Indië. Nu, het was een zootje hier! Een echte ploertenboel. De
voorbeelden bleven niet uit. De oude heer Drütlich kon ook zijn partij
mee blazen; sedert hij door de geldschieters van zijn land was afgezet,
schold hij op alles: ’t was nog het eenige, dat hem overbleef! Het was
een genot voor Van Brakel zijn schoonvader aan te hooren! Hij had van
den ouden man in diens beste dagen nooit zooveel gehouden als
tegenwoordig! In het commensalenhuis, waar zij een afzonderlijk
paviljoen bewoonden, logeerden nog een paar jongelui, die ook zoo nauw
niet zagen en zich de fijne sigaren en den overvloed van dranken bij de
Van Brakels gaarne lieten welgevallen. Hij had zich van hen
meestergemaakt en zeker driemalen ’s weeks zaten ze tot laat in den
nacht te whisten met veel licht op. Van Brakel verfoeide het whisten,
maar de jongelui konden niet homberen.
Zij hadden geld over aan het eind van het jaar. Ondanks hun royale
leefwijze en hun afbetalingen was er overwinst. Van Brakel vertelde het
zijn vrouw met een gezicht, dat, hoewel het zich over het tegenwoordige
verheugde, het verledene, in ’s lands dienst doorgebracht, betreurde.
Den oudejaarsavond brachten zij vroolijk door; te vroolijk, want er
werd onbehoorlijk veel gedronken. Ze waren geen van allen zooals ze
wezen moesten; zelfs Lucie was gewoon „weg”; des daags lachten ze er
om; zij hadden daar tegenwoordig pleizier in; ze merkten het niet op,
dat ze in hun eng kringetje gedemoraliseerd raakten. Lucie kon een half
fleschje port stil voor haar rekening nemen, zonder dat men iets aan
haar bespeurde, en ze dronk ’s avonds brendy met suiker, het eene
glaasje voor, het andere na; niemand lette er op in hun eigen
kringetje; vader Drütlich en Van Brakel gingen tegenwoordig nooit naar
bed zonder dat het hun eenigszins schemerde voor de oogen en de
hoeveelheid, noodig om in dien toestand te geraken, werd langzamerhand
al grooter en grooter.
Doch het ijzersterk gestel van Van Brakel kon daartegen; hij was, net
als vroeger, ’s morgens klokke vijf present, frisch als hij gebaad had
en met goeden eetlust, en papa kon uitslapen zoo lang hij wilde.
De werken raakten gereed en werden afgeleverd. Zeer tot genoegen van de
eigenaren, dat was waar; het was waarlijk geen beunhazen-werk, dat door
Van Brakel werd verricht Alleen: men bouwt geen huizen en pakhuizen
voor zijn genoegen. Wat gereed was werd niet door te verrichten arbeid
vervangen. Toch vreesde Van Brakel niet en toen hij op een goeden dag
thuis kwam, met het vooruitzicht dat hij „in afwachting” was van nieuw
bouwwerk, maar voor het oogenblik niets te doen had, zag hij de
toekomst volstrekt niet duister in.
Integendeel, ’t kwam net goed, vond hij. Zij konden nu eens ’t gebergte
ingaan om een kouden neus te halen. Dat zou hen allen goeddoen.
Het voorstel werd met gejuich ontvangen.
Papa Drütlich, die nog altijd van zijn „appeltje” teerde, vond het
heerlijk; hij had beneden zoo’n gruwelijken last van de warmte.
Lucie wou direct de koffers pakken.
„Laat dat nu tot morgen,” zei Van Brakel. „Ik moet nog eerst
telegrapheeren om kamers te bestellen. Op een dag vroeger of later komt
het niet aan. Wij hebben den tijd aan ons.”
In het behaaglijk gevoel dier vrijheid, rekte hij zich uit in zijn
luierdstoel.
„Zie je,” zei hij, „dat ken je niet als ambtenaar. Of je op ’t kantoor
bent of thuis, op de plaats of op reis, in dienst of met verlof,—je
draagt altijd dat zekere gevoel met je om, dat er menschen zijn, die
boven je staan en van wier bon plaisir je afhankelijk bent.”
