aan den anderen kant van de voorgalerij Van Brakel zag zitten met diens
schoonvader. Vervelender kon het nu al niet! Hij groette even met een
hoofdknik en kreeg juist evenveel terug.
„Weet je wie onze buren zijn?” vroeg hij, in de kamer terruggaande.
„Nu?”
„De Van Brakels.”
„’t Is zeer onaangenaam. Maar ’t komt er zoo veel niet op aan.”
„We kunnen hen moeielijk op den duur zonder spreken voorbijgaan.”
„Dat is ook volstrekt niet noodig. Goeden morgen en goeden avond weegt
niet zwaar. Doe overigens maar net als ik.”
En Van Brakel zei tot Lucie, die nog in haar bed lag te luieren met een
kind in elken arm:
„Zeg Lucie, dat treffen we beroerd. Die kwajongen en die meid logeeren
hier aan den anderen kant van de voorgalerij.”
„Laat ze!” antwoordde Lucie, half boos dat ze in haar naslaapje werd
gestoord. „Wat hebben wij met dat volk noodig? Wij kijken het niet
aan.”
Zij deed het ook.
Toen de Geerlings in de achtergalerij kwamen, waar het ontbijt gereed
stond, zat Van Brakel, die altijd honger had, „in de kou” zich reeds
aan boterhammen met ham te vergasten. Zij groetten en hij was te goed
opgevoed van huis uit om onbeleefd te wezen; hij groette terug. Maar
Lucie, die een oogenblik later kwam met haar kinderen, ging met groote
drukte en veel beweging zitten en toonde door haar manier van spreken
en de uitdrukking van haar gezicht, dat zij met de nieuwe gasten niets
wilde te maken hebben, en deed eenvoudig alsof ze hen niet zag.
„Het is heel lief van haar,” meende Ceciel lachend. „Zij maakt het mij
erg gemakkelijk.”
Maar zóó gemakkelijk was het niet, want de kleine Van Brakeltjes
schenen zich door de jonge mevrouw erg aangetrokken te gevoelen, en
ofschoon Ceciel hoegenaamd niets deed om de kinderen te lokken en ze
ook niet aanhaalde, kwamen ze steeds aan haar kant en stonden of zaten
haar aan te kijken en kwamen vertrouwelijk tegen haar aanleunen.
Lucie, woedend, riep ze dan terug, maar het hielp niet veel, want de
Van Brakelsche jeugd, in volle vrijheid gedresseerd, beantwoordde het
geroep met een welgemeend mô, totdat Lucie de baboes zond om de
kinderen mee te trekken. Dan verzetten zich de lieve kleinen met hand
en tand, schreeuwend en gillend en schoppend en slaand; en tien minuten
later zaten ze, nog met de tranen op het gezicht, toch weer bij Ceciel.
De toestand, vond mevrouw Van Brakel na eenige dagen, werd onhoudbaar.
Haar zenuwen waren, na de levenservaring der laatste jaren en door het
druk dagelijksch gebruik van portwijn, bier en andere geestrijke
dranken, niet meer zoo rustig als in vroeger tijd. Wanneer zij ’s
ochtends, ’s middags en ’s avonds aan tafel in het logement zich airs
gaf en veinsde de Geerlings in het geheel niet te zien, dan was er
niemand, wien dit zoo geweldig irriteerde, als haarzelf. Langs het
koude masque der schoone jonge vrouw gleed dat alles af, als langs
gepolijst marmer. En Lucie benijdde haar die imponeerende kalmte meer
dan haar schoonheid, want zij was met haar eigen uiterlijk zeer
tevreden en zij zag wel aan de blikken der mannen, dat haar rose
vleesch van welgedane blondine appétisanter was dan de matbleeke teint
der inderdaad veel schoonere mevrouw Geerling.
„Het is onuitstaanbaar,” zei ze.
„Dat is toch je eigen schuld,” zeide haar vader. „Waarom doe je niet
net als iedereen? Wat kunnen je die jonge menschen schelen?”
„Ze kunnen me niets schelen, pa! Juist dáárom. Maar er is meer gebeurd,
waarover ik zwijgen zal en waarin die twee de hand hebben gehad. Herman
zal me niet tegenspreken.”
