zag, maakte ze dien diepen indruk op hem, welken de onverwachte
verschijning van een wezenlijk mooie jonge vrouw altijd maakt op een
man; een indruk, die hem dadelijk stemt tot zekere hoffelijkheid, door
de instinctmatige neiging van het eene individu om zich tegenover een
ander fraai exemplaar van zijn gunstigste zijde te doen zien.
„Wien heb ik het genoegen....?” vroeg ze kalm en duidelijk.
Hij stelde zich voor, zij bood hem een stoel en vroeg, wat de reden was
van zijn bezoek. Hij vond, dat het moeilijk was te vragen of Geerling
ook dáár aan huis was; hij, altijd druk met zijn zaken, had Ceciel
vroeger nooit gezien, maar hij vond haar zeer ladylike in houding en
manieren; hij had verwacht zoo’n eenvoudig nonnaatje te zullen zien,
dat niet uit haar Hollandsch kon komen en niet zou weten wat te zeggen;
niettemin moest hij den knoop doorhakken.
„Zie eens, juffrouw,” ving hij aan op den toon van iemand, die zijn
besluit heeft genomen en het vasthoudt met beide handen, „u kent sedert
eenigen tijd den jongen Geerling, nietwaar? Hij wil u trouwen en de
oudelui zijn daartegen.”
Zij knikte toestemmend, heel langzaam.
„Ik weet het; ik zal u verdere moeite besparen; hij is bij zijn
verlangen gebleven, heeft geweigerd naar Europa te gaan en is nu zoek.”
„Juist. Doe u mij nu genoegen, en zeg me waar hij is.”
„Waarom zou ik u een genoegen doen?”
Hij bleef het antwoord een oogenblik schuldig; het was waar, waarom zou
zij dat doen?
„Ter wille van zijn ouders dan.”
Zij glimlachte.
„Ik zal u iets zeggen,” antwoordde ze zeer bedaard, maar met een
nadruk, die hem verstomd deed staan. „Toen Jules’ ouders hun
toestemming tot ons huwelijk weigerden heb ik er op aangedrongen, dat
hij zich zou onderwerpen, want ik wilde niet dat hij voor mij in onmin
raakte met zijn ouders. Hij heeft niet naar mij willen luisteren. Kunt
u dat begrijpen?”
Of hij het begreep? In zichzelven had hij Jules reeds van alle schuld
vrijgepleit; zooals hij daar tegenover haar zat, brandde in zijn geest
een wierookvat van bewondering voor zooveel charmes. ’t Was maar goed,
dat zijn vrouw niets wist van dit bezoek en die bewondering!
Ja, begrijpen deed hij sekuur.
„Welnu, dan zult u ook wel begrijpen, dat ik u niet zeggen kan, waar
hij is. Ik besef ongeveer de reden, die zijn ouders tot weigeren hebben
genoopt, en dat u daarin ook uw aandeel hebt gehad.”
’t Was niet te ontkennen; hij beet zich op de onderlip. Diantre, die
jonge dame sloeg spijkers met koppen! Tien tegen één dat ze beter was
in zaken dan Geerling.
„Het is waar, dat iemand in mijn familie een hier beruchten naam heeft.
Mijn schuld is dat niet; maar hoezeer u, meneer, noch wie ook, mij
persoonlijk iets ten laste kunt leggen, en evenmin mijn ouders, ontziet
men zich niet allerlei kwaad van ons te spreken.”
Hij deed er het zwijgen toe.
„En dáárom,” ging zij voort, „moet ik u een genoegen doen, of anders
den ouders van Geerling! Omdat u allen er behagen in hebt gevonden mij
te benadeelen in mijn eer en mijn goeden naam, beide zoo ongerept als
ik hoop dat de uwe is, moet ik meegaand zijn en een handje helpen om te
beletten, dat een huwelijk tot stand komt tusschen mij en Jules, van
wien ik heel veel houd.”
De bewondering harer schoonheid had plaats gemaakt voor het gevoel, dat
hij een tamelijk gek figuur sloeg met zijn verzoek om informaties.
Hij stond op.
„Ja, ziet u, ik kan er niets meer aan doen. Dus u wilt mij niet zeggen,
waar hij is?”
„Op dit oogenblik niet. Maar als u hem iets hebt te schrijven, zal ik
zorgen, dat hij die brieven krijgt, indien u mij die zelf wilt ter hand
stellen.”