„Hm!” bromde vader Drütlich, vervaarlijke rookwolken uit zijn Duitsche
pijp blazend, „dat mag zoo zijn, maar ik heb nog liever een mensch tot
chef, dan mijn portemonnaie; als die leeg is, wordt ze kwaadaardiger
dan alle chefs ter wereld.”
„Kom, oude heer, haal je nu geen muizenissen in het hoofd. Als ik nog
een paar jaar voortgewerkt heb en het loopt een beetje mee, dan begin
je plan-plan aan een kleine onderneming.”
Het was zijn illusie. Maar Drütlich gaf er nooit antwoord op: bij had
geen illusiën meer van dien aard.
Toen zijn schoonvader niets zei, nam Van Brakel de courant en keek die
in. Onwillekeurig keek hij altijd het eerst onder de officiëele
berichten: ondanks alles was hij vol belangstelling voor de
bevorderingen en overplaatsingen bij de B. O. W.
„Verdomd!” riep hij plotseling luid: „dat heb ik wel gedacht! Dat doet
me plezier. Luus, kom eens gauw hier!”
„Wat is het?” vroeg Lucie naar voren stuivend vol nieuwsgierigheid.
„De smeerlap is er uit!”
„Is het waarachtig?”
„Daar staat het: „Eervol ontslagen de hoofdingenieur 2de kl. bij de B.
O. W. Willert.” Daar kies ik geen duizend gulden voor. Wat doet me dàt
’n genoegen! Die smerige gladakker heeft het dubbel en dwars aan me
verdiend.”
Met hun drieën scholden zij nu in koor. Allerlei invectieven, het een
al leelijker dan het andere, vlogen door de voorgalerij.
De hoofdingenieur Willert liep bleek en zwijgend zijn kamer op en neer.
Neen, dàt had hij niet verdiend! Dat was geen loon voor zijn
veeljarigen trouwen dienst! Er viel niets aan te merken op zijn ijver,
zijn gedrag, zijn bekwaamheid. Toch had hij, nog in de kracht zijns
levens, ook zijn „boterbriefje” thuis gekregen. Waarom? Het kwam zoo in
de kraam te pas. Hij zat anderen in den weg: neefjes en vriendjes. Die
konden niet spoedig genoeg vooruitkomen; hun invloedrijke relatiën in
Nederland waren daar ontevreden over. Dáárom moest hij, de eenvoudige
man, die zijn positie slechts had verkregen door zijn arbeid, plaats
maken; dáárom was het noodig geoordeeld in ’s lands belang niet verder
prijs te stellen op zijn diensten.
Hij had nooit anders gedaan, dan wat hij vermeende dat zijn plicht was
jegens „den Lande.” Streng en onverbiddelijk was hij geweest, waar het
den dienst gold van het Gouvernement; onder zijn inferieuren was hij
daarom meer gevreesd dan bemind. En naast de algemeene belangen van den
Staat had hij altijd gesteld de bijzondere van den Waterstaat. Dáárvoor
had hij óók gestreden en als hij opkwam voor zijn dienst tot in de
geringste détails, dan kende hij geen vrees voor andere autoriteiten.
Hij wist wel, dat velen hem niet gaarne mochten; dat residenten hem
stug en onhandelbaar noemden; dat de eerstaanwezende genie-officieren
even dikwijls met hem overhoop lagen als het Binnenlandsch
Bestuur,—maar wat zou dat? Nooit had hij eenig eigenbelang gekweekt of
bevorderd. Liever duizend gulden had hij gegeven uit zijn zak, dan der
schatkist een cent te benadeelen, of toe te staan zonder protest, dat
dit door anderen bij zijn dienst geschiedde. Hij was geen aangenaam
mensch in den ambtelijken omgang en hij had zich ook nooit daarop
toegelegd.
