Hij had tegenwoordig een slaapkamer apart. Wel sukkelend en langzaam,
maar toch volhardend, kwam hij er toe zich vrij behoorlijk te
ontkleeden. In zijn bed lachte hij nog en telde op zijn vingers hardop,
om na te gaan hoeveel grogjes zijn schoonvader zich wel van vier
fleschjes ajer-blanda had kunnen maken, maar hij telde telkens de
bierflesschen mee en probeerde dan er die uit ’t hoofd weer af te
trekken, al grinnikend van pret om dien ouden „nathals.” Maar ’t
gelukte hem niet het rekenkunstig vraagstuk op te lossen; de invloed
van het zelf genoten geestrijk vocht was te groot en hij viel in zijn
gewonen korten, maar loodzwaren slaap.
De huizen vonden niet langer dien aftrek. Men had niet gerekend op het
gering aantal menschen in staat en genegen om te koopen. De Chineezen
hadden kongsi gemaakt. Waarom zouden zij zich haasten nu te koopen voor
veel geld? Zij zouden hun beurt afwachten.
Drie, vier huizen gingen goed van de hand, maar toen was het uit. Op
het vijfde werd te weinig geboden; het werd niet gegund en stond nu
daar met een bordje er aan, vermeldend, dat het te huur was of te koop.
Doch het toeval trof, dat iedereen goed was voorzien en daar de
huurprijs van het nieuwe huis vrij hoog was, schrikte dit ook de
huurders af.
Intusschen werkte Van Brakel voort, als ging hem dat alles niet aan,
schoon hij inwendig zeer ongerust was; als hij op ’t kantoor kwam om
geld te halen, dan kreeg hij het, maar ’t ging niet van harte en hij
moest allerlei klaagliederen aanhooren en zinspelingen op een
speculatie, die dreigde te mislukken; op goed geld, dat naar kwaad geld
werd geworpen; op mooie, maar niet geheel te verwezenlijken plannen
enzoovoort.
Het werd elken keer erger. Telkens kreeg hij, wat hij noodig had om te
kunnen werken, maar telkens onwilliger.
Op een Zaterdag-ochtend, toen hij geld kwam halen om uit te betalen,
iets dat hij altijd zelf deed, stonden de gezichten van de heeren chefs
der firma ernstiger dan ooit.
Van Brakel werd verzocht in een aparte kamer te komen; men ging zitten
en een van de firmanten, zijn bedenkelijk gezicht bewarend, begon met
hem te zeggen, dat het hun verschrikkelijk speet; dat zij niets liever
hadden gedaan dan dóórwerken, maar dat zij er reeds veel geld hadden
ingestoken en dat zij voorzagen er, bleven zij voortwerken, nog veel
meer te moeten insteken.
„Het kan toch waarlijk zooveel niet wezen.”
„Dat is naar men het neemt; het is al dertig mille.”
„’t Is niet mogelijk. En de opbrengst dan van de huizen!”
„Die is er af getrokken.”
„Onmogelijk! Hoe kan dat dertig mille zijn?”
„Het is toch zoo. Maar we dachten wel, dat je het niet zoudt begrijpen;
hier is de rekening.”
Van Brakel kreeg een papier met „Aan’s” en „Per’s” waarvan hij weinig
of niets begreep. Hij zag er getallen op staan van zes cijfers,
waarmede, zoo zei men ter toelichting, hij zich niet behoefde te
bemoeien; dat betrof alleen de boekhouding.
Met een domme uitdrukking op het gelaat, bekeek hij het met zwarte en
roode inktstreepjes bewerkte blauw gelijnde papier.
Hij begreep er niets van dan het eindcijfer, ja, dat zag hij: ’t was
over de dertig mille. Overigens deed de net geschreven rekening-courant
hem denken aan de nota’s, die hijzelf bij gelegenheid indiende wegens
reparaties, met een specificatie van groote en kleine soorten van
spijkers en draadnagels, afmetingen van verwerkt hout enzoovoort,
waaruit evenmin iemand wijs kon worden.
