„Ja. Och, ik bemoeide me met zulke zaken anders liever niet. Maar ik

kon het zijn papa moeilijk weigeren.”

„Nu, dat zou ik toch maar gedaan hebben.”

„Och, waarom? Over ’n week of vijf zit hij kalm bij zijn oudelui en dan

is die dwaasheid achter den rug.”

„Daar ben ik zoo zeker nog niet van.”

„Kom, kom, bij jongelui gaat zoo’n liefde zoo diep niet.”

„Ge begrijpt me verkeerd. Die liefde laat ik op haar plaats. Ik bedoel

dat het nog zoo zeker niet is, dat de jonge Geerling over vijf weken te

Amsterdam is.”

„Nu... tenzij hij overboord springt!”

„Ook zonder dat is het zeer onzeker.”

„Hoe meent u dat?”

„Mag ik vragen, van welke volmachten en andere stukken u in deze zaak

de houder zijt?”

„Hoezoo?”

„Wel, de jonge meneer Geerling heeft zijn zaak in mijn handen gesteld

en ik heb op mij genomen, die voor hem te onderzoeken en te

behandelen.”

„Hoor eens, meneer Van Vliet,” zei de gezagvoerder boos, „ik raad u

aan, u niet in te laten met mijn zaken hier aan boord.”

„Ik laat me niet in met uw zaken, maar met die van den heer Geerling

junior, en zulks op zijn verzoek; en dáárom verzoek ik u mij de

documenten en stukken te toonen, waarvan u de houder zijt.”

„Ik heb niets met u te maken, meneer.”

„Maar ik wel met u, commandant, en als u weigeren blijft, zal ik zoo

vrij wezen, als we op de reede komen van Tegal of anders te Batavia,

even aan den wal te gaan en een aanklacht tegen u in te dienen wegens

onwettige gevangenhouding.”

„Het is op verzoek zijns vaders en hij is minderjarig.”

„Hebt u een verklaring van den vader en een rechterlijke toestemming op

diens verzoek, dan zal ik mijn cliënt—ofschoon het toch nog volstrekt

niet in orde is—in gemoede aanraden zich te onderwerpen.”

„Neen,” zei de commandant. „Het is alles mondeling en ondershands

geschied.”

„Dan hebt ge een heel gevaarlijke taak op u genomen, die, al laat u hem

dadelijk vrij, u nog te staan kan komen op twee jaren gevangenisstraf.”

Het zweet parelde den gezagvoerder op het voorhoofd.

„Dat is ’n mooi gevalletje,” bromde hij.

„Het beste is.... Waar komen we op de reede?”

„Te Tegal om suiker in te nemen.”

„Het beste is, dat u dan Geerling stil naar den wal laat gaan en u

houdt alsof ge er niets van ziet. Geloof me, u komt anders in groote

moeilijkheden. Dergelijke onwettige inbreuken op de persoonlijke

vrijheid worden zeer hoog opgenomen.”

„’t Is beroerd, meneer,” zei de commandant, inwendig verheugd, dat er

op die wijze een eind aan was te maken; „maar als het niet anders is,

ga dan uw gang maar.”

„Geloof me, commandant, het is ’t beste. En neem het mij niet kwalijk.

Ik mocht hem mijn bijstand niet onthouden. Als u een schip in nood

ziet, dan moet u ook helpen. Wat voor u een schip is, is voor mij een

mensch in maatschappelijke moeilijkheid.”

Toen hij op die wijze getracht had den gezagvoerder zijn persoonlijke

tusschenkomst te verklaren, ging de kleine advocaat de kajuitstrap af

naar de hut van Geerling en klopte aan.

„Wel?” vroeg deze in groote spanning.

„Maak u maar klaar om te Tegal aan den wal te gaan.”

„Wat? Hebt ge hem...”

„Vraag nu niets, en zeg niets. Houd u gereed, neem den eersten den

besten tambangan en vertrek... tenzij...”

„Tenzij wat, meneer?”

„Tenzij u verkiest vrijwillig mee te gaan naar Amsterdam.”

„Ik zou je danken!”