Geleefd had hij uitsluitend voor zijn ambt. Onder die toewijding had
alles geleden: zijn huiselijk leven, zijn huwelijksgeluk, zijn
persoonlijke levensvreugd,—alles had moeten achterstaan bij den
ambtsijver, die hem verteerde, en de liefde voor den dienst, tot
afgoderij bij hem aangegroeid. In zijn lange loopbaan had hij „den”
lande voor millioenen bevoordeeld, door economischen arbeid en streng
toezicht; al wat uit zijn handen kwam of onder zijn oog was verricht,
had elken toets kunnen doorstaan. Zijn positie had hij slechts dááraan
te danken; indien hij het had moeten hebben van vleierij of
intriges,—hij ware gestorven als opzichter zóóveelste klasse.
Dat anderen belooningen kregen en buitengewone eerbewijzen voor luttele
diensten den Staat bewezen, hinderde hem niet; dat er nu en dan
stoompromoties werden gemaakt, door ambtenaren, van wie men niet wist
waar ze de verdiensten vandaan haalden,—hij had er de schouders voor
opgetrokken.
Hij vond dat, zoolang hij persoonlijk niet werd miskend, voorbijgegaan
of gegriefd, het niet aanging zich in te laten met anderen; dáárvan
sprak hij nooit en stil ging hij zijn gang, nauwgezet voor zichzelven,
evenals hij dat was voor zijn ondergeschikten. Hij vroeg niets en
verlangde niets, dan wat hem toekwam naar de meest elementaire
beginselen van eerlijkheid en goede trouw.
En nu stond hij daar, aan den dijk gezet door een gewetenloos
nepotisme; aan den dijk gezet door lieden, die op niets jacht maakten
dan op hooge ambten met hooge traktementen en hooge toelagen; voor wie
niets heilig was, als het hen slechts kon brengen tot vermeerdering van
materiëel levensgenot voor hen en hun vrienden. Daar stond hij!
Hij was eervol ontslagen, ongeveer op de manier als Van Brakel en
dergelijken, dacht hij. Er schoot hem geen traan in het oog, daarvoor
was hij te veel man; maar een moord had hij kunnen doen op dat
oogenblik.
Men had zich niet eens de moeite gegeven hem vooraf het fait accompli
mede te deelen. Hij las het in de courant onder de telegrammen. Wat ook
deed het er toe, tegenover een landsdienaar als hij, die slechts door
veeljarigen stalen arbeid geworden was wat hij was? Wat beteekenden
zulke antecedenten tegenover de belangen van fortuinzoekers en
baantjesjagers?
Zoo dacht hij vol bitterheid en misschien in zekere mate onbillijk, in
het diep gekrenkt gevoel van die ambtelijke eigenwaarde, welke
jarenlang zijn grootste kracht, zijn grootste steun was geweest.
En terwijl hij werktuiglijk bleef loopen van den eenen kant zijner
kamer naar den anderen, ging zijn geheele levensloop hem door het
hoofd, van ’t oogenblik dat hij als jongeling in dienst trad, tot nu
hij in de kracht zijns levens zonder eenig motief werd weggezonden.
Om den hoek der openstaande deur keek mevrouw Willert naar binnen.
„Je hebt het zeker gelezen?” vroeg hij.
Zij knikte toestemmend, trad de kamer binnen en ging zitten. En hij
uitte alles wat er was omgegaan in zijn gemoed; er was woede en
verontwaardiging en haat in zijn stem, maar nu en dan klonk er een toon
door van den weemoed en het verdriet van den eerlijken, mishandelden
man.
Het trof haar niet. Zij bleef er koud onder. Zonder een woord er
tusschen te brengen, liet zij hem uitspreken; en toen hij gedaan had,
keek ze hem aan zonder een zweem van medelijden.
„Ik begrijp dat het heel hard is voor jou, maar verg asjeblieft niet
dat ik er om treur.”
Hij keek haar verschrikt aan met een pijnlijken trek op het gezicht.
Het sloeg hem uit het veld. Wat bedoelde ze? Zij was toch waarlijk
anders geen ongevoelige vrouw. Integendeel, ze had meermalen, met
tranen in de oogen, getracht in de bres te springen voor anderen; zelfs
voor dien Van Brakel. En nu keek ze hem aan met de grootste
onverschilligheid,—nu het hemzelf betrof.
Mevrouw Willert wendde het hoofd af.
„Het is voor mij een zegen; misschien krijg ik nu nog een gelukkig
leven.”
„Hadt je dat dan niet?” vroeg hij verwonderd.
