ontslagen te raken. Zij ging woedend naast het huis om naar achter,
waar haar zuster, die van het standje niets had gehoord, hoogst
gemoedelijk stond uit te rekenen hoe het komen kon, dat haar kokki vijf
centen minder van den pasar had teruggebracht, dan ze aan ingekochte
waren kon verantwoorden. De arme mama kreeg de volle laag, en wel zoo
erg, dat haar man, die in de achtergalerij stond, zijn gewone kalmte en
goedaardigheid verloor, tot ieders verbazing en ontsteltenis mevrouw Du
Roy bij den arm vatte en haar onder het uiten van eenige zonderlinge
zeetermen hoogst onzacht heen en weer schudde. Nu ontstond een
verschrikkelijke huilpartij, waarvoor Ceciels vader dadelijk de vlag
streek en op de vlucht ging, evenals de bedak op het gezicht van
mevrouw Du Roy; er werden, onder een zee van tranen, verklaringen
gegeven, en beiden gingen het huis binnen, naar Ceciel’s kamer.
Maar Ceciel was niet te spreken; zij had de deur van haar kamer met den
sleutel gesloten en wilde mevrouw Du Roy niet te woord staan; geen
smeeken of dreigen mocht baten. Eindelijk begon mevrouw Du Roy haar
luid uit te schelden door het sleutelgat, wat Ceciel’s moeder niet kon
verdragen. De twee zusters, reeds half verzoend, kregen het weer danig
aan den stok en zouden elkaar in de kondé hebben gevlogen, zoo het
departement van marine er zich niet weer mee had bemoeid, op welks
aanblik mevrouw Du Roy bleek en scheldende het huis uitvloog, de deur
hard achter haar dicht trekkend.
Hoogst opgewonden liep ze naar haar woning. Het zou lang duren voordat
ze tegen die ondankbare beesten weer een woord sprak! Welk een gemeene
behandeling! Altijd hielp zij hen, dan met dit, dan met dat; laatst had
ze Ceciel nog haar prachtigen waaier geleend. Dat was waar ook; dien
moet ze dadelijk terughebben en nauwelijks met de voeten in haar
voorgalerij, liep ze weer terug.
Intusschen was de tegenpartij tot bedaren gekomen. Ceciel had met haar
ouders gesproken. Het kon niet op die manier; ze hadden tante Du Roy te
hard noodig; en toen deze het huis binnenstormde, vond zij de familie
vrij rustig.
„Mijn waaier! Ik moet dadelijk mijn waaier hebben.”
„Wel,” zei Ceciel heel kalm, „ik zal dadelijk uw waaier halen. Ga
zoolang zitten.”
„Ik wil niet zitten bij jullie.”
„Dan moet u maar blijven staan. Ik kan er niets aan doen.”
Met zwoegenden boezem stapte mevrouw Du Roy op en neer, terwijl de
vergulde hakjes van haar sloffen bij elken stap kort en droog door de
galerij klonken.
Daar haar zuster noch haar zwager een woord zeiden, heerschte er een
stilte, die haar nog zenuwachtiger maakte. Zij hield het geen twee
minuten vol, maar barstte nogmaals uit in jammerklachten en geween, en
toen Ceciel met den waaier uit haar kamer kwam, vond zij haar vader
niet meer—die was opnieuw voor het gejammer gevlucht—, terwijl haar
moeder en haar tante onder een zee van tranen, elkaar verweten, hoe
gemeen zij elkaar behandelden.
’t Mooie meisje zuchtte; dàt was dan toch, vond ze, om naar van te
worden. Er moest een einde aan komen. Zoo graag zou ze gezien hebben,
dat het nu voor goed uit was geweest met de relatie met tante Du Roy!
Nu dat onmogelijk was voor haar ouders, moest er maar zoo gauw mogelijk
een eind aan den twist komen.
Met een leuk gezicht, waarop alleen een spotachtig trekje om den mond
te zien was, ging ze recht op mevrouw Du Roy toe en reikte haar de
hand.
„Wees niet boos, ja, tante? Ik vraag excuus.”
Mevrouw Du Roy straalde van genoegen, maar ze begon toch met een lange
redevoering, waaraan echter Ceciel een einde maakte door met een boos
gezicht te zeggen:
„Kom, laat het nu uit zijn; ik heb immers excuus gevraagd.”
