Van Brakel’s verbeelding, zoo weinig als hij die had, begon te werken;

hij zag de vreugde op ’t gezicht van Lucie, als hij haar kon zeggen,

dat het hem was gelukt een middel te vinden om mevrouw Du Roy te

betalen; hij stelde zich voor, hoe gelukkig haar dat zou maken en welke

aangename dagen er dan voor hen beiden zouden volgen; hij drong dat

alles in gedachten op den voorgrond, en de gemoedsbezwaren naar

achteren.

De Chineesche aannemer had moeite om den ingenieur bij te houden, zulke

groote stappen nam deze, en de man was verbaasd toen de ingenieur

plotseling stil stond en hem bij een knoopje zijner kabaja vast hield.

„Heb je geld?” vroeg hij hem op den man af.

Met moeite verborg de aannemer de vreugde, die hem doorstroomde.

Oentong, oentong! juichte het in zijn binnenste; de aanneming van

anderhalven ton was gered!

„Ja, ingenieur. Hebt u wat noodig?”

„Wat? Neen niet wat, maar een heelen boel.”

Het gezicht van den Chinees betrok.

„Ik zal je een acceptatie er voor geven,” zei Van Brakel driftig; „ik

wil het niet cadeau hebben.”

Met een gebaar alsof dàt de quaestie niet was, haalde de Chinees de

schouders op, en het viel Van Brakel mee, toen de man volstrekt niet

schrok van het bedrag.

„Ik kan het u niet in eens geven; ik heb zooveel contanten niet.”

„Dat hoeft ook niet.”

In stilte berekende de aannemer hoe lang de leverantie duren zou: zes

maanden. „Ik kan het u geven in zessen; elke maand één zesde, te

beginnen met vandaag.”

„Vandaag?”

„Ja ingenieur, laat ik het maar dadelijk afdoen.”

Al pratende, haalde hij een oude lederen portefeuille, dik van

bankpapier, uit den zak.

„Ben je gek? Berg gauw weg! Hier op den publieken weg?”

„Er is toch niemand.”

„Nu, spoedig dan.... Dank je wel, hoor!... Natuurlijk zal ik je

helpen.”

„Anders is niets noodig. Als de ingenieur maar een beetje wil helpen.

Daar heeft niemand last van, en wij allebei hebben er genoegen van.”

De aannemer boog en stak hem de hand toe.

„Wat is het? Keer je terug?”

„Ja, ingenieur. Ik zal vast laten beginnen met lossen. Mijn mandoor

zocht koelies en het is nu droog weer.”

„Goeden dag, dan.”

Langzaam wandelde hij voort, met het hoofd eenigszins gebogen. De

Chinees liep vlug en verheugd terug, overtuigd, dat hij uitstekende

zaken had gemaakt, en dat elk gevaar voor een ongunstig resultaat der

leverantie, waarvoor zijn kongsi zoo bevreesd was geweest, nu bezworen

was. Van Brakel was het, als drukte hem een zware last. Zijn ongerepte

goede trouw als ambtenaar, zijn onkreukbare eerlijkheid als dienaar van

het Gouvernement, die zijn trots waren en die hem sterk maakten tegen

alle verwijten van superieuren, waren thans bezweken. Hij voelde dat

hij geen achting meer had voor zichzelven; dat geen sophismen en geen

cynische redeneeringen, geen vergoelijkingen of wereldwijsheid hem het

idee van eer kon teruggeven, welke hij daareven van zich had

afgeslingerd om een handvol geld.

Van het werk zag hij niet veel; het ging hem dien dag alles machinaal

af; zijn gedachten waren er niet bij; hij had haast om thuis te komen.

Lucie zat bij ’t portfleschje; zij had hem nog in lang niet verwacht.

„Hoe jij zoo vroeg?”

„Ik heb goede tijding.”

„Heb je...?”

„Ja.”

Van Brakel nam een stoel, ging aan den anderen kant van de tafel zitten

en zond zijn bediende naar binnen om een bittertje. Zij vroeg niets en

hij zei niets; ze zag wel aan zijn gezicht, dat er iets was, dat hem

geweldig hinderde, en ze begreep wel half en half wat het was.

„Heb je het van een Chinees?”

Hij knikte toestemmend.