Tegen die gespecificeerde rekeningen viel ook niets in te brengen en
hij begreep, dat er evenmin iets te doen zou zijn tegen die
rekening-courant, waarop millioenen paraisseerden, die niets met zijn
bouwerij te maken hadden en alleen voorkwamen in verband met de
boekhouding.
„Ja, het eindcijfer is zoo. Ik kon het me niet voorstellen. Maar dit
is, dunkt me, toch geen reden om er mee uit te scheiden.”
„Voor u niet,” zei een der chefs met een slim lachje, „maar voor onze
firma wel.”
„Toch niet. De huizen zullen hun geld opbrengen. Men moet een beetje
geduld hebben.”
„Zulke zaken moeten quick gaan,” meende de compagnon, „en dat gaan ze
niet.”
„Dus moet de boel maar zóó blijven liggen?”
„Voorloopig, ja. Wij zullen zien of we iemand kunnen vinden, die den
boel wil overnemen, zooals hij reilt en zeilt.”
„Dat is een zeer pleizierige tijding voor me!”
„Ja, ’t spijt ons erg, maar er is niets aan te doen. Wij mogen niet
verder gaan. We zouden onaangenaamheden krijgen met onze
commanditairen.... Ziet u, we hebben ons er alleen mee ingelaten om u
te helpen, want wij doen anders aan zulke dingen niet. Wij dachten, dat
het flink zou marcheeren als het eenmaal op gang was, maar dat doet het
niet.”
„En nu kunnen wij,” voegde de andere er bij, „niet langer er mee
voortgaan. We moeten nu maar zien er met zoo weinig kleerscheuren als
mogelijk is, af te komen.”
Toen hij ’t kantoor verliet, kon Van Brakel zich het geval eigenlijk
niet best voorstellen. Hij had ’t altijd beschouwd als zijn bouwerij en
ten slotte bleek, dat hij in ’t geheel geen baas was geweest
hoegenaamd; de winst op de verkochte huizen had de firma opgestoken en
hij had gewerkt voor niet eens het traktement, dat hij zou bedongen
hebben als hij het werk eenvoudig voor iemand had aangenomen.
„Ik heb het wel gedacht,” zei Drütlich, „ik heb het wel gedacht! Zoo
gaat het altijd in de wereld en overal. Laat je dat een troost zijn.”
Lucie nam het zoo kalm niet op. Zij was woedend en schold op dezelfde
menschen, die ze eerst zoo dankbaar was; ze waren „dieven” en Van
Brakel was een domme vent. Ze schold zoo lang tot hij ook boos werd, en
beiden, opgewonden, elkaar allerlei verwijten deden en uitmaakten voor
al wat leelijk was.
Eerst ’s avonds dronken zij het af, waaraan ook Drütlich meedeed,
schoon hij eigenlijk niets af te drinken had.
En nu begon de teruggang met groote snelheid.
De firma had de heel en half afgewerkte huizen verkocht aan een
schoenmaker, die meer werkte met gesmokkelde opium dan met pekdraad en
als zeer rijk en zeer gemeen bekend stond.
Reeds Zondag kwam hij familiaar bij Van Brakel de voorgalerij inloopen.
„Zeg, ik heb dien rommel gekocht. Als je wilt kan je blijven
doorwerken; maar je moet niet zoo duur wezen, hoor!”
Van Brakel behandelde hem uit de hoogte. „Dank u. Ik zal er geen
gebruik van maken.”
„Zoo. Ik dacht nogal dat ik je een dienst bewees, en dat meenden de
heeren op ’t kantoor ook. Afijn, voor jou een ander. Ik wensch het je.”
De schoenmaker-opiumsmokkelaar ging heen met een nijdigen trek op zijn
onaangenaam gezicht.
„Eer ik nu toch voor zoo’n intensen ploert werkte,” zei Van Brakel,
„schoot ik me liever dood.”
„Je moet ’t zelf weten,” meende Drütlich. „De vent z’n geld is net zoo
goed als dat van een ander.”
„Ik kan mij toch niet feitelijk onder zoo’n schurk stellen?”