De vrede was nu hersteld; tante Du Roy bleef rijsttafelen; ze liet
zelfs heel veel lekkers halen van haar huis. Nu en dan werd er nog even
nagehuild; dat waren de zenuwen; intusschen beloofde mevrouw Du Roy aan
Ceciel een gouden ketting; als ze trouwen ging met Geerling kreeg ze
een paarlen collier en een wit satijnen kleed cadeau; alvast mocht ze
den waaier behouden. „Ceciel,” zei ze, „wist niet hoeveel haar tante
van haar hield,” enzoovoort.
Ceciel hield zich goed en toonde zich maar dankbaar bij voorbaat. Als
het, dacht ze, maar eerst zóó ver was, dat het huwelijk zoo goed als
gesloten was, in welke japon kon haar niet schelen en de ketting was
haar ook onverschillig; zooveel was wel zeker, dat ze dan de giften van
tante Du Roy zou weigeren, en haar betoel de deur wijzen; dan zou ze de
oude lui wel zelf te hulp komen, als die nu en dan iets noodig hadden.
Toen Geerling ’s avonds kwam, vertelde zij hem op haar eigenaardige
komieke manier de huilpartij van dien middag; hij gierde van het
lachen, vooral om de tegenstellingen, die Ceciel met de grootste kalmte
tot haar recht liet komen.
„Je begrijpt,” zei ze, „dat ik niets wil hebben van al haar moois.”
„Och, waarom niet,” zei Jules, „als zij het geven wil, laat ze het dan
maar doen. Als wij in Europa zijn, zal niemand vragen of er ook iets is
dat van mevrouw Du Roy in Indië afkomstig is.”
Geerling was niet verrast, toen hij des avonds een brief vond op zijn
kamer, een brief van het kantoor.
Het was een lang epistel, dat, hoezeer het een goede tijding behelsde,
hem onaangenaam trof. Er schemerde eigenlijk in door, dat hij zich
gedroeg als een kwajongen, niet doordrongen van het besef, wat hij zijn
naam, zijn ouders en zijn verdere betrekkingen verschuldigd was; er
stond vrij duidelijk, dat hij bleek volstrekt niet op de hoogte te zijn
zijner eigen positie, en dat hij een schande was voor de firma; maar
niettemin moest er een einde aan komen aan den tegenwoordigen toestand.
Hij werd uitgenoodigd weer als gewoonlijk op ’t kantoor te komen; er
zou net worden gedaan alsof er niets was gebeurd. Maar hij moest zijn
tegenwoordig verblijf verlaten en weer zijn intrek nemen in het hotel.
Ofschoon het reeds tamelijk laat was, en hij geen voertuig beschikbaar
had, keerde hij toch weer naar Ceciel terug. Het huis was gesloten; de
luiken waren dicht, en het was zeer donker; de honden blaften hem aan
en maakten een geweldig leven; met zijn stok tastend vond hij den weg
tot voor het venster van Ceciel’s kamer, maar het venster was gesloten,
met een store en bovendien aan den benedenkant door een chassinet,
tegen het inkijken.
Hij greep het vensterkozijn, zette de punt van zijn laars op den richel
langs den muur, en trachtte door de latjes van de store te kijken. Nu,
dat ging gemakkelijk genoeg, maar er was niets te zien, want Ceciel
sliep en het ledikant werd door een schutsel gemaskeerd. Toch stond hij
een oogenblik in die lastige houding en snoof met welbehagen het lichte
odeurtje op, dat door de opening tot hem kwam.
„Ciel!” riep hij zacht. Ontwakend maar zonder te weten wat er aan de
hand was en wie haar riep, antwoordde zij werktuiglijk: „Ja- a.”
Hij lachte, riep nogmaals, en nu hoorde ze dat het Jules was. Haastig
trok ze een kabaja aan en kwam te voorschijn. Natuurlijk dacht ze aan
iets anders.
„Wat is het, wat kom je doen?” zei ze zacht door de store heen.
Hij schoof haar den brief toe.
„Lees dat eens; dat vond ik daareven op mijn tafel.”
„Wacht, ik kom bij je.”
Ceciel riep haar moeder, en liet deze de deur openen; zij vertrouwde ’t
spel nog niet. Toen hij binnen was, las ze den brief overluid.