„Als u zoo goed wilt wezen; het zullen er niet veel zijn. Mag ik u er
morgenochtend een brengen, vóór ik naar ’t kantoor ga?”
„Het is goed.”
En hij ging terug naar zijn kantoor, met twee overtuigingen: de eene,
dat die akelige jongen een geweldige boffer was; de andere, dat zijn
Amsterdamsche schoonzusters en aangetrouwde nichtjes geen van allen zoo
presentabel waren als diezelfde Ceciel.
’t Was winderig, dat wil niet zeggen dat het woei; aan land toch zou
men er niets van bemerkt hebben, maar op de kustboot, die kwart geladen
en ongeballast door de lichte deining voer, leek het heel wat; de boot
slingerde een beetje en deze beweging herinnerde zoo levendig aan een
wezenlijke zeereis, dat de dames onpasselijk en „bootziek” werden.
Daarbij kwam de warme vetlucht en de bouffées, die uit de buurt van het
ruim, de keuken, de latrines en de dierenhokken nu en dan oversloegen
naar achteren, en niet rechtstreeks aan Rimmel of Pinaud
herinnerden....
Van Brakel wist daar niets van. Hij at en dronk precies alsof hij thuis
was, en hij maakte boven aan dek een „fijn” partijtje met een
particulier en een inspecteerend ambtenaar, die zijn halven diensttijd
op en neer varende sleet tot heil van „den lande.” Het noodlot
vervolgde hem weder: zijn guigne was in vollen gang, en reeds in de
eerste twee dagen slonk het beetje geld, dat hij voor zijn inboedel had
gekregen, tot op de helft. Maar hij voelde nog bankpapier in zijn
portefeuille en zoolang dàt maar het geval was, treurde hij niet.
Doodmoe van al de drukte aan het „opbreken” verbonden, was de arme
Lucie bovendien nog erg „bootziek,” en hetzelfde deed zich bij haar
kinderen voor, tot zelfs bij de baboe. In haar hut, de grootste aan
boord, heerschte een hoogst ongezellige wanorde; de koffers stonden
open; vuil en schoon goed lag dooreen. De lucht van half opgegeten
manga’s, zóó maar onder de couchettes neergegooid, vermengde zich met
andere nog minder aromatische geuren, voortkomend uit de „bootziekte”
en de ineengerolde en in een hoek gestopte ontredderde broekjes en
baatjes der kleinen; het was een onhoudbare atmosfeer. En Lucie lag
krijtwit en levenszat te kijken naar het ronde poortje, dat haast
regelmatig wel een meter, dacht ze, naar beneden ging, en dan weer een
meter naar boven..... naar beneden..... naar boven; het was om er
slaperig van te worden en om te vomeeren; en daar dit laatste niet meer
ging faute de combattants, gelukte het eerste en sliep ze in, wat
gelukkig de kinderen telkens van vermoeienis en akeligheid ook deden.
Zij was dan ook geen „lieve verschijning” toen ze aan den wal stapte op
de plaats, van waar zij nog zeventig palen per reiswagen het binnenland
in moest. De magang van Van Brakel wist geen raad van de drukte. In
Indië geboren, had Lucie, schoon van Europeesche ouders, enkele echt
Indische eigenaardigheden, en daartoe behoorde, als ze op reis ging,
een ware zondvloed van pakjes en boenkoessans; behalve het groote
aantal koffers, waren er allerlei blikken en kartonnen doozen en
doosjes, trommeltjes, in doeken en oude sarongs geknoopte pakken en
pakjes, groote en kleine krandjangs, ja zelfs in pisangbladeren gepakte
zaken,—kortom de arme magang had geen handen genoeg om te dragen en
geen oogen genoeg om te waken dat de koelies niets wegdroegen.
Met een kind op den arm en een aan de hand, stapte Lucie over de plank
aan wal, gevolgd door de baboe, die er ook een droeg en onder haar arm
een groot pak, terwijl Van Brakel, ook belast en beladen, den trein
sloot.
Het was onder dat alles voor Lucie onmogelijk geweest niet met haar man
in gesprek te komen; daar zij van lieverlede er aan gewoon was geraakt,
was de eerst stroeve toon geweken, en thans spraken ze heel gewoon weer
met elkaar, ofschoon nog van de oude verhouding geen quaestie was.