„Van den aannemer?” vroeg ze fluisterend, en toen hij weer knikte, zei

ze snel en angstig:

„Wees vooral voorzichtig, Herman, en zorg, dat jij hem en niet hij jou

aan het lijntje krijgt. Sta hem niet te veel toe.”

Verrast keek hij haar aan. Het bleek uit haar woorden, dat ze alles

reeds overdacht had, en het idee zich te laten „smeren” reeds met al

zijn gevolgen bij haar was overwogen en gerijpt.

Maar hij bleef zwijgen, en dat hinderde haar en maakte haar boos. Daar

zat hij nu te kijken, gelijk een uil in doodsnood! En wat had hij niet

gedaan, vroeger, om aan geld te komen bij mevrouw Du Roy? Dat was,

meende zij, dan toch heel wat anders. Toen had hij haar verraderlijk

bedrogen; toen had hij zijn huwelijkstrouw geschonden, en hij had er,

voor zoover zij zich herinnerde, altijd een vroolijk gezicht bij weten

te trekken. Nu, nu hij deed wat zoo velen deden, zonder dat iemand er

persoonlijk nadeel of verdriet van had, zat hij voor zich uit te

kijken, met een gezicht alsof hij een moord had gedaan.

Zij zei het hem in korte, afgebroken phrasen, zachtjes, opdat niemand

het zou kunnen hooren. Maar hij schudde droevig het hoofd en zuchtte

opnieuw.

„Ik heb ook een moord gedaan.”

„Je bent gek..... Je hebt al heel fraaie ideeën..... Mij heb je niet

ontzien..... Nu er niets slechts is gebeurd, stel je je aan.....

Iedereen doet het hier in Indië..... Ze hebben gelijk ook..... Als de

een ’t niet doet, doet het de ander..... Ik wed dat Willert.....”

Hij schudde het hoofd weder.

„Neen, Willert niet; dáárop zou ik durven zweren..... Enfin, laat ons

er niet meer over praten..... Neem me niet kwalijk, Lucie..... ’t werd

me een moment te machtig..... ik ben er heel blij om en je hebt

gelijk.”

„Waarachtig, heb ik. Wil je nog een bittertje?”

Hij dronk er nog een, en zij, om hem „gezelschap” te houden, dronk nog

wat port. Doch na de rijsttafel moest hij haar eerst het geld van den

Chinees geven; zijzelve zou het zenden aan dien advocaat, dat stond

beter. Als die man zag, dat zijzelve het geld zond, kon hij Van Brakel

niet verdenken van hetgeen hij om dat geld had gedaan.

En toen dit was afgeloopen, was de zaak in orde, zóó goed, dat ze

beiden weldra zeer gerust insliepen en niet wakker werden voordat de

zon ten ondergang neigde, terwijl de meiden reeds weer met de kinderen

uit waren gegaan.

’s Avonds echter kreeg Van Brakel het weer te kwaad. In de donkere

slaapkamer lei hij lang wakker. Lucie sliep rustig; haar regelmatige

ademhaling bewees het. Hem maalden allerlei dingen door het hoofd; de

traditie der eerlijke Nederlandsche Van Brakels zat hem in den weg.

Welk een klank had die naam altijd gehad! Nog hoorde hij zijn ouden

vader, die zoo bang was toen hij, Herman, naar Indië zou gaan. De goede

trouw, de onkreukbare eerlijkheid, waarmee in geen enkel opzicht viel

te transigeeren, was hun erfdeel geweest van vader op zoon; het waren

denkbeelden, overgegaan als eigenschappen: „Nooit geld nemen, dat u

niet toekomt,” was een familie-spreuk, die van ziel tot ziel overging,

als lichamelijke hoedanigheden van lichaam tot lichaam.

Hij was er ontrouw aan geworden; hij was de eerste, die stelen ging, of

aan stelen meehielp,—dat was hetzelfde. Zijn zenuwen werkten abnormaal,

toen hij er een tijd lang aan had gedacht. Het was alsof zijn vader en

zijn broers vóór hem stonden in de volle eigenwaarde hunner

burgerdeugd, en hem met minachting bejegenden en uitwierpen als een rot

lid.

Hij kon het in bed niet uithouden. Zacht schoof hij er uit naar buiten.

