en eenvoudig Indisch, maar behoorlijk gemeubeld. Zij gingen een trap
op, waaraan geen Indische oude dame zich zou gewaagd hebben, en kwamen
op een groot naakt portaal met een bruin geverfden houten vloer, een
groenen zolder en verblindend witte muren; hun schreden klonken luid en
hol.
„Dat portaal is vervloekt ongezellig,” meende Jules.
„Ze moeten er een mat leggen en gordijntjes hangen voor de ramen, en
wat schilderijen aan de muren.”
„Juist.”
„Weet je wat? Ik zal het zelf wel doen; ik kom hier elken dag een
uurtje meubileeren.”
„Heerlijk! Maar zal je ma het willen hebben?”
„Nu, ik denk het wel. Ik zal maar beginnen met het te doen, zonder het
te vragen.”
De kamers bevielen hem uitstekend, het was er veel zindelijker en
netter dan in den pondok. Maar plotseling stond hij stil voor het
venster en mompelde een vloek; de ramen zagen uit op het kerkhof.
Groote zwarte letters op witten grond staarden hem in de halve
duisternis van het wijkend daglicht spookachtig uit de verte aan:
Memento Mori!
„Je moet me niet kwalijk nemen, lieve Ciel, maar ik kan hier onmogelijk
wonen.”
„Waarom niet?”
Hij wees met uitgestrekten arm naar het reusachtig frontespies.
„Dat wil ik niet den heelen dag voor mijn neus zien; ik moet er niets
van hebben.”
„Kom, wees toch niet kinderachtig.”
„En dan de miasmen?”
„Die komen zoo hoog niet; daar zal je hier geen last van hebben.”
„En het lijken-luchtje? Ik ruik het al,” zei hij met kluchtige vrees de
lucht opsnuivend. „Had me in Godsnaam maar daar buiten gelaten. Wat
hadt je toch tegen dien pondok?”
„Dat zal ik je bij gelegenheid wel eens zeggen.”
„Nu, maar ik ga dadelijk weer met je mee; ik logeer nog liever in het
eerste logement het beste, dan hier in het gezicht van dat kerkhof.”
„Dus je wilt naar Europa gaan?”
„Maar Ciel!”
„Kan ik het anders uitleggen? Hoe kan nu een man zoo’n afgrijzen hebben
van een begraafplaats!”
„Ja, ik kan het niet helpen, maar ik vind het beroerd.”
Zij praatten er over, maar kwamen tot geen resultaat; eindelijk riepen
zij de vrouw des huizes, een eerzame Indo-Europeesche, en deze loste
het geschil op door aan Geerling de twee kamers af te staan, aan den
anderen kant van het huis; die hadden het uitzicht op den publieken
weg, en dat beviel hem beter, althans hij nam er genoegen mee.
Toen Ceciel heenging, zag ze in de voorgalerij een baboe met een kind
op den arm; het was een jonge mooie Javaansche vrouw. Driftig
schokschouderde ze. Wat waren die dames toch dwaas, zulk volk in haar
huis te halen. Alsof het voor een cent te vertrouwen was, dat
inlandsche vee!
„Wel, hoe bevalt het hem?” vroeg haar moeder, over haar bril
heenkijkend. De oude vrouw zelve had dit asyl voor den zich schuil
houdenden Geerling gevonden.
Ceciel lachte.
„Hij heeft zoo het land aan dat kerkhof.”
„Dat dacht ik wel. Nu, ik zou je ook danken.”
„Ja, ik kan hem ook geen ongelijk geven; maar hij moet er maar aan
gewennen, ma.”
„Weet je waar het nu veel van heeft, Ciel?”
„Nu?”
„Alsof wij hem gevangenhouden.”
„Wat zou het, ma? Als ik het betoel kon doen, geloof me, ik deed het.”
Zij lachten beiden en keken elkaar veelbeteekenend aan.
„Ik wist niet, dat je zóó verliefd waart.”
„Toch ben ik dat, maatje. Jules is voor mij als geknipt; maar eerst
moeten we terdege getrouwd zijn.”