Toen de familie in het logement haar intrek nam en een paar ruime
kamers kreeg, was ieder voor zich in zijn schik. Tot zelfs de
tweelingen gaven luidruchtige bewijzen hunner tevredenheid en kraaiden
van pleizier, dat iemand hooren en zien verging.
Doch de vreugde duurde niet langer dan een etmaal. Toen stonden twee
oude, op allerlei manieren opgelapte, maar zeker nooit schoon gemaakte
rijtuigen voor de deur van het hotel, elk bespannen met vier paarden.
In het ééne ging Van Brakel met de oudste kinderen en zijn magang op
den bok, in het tweede Lucie met de tweelingen en de baboe en voorts de
ontelbare pakjes, nog vermeerderd met eet- en drinkwaren voor
„onderweg.”
En voort ging het, hobbel je niet, zoo heb je niet; nu eens in goeden
gang, dan weer wanhopig langzaam een hoogte opgetrokken door karbouwen;
hier in een razende vaart, zoodat alles rammelde en rinkelde of de oude
kast zou uitéénvliegen, terwijl de losse rolsteenen onder de wielen
uitschietend met geraas naar weerszijden van den weg sprongen,—dáár
minuten onbeweeglijk stil staande, omdat een der paarden verkoos zich
dwars in het gareel te zetten en door geen slagen, duwen of schreeuwen
van zijn plaats was te krijgen.
Zoo ging het voort den ganschen dag, door dorre bosschen van djati
langs nederige desa’s en rijk bloeiende sawa’s, over bergglooiingen met
een heerlijk uitzicht op het omliggend landschap, en langs uitgegraven
wegen tusschen hooge wanden van aarde en steen met woekerplanten deels
bedekt.
Het was avond bij hun aankomst op Van Brakel’s nieuwe standplaats.
Lucie was als geledebraakt. Zulk een vreeselijke reis had ze nog nooit
gemaakt. Ze wist zich naderhand niet meer met juistheid te herinneren,
hoe ze het kleine logement binnen en in haar bed was geraakt; maar het
gebeurde heel gauw zonder dat er eerst gegeten of gedronken werd, en
zij sliep een loodzwaren slaap.
Van Brakel trof het dadelijk naar zijn zin. Terwijl zijn vrouw en
kinderen sliepen, ging hij baden, kleedde zich en deed zich te goed,
terwijl het hem zelfs gelukte een partijtje te vinden, waarbij hij tot
twee uren in den nacht stand hield. Wat hem ook in den steek liet, zijn
krachtige constitutie bleef hem getrouw!
Zij zouden geen eigen woning huren en meubelen, maar, ten minste
voorloopig, blijven wonen in het logement, dat wel niet groot was, maar
waarin ze toch twee vrij goede kamers konden krijgen, tegen niet al te
hoogen prijs.
Er viel overigens voor Van Brakel nogal wat te doen.
Het plaatsje was in zijn opkomst en breidde zich uit. Er moest een
school gebouwd worden, een nieuw kantoor voor den assistent-resident
factotum, en over de kali moest een nieuwe brug worden gelegd.
Hij had het druk, en aan zijn ijver ontbrak niets, dat zag iedereen
duidelijk, terwijl zijn ondergeschikten de overtuiging kregen, dat zij
„achterna-gereden” werden door iemand, die zijn en hun zaken kende.
Aan den eenen kant voelde hij zijn ambtelijk gewicht meer, en was zijn
zelfstandigheid grooter. En wat overigens „het leven” betreft, dat was
voor hem vrij wel ’t zelfde gebleven. Er was ook een sociëteit, al was
het zonder steenen muren en marmeren vloeren. Maar homberen kon men er
uitstekend en daar er zeer dikwijls landheeren kwamen, was er plenty
gelegenheid voor „fijntjes,” welke gelegenheden Van Brakel niet gaarne
had verzuimd.
Voor Lucie vlood het leven eentonig heen. Bij gemis aan huishoudelijke
bezigheden, zat ze den halven dag te lezen, en werd ze verbazend dik en
vet.
Op een ochtend kwam de post wat later dan gewoonlijk aan. Van Brakel
was reeds naar zijn kantoor. Zij keek de adressen eens na: een paar
dienstbrieven en een particulieren, met het naamstempel van een
advocaat buitenop.