Het was pas elf uren, en er was nog leven in het logement. In de

achtergalerij verschenen een paar breedgeschouderde mannenfiguren. Van

Brakel stond op en ging naar hen toe.

„Bonsoir!”

„Zoo, Van Brakel, ben je nog op?”

„Ja. Hoe kom jullie zoo hier?”

„Wel, we moeten morgenochtend met den controleur een stuk grond gaan

kijken, dat we in erfpacht vroegen.”

„Ah, zoo.”

„Je gaat toch niet naar bed, zeg!”

„Ik had er wel plan op.”

„Kom, ben je gek: laat ons hier een speeltafeltje zetten, en dan maken

we nog een prettig partijtje.”

Er werd vrij hoog gespeeld en tot laat in den nacht. Het resultaat was,

dat Van Brakel opstond, stil in zijn kamer ging, zachtjes den sleutel

wegnam onder het hoofdkussen van Lucie, de kast opende en uit een

chub-trommeltje tweehonderd gulden nam; tweehonderd gulden, een deel

van ’t bedrag, door hem van den Chineeschen aannemer ontvangen. Daarna

ging hij terug en betaalde zijn medespelers.

Zij lachten. Licht, zeiden ze, dat zij er hun reisgeld uitklopten. En

Van Brakel lachte ook. Hij zou hun wel krijgen, een ander maal; hij had

dien avond weer gruwelijk déveine gehad; geen enkel spel; en als hij

eens uit wanhoop een sans prendre waagde, dan zat alles op één hand

tegen en was het: codille, ma fille! Maar het was niets; als zij weer

kwamen, zou hij bloedig revanche nemen. De planters zaten nog een

oogenblik te praten in hun kamer—daar was er in ’t logementje slechts

één voor hen beiden disponibel—toen Van Brakel reeds naar bed was, waar

hij dadelijk insliep.

„’t Is een van de aardigste kerels, dien ik ken onder de ambtenaren,”

zei de een.

„Ja, ’n joviale vent; een prettig hombreur.”

„Nietwaar? Hij chicaneert niet, en zit niet te mopperen of na te

spelen.”

„Neen, en hij heeft toch van avond allerberoerdste spellen gehad.”

„Dat heeft hij.”

Des morgens, toen Lucie hem wekte, vertelde hij het haar. Hij dacht,

dat ze het zou opvatten als een gewone zaak; ’t was immers het spel!

Maar zij verbleekte en riep woedend:

„Heb je tweehonderd gulden van dat geld genomen?”

„’t Was om mijn speelbeer te betalen. Het is immers niets, ik win het

toch weer terug.”

Zij zat op den rand van het bed, met de handen saamgevouwen in den

schoot, en ze keek met verslagenheid voor zich uit. Voor het eerst

begreep ze, dat het spel een ongeluk kon wezen, zelfs waar het niet

werkte als een verscheurend dier, maar knagend, als een worm. Zij had

niets aan, dan haar sarong en haar koetang; en dat stond haar goed; hoe

minder ze aan had, des te beter was ze, als welgevormde, goed

ontwikkelde vrouw, gekleed. Van Brakel vond dat ook, en hij glimlachte

met welgevallen. Zijn Lucie zag er toch maar goed uit, zooals ze daar

zat; ’t was een lief gezicht, die zacht golvende lijnen van hals,

schouders en armen, door de fluweelen blanke huid afgeteekend tegen de

neteldoeksche klamboe. Het deed hem weer aan. Hij had bij haar al zijn

vroegere viriliteit teruggevonden; er ging voor hem, dacht hij, toch

niets boven zijn eigen vrouw. Buiten de deur vond men het ware niet,

dat had hij aan mevrouw Du Roy gezien; men zocht ten slotte wat men

toch niet vinden kon.

En in de overstelping van zijn gevoel, niet meer denkend aan het

speelgeld, dat hij immers toch zou terugwinnen, wilde hij haar naar

zich toe trekken, maar zij weerde hem af.

„Het is schande, Herman, dat je van dat geld hebt genomen!”

„Ik had op ’t moment geen ander.”

„Dat is het eenige excuus; maar nu zorg je ook, dat het vóór

hedenmiddag er weer is, hoor!”

Hij trok een leelijk gezicht.