Ceciel ondervond, dat zoo Geerling de tijd lang scheen, die nog vóór
zijn meerderjarigheid moest verloopen, zijzelve niet minder daartegen
opzag. Zij had zich geheel met het denkbeeld mevrouw Geerling te worden
vereenzelvigd, en zij kon het niet meer loslaten; het zou verpletterend
zijn. ’t Was niet het sexueel verkeer, dat haar aantrok. Zij zou een
goede vrouw zijn ook in dat opzicht; maar al was zij een fatsoenlijk
meisje, onschuldig in den zin van onwetend was ze niet; de
aantrekkelijkheid van het geheimzinnige, van het onbekende bestond niet
voor haar. Dáár wist ze alles van, en in dàt opzicht zou een huwelijk
slechts het amen zijn, dat noch onverwacht zou komen noch verrassend,
en waarvan ze niet meer verwachtte, dan het zou blijken waard te zijn.
Wat haar aantrok, was het leven in Europa in den gegoeden fashionabelen
stand. Zij was maar weinig uit geweest in Indië; de middelen haars
vaders veroorloofden het niet, en zij had er ook weinig genoegen in.
Wat was het eigenlijk?
Maar zij kon uren aan uren zich half blind zitten staren op de platen
der Europeesche illustraties, als die het leven en bedrijf weergaven in
de groote steden. Zoo’n fraaie coupé met een paar mooie paarden er voor
en een correcten Europeeschen koetsier in nette livrei,—dat was wat
anders dan het geuren in Indië met een halfsleten „wagen” en een
toegetakelden aap op den bok; die reusachtige balzalen met tallooze
kroonlampen en gebeeldhouwde zolderingen; die rijk getoiletteerde
menigte,—welk een verschil met de povere imitaties hier! die ruime
straten vol opgewekte menschen, drentelend op de geplaveide trottoirs
langs de spiegelruiten, waarachter zooveel schoons in oneindige
afwisseling was tentoongesteld:—daarheen vloog haar verlangen, en
zuchtend keek ze naar den saaien, eentonigen weg, waarop wat half
gekleede inlanders hun vuile voeten bewogen.
Zij had zich in het Europa harer droomen zoo vastgewerkt, dat zij er
niet meer uit kon komen. Naarmate de kans om tot een huwelijk met
Geerling te geraken grooter en grooter werd, was het verlangen dat
leven mede te genieten krachtiger geworden; thans was het
onoverwinnelijk; zij zou en zij moest hem hebben, en niets zou haar
daarin kunnen tegenhouden, zoolang hijzelf maar wilde. En sedert
Geerling nu de onmisbare voorwaarde was geworden voor haar levensgeluk,
ijsde zij bij het denkbeeld, dat hij haar op de eene of andere wijze
kon ontgaan; al was ze doodelijk van hem geweest, dan nog had de
gedachte, „dat er toch wel eens niets van komen kon,” haar niet
pijnlijker kunnen aandoen; het ontnam haar soms de gewone helderheid
van geest; het maakte haar zenuwachtig; geen offer, dat ze niet had
gebracht voor de zekerheid binnen vier en twintig uren zijn vrouw te
worden.
Toen ze uitging om inkoopen te doen voor het meubileeren van ’t portaal
van Jules, vroeg haar moeder:
„Ben je nu van plan daar dikwijls heen te gaan?”
„Zeker; als ik tijd heb elken dag. Hij verveelt zich anders dood de
arme jongen.”
„En dan ben je daar boven met hem alleen?”
„Nu, wat zou dat?” vroeg Ceciel glimlachend; ze wist heel goed wat haar
moeder bedoelde.
„Omdat het veel te gevaarlijk is..... Ja, Ceciel, je moet nu niet zoo
den neus optrekken voor hetgeen ik zeg. Je zoudt de eerste niet zijn,
noch de laatste, die te veel zelfvertrouwen toonde te hebben.”