„Wat zeg je er van?”
„Wel, ik vind het uitmuntend; het kan niet beter.”
„Zou het geen foppage zijn?”
„Neen, dat is het niet, Jules. Ze hebben ten deele gelijk. Maar ze doen
het zoomin om jou, als om mij; het is hun eigen ijdelheid.”
„Precies! Dat heb ik ook ingezien.”
„Speculeer daar een beetje op, en als ze met praatjes beginnen, dreig
hen dan met een groot schandaal; je ziet nu waarvoor ze bang zijn.”
Hij grinnikte.
„Je bent een slimmerd, hoor. Laat ik je een zoen geven.”
Lachend liet ze hem begaan.
„Ik ben blij, dat je het nog bent komen zeggen, Jules. Het is heel
aardig van je.”
Hij had graag nog een beetje gebleven, nu hij er toch weer terug was,
maar zij zond hem spoedig naar huis; hij wist nu immers dat hij bespied
werd, en dat kon thans ook wel ’t geval wezen.
Den volgenden ochtend nam Jules Geerling zijn intrek in een logement,
waar hij met groote nieuwsgierigheid door iedereen werd bekeken;
hetzelfde gebeurde hem toen hij op ’t kantoor zijn plaats aan zijn
lessenaar weer innam. Niemand, echter, zeide iets; hij kreeg weer het
weinige, dat hij gewoon was te doen, voor zijn aandeel, en alles ging
precies als voor zijn escapade.
Het stelde hem gerust, maar Ceciel niet. Zij had liever gewild, dat er
nog verder over was gesproken en hoe Geerling ook trachtte haar te
kalmeeren, het baatte niet.
Toch ging de eene week vóór, de andere na, in rustige rust voorbij; hij
was overdag op ’t kantoor, en meestal zat hij des avonds bij zijn
meisje. Hij wandelde openlijk met haar langs den weg, en dan zag ze er
zoo keurig netjes uit en was ze zulk een lieve verschijning, dat
eigenlijk niemand het hem kwalijk kon nemen.
Het was op een Zaterdag, dat hij ’s middags uit den toko-wagen stapte,
die hem naar het logement reed. In de voorgalerij zat een nieuwe gast
in slaapbroek en kabaja; men kon het hem aanzien, dat hij pas uit
Europa kwam, en daarbij in de open lucht leefde, zoo blozend en
kerngezond zag hij er uit.
„Zoo, meneer Geerling,” riep hij lachend. „Hoe gaat het?”
„Wel, dag commandant, hoe maakt u het?”
Zij wisselden een hartelijken handdruk; het was de gezagvoerder van den
stoomer, waarmee Geerling was uitgekomen. Jules nam een stoel en
informeerde naar mede-passagiers, en de gezagvoerder, die geheele tot
den dag bijgehouden registers van den burgerlijken stand in het hoofd
scheen te hebben, wist precies te vertellen, wat er met dezen en genen
was voorgevallen.
„Wanneer gaat u weer terug?” was de gewone slot-vraag van den
oud-passagier.
„Ik weet het nog niet. Apropos, komt u niet eens ’n kijkje nemen aan
boord?”
„Welzeker, heel graag.”
„Nu, ga dan morgen met me mee; morgenochtend om ’n uur of acht.”
Het jonge mensch trok een bedenkelijk gezicht.
„Acht uren is nog vroeg. Het is Zaterdag-avond en ’t wordt allicht een
uur of twee vóór ik naar bed ga.”
„Doe dan als ik en blijf thuis.”
„Het is hier zoo gloeiend vervelend in het hotel.”
„Weet je wat, laat ons samen naar de sociëteit gaan, tot twaalf uren
een partij biljart spelen en dan naar kooi.”
Nu, dat vond Geerling goed. Hij ging alleen naar de sociëteit
Zaterdagsavonds omdat het een soort gewoonte was, en hij bleef er
zitten en dronk er cognacjes uit verveling, meestal tot laat in den
nacht.
Dien avond amuseerde hij zich. De kapitein was een vroolijk en
opgeruimd man, met zooveel vrienden en kennissen, dat hij onder het
maken van elke partij biljart wel vijf en twintig handdrukken moest
uitdeelen. Maar hij dronk matig, en zij gingen in de meest normale
stemming naar het hotel terug.