„Neen, Willert. Het tegendeel is waar. Jij hebt dat nooit opgemerkt;
jij ging geheel op in den dienst: dat was alles voor jou, maar voor mij
was het een ramp; door je stiptheid in dienst mochten de meeste
menschen je niet lijden, en hoezeer men ons beleefd
behandelde,—vriendschap ondervonden wij nooit.”
„Ik heb er nooit behoefte aan gehad,” bromde hij verstoord.
„Dat weet ik wel; maar ik had er wel behoefte aan. Voor jou was de
dienst niet slechts een plicht, het was een genoegen, een wellust, een
manie. Je stondt er mee op en je ging er mee slapen; bij het ontbijt
sprak je me over de dienstzaken, die des daags moesten volgen, en ’s
middags over de dienstzaken, die op den dag waren voorgekomen....”
„Je hebt je er nooit over beklaagd.”
„Zeker niet. Het zou niet hebben geholpen. Van een zoo vreugdeloos
leven als het mijne kon je toch geen besef hebben en ik wist heel goed
dat het niet baten zou. Die ongelukkige dienst had je in zijn klauwen,
als de duivel een menschenziel. Zoolang je er in waart, was daartegen
niets te doen.”
„Het is overdreven voorgesteld.”
„Dat is het niet, en nu voel je ook wel, dat ik gelijk heb. We zijn
jarenlang getrouwd geweest, maar een aangenaam huwelijksleven hebben we
nooit gehad. Het was of je altijd in dienst waart. Denk je, dat een
vrouw daarbij gelukkig wezen kan? Je waart steeds heel goed voor me en
ik geloof dat je veel van me houdt op jou manier; maar van den dienst
hieldt je meer; dat wist ik. Iedereen vond, dat ik het zoo gelukkig had
getroffen: een knap man, een braaf man, een man die altijd vooruitging
in maatschappelijke positie,—o zeker; maar ik had liever gehad, dat
alles minder was geweest en je wat meer getoond hadt iets voor mij te
zijn.”
„De vrouwen zijn nooit tevreden.”
„Dat is niet waar. Zij zijn zelfs heel gemakkelijk tevreden. Maar met
niets kan men niet tevreden zijn. En ik heb niets aan mijn leven gehad.
Het is hier voor het beste deel voorbijgegaan, vreugdeloos, vervelend.
Ik heb jaar in jaar uit elken dag in een net huisje gezeten, zonder
werk of verstrooiïng met de herinnering aan onze ochtendconversatie
over den Waterstaat en als naaste toekomst een middaggesprek over den
Waterstaat, dien ik vervloekt heb......”
„Hè? Dat is te veel!” riep Willert nijdig. Hij was nu wel ontslagen,
maar dat iemand en nog wel zijn eigen vrouw den Waterstaat zat te
vervloeken,—dàt was hem te erg.
Zij nam er geen notitie van.
„En nu ben ik blij; ik dank God, dat je er af bent. We gaan nu naar
Europa; wij zijn nog jong genoeg om van het leven te genieten. Kinderen
hebben we niet, maar wie weet, wat nog kan gebeuren in een koel klimaat
en bevrijd van den waterstaatsdienst. Het pensioen is voldoende en al
was het dat niet, dan kunnen wij er iets bijdoen.”
Maar zijn gezicht klaarde niet op bij het vooruitzicht van een mogelijk
vaderschap. Zijn hart hing aan den dienst en dat deed hem beseffen,
hoeveel waarheid er kon liggen in de kalme verwijten van zijn vrouw.
„Je praat er maar luchtig over; je kunt niet begrijpen, wat het is. Aan
één kant heb je misschien gelijk: ik heb me te veel met de zaken
vereenzelvigd; misschien ware het beter geweest te doen als zooveel
anderen; maar dat kon ik niet. Laat ons er niet verder over spreken. Ik
hoop nu maar, dat ik zoo spoedig mogelijk het bureau kan overgeven. Als
ik je leven werkelijk zoo heb vergald,” voegde hij er verdrietig bij,
„dan zal ik mijn best doen om het kwaad te herstellen.”