„Bedenk u nog. Ik heb mijn plicht gedaan. Doe gij nu den uwen. Wat hier

gebeurd is, had plaats met de beste bedoeling. Gij moet uw ouders

eeren; gij zijt hun gehoorzaamheid verschuldigd.”

„Ik zal er niet over denken, meneer Van Vliet; ik ben dol blij met den

goeden uitslag, en ik ga strakjes aan wal, zoo waar tweemaal twee vier

is; ik eer mijn ouders, maar ik ben nu twee en twintig jaar niets

geweest dan een gewillig werktuig in de hand van papa. Het is, vind ik,

genoeg. Hoe heerlijk! Ik zou kunnen dansen van de jool! Wat moet die

commandant een leelijk bakkes hebben getrokken! Hoe hebt u hem à faire

genomen?”

Mr. Van Vliet schudde het hoofd.

„Laat dat nu maar voor hetgeen het is. Gij hebt uw zin.”

„Dat heb ik en dat is verrukkelijk. Hoe laat zou ik weg kunnen?”

„Over een uur of wat.”

„Zou het telegraafkantoor nog open wezen?”

„Misschien wel.”

„U begrijpt dat ik haar dadelijk telegrapheer.”

„Dus ge blijft bij uw plan om niet mee te gaan naar Amsterdam?”

„Hè? Naar Amsterdam? Merci!”

En nu ving Mr. Van Vliet aan met een schets van het leven in Europa,

zooals hij zich dat herinnerde uit zijn studententijd en zooals het

zich gedurende zijn verblijf in Indië had geïdealiseerd, totdat er

niets was overgebleven dan het lachend beeld van genot en levensvreugd.

’t Verwonderde Ceciel eenigszins, dat ze dien Zondag niets hoorde of

zag van Geerling. Anders kwam hij meest altijd ’s ochtends even aan en

haalde haar af in den namiddag. Dien Zondag vernam ze niets. Wat zou

hem schelen? dacht ze, toen de duisternis viel. Herhaaldelijk had ze al

eens buiten den weg opgekeken, maar zonder resultaat.

Tegen zeven uren kwam tante Du Roy geheel onverwacht. Ceciel zag aan

haar gezicht, dat er weer iets bijzonders was en ze schrikte.

„Weet je waar Geerling is?”

Ontkennend schudde ’t meisje het hoofd. Groote hemel, wat zou het nu

weer zijn?

„Neen, dat dacht ik wel; zoo’n smeerlap!”

„Maar wat is er dan?” vroeg Ceciel nauw hoorbaar: haar mond en keel

waren droog; zij kon de woorden haast niet uiten.

„Wel, hij is er van door, de gladakker. Hij heeft ’m van ochtend

gesmeerd.”

„Hoe dan..... hoe dan?”

„Hoe? Wel vraag je dat nog, arme meid? Met ’n mailboot naar Holland.”

„Het is ’n leugen!”

„Waarachtig niet, Ciel. Ik weet het van een runner, die hemzelf met de

boot heeft zien vertrekken. Ja, die totoks zijn gauwdieven, je kunt er

niet één vertrouwen, ja!”

Het viel Ceciel zoo hard en onverwacht op het lijf, dat zij voor een

oogenblik al haar geestkracht verloor. Zij ging op een stoel zitten en

doodsbleek, tot zelfs op haar lippen, leunde zij met gesloten oogen

achterover tegen de leuning.

Met groot misbaar vloog mevrouw Du Roy naar achter om eau-de-cologne,

azijn en andere opwekkende middelen; de oudelui kwamen ook naar voren

en het gaf een consternatie van belang. Maar Ceciel had zich dadelijk

weer hersteld en wees met beslistheid alle hulp af.

„Ik heb het altijd wel gedacht.”

„Wat?” vroeg Ceciel droomerig.

„Wel, dat hij je zou laten zitten met je gebakken peren.”

„Peren?” vroeg Ceciel op denzelfden distracten toon. „Welke peren?”

„Nu, kom er maar gerust voor uit, hoor. Je bent de eerste niet en je

zult de laatste ook niet wezen.”