Wat zou dat zijn? Vroeger had ze er niet aan gedacht zijn brieven te
openen; de inhoud interesseerde haar niet. Nu, bij den velen ledigen
tijd, dien ze had, en de onaangename verhouding tot Herman, was ze
nieuwsgieriger geworden. Waarom zou ze dien brief ook niet kunnen
openen? Eigenlijk waren het toch even goed haar zaken als de zijne!
En zij voegde de daad bij de gedachte.
Onder het lezen drukte haar gezicht de grootste verbazing uit. Wat was
dat? Een aanmaning tot terugbetaling van door mevrouw Du Roy geleende
gelden met de rente en de rente van de rente? Nu begreep zij er in het
geheel niets meer van. Hoe ze ook pikirde, het gelukte haar niet dáár
een touw aan vast te maken.
Den geheelen ochtend was die brief haar niet uit de gedachte; het
maakte haar zoo zenuwachtig, dat ze moeite had om de komst van Van
Brakel af te wachten.
Met vragenden blik legde zij hem den brief van den advocaat voor, die
zeer onaangenaam gesteld was, waarin een korte termijn van betaling was
gesteld en waarbij gedreigd werd met een nieuwe aanvraag om beslag op
zijn traktement.
„Kun je me ook zeggen, wat dat beduidt?” vroeg ze met iets crimineels
in haar stem.
Op het eerste gezicht van den geopenden brief was hij bleek geworden.
Niet, dat het hem onverwacht op het lijf viel,—hij had wel begrepen dat
t’ avond of morgen zoo iets hem boven het hoofd hing; dan er waren een
paar weken overheengegaan, en hij, die zich zoo licht wiegde in een
rustige rust, dacht er in de laatste dagen volstrekt niet meer aan.
Hij streek met zijn zakdoek over het voorhoofd,—zijn gewoon manuaal als
hij in ’t nauw zat—en stond een oogenblik besluiteloos.
„Wat zal ik je zeggen!”
„Van Brakel, ik verzoek je me de waarheid te zeggen. Ik ben eenmaal
belogen en bedrogen, dat weet ik; maar ik wil het niet langer zijn!”
Het was zoo gemakkelijk niet en hij was ook de man niet voor het
ontwerpen eener eenigszins romantische conceptie; er een geschikte
novelle van te maken was zijn werk evenmin, en hij biechtte als iemand,
die niet geheel op de hoogte is van de geboden en dus niet precies
weet, waar het zwaartepunt ligt zijner overtredingen; maar hij deed het
eerlijk, zonder achterhoudendheid, en wanneer hij liet uitkomen, dat
hij ondanks alles geen oogenblik had opgehouden veel te houden van
Lucie, terwijl de andere hem onverschillig was, dan behoorde er luttele
menschenkennis toe om den indruk te krijgen, dat wat hij zei de
waarheid was.
Hij voelde dat het hem opluchtte, alsof hem een pak van het hart werd
genomen.
Lucie zat er bij met een strak gelaat. Och, ze wist wel dat hij niet
loog, en ze wilde het hem wel vergeven, maar zij behoorde tot die
vrouwen, die niets willen missen en niets gunnen aan een ander, ook
niet als ze er zelf hoegenaamd geen genoegen van beleven.
„Wil je het vergeven en vergeten, Lucie?” vroeg hij, erg onderdanig.
„Ik weet het nog niet; ik wil er mijn best toe doen; maar eerst moet
dat wijf haar geld hebben; vóór dien tijd heb ik rust noch duur. Al
moesten we er ons laatste stuk kleeren voor verkoopen, ze moet en ze
zal het geld hebben, dat zwijn!”
Dáárin stemde hij toe. Wel wist hij niet op welke wijze de goocheltoer
te verrichten, zelfs niet als ’t laatste stuk kleeren er aan te pas
kwam, doch zóó slim was hij wel, dat hij haar niet tegensprak, maar in
alles gelijk gaf. Zij kon zich er op verlaten, dat hij het middel zou
vinden, dat bezwoer hij bij kris en kras; als zij maar weer wel met hem
wilde zijn, gelijk voorheen, dan zou die ongelukkige zaak spoedig uit
de wereld komen; daartoe wilde hij alles doen, alles.