Zij moest zich geweld aandoen. Maar zij wilde nu niet zwak of
toegeeflijk zijn en daarom knikte ze alleen even met het hoofd, als
wilde zij zeggen: doe dat, het is een staaltje van je plicht.
Dezelfde courant bracht nog een verrassing. Lucie Van Brakel was reeds
weder in haar kamer gegaan en haar man vervolgde zijn lectuur. Hij
sloeg een blik op de advertenties.
„Luus, Luus?” schreeuwde hij weer. „Wel lieve hemel....”
„Nu, wat is er nog meer?” riep ze naar voren komend.
„Zoo’n kwajongen!”
„Wie? Wat?”
„Wel, die Geerling. Hier lees ik waarachtig dat hij met die meid
getrouwd is.”
„Och!.........”
Alsof ze het niet geloofde, nam ze ’t blad uit zijn hand en las zelve
de advertentie.
„’t Is verschrikkelijk! Nu, daar zal te Amsterdam wat over te doen
wezen!”
„Ja, ’t is een beetje erg,” zei Van Brakel.
„Zoo,” antwoordde Lucie met een zijdelingschen verwijtenden blik, „hou
jij je mond maar; als je jongmensch waart geweest, zou je misschien
getrouwd zijn met dat.....”
Maar hij was opgestaan en hield haar met zijn hand den mond dicht.
„Het is gemeen!” riep hij lachend. „Je hebt beloofd er niet meer van te
spreken.”
Ze stoeiden een oogenblik, tot groote woede der kinderen, die hen bij
de kleeren trokken, en tot bezorgdheid van den ouden heer Drütlich, die
met beide handen de tafel vasthield voor het geval ze er met hun zware
lichamen tegen zouden aankomen.
„Kom,” zei ze hem lachend afwerend met de handen en met het hoofd
zijwaarts achterover, coquetteerend met haar krachtig ontwikkelde
buste, „kom, malle vent, schei er nu uit.”
Hij was spoedig buiten adem; dat was in physieken zin zijn merkbaar
teeken van achteruitgang.
„Daar zou men warm van worden,” zei hij lachend en ging zitten.
„Wat doe je ook te beginnen?”
Zij streek haar kleeren glad en begon weer over het nieuws van den dag.
Dat Geerling een dwaas was, een kwajongen, die zich verslingerde, stond
vast; dat Ceciel een meisje van verdachte zeden mocht heeten, liet geen
twijfel toe. Het was pleizierig voor een fatsoenlijke familie zoo’n
slet in haar midden te moeten opnemen! Maar ze zou wel niet in den
kring worden toegelaten; het zou te erg zijn als zoo’n oude patricische
Amsterdamsche familie zich op zulk een wijze compromitteerde.
Zij keerden van het „stadhuis” terug. „Stadhuis” zeiden de oudjes
bijwijze van spreken en ze bedoelden het gewestelijk bureau, waar de
gewestelijke secretaris dienst deed als plaatselijk ambtenaar van den
burgerlijken stand. „Het kantoor” was niet vertegenwoordigd; de
getuigen waren een paar kennissen van Geerling en een paar
ex-zeil-kapiteins, oude vrienden van de familie der bruid. Receptie zou
er niet gehouden worden. Van den kant van Jules zou toch niemand komen
en Ceciel was niets gesteld op visite van haar kant.
Een dinertje voor de getuigen,—daarmee zou alles gedaan zijn en bukkend
voor het onvermijdelijke, had Ceciel besloten tante Du Roy maar te
laten mee-eten, bijwijze van galgemaal.
Zij reed naar huis in een gehuurde trouwcoupé. Schoon was ze als een
engel; niet als een vol van de onschuld der onwetendheid, niet als een
kalverachtig onnoozel meisje, dat zich nog onnoozeler voordoet dan ze
is, opdat men toch vooral zien zal, hoe weinig ze zich van de naaste
toekomst bewust is,—maar als een engel des verstands; schoon door
lijnen en kleuren, schoon door zichzelve, zonder dat de illusie van een
oogenblik daartoe iets behoefde bij te dragen. Men kon het haar
aanzien, dat zij geen vluchtig parfum was, maar een blijvende essence,
in staat te overwinnen in den strijd om een frisch en langdurig
bestaan.