’s Morgens vóór zessen werd Geerling al gewekt door den kapitein, en
klokke zeven zaten ze aan het ontbijt in de lange achtergalerij; de
kapitein was bijzonder opgewekt.
„Je moet maar niet veel eten,” zei hij. „Ik heb bij mij vrij wat beter
ontbijt. Bewaar je honger voor aan boord.”
„Dat is waar ook,” antwoordde Geerling, een ei van twijfelachtigen geur
ter zijde leggend. „We moesten maar dadelijk gaan.”
Doch de kapitein moest nog even naar achteren om af te rekenen met den
hotelhouder, en schoon Geerling altijd had gehoord, dat de
gezagvoerders van mailbooten met Indische logementhouders weinig hebben
af te rekenen, duurde het toch geruimen tijd, en kwamen ze in druk
gesprek naar voren.
„Het heeft ’n beetje lang geduurd, hè?”
„Ja, nogal.”
„Ik had nog een paar commissies voor hem.”
Zij stapten in het rijtuig, reden naar den Boom en gingen met de sloep
van den gezagvoerder naar de reede, waar de stoomer ver buiten lag.
Er waren weinig passagiers aan boord, en er zouden er van hier ook maar
twee gaan; de rest zou te Batavia komen. De kapitein ging even heen om
het een en ander te regelen, maar hij kwam gauw terug, nam Geerling
mede naar zijn hut, en liet een flesch champagne opentrekken.
De lucht was een beetje wazig; de stralen van de ochtendzon vielen er
nog maar flauwtjes door; het zeewater kabbelde in groenblauwe korte
golfjes tegen de verschansing; door de ramen van de bovendekshut,
waarvoor, half dicht geschoven, groen saaien gordijntjes aan koperen
roeden fladderden, had men aan den eenen kant het uitzicht op de rijk
bezoomde kust en het zacht oploopend gebergte met een achtergrond van
blauwe massa’s, welker flauwe lijnen de effen lucht braken; aan den
anderen kant de horizon. Het was er erg gezellig, en het eenige, wat
Geerling hinderde, was het geratel van de stoomlier, die de colli’s
optrok uit de prauwen langszij en ze met donderend geweld neersmakte
bij de stuwers in het ruim.
De commandant had zijn armen gelegd op de kleine mahoniehouten tafel,
en in zijn dikke, harige hand, wiegde hij zachtjes het glas lichtgele
champagne, dat met een laagje teeder helderwit schuim bedekt en met de
omhoogrijzende luchtbelletjes, er uitlokkend uitzag; hij keek Geerling
aan, die met kleine teugen zijn glas ledigde, en een spottende glimlach
trok de hoeken van zijn breeden mond omlaag.
„En nu gaan we samen weer eens een reisje maken.”
Geerling keek even op; hij lachte.
„Nog niet. Het volgende jaar, dat beloof ik u. En dan ga ik niet alleen
mee; dan doe ik mijn huwelijksreis met deze boot.”
„Het is mogelijk, als ge vóór dien tijd in Indië terug zijt.”
„Terug zijt?”
„Welzeker. We gaan nu samen naar Amsterdam. Dat is zoo afgesproken.”
„Hoe flauw,” lachte Geerling, maar in zijn binnenste kwam een
onaangenaam gevoel op.
De kapitein schudde het hoofd.
„Noem het niet flauw, meneer Geerling,” zei hij zeer ernstig. „Het is
de uitdrukkelijke wil van uw vader. Ik heb alle stukken bij me en kan u
door den sterken arm laten dwingen. Maar u zult mij daartoe niet
noodzaken, daar bent u veel te verstandig voor. Bedenk dat alles
geschiedt in uw wezenlijk belang. Ik heb den ouden heer herhaaldelijk
gesproken, en hij heeft heel veel verdriet om u gehad; men kan het hem
aanzien. Ik vertrouw dan ook dat u mij niet zult noodzaken tot het
nemen van onaangename maatregelen. U is mijn passagier tegen wil en
dank; ik begrijp dat u dit hard op het lijf valt; maar onderwerp u aan
wat u toch niet kunt veranderen, en vergeet niet, dat ik mijn plicht
als gezagvoerder zou moeten doen, als gij hier iets deedt, wat ik niet
zou kunnen toestaan.”