„Dat weet ik niet; ik geloof dat die anderen nooit aan zelfvertrouwen
hebben geleden, maar dicht bij het vuur gingen om zich te branden.”
„Het is heel scherp en hard, Ceciel. Pas zelf maar op. Die staat, zie
toe.....”
Ceciel stopte haar ooren dicht en liep heen. Welk een mensch was toch
haar goede moeder! Dat werkte met bijbelteksten! Die menschen uit den
vroegeren tijd waren toch allen eender! Bijbelteksten op de tong en
dwaasheden in het hart; heel sterk in praatjes, maar kwam het op daden
aan, dan zonken ze voor elken schakel. Goddank, zij stoorde er zich
niet aan; zij zou haar deugd niet richten naar huichelachtige
femelarij; zij zou doen wat haar verstand haar zei, en aan haar
verstand wilde zij haar deugd ondergeschikt maken. Zij was in dat
opzicht haar eigen meesteres en geheel zonder contrôle, want haar
moeder had reeds lang geen gezag meer over haar, en die goede
onverschillige papa moest men met zulke dingen niet aankomen, want dan
mopperde hij en zei, dat hij het „verdomde” om als schildwacht te
dienen; dat Ciel maar zelve moest weten wat ze deed, want ze was oud en
wijs genoeg.
Zij kocht de matten met opzet wat groot; dan hield het pasklaar maken
nog een beetje aan; dat was weer tijd gewonnen. Ze kocht een paar
nieuwe Fransche romans en nog een en ander, waarmede zij dacht dat ze
hem genoegen zou doen.
Toen ze het erf opreed met een wagen vol goed, stond hij voor het
venster en zag haar aankomen. Verheugd liep hij naar beneden haar te
gemoet.
„Dat is lief van je, Ciel. Ik had niet gedacht, dat je al zoo spoedig
die moeite zoudt doen.”
Zij kusten elkaar.
„Ik moet je hier toch in dit graf ’t leven ’n beetje aangenaam maken.
Kom, help me maar eens uitpakken.”
Zij maakten een gezellige drukte van aanbelang; alle bedienden van den
hospes kwamen er aan te pas.
Toen alles boven was, en zij samen aan het arrangeeren waren, beviel
het Geerling hoe langer hoe meer.
„Het is net,” zei hij, „alsof we aan het meubileeren van ons huis
beginnen, vindt je niet?”
„Hm, hm!” zei ze met eenigszins afgewend gelaat om den spottenden
glimlach te verbergen, want ze dacht:
„Het verschil zal je wel gewaarworden in je beurs als het zóó ver is.”
Ze wist het zóó geruimen tijd hem naar den zin te maken; zij kwam elken
ochtend een paar uren en bracht hem telkens iets nieuws mee, hetzij op
zijn verzoek en voor zijn geld, dan wel als een verrassing van haar
kant. Maar zij voelde, dat aan dit leven spoedig een einde moest komen.
Zij was zeker niet op hem verliefd, maar ze dacht toch op minder
hooghartige wijze over de eenvoudige raadgeving harer moeder. Het was
gelukkig dat Jules voor eens en voor goed was afgebluft, want onder dit
vrij en ongehinderd samenzijn elken dag, waren er tot haar verbazing en
vrees oogenblikken geweest, die hoogst gevaarlijk hadden kunnen worden.
Hij klaagde erg over zijn vervelende avonden; daar hij nu toch zich
reeds geruimen tijd had schuil gehouden en niemand meer ernstige
pogingen deed om hem te ontdekken, sprak zij met hem af, dat hij
voortaan maar liever des avonds bij haar aan huis zou komen. Nu en dan
wat vroeg; dan kon hij blijven eten. Zag men hem, in Godsnaam!