„Dat is ook niet noodig. Het is geen zaak van onder of boven. Je krijgt
geld voor je werk. Daarmee is het uit.”
Doch Van Brakel was te lang in ’s lands dienst geweest om in dien
gedachtenloop van zijn schoonvader te kunnen treden. Hij was het niet
met hem eens en hoe de oude Drütlich ook redeneerde, geheel tegen zijn
gewoonte in,—het hielp niet: Van Brakel was er niet toe te bewegen het
werk voor dien „vent” te doen.
„Ze hebben je bij ’t lijf gehad,” zei Drütlich verder. „Ik heb ’t je
gezegd: ze doen het altijd. Spreek er een advocaat over.”
„Waarover?”
„Wel over je contract. Een schriftelijke overeenkomst is nooit zóó of
de partij in wier voordeel zij is gemaakt, is wel eens afgeweken.”
„Wat zou ik er aan hebben!”
„Allicht klop je er een duizend gulden of wat uit.”
Van Brakel volgde dien raad, en inderdaad liet de firma, om van alle
soesah af te wezen, naar zij verklaarde, en uit medelijden met Van
Brakels toestand, zich door diens advocaat tot een uitkeering in geld
overhalen. Maar nu ook, werkte zij hem geregeld tegen. Wat hij ook
beproefde—nergens vond hij meer eenig werk te doen. En terwijl het
beetje beschikbare geld hun door de vingers gleed, twistten zij elken
dag, en werd het huiselijk leven voortdurend ondraaglijker.
Er was, er kon geen sprake meer zijn van uitgaan of ontvangen, en er
zou ook niemand meer zijn gekomen. Het was maar een vleugje geweest!
Toch hielden zij het nog maanden vol, tot ook het krediet geheel was
uitgeput.
Van Brakel liep overal, informeerend naar werk of naar een betrekking,
maar men kon hem niet helpen en men wilde ook niet. Of het de misère
van den laatsten tijd deed, of wel ’t gevolg was van een langdurig en
herhaald misbruik—hij begon te marqueeren; zijn uiterlijk verried den
man, die te veel van zijn gestel had gevergd; zijn oogen, zijn neus,
zijn geheele gezicht begonnen te spreken van bitter, bier en brendy.
Iedereen behandelde hem nog als een „heer”,—hij was immers een
gediplomeerd man; men had innig medelijden met zijn omstandigheden;
daarbij bleef het. Stuk voor stuk, dat waarde had, verdween intusschen
uit zijn huis, en binnen enkele maanden lag de boel, zooals hijzelf
zei, voor den grond. Moedeloos en verslagen, huilde Lucie elken dag,
tot zij haar leed verzette en meedronk met haar vader. Als Van Brakel,
die langzamerhand tot de jenever bij Chineezen was afgedaald, dan
terugkwam van een vruchteloozen tocht om werk, was hij drie-kwart
dronken, en Lucie en haar vader waren ook niet normaal. Dan dronken zij
voort, eerst elkaar troostend, tot de demon der tweedracht over hen
kwam en een heftig krakeel losbrak.
Eindelijk vond hij iets.
Het was toch bij den schoenmaker, die opium smokkelde.
Tien palen buiten de stad liet die een huis zetten voor den
administrateur zijner rijstlanden. Van Brakel zou slechts het toezicht
houden voor honderd en vijftig gulden in de maand.
Stil verkochten zij ondershands wat ze nog hadden, laadden de hoogst
noodige meubelen op eenige karren, en vertrokken in den nacht, een
lange lijst van schulden achterlatend.
Nabij een desa in de buurt, waar het huis moest worden gebouwd, had Van
Brakel een kleine houten woning gehuurd. Die meubelden zij met hun
bedden, tafels en stoelen, een paar kasten en eenige lampen; zoo
eenvoudig mogelijk.
Ook zoo onverschillig mogelijk,—want het kon Lucie niets meer schelen.
Als zij maar in een luierdstoel kon liggen, met wat te drinken naast
zich, de oude heer om gezelschap te houden, en de kinderen, smerig en
half gekleed, om nu en dan tegen te schreeuwen, als ze leven maakten,
dan kon de rest haar niets hoegenaamd meer schelen.