„Dan moet ik het uit de kas nemen.”

„Nu, dat is goed.”

„Ja maar.... als dan de maand om is, heb ik niet genoeg om ’t logement

te betalen.”

Zij zuchtte en streek haar hand langs haar voorhoofd.

„In Gods naam, Herman, maar dit geld moet er zijn.”

„Nu, maak je maar niet boos, kind; ik zal het van middag meebrengen.

Straks ga ik even bij den architect aan om het te halen.”

De architect keek zeer verwonderd, toen de ingenieur tweehonderd gulden

voor zich uit de kas nam. Hij was een bejaard man en zeer geacht bij

zijn chefs. Men had hem nooit ingenieur kunnen maken, omdat hij daartoe

te weinig elementaire ontwikkeling bezat, maar aan practische

bekwaamheid ontbrak het hem niet, en al stond hij in rang onder Van

Brakel, dan had hij toch een grooter inkomen.

Met Willert was hij samen als opzichter in dienst getreden, en met den

hem sedert zoo ver voorbij gestreefden oud-collega hield hij nog steeds

een vriendschappelijke briefwisseling, die ook wel eens dienstzaken

betrof. Hij was de man, die „een oogje” moest houden op het doen en

laten van Van Brakel en hij wist ook, waarom de hoofdingenieur dat

noodig achtte. Dat dit een zeker minder loffelijke spionnage was, zag

hij volstrekt niet in; hij meende met Willert, dat diens

verantwoordelijkheid tegenover „dan lande” medebracht, dat hij zóó en

niet anders handelde.

De architect had van den steiger van het in aanbouw zijnde schoollokaal

gezien dat er iets bijzonders was verhandeld tusschen Van Brakel en den

Chineeschen aannemer. De afstand was te groot geweest om iets te

onderscheiden, maar hij had hen samen zien oploopen langs de rivier,

zien stil staan en gebaren maken, en dat had hem lont doen ruiken.

Dienzelfden avond had hij Willert geschreven en juist was hij bezig de

enveloppe van den brief te verzegelen, toen Van Brakel om dat geld

kwam. Toen de ingenieur weg was, verscheurde de architect zijn brief;

hij moest zich vergist hebben; als Van Brakel knoeide met dien rijken

Chinees, zou hij geen voorschot behoeven te nemen op zijn traktement.

Jules Geerling zat in een kleine pendoppo genoeglijk een sigaret te

rooken en een glas champagne te drinken. Hij strekte de beenen met

welbehagen uit over de uitgeslagen armen van een luierdstoel, en

glimlachte bij zichzelven om het prettig idee, dat ze nu allen gefopt

waren. Het was zoo gemakkelijk geweest! Een vriend..... nu ja, een

kennis, iemand, die hij zag te hooi en te gras, met wien hij nu en dan

een praatje maakte of in de sociëteit een partij biljart speelde, had

hem in de gelegenheid gesteld zich zoo geheimzinnig weg te goochelen

naar dit dicht in het lommer verborgen optrekje, geen tien minuten

rijdens van de stad. Het was er zoo lekker, als hij niet dacht, dat het

in de laaglanden van Java wezen kon. Slechts tot in het oneindige

onderbroken zonnestraaltjes bereikten flauw lichtend de open ruimte

onder het dicht gebladerte; het bleef er zoo heerlijk koel, dat men

eerst in den namiddag eenigen last kreeg van de warmte; en even ter

zijde van het kleine erf ruischte de kali, zacht en gezellig; haast

geen ander geluid liet zich hooren; het was, dacht de Amsterdamsche

koopmanszoon, alsof ’t hier altijd Zondag was. Nu en dan sloop onder de

boomen een inlandsche bediende door of ving een kip haar reproduceerend

werk met gekakel aan. Toch zou hij het in die stilte niet hebben

uitgehouden, zonder het heerlijk denkbeeld, dat hij bezig was zijn

eigen zin te doen à la barbe zijner familie, en dat hij het deed voor

Ceciel.

Zij was hem komen opzoeken, en ze had hem dien brief gebracht, vol van

oude bekende praatjes over den „ouden heer,” en zijn, Jules, duren

plicht om altijd naar de pijpen van dien ouden heer te dansen; maar tot

zijn verwondering vond hij geen enkele zinspeling op „die meid.”