„Lieve Hemel!” riep de moeder doodelijk verschrikt: „Ceciel, het is

toch niet waar?”

Het departement van marine zei niets, maar stond er bij met gefronst

voorhoofd en saamgeknepen mond, gereed om hoogst handtastelijk die

„gebakken peren” af te straffen.

Ondanks den schok, dien haar zenuwen hadden gekregen, moest Ceciel

lachen.

„Tante is gek, ma, en ik dacht dat u wijzer waart.”

Het departement van marine loosde een zucht van verlichting en liet

alle plannen tegen de „gebakken peren” varen. Mevrouw Du Roy riep half

teleurgesteld:

„Is het niet waar? Is het waarachtig niet waar?”

„Och, wel neen!”

„Nu, maar dan begrijp ik ook niet, waarom je er zoo’n drukte van maakt.

Wat kan jou die kerel schelen? Voor hem een ander!”

Maar Ceciel luisterde niet. Zij dacht aan haar vervlogen illusiën. Zij

zou nu wel gedoemd blijven haar geheele leven te slijten in dien kring;

in dat vervelende huis en met die doodelijke omgeving. Al wat ze zich

had voorgesteld van een opwekkend en verheffend leven in den

fatsoenlijken stand, in nette Europeesche kringen, was vernietigd; weg,

voor goed, en terwijl haar ouders en haar tante om het hardst op

Geerling scholden, boog zij het hoofd en weende. Dadelijk huilde

mevrouw Du Roy mede en haar moeder ook, terwijl de oude heer zich

verwijderde.

En het werd een troosten en beloven zonder ophouden; vooral mevrouw Du

Roy ging zich te buiten. Wat wilde Ceciel hebben? Geld? Goed? Zij kon

het krijgen: zij kon alles krijgen, wat ze wilde, als ze maar niet

bedroefd was om dien gemeenen totok, dien verrader, dien dit en dien

dat.

Ceciel hief plotseling het hoofd op en droogde haar tranen.

„Het is niet waar,” zei ze. „Hij is niet weg; hij kan niet weg zijn!”

De oude dames zuchtten, keken elkaar aan en schudden het hoofd. Kasian!

die arme meid; ze kon het nog niet gelooven.

Een oogenblik zaten ze stil tegenover elkaar, Ceciel nu en dan driftig

het hoofd schuddend, als stil protest tegen het idee, dat Jules haar

zou hebben bedrogen.

Er werd op de buitendeur geklopt; het mooie meisje sprong op en snelde

er heen met een drift, die op woede geleek. Zij rukte een enveloppe uit

de hand van den telegrambesteller en zonder zich te bemoeien met het

potloodje of het reçu, dat de man haar ter teekening voorhield, ijlde

zij naar de tafel, waarboven het licht hing, en scheurde wild het

omslag open.

„Lieve! Hebben getracht me door list en geweld mee te voeren. Ben

hier vrij gekomen. Vertrek dadelijk en reis door. Morgen

bijzonderheden.

Jules.”

Zij las het haastig, eerst zacht, daarna hardop. Haar vader, die na het

huilen teruggekomen was, klapte in de handen; zijzelve liep juichend

naar haar kamer. Nooit was zij zekerder van haar zaak geweest dan nu!

En haar moeder en tante, thans geheel van stemming veranderd ten

opzichte van den jongen Geerling, wreekten zich op den ouden in de

felste bewoordingen.

Den volgenden ochtend bracht een reiswagen Geerling in het hotel terug;

de twee fraaie hutkoffers was hij zoo vrij geweest met den inhoud mee

te nemen. Lachend ontving hem de logementhouder.

„Wel, hebt u ’n pleizierig reisje gemaakt?”

„Wist je er van?”

„Ja, de kapitein had er een woordje over losgelaten. Uw goed zou wel

gehaald worden.”

„Da’s gemeen! Waarom hebt ge me daar niets van gezegd?”

De logementhouder haalde de schouders op met een bedenkelijk gezicht.

„Wat zal ik u zeggen? Ik bemoei me liever in het geheel niet met zulke

zaken.”