Dat deed hij ook niet.
„Maar toch,” zei hij, „heb ik er meer dan genoeg van en stel ik voor om
elders heen te gaan.”
„Schade,” meende Drütlich, behaaglijk aan zijn pijp zuigend, „het is
hier zoo lekker.”
Lucie gaf haar man een zoen.
„Je hebt groot gelijk en ik vind het lief van je. Dat nare volk bederft
me hier alle genoegen. De kinderen zijn niet van haar af te slaan en
zij doet toch niets; ze geeft ze niets en ze haalt ze niet aan. Ik
begrijp niet wat dien kinderen scheelt.”
„De aantrekkingskracht der schoonheid,” liet Van Brakel zich
onvoorzichtig ontvallen.
„Schoonheid? Het is wat, zoo’n marmer schaap; zoo’n steenen beeld!
Neen, maar ik ben werkelijk bang, dat zij de kinderen behekst; ze heeft
er net zulke rare oogen voor. Daarmee heeft ze dien Geerling ook
betooverd, want zij houdt niet van hem; geen zier!”
„Och wat!” zei haar vader, wrevelig over de soesah van het vertrek:
„wat weet jij er van? Laat toch die jonge menschen met rust. Het is
dwaasheid om hier vandaan te gaan; het is hier veel te lekker.”
Doch papa had goed praten,—den volgenden ochtend waren de koffers
gepakt en stond een groote reiswagen met een impériale voor de vele
bagage, te wachten aan het hotel, en onder groote drukte trokken de Van
Brakels af, in het gezicht hunner tegenpartij, die kalm aan den anderen
kant der voorgalerij een kopje koffie dronk, al wippende met de
schommelstoelen.
„Zij gaan nog hooger op,” zei Jules.
„Ja,” antwoordde Ceciel glimlachend, „dat dacht ik wel. Zij gaan op de
vlucht.”
„Op de vlucht?” vroeg hij verwonderd; „hoe bedoel je dat?”
„Zij kan het in mijn nabijheid niet uithouden. Het is haar eigen
schuld. Ik begreep den eersten dag reeds, dat ze die aanstellerij niet
zou kunnen volhouden.”
Ten slotte speet het den Van Brakels niet, dat ze van tijdelijke
verblijfplaats waren veranderd, want ze amuseerden zich kostelijk.
Daarvoor gaven ze dan ook gruwelijk veel geld uit, en Van Brakel nam
zich voor, als ze weer beneden kwamen, spoedig uit te zien naar wat
werk, ten einde het gat, dat dit reisje in zijn financiën had geslagen,
weer te dichten.
Hij deed het ook, maar.... er was niets; het ergste was nog, dat er
zich gedurende zijn afwezigheid een andere bouwmeester op de plaats had
gevestigd en het eenige werk, dat open was gekomen, hem achter den rug
had weggekaapt.
De eene maand ging na de andere voorbij, maar werk van eenig aanbelang
kwam er niet; slechts kleine verbouwingen en reparaties; om nu zoo
weinig mogelijk in te teren, deed hij zijn best, die uit te breiden en
kostbaar te maken, tot woede en verdriet van de eigenaars, die zich de
haren uit het hoofd trokken bij het zien der „gespecificeerde”
rekeningen, waaruit zij toch niet wijs konden worden, maar die op zeer
respectabele totalen neerkwamen.
Wie voor dergelijk werk in zijn handen viel, beloofde zichzelven
plechtig, dat het voor de laatste maal zou zijn.
Zoo scharrelden zij het jaar door, elke maand inbrokkelend van hetgeen
’t vorige jaar was verdiend, en toen wederom de Indische Sint-Silvester
zijn natte tronie liet zien onder de druipende klapperboomen, bracht
hij Van Brakel tot de slotsom, dat diens zaken lang niet schitterend
stonden en hij de tering moest zetten naar de nering, wilde hij niet
spoedig aan den grond raken.