Hij kuste haar; zij liet hem begaan, nog bezig met haar eigen gedachten
en vóór hem pleitend tegen zichzelve. Alles bijeengenomen, was hij toch
nog veel beter dan menigeen; bovendien, alle mannen deden wel eens iets
wat niet goed was, en hij was bij slot van rekening er ook maar
„ingeloopen”, zonder booze voornemens; zij had wel eens meer gehoord en
gelezen van dat soort vrouwen, die knappe, jonge mannen verleiden....
Zuchtend gaf zij hem zijn kus terug.
Dat bracht hem in verrukking en noopte hem nogmaals, zooveel zij
gedoogde, te trachten zijn achterstand aan betuigingen van liefde bij
te werken.
Prettiger gestemd dan in maanden ’t geval was, ging hij den volgenden
morgen naar de werken, die onder zijn toezicht werden uitgevoerd, en
waartegenover hij meende geheel de handen vrij te hebben, en baas en
meester te zijn.
O, als hij had geweten!
Geweten, dat hij door een oud ambtenaar, die wel onder zijn bevelen
stond, maar toch een goede positie bekleedde, zeer nauwlettend werd
bespionneerd in al zijn doen en laten! Dat deed hem de hoofdingenieur
Willert, en die meende, dat hij daartoe zedelijk verplicht was! Van
Brakel was een speler; Van Brakel zat diep in schulden; Van Brakel had
niet alleen geldelijke verantwoordelijkheid, maar hij kon gemakkelijk
knoeien ten nadeele van „den lande,”—zoo’n man mocht niet zonder
scherpe contrôle zijn, en wanneer hij die niet officiëel over hem kon
uitoefenen, dan moest het maar officieus wezen.
Als hij, Willert, daartoe zijn maatregelen niet nam, dan achtte hij
zich zedelijk niet verantwoord tegenover de Regeering.
Lucie liep, toen haar man weg was, ongeduldig en zenuwachtig het
galerijtje op en neer. Hun kamers waren in de bijgebouwen; langs een
slordig schoongemaakte goot, die voor het roodsteenen galerijtje liep,
stond een rij boompjes geplant, de afgevallene bladeren lagen in die
goot te rotten; er heerschte altijd een zoetachtige, vochtige
humuslucht, en het was, nu de invallende Westmousson zware plasregens
omlaagzond, erg vochtig. Maar dat deed geen kwaad. ’t Plaatsje lag vrij
hoog; ’t was er koel, en de vochtigheid was niet zoo kwaadaardig als in
de heete kustplaatsen, waar zij miasmen kweekt bij milliarden.
Maar ’t was toch onaangenaam. Alles voelde klam aan; ’t was of de
tafels en stoelen in ’t galerijtje het koude zweet uitbrak; men kon er
met den vinger figuren op strepen; de kussens in de bedden schenen door
lijken te zijn beslapen, zoo kil waren ze. Druilig en laag hing de
lucht, en daar de weinige gasten, die vast in het kleine logement
woonden, naar hun bezigheden waren gegaan, hoorde men in het huis en op
het erf niets, dan de doffe slagen van het eentonige toemboequen, nu en
dan afgewisseld door ’t schreeuwen van een aap of ’t schel geroep van
een papegaai.