Jules Geerling keurig in ’t zwart, met al wat hij aan had van ’t beste
Schnitt en de duurste qualiteit, had den ganschen dag niets gedaan, dan
haar bewonderen. En toch lag hem iets als lood op het hart; het was
gebrek aan zelfvertrouwen. Naarmate de dag vorderde en hij Ceciel
ernstiger en beslister had gezien in haar doen en laten, was dat erger
geworden. Zij scheen hem iets te krijgen van een hooger wezen, wat door
haar wit satijnen bruidstoilet en den witten sluier nog werd verhoogd.
Geen lachje nog had haar gezicht opgevroolijkt; geen traan was haar in
het oog gekomen. Zij sprak kalm, als altijd, en dat had hem geducht op
de zenuwen gewerkt.
Zij had niet anders kunnen zijn dien dag. ’t Was geen komediespel,
waarlijk niet; ’t was de invloed van het groote feit, van het offer dat
ze in werkelijkheid bracht. Op het altaar van haar zucht naar fatsoen
en stand, slachtte zij al wat in haar leefde voor wederkeerige liefde.
Nooit had ze gedacht, dat het haar zwaar zou vallen, maar nu het
gebeurde, drukte het haar ter neer. Zij had Geerling ingepalmd en ze
wist zeker, dat ze het ook zijn Amsterdamsche familie zou doen. Al wat
dit huwelijk mogelijk maakte, zou ze door haar ontwikkeling en haar
ongenaakbare deugd stellig veroveren; maar van aanspraken op die
gloeiende, robuste genegenheid, die overeenkwam met haar physieke
ontwikkeling en haar temperament,—dáárvan moest ze voor goed afstand
doen; daarvan mocht nooit of nimmer sprake zijn; dáárvoor was een
hoofdvoorwaarde niet aanwezig, noch in den persoon van Geerling, noch
in het bitter weinige, dat ze voor hem gevoelde.
Aan dat alles dacht ze. De accessoires van het leven en de demonstratie
der gelegenheid lieten haar koud: zij vond die klein en onbeduidend,
vergeleken bij hetgeen omging in haar eigen gedachten; die hielden haar
bezig den ganschen dag en lieten haar eerst los tegen het diner, toen
haar goede gezondheid haar eischen deed gelden en haar dwong tot het
vroolijk bewustzijn, gewekt door een hongerige maag aan den eenen en
den geur van fijne schotels aan den anderen kant.
„Kom Ciel,” zei Geerling haar kussend, „dat doet me genoegen. ’t Is
voor het eerst, dat ik een glimlach op je gezicht zie vandaag.”
„Het is een ernstige dag,” antwoordde ze, en haar woorden uitleggend in
zijn geest, stemde hij toe.
„Zeker, maar we moeten nu vroolijk zijn, ja?”
„Wel ja,” voegde zijn schoonvader er aan toe, wiens tong nu reeds
verraderlijk dubbel sloeg, „jullie moeten wat vroolijker wezen; je zit
daar of we op een begrafenis zijn.”
En allen waren het met hem eens, ook tante Du Roy, die er zeer goed
uitzag en onder de aanwezige oud-gezagvoerders grooten opgang maakte.
Er vielen aardigheden aan tafel, waarover Ceciel zich ergerde, maar
waarop zij geen aanmerking wilde maken; er werden verscheiden
wijnsoorten dooreengedronken; tante Du Roy stelde zich aan en gilde
lachend als de scheepskapiteins haar onder de tafel in de beenen
knepen. Er werden toosten geslagen, heel goed bedoeld, maar slecht
gezegd; de lucht in de binnengalerij, nog warmer door de menschen en de
spijzen, was met gastronomische geuren vervuld, die de hersenen
benevelden. De zeelieden werden herinnerd aan de vervlogen jaren hunner
jeugd; de geest van den wijn verdreef den ernst des levens en de
bedachtzaamheid van den leeftijd. Een hunner stond op, eenigszins
waggelend, en begon met een glas wijn in de hand, waaruit hij telkens
een weinig op het tafellaken stortte, een lied, waarmee hij gedurende
zijn bootsmansjaren veel succes had gehad; met kon het zijn goedig rood
en verweerd gelaat, door een grijzen ringbaard omlijst, aanzien dat hij
het uitstekend meende; niettemin klonk het lied over zekeren Krelis,
die voor de eerste maal getrouwd was met zeker Kniertje, in hooge mate
onaangenaam voor het nette jeugdige paar, dat het aanhoorde met een
zuurzoeten glimlach, terwijl tante Du Roy bij elke equivoque zinspeling
allerverleidelijkste knipoogjes van verstandhouding gaf aan haar
overbuur om toch vooral te doen zien, hoe goed ze van begrip was.