Maar voor Van Brakel en voor Drütlich was dit een onverstaanbare taal;
een taal, die ze begrepen noch verstonden. Ze namen er het leven goed
van, als zij geld hadden ten koste van zichzelven en anders ten koste
van hun leveranciers, in afwachting van betere tijden. En op die
laatste hoopten zij dien oudejaarsavond; met elk glas, dat ze meer
dronken, werd die hoop levendiger.
„Met den eersten flinken duit, dien ik verdien,” zei Van Brakel, „ga ik
eigen huizen bouwen.”
„Dat hadt je al lang moeten doen.”
„Dat had ik ook; maar nu ben ik er toe besloten. Ik maak tusschen die
twee voorname wegen een verbindingsweg.”
Hij haalde een stuk krijt en teekende zijn weg op de tafel, en zette de
huizen op een rij.
Het was een idee.
Met hun drieën lagen ze over de tafel, de hoofden bijeen, turend op de
witte lijnen. Van Brakel gevoelde zich een Hausmann in miniatuur.
Hij teekende voort, vlug en vaardig, en hij zette zijn bedoeling nader
uiteen: de grootte van de erven, de inrichting der woningen, het punt
van uitgang over begroeide terreinen en door klappertuinen, tot het
snijpunt op den tweeden parallelweg.
„Prachtig!” riep Lucie vol bewondering.
„Het is een practisch denkbeeld,” vond haar vader. „Ik geloof wel, dat
je daarmee succes zult hebben. Er is behoefte aan zulke huizen.”
„Maar de duiten?”
„Zie dat je een geldschieter krijgt.”
„Als je eens naar hem ging, je weet wel, die je toen met dien speelbeer
heeft geholpen?”
Langzaam en in gedachten knikte Van Brakel toestemmend. Dàt had hij ook
reeds gedacht; die zou hem wel willen helpen. Zij dronken op het
welslagen, tot de hanen reeds voor de tweede maal hadden gekraaid en de
nieuwe dag naderde van het nieuwe jaar.
Lucie ging naar bed, vrij soezerig, en ze sliep reeds voor zij
behoorlijk lag. Herman en Drütlich bleven nog in luierdstoelen zitten
bij hun zooveelste brendy-soda; de oude man dommelde in, en de
ingenieur sprak altijd maar voort met zware tong en nu en dan haperende
stem over zijn bouwplannen, tot hijzelf ook indommelde.
Langzaam rees de zon achter de huizen aan de overzijde van den weg. Het
ochtendschot was met een doffen dreun gevallen. De krakende karren, die
tot zoo lang buiten de poort hadden moeten wachten, deden hun intocht;
hier en daar doken de inlanders op uit hun kampongs, met de sarongs tot
aan de schouders opgetrokken of de armen tegen het lijf gekruist,
bibberend bij de koelte van den ochtend en, nog slaapdronken, waggelend
op hun beenen; alles was gekleurd met een grauwe tint, die met elke
minuut lichter werd, tot ze zich oploste in de eerste zonnestralen, die
de dauwdroppels op de klapperbladeren deden fonkelen.
De stralen daalden lager; ze vielen over de boomen heen op ’t afdakje
van ’t paviljoentje der Van Brakels; toen er onder. In de luierdstoelen
sliepen de twee mannen; de oude, stil en rustig; wel duizendmaal had
hij op ’t land in zoo’n stoel geslapen; de jongere luid snorkend.
Beider gezichten waren opgezwollen en rood van het drinken en glommen
in het zonlicht alsof ze met vet waren besmeerd. En in het centrum van
de karaf met brendy schiep een straaltje van den lichtbundel een
prachtige helder gouden ster, tintelend en schitterend met vroolijke
levendige kleurwisseling bij de geringste beweging.
Een inlandsche bediende sloop zacht naderbij op zijn bloote voeten; hij
ging ’t galerijtje op, nam de flesch weg en de glazen, bracht die even
achter ’t muurtje, dat het voorerf van het achtererf scheidde, en zette
daar de karaf aan zijn ongewasschen mond.
’t Was Van Brakel of hij blind werd, toen hij, de oogen openend, in de
zon keek.
Hij schopte tegen den stoel van den ouden heer.
„Zeg, zeg pa; ga naar uw tampat.”