„Ja,” zei Geerling, blij dat hij iemand had, op wien hij boos kon

wezen, „dat is maar gekheid. Ge hadt mij moeten waarschuwen. Ik woon

hier en als er zulke plannen tegen me worden gesmeed en het is u

bekend, dan moet u me waarschuwen.”

Nogmaals trok de logementhouder de schouders op.

„Ik dacht wel,” zei hij ironisch, „dat ik ten slotte de schuld zou

krijgen. Nu, ik heb een breeden rug, meneer Geerling.”

Jules ging naar zijn kamer; alles was er, zooals hij het had verlaten.

„Die meneer van uw kantoor is er geweest,” vervolgde de logementhouder,

die mee was gegaan; „ik heb hem toen aangeraden liever nog een paar

dagen te wachten. Het is maar goed, dat hij het gedaan heeft.”

Geerling baadde, kleedde zich netjes met het nieuwe goed uit Holland,

liet het fraaiste rijtuig voorkomen en reed naar Ceciel. Veel pleizier

had hij er niet van, want er waren geen wandelaars: daarvoor was het

reeds te laat en te warm, en iedereen was naar zijn kantoor of toko.

Zij kwam hem buiten te gemoet; zij omhelsde hem, zooals ze het nog

nooit had gedaan; zij drukte hem aan haar hart met de grootste

innigheid; zij had voor het oogenblik een gevoel van gelukzaligheid,

alsof ze werkelijk op hem verliefd was. Een goede ontvangst had hij

verwacht, maar dit bracht hem in verrukking; de wereld leek hem zoo

schoon!

Hij moest dadelijk vertellen.

„In het eerst,” zei hij, „was ik waarachtig heelemaal overrompeld. Ik

weet dat ouders, zoolang men minderjarig is, groote macht bezitten; ik

ken den ouden heer als iemand die altijd zijn wil doordrijft,

onverschillig of het recht is of krom, maar alleen omdat het zijn wil

is. Wij zijn bij ons thuis van kindsbeen gewoon blindelings te doen,

wat de oude heer zegt, en ik heb dat ook altijd gedaan, tot nu eenigen

tijd geleden. De commandant zei, dat hij alle stukken en documenten

bezat en hij sprak met zoo’n zekerheid, dat ik er overbluft door was,

half gebiologeerd, geloof ik. Enfin, ik begon met me te onderwerpen,

niet anders denkend, dan dat er eenvoudig niets tegen te doen en ik

volkomen geleverd was. Maar toen de eerste indruk voorbij was, dacht ik

na en begon ik toch te twijfelen of het zelfs met de toestemming van

papa zoo maar ging, mij mee te nemen als een slaaf, als een arrestant.

Ik nam een advocaat, die mede-passagier was, onder den arm en

informeerde, en toen ik hoorde dat de kapitein niet in zijn recht kon

zijn...”

„Nu?” vroeg Ceciel zenuwachtig, toen Jules even ophield.

„Toen ben ik naar zijn hut gegaan en heb hem gesommeerd me dadelijk

vrij te laten, daar ik hem anders zou aanklagen.”

De vader van Ceciel, de gewezen zeeman, nam Jules eens op van het hoofd

tot de voeten. Zoo’n ventje, dacht hij, zou een commandant van een

groot schip aanklagen! Het mocht wat!

„Waarvoor wou je hem aanklagen?” vroeg Ceciel.

„Wegens,” zei Jules, die de juiste terminologie niet kende, met het

grootste aplomb, „wegens het vervoeren van minderjarigen.”

De oude heer schaterde van het lachen en Ceciel glimlachte spijtig; hij

was toch maar matigjes intellectueel ontwikkeld, dacht ze.

„Nu, lach maar,” hernam Jules een beetje geraakt. „Het is zeker dat hij

heel gauw in zijn schulp kroop en mij precies liet doen, wat ik wilde.

Wel trachtten ze mij toen te paaien met mooie praatjes om maar mee te

gaan naar Holland, maar je kunt wel nagaan, dat ik dáár den brui van

gaf.”

„Natuurlijk,” zei Ceciel, alsof het iets was, dat geen tweeërlei

opvatting toeliet. „En wat denk je nu te doen?”

