een lichtgrijs
bekertje met daarin een aantal ronde dikke schijfjes, die daar liggen
als de eitjes in een vogelnest. Deze zwam groeit op molmend hout, meest
op losse takjes. Andere soorten groeien op de aarde of op bladmolm, de
aardigste daarvan is de Gestreepte Nestzwam (Cyathus striatus) (24),
gemakkelijk te kennen aan zijn overlangs gestreepten binnenkant.
Nu wil ik dit hoofdstuk besluiten met nog een heel vreemdsoortigen en
bijzonderen paddenstoel, dat is de Hoorn van Overvloed (Craterellus
cornucopoïdes) (23). De Duitschers geven hem een minder prettigen naam
en wel: „Totentrompete”. Hij is in het geheel niet gevaarlijk of
vergiftig, maar ik kan toch wel begrijpen, dat eenvoudige, onwetende
menschen zich iets naars bij dezen paddenstoel denken, vooral wanneer
hij flink hoog opgeschoten staat in het hoogstammige indrukwekkende
woud, zoo bij groepjes van een stuk of vijf en dan wel meer van die
groepen op een enkele plek bij elkaar. Ze kunnen tot twee decimeter
hoog worden en hebben, zooals de naam doet vermoeden, den vorm van een
langgerekten trechter, die uitloopt in een buitenwaarts omgebogen
gekrulden rand. De steel van den trechter is vaal violet, de
trechterholte vlekkig bruin en als je wilt kun je aan die kleuren en
tinten wel een idee van narigheid toedichten. Doch zooals het met zaken
van smaak gaat, anderen vinden die kleuren echt mooi en aangenaam. Deze
Hoorn van Overvloed komt alweer in het Zuiden en Oosten van ons land
veel meer voor dan in het Westen, een reden te meer, waarom we de
bosschen van Twente, den Achterhoek en Limburg in eere moeten houden.