Beiden stonden op en sukkelden naar hun kamer, waar ze de gendie’s voor
den mond zetten, veel water dronken en toen nog half slapend in hun
bedden neervielen.
Het was de eerste dag van een nieuw jaar.
De poging gelukte.
Toen Van Brakel eenige dagen later zijn plannen en ontwerpen den
resident aanbood, was deze daar wonderwel tevreden over; hij beschouwde
ze met groote belangstelling; hij zag in hoe nuttig zoo’n
verbindingsweg zou wezen in het fraaiste deel der gemeente en hoe
sierlijk de aanleg zou kunnen zijn; de resident werd er enthousiast
voor en beloofde in alles zijn medewerking, behalve natuurlijk in ’t
finantiëele, maar daarom vroeg Van Brakel niet.
Hij ging van ’t residentiehuis naar ’t koopmanskantoor en ook daar
hoorde men hem aan met de grootste welwillendheid, die nog sterker werd
toen men vernam dat de resident de plannen goedkeurde en diens steun
had toegezegd.
’t Was alles fraai en wel; men twijfelde volstrekt niet aan het goed
inzicht en de architectonische bekwaamheden van Van Brakel; men was ook
wel geneigd kapitaal te verstrekken,—maar de soliditeit van den
ingenieur op finantiëel gebied werd betwijfeld en daarom stelde men hem
moeilijke en zeer bindende voorwaarden, waardoor hij en zijn werk
altijd vast lagen in handen van de firma.
Hij nam die voorwaarden aan zonder zich te bedenken; hij was zóó zeker
van zijn zaak!
En er begon voor hem een tijd van groote drukte en werkzaamheid, welke
hem vroeger dan ooit op het pad deed zijn en later dan ooit te huis
deed komen.
Bij de algemeene medewerking ging alles wondervlug; de noodige
terreinen, behoorend bijna uitsluitend aan Chineezen en Arabieren,
werden met de hulp van ’t bestuur gemakkelijk verkregen; de aanleg van
den weg was voor weinig geld, door de gratis-hulp van
dwangarbeiders-personeel, spoedig gereed en weldra had Van Brakel zijn
perceelen afgebakend en voor zooveel noodig schoon gemaakt en rezen
ontzaglijke steenhoopen en bergen kalk en stapels balken op het
terrein. Hij had zijn begrooting goed ingericht, naar zijn idee; zóó
goed, dat hij zichzelven feitelijk bestal; als loon voor zich had hij
er weinig opgebracht in directe cijfers; het meeste was onder andere
posten verscholen.—Bovendien, dat moest zoo uitkomen voor later, als
hij een werk deed voor anderer rekening; men moest hem dan immers niet
kunnen verwijten, dat hij mat met twee maten. En zoo kreeg hij telkens
betrekkelijk aardige sommetjes in handen, die „vrij” waren gekomen bij
de uitbetaling van werkloonen en leveringen; Lucie, die dat heerlijk
vond, maar hem bitter beklaagde, omdat hij zoo „voort” moest, wendde
die in hoofdzaak aan om hem in zijn weinigen vrijen tijd het leven
lekker te maken. Hij mocht niet meer eten aan de tafel in het
commensalenhuis. Daar moest hij gekleed komen, en kasian! hij kwam pas
’s middags te zes uren thuis, doodmoe, en niets was dan lekkerder, dan
na het baden in nachtbroek en kabaai te blijven; er werd elken avond
een extra-dinertje voor hem klaar gemaakt, alles uit blikjes en altijd
iets met truffels, daar hield hij zooveel van, kasian! Voor de
gezelligheid aten Lucie en haar vader dan met hem mee, kasian!
Zondags, als er niet werd gewerkt, was het een dag van het meest
volkomen epicurisme, slechts afgewisseld door wandelingen ’s morgens en
rijtoertjes ’s middags en ’s avonds. Met dat al verdiepten zich Van
Brakel en zijn schoonvader zoo dapper in de spiritualiën, dat de
laatste er sufferig onder werd; de ijzeren natuur van den ingenieur
bood als altijd weerstand en hoeveel hij ook dronk des avonds,—klokke
vijf den anderen morgen was hij weer op het werk, net als in ’s lands
dienst.