Zoo ging hun leven voort, zonder rechtstreeksche ellende, en toch zoo
diep ellendig.
Met een toedong op, die zijn rood gezicht beschaduwde, een dikken stok
in de hand, een halfvuile kabaja aan, en op bloote voeten, de pijpen
van zijn slaapbroek hoog omgeslagen, ging Van Brakel ’s morgens naar
het werk.
Niemand zou in den Europeeschen koeli-mandoor den netten ingenieur
herkend hebben, die eenige jaren vroeger rondreed in zijn bendy, met de
pet op met zilveren band.
Zoo trok hij uit, al heel vroeg in den morgen, de dampen van den
sterken drank des vorigen avonds nog in het hoofd en een pas werkenden
ochtenddronk in de maag.
Dan ging hij toezicht voeren op het heiwerk in den moerassigen grond,
en terwijl de zon hooger kwam en de fel brandende stralen de padi
rijpten, welke gelend op het veld stond, zoover men zien kon naar alle
kanten, leunde Van Brakel op zijn stok onder het atappen afdakje, dat
hij voor zich had laten maken. Zijn oogen vielen dicht; het was zoo
warm, en hij zoo sufferig! Eentonig klonk het heilied.... Boem! Daar
viel weer ’t blok op den paal. Half droomend glimlachte hij. Het heien!
Daar stond hij als kind in Holland zoo graag bij te kijken, en hij
genoot als de vroolijke heibaas met den rood baaien borstrok aan, zijn
stem verhief:
Haal op de hei!
Gewassen.... Boem!
Al in de Mei.
Ja, dat was toch heel anders dan hier de dreun volgens die andere
gamelan toonladder, dreinend en sleepend.
Hidong, hidong.
Kapal api loeda amboong
Oleh, oleh.... oleh.... Boem!
Maar ’t was toch eigenlijk ’t zelfde. Hij had altijd zooveel gehouden
van al wat tot bouwen, timmeren en metselen in betrekking stond. ’t Was
thuis aangemoedigd: hij was bestemd voor het ingenieursvak.... Toen hij
„er door” was, huilde mama van vreugde. Ze moest ’t nu eens kunnen
zien! Gelukkig was ze dood.... Dat heien toch.... heel anders hier! Wat
trekken de poldergasten in Holland flink, en hoe vroolijk zingt de
baas, als het niveau haast is bereikt, zijn:
Hei op! Haal op!
Heit dat paaltje maar op z’n kop!....
Boem! sloeg het op ’t blok vóór hem. Hè, dat viel nu al heel komiek! En
zachtjes neuriede hij, al voortdommelend mee met den inlandschen
heibaas:
Api abang.
Api-nja abang.
Olah, olah,—olah!
„Mandoer,” riep een schorre stem. „Zeg, als jij staat te slapen op ’t
werk, dan heb ik je hier niet noodig, hoor!”
Verschrikt had Van Brakel de oogen geopend; zijn hand omklemde den
zwaren stok; zijn gezicht was doodsbleek en zijn door ’t vele drinken
waterige oogen, staarden dreigend den schoenmaker aan, die voor hem
stond.
„Nu,” zei deze, even schor lachend als hij sprak. „Je hoeft me zoo
vervaarlijk niet aan te kijken, omdat ik je „mandoer” noemde; ’t was
maar uit gekheid, ofschoon je toch anders mandoers-werk doet. Houd
asjeblieft je oogen open, dat is alles!”
De schoenmaker ging verder. Van Brakel stond nog een minuut kaarsrecht;
toen zakte hij weer ineen; zijn gezicht zag er weer even dof en
verloopen uit; met de schouders maakte hij een beweging, die voor hem
zelf zijn onverschilligheid moest te kennen geven; hij lachte schamper:
„Mandoer! Ook goed!”
Uit een fleschje, dat hij in een zak van zijn kabaja droeg, nam hij een
flinke teug, kurkte het weer en smakte met de lippen. „Mandoer! Ook
goed!” herhaalde hij, en keek naar ’t werk.