Ceciel moest hem het bezoek haarfijn vertellen, en hij gierde het uit

en draaide met zijn lichaam van pleizier, toen hij hoorde hoe zij den

chef van zijn kantoor de waarheid had gezegd. Zij moest het woord voor

woord herhalen, en daarbij keek hij haar voortdurend aan, vol

bewondering voor die kalme, welbespraakte schoonheid met albasten

gelaat en de groote, donkere oogen. Met belangstelling vernam hij ook,

dat zij hevige standjes had gehad met mevrouw Du Roy, die woedend was

geweest toen Ceciel haar lachend vertelde, waarom de vendutie van Van

Brakel niet was doorgegaan en tante dus geen beslag kon leggen op het

vendu-accept.

Mevrouw Du Roy was kwaad weggeloopen, maar toen ze hoorde van de

geheimzinnige verdwijning van Geerling, hield ze het niet langer uit,

sloeg een sjaaltje om de schouders en ijlde naar het huis van haar

zuster.

„Zeg, Ciel, zeg, waar is-t-ie?”

Zij dacht voor ’t minst, dat hij zich onder het ledikant van haar

nichtje verborgen hield.

„Ik kan het u niet zeggen.”

Mevrouw Du Roy werd bleek van drift; haar oogen fonkelden.

„Het staat je nogal mooi, Ciel, mij zóó te behandelen.”

„Ik weet niet eens, dat ik u behandel.”

„Ja, je bent vinnig genoeg. Maar ik heb je altijd goed behandeld, zie

je, van dat je een klein kind waart, en nu doe je alsof ik een vreemde

ben. Ciel, dat is niet goed van je, hoor! Het is gemeen en leelijk.”

Het meisje glimlachte. Wat moest ze het mensch antwoorden? Het was

waar, dat tante Du Roy altijd erg royaal tegenover haar was geweest,

maar ’t had ook slechts weinig gescheeld of de omstandigheid, dat deze

luxurieuze vrouw haar tante was, zou haar, Ceciel, een plaats hebben

bezorgd in den kapperswinkel der heilige Catherina. Aan den anderen

kant echter woog de toekomstige erfenis.

„Wat wilt u dan?” vroeg ze. „Hier is Geerling niet, dat spreekt

vanzelf.”

„Kom, kom! Waarom zou hij niet hier wezen? Hij kan immers nergens beter

zijn. Toe, Ciel, zeg me nu eens waar hij is. Laat me eens kijken waar

je hem verstopt hebt! Ik zal het waarachtig aan niemand zeggen!”

Haar heele wezen lachte toen ze sprak. Zij vond het nu toch zoo’n

heerlijk idee een jongen man te verbergen in een vrouwen- of

meisjeskamer! Wat haar betrof,—zij had er met het grootste genoegen een

dozijn verstopt, als het noodig was geweest.

„Hij is heusch niet hier, tante; geloof me dan toch,” hield Ceciel vol,

zich halfdood ergerend.

„Hè, wees toch niet zoo flauw! Wat komt het er nu opaan? Je behoeft

voor mij immers zoo kinderachtig niet te wezen. Je weet heel goed, dat

ik je graag alles gun. Toe Ceciel, laat me nu eens zien waar hij zit.”

Het meisje zuchtte. ’t Was onmogelijk, dat zag ze wel, haar tante te

overtuigen....

„Nu, kom dan maar mee.”

Mevrouw Du Roy volgde Ceciel in haar kamer. Zij liep zachtjes op haar

teenen en vol nieuwsgierigheid met vooruitgestoken hoofd.

Het zag er lief en comfortabel uit. Ceciel ging zitten, nam uit een la

van haar toilet een sleutelbosje en wierp het op de tafel.

„Ziedaar tante, daar hebt u al mijn sleutels; zoek nu zelve maar overal

of u Geerling vinden kunt. Anders gelooft u me toch niet.”

De uitdrukking van zelfvoldoening op ’t gezicht der tante viel als het

ware, en werd gevolgd door een van teleurstelling.

„Maar ben je hem dan kwijt, Ciel? Waar is hij dan?”

„Hij is bij een vriend van hem buiten de stad. Ik zal u wel zeggen bij

wien, als gij mij ernstig belooft het niemand te vertellen.”