Van Brakel had zelden zoo’n kalmen tijd gesleten, als de laatste
maanden. Hij ontving geregeld het geld van den Chinees en droeg het af
bij Lucie, die het op haar beurt aan den advocaat zond.—Wel was hij
achteruitgegaan in zijn gewonen doen, en zat hij vrij dik in de
schulden in het kleine plaatsje, maar dat hinderde nog niet. De
aannemer, vond hij, maakte geen misbruik. Het geleverde materiaal was
draaglijk goed en de hoeveelheid kon ook zooveel niet schelen; het is
zeker, dat hij het vroeger zou hebben afgekeurd, en hij toen bij
nameting zou hebben gezien, hoeveel er ontbrak dat als aanwezig zwart
op wit stond vermeld. Maar eenmaal aan het knoeien, vond hij het al
heel wel, dat hij niet meer dan één oog behoefde dicht te doen. Het
zou, meende hij, alles kalmpjes afloopen; het werk zou klaar komen op
tijd, en dan was hij gereed om naar elders te verhuizen, want voor
gewoon onderhoud had men daar geen ingenieur noodig.
Zoo vlood het leven zonder veel zorgen voort; hij maakte druk
partijtjes, dronk een stevig glas, smulde met zijn vrouw binnenskamers,
als het eten in het logement niet lekker genoeg was, en zij, veel geld
uitgevend om de kinderen op te voeden in vetmesterij en veelvraterij,
nam er ook terdege het hare van. Ze werden zeer dik. Niet zoo, dat zij
het alleen opmerkten, maar het trok de aandacht, en de ingezetenen van
het plaatsje zeiden lachend, dat de lucht daar dien ingenieur en zijn
vrouw en kroost goed deden.
Ze hadden de gewoonte ’s morgens heel vroeg den grooten weg langs het
logement een eindje op en neer te wandelen. Lucie eenigszins waggelend,
door het overwicht harer dikke schouders en armen, die uit de kabaja
schenen te willen barsten, maar matblank van gelaatskleur: hij met een
rood verbrand gezicht, omlijst door zijn blonden krullebol en in de
verte glinsterend door den gouden bril, dien hij op den neus droeg; in
zijn wijde kabaja met een groot overslag zonder knoopen, en in zijn ook
zeer wijde katoenen slaapbroek met roode streepjes, scheen hij nog veel
breeder en zwaarder dan zijn vrouw. Zoo wandelden ze hoogst gemoedelijk
weder langs den weg, toen een reiswagen, dien ze uit de verte hadden
zien aankomen, plotseling dicht bij hen stilstond. Een heer met een
zwarten ronden hoed op, een zwart jasje aan en een reistaschje aan een
lederen riem over den schouder stapte uit. Van Brakel verschoot van
kleur; hij kreeg een gevoel alsof een zware last op zijn borst werd
gelegd.
Het was de hoofdingenieur Willert.
„Dag mevrouw Van Brakel,” zei hij vriendelijk, „hoe gaat het?”
„Dank u meneer Willert; hoe maakt het uw vrouw?”
„Uitmuntend, dank u. Zij laat u groeten.”
Daarop wendde hij zich half tot Van Brakel. „Excuseer mevrouw!.... Van
Brakel, ik wou je wel even spreken....” en zonder meer nam hij hem mede
een eindje ter zijde.
„Ik kom het werk eens inspecteeren.”
„Wel, dat doet me genoegen.”
„Zoo. Je behoeft je geen moeite te geven vandaag. Blijf maar thuis; als
ik je noodig heb, kom ik wel even aan of ik zend een boodschap. Adieu.”
Willert stapte weer in zijn rijtuig, na voor Lucie den hoed te hebben
afgenomen.
Toen het rijtuig verder reed en Lucie haar man aanzag, schrikte zij van
zijn ontsteld gezicht.
„Wat is het, Herman?” vroeg ze angstig.
„Het is.... dat er iets broeit.... dat de bom barst.... dat.... God
weet het!”
Zijn stem had geen klank; elk woord kostte hem moeite.
Zij keerden terug naar het hotel. Lucie sprak voortdurend en eenigszins
zenuwachtig. Wat kon het wezen? Men kon hem immers niets bewijzen. Het
eenige was, dat hij misschien een aanmerking zou krijgen, en wat kon
hem dàt schelen. Al werd hij overgeplaatst, dat toch wel het ergste zou
wezen, dan was het immers nog zoo verschrikkelijk niet. Maar daarvoor
was zij niets bang. Gut neen; Willert was zoo vriendelijk...