„Ik ga morgen naar het kantoor.”

Hij deed het ook.

Den volgenden ochtend stapte hij binnen, alsof er niets was

voorgevallen, en nam zijn gewone plaats in zonder in pourparlers te

treden.

Toen hij tegen halféén naar de kamer ging, waar het voornaamste

personeel gewoonlijk rijsttafelde, kwam de chef, die anders veel later

at, tegenover hem zitten.

„Ik dacht dat je een reisje waart gaan maken.”

„Ja, dat dacht ik eerst ook.”

„Je hebt je dus bedacht?”

„Precies! Ik was bang dat ik zeeziek zou worden.”

Zij lachten beiden.

„Ik heb het wel verwacht,” zei de chef. „En ik heb het ook naar

Amsterdam geschreven. Het is geen idee geweest van mij, dat kan ik je

verzekeren, hoor!”

„Neen, dat heb ik dadelijk wel begrepen.”

„Maar hoe ben je er af gekomen?”

En opnieuw deed Jules het verhaal, maar thans, nu hij beter had

nagedacht, was het nog veel mooier en maakte hij er een flinker figuur

in.

De onaangename dienstcorrespondentie was voor Van Brakel uitgeloopen op

een particulier briefje in officiëelen stijl, waarin hem niet meer of

minder werd medegedeeld, dan dat hij zijn ontslag uit ’s lands dienst

nemen moest, daar hij het anders zou krijgen. Te zamen hadden zij een

hoogst onaangenaam kwartiertje doorgebracht, want dàt hadden ze toch

niet verwacht. Toen waren ze begonnen elkaar te troosten en moed in te

spreken.

„Ik ga me vestigen als architect en landmeter,” had hij gezegd.

„Wie weet,” voegde Lucie er bij, „of het nog niet ’t beste is. Als het

meeloopt....”

„O!” vulde Van Brakel aan: „als het meeloopt is er misschien nog een

fortuintje uit te kloppen.”

En zoo gesterkt, hielden zij zich goed in het logement, smalend op het

gouvernement en zich zoolang schetsend als slachtoffers van de

willekeur en het onrecht, tot ze geheel thuis waren in die rol en

menigeen er een eed op had durven doen, dat Van Brakel een miskende

persoonlijkheid was.

Daar op het plaatsje bleven zij niet. Dáár was niets te verdienen; ze

gingen terug naar waar ze vandaan kwamen. Lucie nam haar intrek in een

commensalenhuis, met haar vader, die nog een appeltje had voor den

dorst, en werkelijk gelukte het Van Brakel aanvankelijk goed.

Er was juist op de plaats een bouw-vleugje en weinige dagen na hun

aankomst had Van Brakel reeds handen vol werk tegen goed honorarium.

Over zijn ontslag werd verschillend geoordeeld. Vrij van schuld achtte

men hem niet, maar toch werd hij veel meer beklaagd dan veracht, en in

geen geval belette de onaangename wijze, waarop hij ’s lands dienst had

verlaten, den particulieren ingezetenen gebruik te maken van zijn

groote diensten.

Nog nooit had hij zooveel geld verdiend. Maar levensvreugde gaf het hem

weinig. Toen hij had te kennen gegeven, dat hij weer lid wilde worden

van de sociëteit, had men hem geantwoord, dat hij beter deed met zich

niet aan te melden. Bon entendeur, demi mot. Onder de ambtenaren van

zijn vroegere positie was hij niet welkom; men ontweek hem. Bij den

resident op receptie werden hij en Lucie zoo koel ontvangen, dat zij

zonder het met elkaar af te spreken zich vast voornamen er nooit weer

heen te gaan. En toch wist Van Brakel, dat er waren die veel meer op

hun boekje hadden dan hij; die nog doorknoeiden en die beschouwd werden

als welkome steunpilaren van de sociëteit, wien door iedereen met

vriendelijke glimlachjes de hand werd gedrukt en die allervriendelijkst

ten residentiehuize werden ontvangen.