Ja, dat bezwoer mevrouw Du Roy, en toen gaf Ceciel haar een verkeerd

adres op, wel wetend dat zij toch den mond niet kon houden.

Met het grootste vermaak en de levendigste belangstelling had Geerling

het aangehoord. Het wond hem op, en daar zij alleen thuis was, geneerde

hij zich niet en omhelsde Ceciel, die zich dit met blijkbaar genoegen

liet welgevallen, zóó zelfs dat Geerling, door de omstandigheden en de

omgeving in verzoeking gebracht, zich vrijheden wilde veroorloven, die

als preliminairen haar gevaarlijke zijde hadden. Zij had dat kunnen

verwachten, en ze had dat ook wel een beetje verwacht, maar in het

volle besef, dat zijzelve een niet te verrassen schildwacht was voor de

benting harer deugd, deerde haar dat niet; een klein maar beslist

gebaar, een blik en een glimlach, dacht ze, zouden Jules altijd

terughouden.

Maar dien ochtend was er meer noodig. Het scheen dat de weelderige

natuur, die hem daar in dien pondok omringde, en die in kleuren en

geuren het lied zong der vermenigvuldiging, zeer op zijn zinnen werkte.

Hij kuste haar niet langer met de reserve van een ernstig galant, maar

met een hartstocht, die haar direct deed gevoelen hoeveel water hij

noodig had in den wijn zijner liefde; hij kuste haar, waar hij kon; zij

weerde hem af, eerst zachtjes, maar dat scheen het kwaad te verergeren;

hij keek haar aan met kleine oogen en met den dommen beotischen

glimlach der opgewekte drift op het gezicht.

Zij vond hem leelijk zoo, en dat gaf haar meer kracht, wat dan ook zeer

noodig was, zóó zelfs, dat het lieflijk samenzijn haast ontaardde in

een worsteling, waarin hij, Jules Geerling, geen overwinnaar bleef, en

slechts een paar knoopen van het kleedje van Ceciel het moesten

ontgelden. Trouwens hij had, dit schoot hem daar plotseling te binnen,

als overwinnaar een zonderling figuur gemaakt, want zonder dat hij het

zoo dadelijk had bespeurd, was, bij den krachtigen tegenstand dien hij

ontmoette, en die decentralisatie van kracht eischte zijnerzijds, de

woede geweken, en eigenlijk was hij niet eens ontevreden over het

resultaat.

Ceciel was verontwaardigd, of scheen het althans.

„Het is schandelijk, Jules.....”

„Wees niet boos, Ciel.”

„Het is dubbel schandelijk tegenover mij. Hoe ik je vertrouwd heb,

bleek uit mijn komen hier, bij je..... alleen.”

„Ja zeker. Toe, Ciel, neem het mij niet kwalijk. Wees niet zoo boos.”

„Niet boos zijn.....”

„Neen,” viel hij haar in de rede, „toe vergeef het me; ik kon er

waarachtig niets aan doen. Maar het zal nooit weer gebeuren, dat

verzeker ik je.”

Zij ging zitten in een theatrale houding en drukte haar zakdoek voor de

oogen. Hij liet zich neder op zijn eene knie naast haar en greep haar

hand.

„Lieve engel, wees nu niet bedroefd. Ik bezweer je, het zal nooit weer

gebeuren.”

Het was of zij snikte, en toen hij dat hoorde, zwoer hij nog meer en

vroeg haar zóó dringend excuus, dat zij hem weder in genade aannam

onder belofte van beterschap.

Een koeltje ritselde door de bladen en streek langs de donzige

krulletjes in haar hals; zij sloeg langzaam den blik in het rond. O,

als Geerling eens de man was geweest naar haar hart! Een zucht vloog

dien onbekende te gemoet. Het was toch beter zóó, dacht ze; men hield

er zijn verstand bij!