„Tegen jou, ja,” viel Van Brakel, die gezwegen had, haar in den
woordenvloed. „Tegen jou, maar niet tegen mij. Hij was juist zoo
vriendelijk tegen jou om mij te negeeren. Mij heeft hij niet de hand
gereikt.”
„Dat kan toevallig wezen.”
Maar hij liet zich in dat opzicht niet bepraten.
„Dat is niet toevallig onder mannen, die elkaar kennen en die elkaar in
zoo langen tijd niet hebben gezien.”
„Ga je nu niet naar het werk?”
„Wel neen,” barstte hij los in een vlaag van woede. „Je hebt het immers
gehoord: als hij me noodig heeft, zal hij me wel laten roepen.”
„Maar dat is infaam! Op zoo’n manier kan hij wel alles van je zeggen.”
„Natuurlijk. Dáárom is het hem te doen; dáárvoor heeft hij me immers al
sedert jaren gezocht.”
Zij zetten elkaar op tegen Willert. Een handeling als de zijne was
schandelijk. Op zulk een wijze als een bom uit de lucht te vallen en
dan alleen naar het werk te gaan, natuurlijk om achter den rug van Van
Brakel te konkelen met ondergeschikten,—nu dat kon men alleen
verwachten van zoo’n ex-werkbaas; een welopgevoed man zou zoo iets niet
kunnen doen.—En naarmate zij meer doordrongen geraakten van de
overtuiging, dat de wijze van doen des heeren Willert unfair, ja gemeen
was, schenen zij Van Brakels schuld uit het oog te verliezen; zij
drongen die al pratend op den achtergrond; de leugen overtoog hun geest
als een lijkwâ, en ze eindigden met zichzelven en elkaar diets te maken
dat er tegenover Van Brakel een groote onbillijkheid stond begaan te
worden; dat hij onrechtvaardig werd bejegend en volkomen onverdiend
werd verdacht.
Aan de rijsttafel in het hotel spraken zij er luide en met
verontwaardiging over. Lucie het ergst. Zij ging nog gemakkelijker op
in den leugen dan haar man.
Er zaten maar enkele gasten aan tafel, en die hoorden het aan met meer
geveinsde dan werkelijk gevoelde verontwaardiging; ze gaven toe, dat
het een gemeene behandeling was.
„En dat tegenover iemand als Van Brakel,” zei Lucie met vuur. „Juist
hij heeft zich nooit met iets ingelaten, en is altijd even streng en
even eerlijk geweest tegenover de Chineezen. Maar het is hier een
troep! Wie niet meeknoeit, wordt gehaat en verdacht gemaakt.”
Toen ze zóó vergat, hoe ze aan het geld kwam voor mevrouw Du Roy,
schrikte Van Brakel en keek haar een oogenblik met verbazing aan. Hij
voelde niet, wat er gaande was in den geest dier anders zoo eenvoudige,
gemoedelijke vrouw; hij begreep niet, dat tegenover het gevaar, hetwelk
haar man en kinderen dreigend naderde, de gewone levens-moraal voor
haar in het niet zonk; dat in haar ziel de tijgerin ontwaakte, die haar
hol met klauw en tanden tegen aanranding verdedigde. En voor haar, als
vrouw in de Europeesche samenleving, stelde het woord den klauw en
tanden voor; dat woord was haar eenig weermiddel, en dat gebruikte ze
onverschillig of het was om te liegen of om de waarheid te spreken,—als
het maar strekken kon tot verdediging van hen, die ze liefhad.
Het scheen dat de hoofdingenieur Willert den ingenieur Van Brakel niet
noodig had, althans men hoorde niets meer van hem, en zag alleen des
middags zijn gesloten reiswagen weder naar de kustplaats vertrekken.