Jules Geerling zat als versuft te kijken; dat het ernst was betwijfelde
hij niet, en dat zijn vader hem kon dwingen zoolang hij minderjarig was
wist hij ook. Hij luisterde niet naar de geheele tjerita van den
commandant en diens bedekte dreigementen.
„Ik heb geen stuk goed,” riep hij eensklaps.
„Maak u daarover niet ongerust. Er is voor gezorgd.”
„Hoe kon ik ook zoo dom zijn. Het is een geregeld komplot.”
„In uw eigen belang.”
„Daarover heeft een ander niet te oordeelen. Ik ben oud en wijs genoeg
om het zelf te doen, als niet een stomme wet...”
„Maak u niet driftig. Er is toch niets aan te veranderen. De oude heer
heeft groot gelijk. Het zou zonde wezen als uws vaders zoon, die zoo’n
groot fortuin heeft te wachten, zich verslingerde aan........”
„Geen woord daarover asjeblieft, commandant. Het meisje, dat mijn vrouw
zal worden, verstaat u? is fatsoenlijker dan zij, die brutaal genoeg
zijn om kwaad van haar te spreken.”
De kapitein beet zich op de lippen, hij had hem met liefde een
„oorpeuter” gegeven, dat hij door het raampje over de reeling naar de
haaien vloog; maar hij had den ouden heer beloofd zich niet boos te
maken en met tact en beleid het verloren schaap thuis te brengen.
„Uw vader, meneer Geerling.....”
Voor de tweede maal viel Geerling hem woedend in de rede, terwijl hij
met zijn glas zoo hard op het tafeltje sloeg dat de kelk van den voet
vloog.
„Zij is fatsoenlijker dan mijn vader ook. Zij zou zulke gemeene streken
niet uithalen, als papa tegen mij doet; daar ben ik zeker van. Maar het
is goed! Ik weet dat ik geleverd ben en er niets tegen kan doen, en ik
zal me onderwerpen.... Heel goed!.... Ik zweer niettemin, dat zij mijn
vrouw zal zijn binnen het jaar.... Nu zal ik meegaan, maar ik ga
terug.... zoo gauw als ik kan, terug.”
„Nu, dat is best,” zei de kapitein goedaardig. „Als je maar eerst in
Amsterdam bent.... en dan ’n reisje naar Weenen of Parijs.... kom, ik
zou me er maar overheenzetten.... Ik heb in mijn jeugd ook wel eens ’n
grap gehad. Il faut que jeunesse passé,—maar men moet het niet te ver
drijven.”
„Het is geen grap; het is....”
„Neen, dat weet ik wel; het is ernst; doch dat gaat immers wel over;
laat ik je nu maar eerst uw hut wijzen; het is een mooie, ruime, met
twee couchettes; een voor het breken.”
Terwijl de kapitein zoo voortpraatte, bracht hij Geerling naar beneden
en sloot hem, voor hij zich er tegen kon verzetten, in zijn hut op.
„Maak je maar niet ongerust,” riep de kapitein zachtjes buiten de deur.
„Het is maar een veiligheidsmaatregel op verzoek van den ouden heer;
als we onder stoom zijn, maak ik de kast weer open.”
Verslagen zat Geerling op de bank tegenover de twee slaapsteden boven
elkaar. Dáár was hij nu zoo gruwelijk ingeloopen! Aan den wal zou hij
zich niet zoo machteloos hebben gevoeld; maar wat in ’s Hemels naam
moest hij hier op dit schip beginnen; hier, waar de kapitein baas was
en deze bovendien de „noodige documenten” bezat om hem rechtens te
dwingen!
Zijn hiel sloeg ergens tegen en onwillekeurig zag hij naar beneden.
Twee keurig nette hutkoffers keken onder de bank uit. Hij had nog geen
lust ze te bezien. Wat kon het hem schelen!
Angstvallig luisterde hij toe. Het waren de bekende geluiden aan boord:
Het afstooten der prauwen, het geroep der inlandsche matrozen; dan de
schorre fluit van het kleine bootje, dat terrugging naar den wal en
waarmee hij van plan was geweest ook terug te gaan, en eindelijk het
langzaam aanvangend zuchten der machine, het gevoel van trilling en
beweging,—men was onder stoom.