Maar hij zei niets. Hij ging niet meer uit en speelde niet meer. Alleen

dronk hij ’s avonds het eene glas grog na het andere en zijn

schoonvader hield hem daarbij dapper gezelschap. Van Brakel verteerde

nu veel geld. Hij scheen van oordeel, dat het bestaan van den

particulier gelijk stond met dat van den ambtenaar, die zeker kan wezen

jaar in jaar uit zijn maandelijksch traktement te genieten en dus niet

behoeft te sparen. Lucie ging fraaier gekleed dan zij ooit had gedaan;

zij hield er een nieuwen mylord op na, met twee vurige paarden, welker

met zilver gemonteerde tuigen keurig netjes stonden.

Bijna niemand bemoeide zich met hen en zij bemoeiden zich met niemand.

Van Brakel had de onvergeeflijke sociale fout begaan zich op ambtelijke

knoeierijen te laten betrappen en dat vergaf hem de kleine Indische

wereld niet. En nu hij uit wraakzucht dat wereldje wilde overbluffen,

werd het kwaad erger.

Kijk die Van Brakel eens een geur maken! Het is goed riemen snijden van

eens anders leer! Dat is alles van de gestolen dubbeltjes van het

Gouvernement!

Zoo klonk hem de publieke opinie na, als ze des Zondagsmiddags in hun

mooi rijtuig gingen toeren; zoo omringde zij hen, als ze gingen

luisteren naar de muziek. En ze sprak niet alleen fluisterend of met

luider stem,—men kon haar zien uit de gebaren, lezen in de oogen van

iedereen, die meende op de hoogte te wezen van de geschiedenis der Van

Brakels.

Mevrouw Du Roy kreeg nu ook haar geld geregeld afbetaald.

„Ik had het vroeger moeten weten!” zuchtte Van Brakel, doelende op de

omstandigheid, dat hij in het particuliere als aannemer en architect

zooveel geld verdiende.

„Ja,” zei dan Lucie, „het is waarachtig wel dom geweest, zoo veel jaren

in dienst te blijven van dat akelige gouvernement.”

„Och! je durft dan niet, zie je; maar als ik vóór twee jaren mijn

ontslag had genomen.......”

„Hadt je het maar gedaan, dan was al die narigheid niet voorgevallen.”

„Vertrouw niet op je voorspoed in het particuliere,” waarschuwde dan de

oude heer Drütlich. „Je ziet het aan mij.........”

Maar daartegen verzette zich Van Brakel. Zijn schoonvader moest het

niet kwalijk nemen, doch die bewering ging niet op. Het was iets anders

een koffieland te beheeren, dan een geëxamineerd ingenieur te zijn; de

eerste was van allerlei toevallige omstandigheden buiten zijn wil of

macht afhankelijk; de laatste had zijn wetenschappelijke kennis, die

niemand hem kon ontrooven.

En Lucie vond dat ook. Ze hield nu nog meer van Van Brakel dan ooit:

hij was nu geheel haar man; zij behoefde hem niet te deelen, noch met

het spel, nog met een andere vrouw; zij had nu zulk een lui en

gemakkelijk leven en zoo volop alles wat ze maar wilde, dat ze veel

meer tijd, dan ooit vroeger, aan de genietingen van het huwelijksleven

kon wijden. Zij en Van Brakel konden tegenwoordig met elkaar vrijen,

dat den ouden Drütlich de weinige grijze haren van ergernis ten berge

rezen en hij maar heenging, al mopperend dat ze Donnerwetter dit en dat

verrückt waren.

De eene maand ging na de andere voorbij: na de huizen kwamen de groote

pakhuizen in een vleugje van aanbouw; de Van Brakels bleef het goed

gaan.

„Als we hen eens gingen opzoeken,” proponeerde Geerling. „Ik heb hem al

eenige malen ontmoet en het staat zoo gek.”

Maar Ceciel had daartegen bezwaren.

„Laat dat maar zoo, Jules. Het is al onaangenaam genoeg, als men

bloedverwanten of oude vrienden heeft met antecedenten. Ik ben er

volstrekt niet op gesteld dien kring uit te breiden. Het tegendeel is

waar.”

„Och, hij heeft een eervol ontslag........”