Zelf had Willert het onaangenaam gevonden, dien maatregel te nemen;
maar na rijp beraad had hij het toch ’t beste geacht. Indien waar was,
wat hem ondershands werd bericht, dat Van Brakel knoeide met den
aannemer, en materiëel goedkeurde, dat bepaald afgekeurd moest worden,
dan zou hij, Willert, indien zij samen er heen gingen, daarover
onaangename aanmerkingen moeten maken, die noodwendig tot dadelijke
standjes hadden geleid, want hij wist hoe brutaal en recalcitrant Van
Brakel altijd in ’t bijzonder tegen hem was geweest. Wat zou dat
teweegbrengen? Het zou gehoord worden door ondergeschikten, en dus zeer
schadelijk zijn voor het ambtelijk prestige; het zou, en dat woog bij
Willert het zwaarst, op hemzelven een indruk maken, die wellicht van
invloed kon zijn op het door hem uit te brengen rapport.
Nauwelijks had hij het aangevoerde en deels reeds verwerkte materiaal
gezien of het was voor zijn practischen blik zonneklaar, dat wat de
architect hem geschreven had, niets was dan de zuivere waarheid; stil
en alleen ging hij rond, noteerend in zijn zakboekje; nu en dan vroeg
hij iets aan een opzichter, maar dan kreeg hij zonderlinge antwoorden;
ontwijkende antwoorden, die hem deden zien, dat die menschen het alles
reeds lang hadden bespeurd, maar te veel hielden van hun chef om iets
ten zijnen nadeele te willen zeggen. Willert ging in de loods, nam er
inzage van de boeken, de staten en lijsten; noteerde er nog eenige
cijfers uit, en na de werken op die wijze te hebben nagegaan, vertrok
hij. Toen hij zijn ouden vriend, den architect, de hand gaf, wisselden
zij een blik, die voor hen voldoende was en mondelinge toelichting
overbodig maakte.
Van Brakel ging zijn gewonen gang, en deed op het werk alsof er niets
was voorgevallen; hij wist thans, dat hij bespionneerd was en ook door
wien. Niemand had het hem behoeven te zeggen; hij begreep dat het geen
mensch anders wezen kon dan de architect, en toen hij in de loods de
plaats voorbijging, waar de rustige, bejaarde man met ijzige
nauwgezetheid zijn werk deed, wierp de ingenieur hem een blik toe,
waarin hij meende al den haat te concentreeren, welken hij gevoelde
voor Willert en wat hij nu noemde, diens satelliet.
Er kwam na eenige dagen een uitvoerig, geheim schrijven, dat Van Brakel
per keerende post moest beantwoorden. Hij deed het en was in zijn brief
scherp en brutaal, stoffende op zijn beproefde eerlijkheid als
ambtenaar, op zijn goede trouw en zijn dienstijver, hatelijk zinspelend
op afgunst en kleingeestigheid, die een fatsoenlijk man ten gronde
wilden richten. Hij wist niet, dat men wist wat men wist. ’t Was hem
onbekend, dat er buiten hem en Lucie nog anderen waren, op de hoogte
van haar aanzienlijke geldverzendingen elke maand; het was haar schuld;
zij had het zich op een goeden dag uit den mond laten vallen, tegen de
vrouw van den logementhouder, die het verteld had aan de vrouw van den
postcommies, die het verteld had aan haar man, die het zijn vriend den
architect had medegedeeld, die het gerapporteerd had aan den
hoofdingenieur Willert, die het in stilte had onderzocht en thans
volkomen op de hoogte was.
Er kwam een nieuw schrijven met bepaalde vraagpunten ter beantwoording,
en daarin werd hem duidelijk, dat Willert alles wist. Hij antwoordde
met groote brutaliteit; hij ontzegde iedereen het recht zich met zijn
particuliere aangelegenheden in te laten; hij weigerde vragen van dien
aard te beantwoorden, omdat men niet bevoegd was hem die te stellen,
enzoovoort. Het was een antwoord vol exceptiën, maar dat niets
zakelijks inhield.