Daar ging hij! Elke wenteling van de schroef bracht hem verder af van
Ceciel. Terwijl zij argeloos in haar lieve kamer zat, niet beter wetend
of hij zou als gewoonlijk des avonds bij haar komen, werd hij
weggevoerd als een slaaf, en elk oogenblik vergrootte de afstand
tusschen hen... tch!... tch!... zoo gleed de zuigerstang zacht in de
metalen... tch!... tch!... heen en weer... overbrenging van
beweegkracht... verwonnen weerstandsvermogen ... drang tot
verplaatsing... verder, altijd verder van wat hem dierbaar was, voerde
hem die fraai opgetuigde doodkist zijner illusiën!
Geerling hoorde dat het slot van de deur werd omgedraaid; hij stond op,
ging het salon binnen, schoof alleen de portière dicht en liep de trap
op naar boven. Daar was de kust nog. Bleek en met moeite zijn tranen
weerhoudend, leunde hij over de reeling. Zooals hij daar stond met het
nauwsluitend flanellen ochtendjasje, de gele pantalon collant, de lage
schoentjes met strikken, waarboven de gestreepte zijden sokjes zich
vertoonden, den kleinen Engelschen stroohoed met het breede gewaterde
lint er om, leek hij meer een excentriek toerist, dan een eerzaam
Nederlandsch mailreiziger.
De wind woei hem luw in ’t aangezicht en speelde met het lorgnet, dat
aan een zwart lintje om zijn hals hing. Op de brug stond de breede
gestalte van den kapitein nog in de blauwe jas met gouden biezen op de
omslagen der mouwen en de pet met grooten bol en dito versiersels om
den rand; hij zag in de verte zijn passagier „tegen wil en dank” en hij
grinnikte van pleizier. Maar toch, als de oude heer Geerling niet zulk
een goede klant geweest was voor stukgoed bij de uitreis en producten
bij de thuisreis, zou hij zulk een commissie niet voor hem hebben
verricht.
Geerling stond er, en kwam niet van zijn plaats. Niemand kende hem,
zelfs niet de gelijk met hem geëmbarqueerde passagiers, die uit het
binnenland kwamen. Op het ruime dek was het stil. Een paar dames in
sarong en kabaja zaten te praten op een bank; op den grond meer
vooruit, lag een inlandsche min met een Europeesche zuigeling; beiden
sliepen rustig; de meid heel ongegeneerd met haar baatje open. Enkele
heeren lagen in luierdstoelen boeken en couranten te lezen; matrozen
klommen en klouterden op hun bloote voeten, touwtjes vast makend hier
en los makend ginds, en uit den kap van het salon klonk het gerammel
van borden en tafelgerei, dat de bedienden maakten bij het dekken.
Slechts één passagier stapte onverpoosd het dek op en neer; het was een
klein manneke van echt semitisch type, doch zeer fatsoenlijk van
uiterlijk; een profusie van dik zwart haar groeide op zijn hoofd, zijn
gezicht en zijn hals, en maakte hem met zijn korte, breede gestalte tot
een ware antipode van den slanken, blonden Geerling, wiens kneveltje
maar niet groeien wilde, alle potjes en doosjes ten spijt.
Eindelijk kwam hij dicht bij Geerling staan en leunde ook over de
reeling; hij zag het bleeke gelaat van het jongmensch en de tranen in
diens oogen.
„Doet het u zoo aan, Indië te verlaten?”
De onverwachte vraag deed Geerling schrikken.
Hij richtte zich op en keek zijn mede-passagier verwonderd aan.
„Laat ons eens kennis maken,” zeide deze. „Ik ben Mr. Van Vliet,
advocaat en procureur.”
„Mijn naam is Jules Geerling.”
„Van de Amsterdamsche familie Geerling?”
„Juist.”
„O, dan ken ik uw papa zeer goed...” Natuurlijk, dacht Jules, wie ter
wereld zou den ouden heer niet kennen!