Dan zette hij er gang in. Er moest, zoo was de afspraak met de
geldschietende firma, een huis worden afgemaakt en verkocht; dat was
niet alleen goed voor ’t geld, maar het stond flink voor de
commanditairen in Europa; die zagen dan, dat er wat binnenkwam.
Toen daar het eerste huis stond, niet te groot, keurig net, met marmer
bevloerd, doelmatig ingedeeld en van alle gemakken voorzien, kwamen
belanghebbenden kijken, want het was te koop geannonceerd.
Ofschoon hij rondliep, even groetend, maar zonder schijnbaar notitie
van de menschen te nemen, spitste hij de ooren en zag scherp toe. Nu en
dan glimlachte hij. Welzeker, ze zagen het wel! Ze zagen wel dat hier
geen beunhaas aan het werk was geweest, maar een man van het vak. Alles
was solide, alles was haaks. ’t Was niet een dier talrijke Indische
huizen, waarvan men de hoeksteenen met den haak van een Engelschen
wandelstok los kan peuteren en er uit halen, zoodat het heele huis ten
slotte ineenstort,—neen, ’t was, wat een Hollandsche notaris zou
noemen: hecht, sterk en weldoortimmerd.
Deskundigen kwamen het zien en bekeken het met welgevallen; Chineezen
snuffelden rond om na te gaan hoe dit en dat ineenzat,—maar dáárover
was men het eens: er stonden weinig huizen op de plaats, die zoo goed
gebouwd waren. Het bracht een prijs op ver boven de taxatie, tot groote
vreugde van Van Brakel en niet minder van diens geldschieter. ’t Was
voor den ontslagen waterstaatsingenieur een moment de gloire, zooals
hij er nog geen had gekend; en het succes wischte voor het oogenblik
alles schoon; de koopman, die het werkkapitaal had verstrekt, gaf een
partij en de Van Brakels werden geïnviteerd.
Daar zouden zij dan weer komen, midden in de wereld, die hen had
uitgestooten; terug in de kringen, die zich voor hen hadden gesloten,
in het gezelschap van hen, die hun gezelschap hadden vermeden.
Van Brakel glom van trots en genoegen. Met een glimlach vol
zelfvoldoening om den mond en schitterende oogen liep hij met groote
stappen in ’t voorgalerijtje op en neer.
„Daar komen ze nu al,” zei hij op hoonenden toon. „Daar komen ze nu al!
Met hangende pootjes! Je zult nog wel meer grappen beleven. Wacht maar!
Er zal een tijd komen, dat ik hen trappen kan en dan zal ik hen
trappen, de ploerten. Ze hebben me genoeg laten slikken in den laatsten
tijd. Mijn dag komt ook: wacht maar! Ik zal het hun wel inpeperen, dàt
beloof ik je...... De ploerten”... herhaalde hij nog eens, vol
minachting naar buiten spuwend, als deed hij het der geheele stad in
het gezicht.
Lucie lette er niet op; zij was geheel in gepeins verzonken, en
opziende, als iemand, die met haar gedachten ver van tijd en plaats is,
zei ze:
„Ik weet waarachtig niet, wat ik zal aandoen op die partij.”
Toch was zij zenuwachtig.
Zij moesten alles nieuw hebben en hij was niet meer gewoon aan min of
meer voornaam gezelschap in „pakean deftig.”
Het liep echter uitmuntend af. Menschen, die hem in geen maanden hadden
gegroet, spraken hem aan alsof ze voortdurend met hem in de beste
verstandhouding hadden verkeerd; dames, die Lucie van vroeger kende,
behandelden haar als zusters en verzekerden hoe gelukkig ze waren, dat
nu alles zóó geschikt was.
Wat ze meenden, wist Lucie niet goed, maar ze vond het heerlijk. En ze
danste ook weer, al was het niet zooveel als vroeger toen Herman nog in
dienst was en inferieuren had.
’t Was een triomf, waarvoor zij in hun hart dankbaar waren.
Van Brakel zat weer eens aan een hombertafeltje, waar om een hoog
tarief werd gespeeld met oploopenden pot. Hij was niets vergeten, al
had hij ook niets geleerd.