En nu leefden zij in afwachting, maar dat duurde slechts eenige dagen.
Toen kwam een besluit en te gelijk een plaatsvervanger. Van Brakel was
geschorst in zijn betrekking, totdat nader over hem zou worden
beschikt. En alsof alle rampen te gelijk moesten komen, schreef de oude
heer Drütlich dat de geldschieter hem van zijn land had afgezet, en
hij, ten einde raad, voorloopig zijn intrek kwam nemen bij zijn
„geliebten Eidam”, een uitdrukking, die de oude heer altijd gebruikte
als hij in een humoristische bui was.
„Heb je het gehoord van den smeerlap?” riep mevrouw Du Roy bij Ceciel
binnenstuivend.
Zij werd er niet mooier op; haar onderofficier deed haar aftakelen; zij
had als laatste souvenir aan zijn beminnelijkheid, een blauw oog, dat
ze vruchteloos onder een laag bedak trachtte te verbergen.
Ceciel kneep de lippen samen. Hoe meer zij zich familiaar maakte met
het denkbeeld, dat zij mevrouw Geerling zou wezen, des te erger
stuitten haar de ruwe woorden en het losbandig gedrag harer tante tegen
de borst; als zij niet vast had geweten, dat mevrouw Du Roy veel geld
had en een deel daarvan aan haar, Ceciel, zou komen bij erflating, ze
zou het onhebbelijke schepsel reeds lang voor goed het huis hebben
ontzegd.
„Wat is er dan gebeurd?” vroeg ze.
„Van Brakel is geschorst.”
„Kasian!”
„Wat kasian! Ben je gek, Ciel? Hij heeft zijn verdiend loon, de
smeerlap. Heb kasian met mij; ik schiet er een deel van mijn arme
duiten bij in, die ik heb geleend.”
„Dat is wel mogelijk, maar toch spijt het me voor de arme menschen...”
„Maar kind, ben je heelemaal krankzinnig? Spijt het je voor dat wijf,
die pauwin, die te trotsch was om iemand aan te zien?”
„Alsof ze geen reden had om u niet aan te zien!”
„Nu ja,” zei mevrouw Du Roy met een lach vol zelfvoldoening. „Mij spijt
het alleen om mijn geld; de rest kan me niets schelen. Voor mijn part
sterven die lammenadige Van Brakel en zijn wijf van honger in de goot.”
„Waarom is hij geschorst?”
„Wel begrijp je dat niet?”
„Neen, hoe zou ik dat kunnen begrijpen?”
„Wel, waar denk je dan, dat hij het geld vandaan haalde, om mij elke
maand af te betalen?”
Ontsteld keek Ceciel haar aan.
Mevrouw Du Roy lachte luid om zooveel onnoozelheid.
„Hoe je dat zou kunnen begrijpen? Wel, het is duidelijk: hij heeft het
gestolen van het gouvernement.”
Een oogenblik stond Ceciel als verstomd. Toen overviel haar een storm
van drift, die haar anders zoo koel verstand niet in staat was te
bedaren. Het kwam in haar op met onweerstaanbaren drang; het „iets”,
dat ze in haar karakter had geërfd van den ouden zeeman, haar vader,
baande zich met geweld een weg, door alle barricaden van overleg en
berekening. Zij stond voor haar tante als een beeldschoone, maar woeste
furie, met wijd geopende oogen en een dreigende houding.
„De deur uit, gemeene slet!” gilde ze, en toen mevrouw Du Roy daaraan
niet in de volgende seconde voldeed, greep ze haar bij den arm en duwde
haar met zulk een geweld de kamer uit, en de binnengalerij in, dat haar
schenen in hoogst pijnlijke aanraking kwamen met de uitstekende punten
van de sleden der wipstoelen. En ook daar hield zij zich niet op. Een
oogenblik later stond mevrouw Du Roy in de buitengalerij als een
steenen beeld, terwijl met een luiden slag de deur van haars zusters
huis voor haar neus werd dichtgesmeten.