Maar Jules kon dáár niet blijven. Die omgeving werkte bij het luie

leven, dat hij leidde, blijkbaar te veel op zijn gemoed, en daardoor

ontstond een ander gevaar, dat begreep ze. De bewoner zelf hield daar

een inlandsche huishoudster; niets waarborgde Ceciel, dat op een goeden

dag Geerling niet door dat verderfelijke voorbeeld zou worden

aangespoord tot navolging, en dat was het grootst denkbare gevaar voor

haar trouwplannen. Er blonk iets in haar mooie oogen, toen zij dacht

aan die helsche bruine vrouwen, wier gemakkelijke levensopvatting

zooveel Europeesche meisjes in Indië doemt tot de zuurbier-toekomst. Ze

had ze kunnen vermoorden, als ze dat ongestraft had mogen doen; ze

haatte die schepsels met een onverzoenlijken haat; zij waren het die de

Indische meisjes beroofden van haar toekomstige echtgenooten; die den

gloed der jongelingen verteerden tot de asch van cynisme en

geblaseerdheid; zij waren de kanker der Europeesche samenleving met

haar huwelijks-surrogaat „buiten bezwaar.”

Ceciel had haar altijd verafschuwd, en nu vreesde zij haar mogelijken

invloed op Jules.

„Je kunt hier niet blijven wonen.”

„Hè, waarom niet? Het is hier lekker.”

„Toch blijf je hier niet wonen, Jules.”

„Maar lieve Ceciel, wat moet ik dan?”

Ja, dàt wist ze op het oogenblik niet; maar de vrees voor de inlandsche

huishoudster was zóó sterk, dat haar gewoon helder oordeel er onder

leed, en als zij op dat oogenblik van twee kwaden het minst slechte had

moeten kiezen, dan had ze nog liever haar principes over den pagger

gegooid en Geerling „geborgen” à la madame Du Roy, dan hem hier

voortdurend te laten wonen, alleen onder hetzelfde dak met een

inlandsche njai.

„Ik zal je schrijven,” zei ze na een oogenblik. „Hier kan je niet

blijven.....”

„En in het publiek kan ik onmogelijk allen braveeren en zeggen, dat ik

mij slechts aan dwang zal onderwerpen. Daarbij: de oude heer is tot

alles in staat, ook tot dwang.”

„Neen, neen; dat moet ook niet. Ik ben het op ’t moment nog niet met

mijzelve eens; wacht maar tot je een brief van me krijgt.”

De brief kwam des middags en beviel hem maar half. Zij had een paar

kamers voor hem gehuurd aan den anderen kant der stad; de menschen

zouden het stil houden; de lust kwam bij hem op zich te verzetten, maar

daarvan zag hij af, naar hij meende uit liefde en uit vrije beweging,

maar metterdaad omdat hij niet durfde.

Zij kwam werkelijk met een grooten gesloten huurwagen geheel alleen, en

hij vertrok naar zijn onbekende woning, waarvan Ceciel het adres opgaf

aan zijn bediende, die met de koffers volgen zou.

Het was ten slotte een gekke expeditie, meende Geerling, en lachend zei

hij:

„Het is alsof ik geschaakt word.”

Zij lachte mee, maar voelde dadelijk dat er in die uitdrukking iets

lag, dat niet goed was.

„Hoe flauw! Het heeft er meer van alsof ik word geschaakt.”

„Ik wou dat het waar was.”

„Ei, en waarom? Is het niet beter zóó?”

„O ja; alleen vind ik het vervelend, dat het zoo lang moet duren.”

„Klaag je nu al?”

„Je moet denken, dat het mijn gewoonte niet is schuilevinkje te spelen.

Voor een week of wat gaat het; maar het aardige is er gauw af. En nu

nog maanden....”

„Ik wist niet, dat je zoo weinig voor me over hadt,” zei Ceciel met een

zucht.

„Och, lieve, dat weet je immers wel beter, maar ik mag toch wel zeggen,

dat het vervelend is.”

Het gesprek viel haar niet mede. Zou ze haar doel voorbijgestreefd

hebben? Wat zou hij zeggen van dat nieuwe kwartier? Toen ze het erf

opreden, bespiedde zij zijn gezicht.

„Dat ziet er zoo kwaad niet uit van buiten,” riep hij over het lederen

kleed kijkend, dat gesloten was om hem te maskeeren.

„O, het is een zeer lief huis,” antwoordde Ceciel blijde: „het zijn ook

zeer nette kamers en goede, vriendelijke menschen.”

H. van Brakel, Ing. B.O.W. · 第 10 / 16 段