De volgende maand was hij weer lid van de sociëteit. Er waren nieuwe
bestuursleden in dat jaar gekomen en de andere keken zoo nauw niet; nu
het eenmaal was uitgemaakt dat men voortaan Van Brakel toch overal zou
ontmoeten, moest over dat uit ’s lands dienst geraken de mantel der
liefde maar geworpen worden. Schwamm d’rüber! dacht men unaniem en hij
deed weer zijn intrede alsof er niets was gebeurd; en hij ging er weer
heen elken avond; hij werd weer een „steunpilaar”; hij huurde ook een
eigen woning, richtte zich netjes in en leefde weldra juist zooals hij
geleefd had als ingenieur bij den Waterstaat; alleen verteerde hij meer
geld en had hij meer drukte over zich.
Kalm en gelukkig kwamen Jules en Ceciel terug van hun
huwelijksreisje.—Ze namen hun intrek in een logement en maakten rustig
en op hun gemak alles gereed, wat ze noodig hadden om mee te nemen.
Passage naar Europa was besproken en Jules had van het vermogen, dat
hem, toen hij meerderjarig werd, moest worden uitgekeerd, afrekening
ontvangen. Zijn verzoek om het geld in de zaak zijns vaders te laten,
was afgewezen, zoodat hij een andere belegging moest aanwijzen. Met een
zucht had hij het gedaan.
Ceciel had een halven nacht besteed aan het nagaan der verantwoording.
„Je moet het geld vooral solied beleggen,” zei ze, toen het niet in de
zaak mocht blijven.
„Zeker. Ik wil alleen met een klein beetje speculeeren.”
„Doe het niet,” waarschuwde zij, „wij hebben meer dan genoeg voor ons
tweeën ook bij lage rente.”
„Het maakt een drommelsch verschil. In de zaak rendeerde het 15 a 20
percent.”
„Wat zou het, Jules? Maar als de zaak eens fout ging!”
„Allons!” spotte hij. Welk een gek idee had ze daar! „Als de heele
zaak, zooals die nu staat, de zwaarste klappen kreeg, heeft papa nog
persoonlijk fortuin genoeg om à pari te liquideeren.”
„Het is mogelijk, maar ik heb het niet op zaken. Ik heb liever solide
staatspapieren, waarvoor men nooit bang heeft te zijn. Kom Jules, doe
het maar.....”
En ofschoon hij er maar weinig zin in had, deed hij het ten slotte toch
op haar aandringen.
Zij zat nu nog slechts met één moeilijkheid.
„Waar embarqueeren we?” vroeg zij op een ochtend.
„Wel... aan den kleinen Boom. Waar zouden we anders embarqueeren,
chérie?”
„Ik ga hier niet aan boord.”
„Maar........”
„Om het gejammer van pa en ma nog eens in het publiek te genieten,
geaccompagneerd door tante Du Roy......! Ik dank je wel.”
„Maar beste Ciel, hoe drommel moeten we het dan aanleggen? We kunnen
toch niet op de vlucht gaan!”
„Laat dat maar stil aan mij over. Ik ga strakjes naar de oudelui en zal
er met hen over spreken. Pa is een man, die voor zulke dingen wel raad
weet.”
Haar bezwaar tegen tante Du Roy werd erkend.
„Maar ze zal dol wezen,” meende haar moeder, „als je weggaat zonder
afscheid van haar te nemen.”
„Dat zal ik ook niet. We gaan, net als pa zegt, een dag vroeger naar de
naaste havenplaats, waar Jules een vriend heeft, wien hij nog zoo graag
de hand zou drukken. ’s Avonds te voren komen wij afscheid nemen, met
een reiswagen voor de deur, en ’s nachts gaan we met een tambangan naar
boord.”
’t Beviel Jules Geerling maar half. Hij zag er nu zoo’n kwaad niet in,
dat mevrouw Du Roy met veel tranen afscheid nam. Welke haan zou in
Amsterdam, dacht hij, daarnaar kraaien? En dan, hij was nu toch
gebrouilleerd met zijn familie!
’t Was nog stikdonker toen ze gingen. Geerling slaperig en mopperend.