„Ik weet het wel. Iedereen krijgt dat tegenwoordig en dat is heel

verstandig van de regeering........”

„Doe je aan politiek?” vroeg hij lachend.

„Is dat politiek?”

„Ik denk het wel.”

„Enfin, dan doe ik er aan. Ik wilde alleen zeggen, dat het slim is van

’t Gouvernement altijd, als het maar eenigszins kan, eervol ontslag te

geven.”

Hij keek haar eenigszins bevreesd aan.

„Hoe bedoel je dat?”

„Heb je me laatst niet zelf verteld, dat je oude heer een employé, die

hem had bestolen, eenvoudig ontslagen had, zonder gerechtelijke

vervolging?”

„Ah... dat is wat anders... dat was voor den naam van het kantoor. Papa

zegt altijd: bij ons wordt niet gestolen, en bij ons worden geen

abuizen gemaakt. Het is natuurlijk niet waar, maar de oude heer houdt

het stokstijf vol en vele menschen gelooven het.”

„Juist. En ik vind dat het Gouvernement ook zoo moet doen.”

„Het is mogelijk,” meende Jules. Hij ging er niet verder op door.

„De wereld weet toch wel, waaraan zij zich heeft te houden. Iedereen

weet dat Van Brakel met Chineezen heeft geknoeid. Geen tien eervolle

ontslagen kunnen dat verhelpen. Wij moeten hen links laten liggen,

Jules, dat is beter.”

’t Ging hem een beetje aan het hart, maar hij sprak er verder niet

over, en toen hij den volgenden keer de Van Brakels passeerde, die

achterover lagen in hun mylord, keek hij een anderen kant uit en deed

alsof hij hen niet zag.

Lucie klemde de lippen opeen en Van Brakel kleurde van boosheid. Zij

bezaten, sedert men hen vermeed, een bijzondere scherpzinnigheid en

snapten dadelijk of iemand den schijn aannam hen niet te zien, ten

einde aan de verplichting te ontgaan òf hen brutaal te negeeren òf hen

te groeten.

Zij hadden dien middag hun rijtuig stil laten staan bij de muziek;

Lucie was keurig gekleed en de twee kinderen op het voorbankje met hun

Germaansch type, afkomstig van den Drütlichschen kant, zagen er uit om

te stelen; zij droegen zwart fluweelen pakjes, waartegen hun lang,

krullend, lichtblond haar prachtig kleurde; welgedane rose beenen

kwamen boven de randen der witte sokjes uit, even boven hooge

knooplaarsjes zichtbaar, en onder de zwierige, donkere mutsjes keken de

groote lichtblauwe oogjes vroolijk en vriendelijk rond.

En menigeen, die met een spijtig gezicht den „geur” critiseerde, welken

die „weggejaagde” ingenieur maakte met zijn mooie equipage, kon een

glimlach vol bewondering niet terughouden als zijn blik op die twee

mooie, welgedane en goed gekleede kindertjes viel.

Van Brakel en Lucie, vroeger altijd eenvoudiger in hun manieren en vrij

van aanstellerij, zaten thans achterovergeleund met gezichten vol

hooghartige ongenaakbaarheid. De minachting, die hun stil werd

toegedragen, gaven zij openlijk en in het oogloopend der menigte terug.

Maar het hielp hen niet, dat voelden ze, en juist dat schijnbaar winnen

en metterdaad zoo bitter verliezen, hinderde hen meer dan ze konden

uitspreken. Die menschen, die hen verachtten, deden dat in koelen

bloede; zij trokken er zich verder niets van aan; maar den Van Brakels

vergalde het alle levensvreugde. Zooals zij daar zaten, opgeprikt en

met een groot air van voornaamheid, woedden spijt, vernedering en

onmacht in hun binnenste. Als zij weer zoo’n kouden, sarcastischen blik

hen en hun equipage zagen monsteren, dan was het of hun de keel werd

toegeschroefd. Daar was er weer een! En Lucie overviel dan zoo’n akelig

gevoel, dat ze wel had kunnen huilen.

Maar ze hielden zich goed.

H. van Brakel, Ing. B.O.W. · 第 13 / 16 段