Mr. Van Vliet was zeer vriendelijk; hij had grooten eerbied voor le
roi-million, en de eenige zoon van zoo’n koning was de eerste de beste
niet. Zij spraken verder; de advocaat het meest, Jules slechts met
enkele woorden. Zijn gedachten waren bij Ceciel; waar zouden ze anders
zijn? Hij luisterde maar half; de kustlijn werd flauwer; de eentonige
taal der machine en het werken van de schroef spraken luider tot hem,
dan het onverschillige woord van den advocaat, en plotseling stampte
hij met een vloek op den grond, wendde het hoofd af en streek zijn
fijnen zakdoek met het mooie blauwe randje langs de oogen.
Zijn medepassagier keek hem nu op zijn beurt verbaasd aan. Wat zou dat
jonge mensch mankeeren? dacht hij. Maar als welopgevoed man vroeg hij
niets, keerde zich om en begon zijn wandeling van voren naar achter
opnieuw.
Na de rijsttafel zat de heer Van Vliet in nachtbroek en kabaja nog een
oogenblik uit te waaien vóór hij zijn siësta zou nemen, toen Geerling
driftig naar boven kwam en op zenuwachtigen toon verzocht hem alleen te
mogen spreken.
„Ik kom u raadplegen als advocaat,” voegde hij er bij, toen ze samen
heel op het achterdek zaten, achter het kompas, zoodat niemand hen zien
of hooren kon.
De advocaat trok een lang gezicht.
„Om u de waarheid te zeggen ben ik hier niet voor zaken.”
„Toch moet ik uw bijstand inroepen in een gewichtige zaak, waarbij ik
rechtskundige hulp noodig heb.”
„Mijn waarde heer, ik begrijp u niet. Ik ben hier aan boord voor mijn
genoegen.”
„U kunt mij toch wel een rechtskundig advies geven.”
„Dat is de vraag.”
„Ik verzeker u, dat u het doen kunt.”
Wat moest de advocaat zeggen? Hij bedacht een list. Een koopmanszoon
zou er niet inloopen, wanneer het de dubbeltjes gold, meende hij.
„Nu,” zei hij, schouderophalend, „ik wil u aanhooren en u antwoorden,
als u begint met mij tweehonderd gulden te betalen.”
Hij doet het toch niet, meende hij.
Maar „de oude heer” had een fout begaan. In zijn medelijden met den
zoon, die op zulk een wijze naar het moederland moest worden
teruggezonden, had hij een welgevulde portefeuille met Hollandsch
bankpapier in een der hutkoffers gedaan; hij kan het wel wisselen bij
den administrateur, had de oude heer gedacht; Jules had dat geld
gevonden en toen Mr. Van Vliet het cijfer noemde, snelde hij naar zijn
hut en kwam direct weer met het geld terug.
De advocaat was er een beetje verlegen mee. Hij had wel willen zeggen,
dat hij het zóó niet had bedoeld, maar dat ging toch niet. Aan den
anderen kant was het wel aardig den eersten dag den besten een vierde
van de passage terug te verdienen.
Hij streek de bankbiljetten glad en stak ze in den zak van zijn kabaja,
zuchtte en zei, de handen samenvouwend over zijn buik:
„Ga nu uw gang maar.”
En Geerling deed zijn verhaal. Was Ceciel in gewone omstandigheden voor
hem de verpersoonlijkte deugd en wijsheid, thans in den dichterlijken
glans van de gebeurtenissen en der gedwongen afwezigheid, werd zij meer
dan een engel. Doch naar die ontboezemingen luisterde de heer Van Vliet
niet; hij had alleen ooren voor hetgeen het optreden van den
gezagvoerder, diens verklaringen en bedreigingen betrof, en met de
grootste oplettendheid luisterend, vroeg hij intusschen allerlei
inlichtingen, welke Geerling hem gaf, zoo goed en zoo kwaad hij kon.
„Het is goed,” zei hij, toen Geerling uitgepraat was. „Ge houdt u maar
kalm en zegt niets hoegenaamd. Ga naar uw hut en wacht daar tot ik u
kom waarschuwen.”
„Maar.... wat wilt u doen?”
„Wel niets. Ik zeg u: laat het maar verder aan mij over. Ge hebt de
zaak in mijn handen gesteld, ik zal verder ook wel handelen zooals
behoort.”
Een uurtje later zocht Mr. Van Vliet den commandant op in diens hut.
„Apropos,” zei hij. „dat is een gekke geschiedenis met dien jongen
Geerling.”
De gezagvoerder lachte.