Zelfs toen Ceciel, voor goed nu, het vaderlijk huis verliet, gevoelde
zij geen spoor van aandoening. Inwendig juichte ze: er uit, er uit! En
toen, terwijl alles in de voorgalerij stond te schreien, haar ouders
van wezenlijk verdriet om de scheiding van haar kind, haar tante
vanwege de teergevoeligheid, en de rest van den weerstuit, wierp zij
zich achterover in de kussens van het rijtuig met een zucht van
verlichting en een welgemeend: Goddank!
Voor Geerling liep alles ten beste af. Ceciel was doodmoe, daarbij
nieuwsgierig noch zenuwachtig, wat zoo weldadig op zijn stemming
werkte, dat hij, toen ze in het kleine dorpslogement, waar ze vertoefd
hadden, ’s morgens koffie dronken, met ’t prachtigste uitzicht ter
wereld op ’t boschrijk gebergte,—zich de gelukkigste man ter wereld
achtte.
Het jonge vrouwtje genoot ’t geluk volstrekt niet in die mate. Zij had
alleen ’t gevoel van welbehagen, dat iemand heeft, die geslaagd is in
een lang gekoesterd en met groote zorg overwogen en voorbereid plan.
Ongestoord liet ze hem begaan, schoon ’t haar verveelde, dat hij zijn
handen geen oogenblik van haar lijf kon houden.
„Willen wij een eindje opwandelen?” vroeg ze.
Natuurlijk vond hij dat uitstekend; het was een voortreffelijk
denkbeeld; hij zou tegen iedereen hebben volgehouden, dat slechts zijn
vrouwtje in staat was zoo’n eminent idee op te vatten, als het doen van
een ochtendwandeling.
’t Was in deze bergstreek heerlijk koel, zonder het kille, dat de
hoogere zône oplevert.
Wat Jules en Ceciel niet wisten, was, dat men hen hier van reputatie en
van aanzien kende; en zoo wisten zij ook niet, dat ze en passant
aanleiding gaven tot allerlei conjecturen en glossen op hun jongste
verleden. De onderwijzer, die met zijn vrouw hen al wandelend
passeerde, de dokter, die haastig met een collega naar het hospitaal
liep, de agent van den wagendienst, zijn magere knollen inspecteerend,
en de postcommies in rustige rust zijn pijpje rookend voor zijn
deur,—allen beschouwden hen met de grootste belangstelling. Dat was dan
die rijke Amsterdamsche koopmanszoon, wiens huwelijk men op allerlei
wijze had willen beletten en die nu toch getrouwd was met dat meisje
van veelbesproken reputatie, dat nichtje van die bekende weduwe Du Roy.
Nu had hij zijn zin, maar niemand geloofde, dat hij zijn zin nog zoo
heel weinig had voor den huwelijksdag.
Integendeel, iedereen was innig overtuigd, dat het huwelijk niets meer
was geweest dan de formaliteit noodig pour le couronnement de
l’édifice.
Des middags vertrokken zij weer hoogerop en ’t was reeds donker, voor
zij de plaats bereikten, waar zij een dag of acht hoopten te vertoeven.
Geerling, die per telegram goede kamers had besteld, kreeg die aan den
eenen kant van den ingang van het logementsgebouw, waar ze met
openslaande deuren uitkwamen op de voorgalerij. Moe van het rijden berg
op, berg af, hotsend over een half vervallen en sedert den spoorweg als
zoodanig niet meer gebruikten postweg, besloten zij in hun kamers te
dineeren en daarna te gaan slapen.