Ceciel druk en opgewonden. Eindelijk was het oogenblik daar, en zou ze
Java verlaten. Haar kisten waren reeds den vorigen avond naar boord
gegaan. Zij reden naar de kali, waar een tambangan hen wachtte. Er lag
een dikke, geelachtige damp over de plaats; het rook onaangenaam en in
het flauwe schemerlicht zag alles langs den weg er vies en onooglijk
uit. Och, ze was zoo blij, dat ze heenging!
Ook het tweede huis, dat Van Brakel had gebouwd, bracht een fraaien
prijs op, maar daarvan werd zooveel notitie niet genomen.
Het nieuwtje was er af en een „meevaller” was het niet meer.
Alles ging nu overigens zijn gewonen gang. Lucie was weer teruggekeerd
tot haar oude bedrijvigheid van vroeger, al ging het in den aanvang
niet meer zoo van harte. En ’t huishouden kostte een schat van geld en
Van Brakel had voor zijn menus plaisirs meer noodig dan ooit.
Zij hadden er al eens ruzie over gehad; hij verweet haar dat ze
spilziek was; dat ze vroeger niet het vierde gedeelte gebruikte van de
dranken, die thans werden geschonken. Maar zij was sterk; zij had een
sociëteitsrekening van over de honderd gulden in zijn zak gevonden en
daarmee gewapend, bestreed zij hem.
„Nu maar; er moet toch een eind aan komen,” zei hij later. „Ik zal van
mijn kant ook wat inkrimpen.”
„Je mocht waarlijk wel het voorbeeld geven. Jij verteert met je
homberen, je sociëteit, je havana’s, je paarden en aan je verdere
verteringen, meer alléén dan wij met het geheele huishouden.”
„Je lijkt wel gek.”
„Maar ik zeg de waarheid.”
„Nu goed. Ik zal mij bekrimpen; ik zal minder uitgaan en minder
verteren; maar jij zult het ook doen.”
„Heel goed; als jij maar begint.”
Dien avond aan tafel stond hij als gewoonlijk na het dessert dadelijk
op en nam zijn hoed.
„Ik dacht, dat je thuis zoudt blijven?”
„Van avond kan ik niet; ik heb afgesproken; de anderen komen ook.
Morgen.”
Zij keek hem glimlachend aan; zij kende dat morgen!
Toen hij weg was, stak de oude Drütlich een groote pijp op en begon
bier te drinken, waarbij Lucie hem met een glas likeur gezelschap
hield. De eene flesch bier volgde de andere tot Drütlich vond, dat het
tijd werd om over te gaan tot een brendy-soda en Lucie meende, dat het
uur van slapen was aangebroken.
Alleen met een rijtje ajer-blanda-fleschjes en een karaf cognac,
verzette de oude man zijn leed. Het appeltje, dat hij nog had
overgehouden voor den dorst, was reeds lang op; hij teerde nu geheel op
zijn schoonzoon. Van Brakel vroeg daar niet naar.
Wat kon ’t hem schelen! Bovendien, hij wist dat Drütlich in zijn goeden
tijd voor hem ook steeds royaal was geweest en daarmede nam hij dus
genoegen. Maar dien nacht kwam hij erg laat thuis; hij had heel veel
gedronken en was ook voor zichzelven zwaar op de hand. Onderweg
mopperde hij in zijn eentje over de quaestie, die hij met Lucie had, en
voor de eerste maal rekende hij het haar aan als een soort van verwijt,
dat haar vader bij hen aan huis woonde. Toen hij uit zijn wagen stapte,
achter op het erf, voelde Van Brakel, dat zijn gang eenigszins
waggelend was en niet zonder eenige moeite klom hij de trappen op naar
de achtergalerij, waar één lampje brandde.
Hij scharrelde naar het buffet. Er stonden vier leege bierflesschen en
vier dito ajer-blanda-fleschjes. Van Brakel kon zich niet goed houden
bij de gedachte, dat die „ouwe” zooveel bier en brendy-grog in zijn
eentje had verschalkt.
Op zijn eigen suf gezicht verscheen een dom dronkenmanslachje.