Zij had met opzet de meiden uitgezonden met de kinderen, om rustig te
kunnen nadenken over de manier om dat ellendige geld terug te geven;
maar hoe krachtig ook haar argument was, dat het moest,—de wijze waarop
het kon gebeuren bleef haar verborgen, en hoe zij dien ochtend ook
peinsde en dacht, zij kwam er niet toe; ze hield ten slotte haar arm
hoofd vast met beide handen en zuchtte diep en nog eens diep. Dat nare
geld! En als nu papa Drütlich nog maar in goeden doen was, maar in zijn
laatsten brief schreef hij op zijn eigenaardige kromme manier dat hij
„ganz und gar durch die verdammte Kaffeelaus aufgefressen” was; dat hij
zelfs voorzag spoedig genoodzaakt te zijn ’t vroeger zoo winstgevende
land te verlaten. Lucie had het gelezen en er bij gehuild. ’t Lieve
land! Haar geheele onbezorgde jeugd ging haar als een panorama langs de
oogen. Wat was ze daar gelukkig geweest! Hoe velen hadden daar in het
toen zoo gastvrije huis haars vaders volop genoten. Zij was er
ontwikkeld tot een flinke, krachtige, jonge vrouw, die uren te paard
reed zonder vermoeienis, die wandelingen berg-op deed als een tourist,
die elken dag dook in het ijskoude water, dat hoog van de toppen der
bergen kwam afstroomen en op het land door pantjoerans in een zwembad
werd geleid. Het lieve land, met zijn prachtigen bloementuin, waar het
geheele jaar door een rijkdom van de schoonste rozen prijkte, waar in
een weelderigen moestuin Europeesche groenten welig tierden, waar de
aardbezieplant zich thuis gevoelde als in het Westen en haar kruipende
loten vrijpostig naar alle kanten uitzond. Dáár was altijd overvloed
geweest; dáár was de goedang steeds wèl voorzien van spijzen en
dranken; daar weidden de groote uit Holland aangevoerde lakensche
koeien op de altijd groene heuvelen, want zelfs in ’t hart van den
Oost-mousson viel er nu en dan een malsch buitje; dáár was het volk
altijd rustig en vriendelijk, medegenietend als het deed in de
welvaart, die de vrije koffieteelt er verspreidde. Zij zag nog het
lachend en onbezorgd gezicht van haar vader, als hij zijn „afrekening”
kreeg van ’t kantoor uit de stad, en als hij zoo met een enkel woord
iets zei van „snijden doet men met een mes,” maar er dadelijk
bijvoegde, dat het er minder op aan kwam, want er werd toch genoeg
verdiend.
En nu moest papa van het land af, omdat een luis.... Ajakkes! Het was,
vond ze, verschrikkelijk, dat zulk een nietig ongedierte zulke rampen
kon teweegbrengen; het was meer dan erg! Waarom ook stelde het
Gouvernement geen ambtenaren aan om die luizen te vangen! Die arme
oudeheer! Wat moest hij beginnen? Als zij hem nu nog maar onder dak kon
nemen, maar dat ging ook niet; ze zaten zelf in een logement en nog tot
overmaat van ramp erg in schulden. Weder peinsde ze op een middel om
die gemeene slet Du Roy dat geld terug te geven, doch altijd bleef dat
middel ontbreken.
Eindelijk moedeloos en moede van het denken, bestelde zij een halve
flesch portwijn in het hotel; zij zou zich anders nog suf pikiren,
meende zij.
Van Brakel vond, toen hij ging kijken naar het metselen van de
landhoofden, waaraan was begonnen, een pas aangekomen prauw en een
reusachtig houtvlot, beide vastgemeerd.
Met den stroohoed in de hand en een allervriendelijkst gezicht trad de
Chinees, die met de prauw was gekomen, op hem toe. Het was de
leverancier van materialen voor de Gouvernementswerken. De man
onderscheidde zich in niets van een anderen op Java geboren Chinees;
slechts zag hij er netter en zindelijker uit dan anders meestal het
geval is, en hij droeg een soliden gouden horlogeketting. Hij moest
zorgen goede vrienden te blijven met den ingenieur, want die kon hem
zooveel bevoordeelen en benadeelen als hij maar wilde, en de kongsi,
waarin deze Chinees zat, wist reeds van een andere kongsi, die ook met
leverantiën aan den lande belast was, dat de ingenieur Van Brakel een
lastig man was, die soesah maakte en met wien weinig ving aan te
vangen; ja, indien zijn kongsi te voren had geweten, dat hij, Van
Brakel, met keuren der materialen ware belast, dan zou ze wellicht,
althans zeker niet zoo laag, hebben ingeschreven.
„Wel, heb je nogal een goede reis gehad?” vroeg de ingenieur, terwijl
hij van den hoogen oever den blik liet gaan over ’t vaartuig en het
houtvlot.
„Het gaat wel, ingenieur; ’t vlot is gevaarlijk voor de prauw.”
„Dat dunkt me; er zit al aardig gang in de kali. Hoe is het hout?”
„Uitstekend, ingenieur. Ik hoop dat u het zult goedkeuren.”
„Hm! We zullen morgen eens kijken.”
Al pratende liepen zij den dijk op; Van Brakel moest naar het in
aanbouw zijnde schoolgebouw; de Chinees liep maar mee. Hij praatte veel
over al de roegie, welke hij bij deze leverantie nu weer zou hebben, en
waardoor hij met een bankroet werd bedreigd, alles om den ingenieur
gunstig te stemmen, maar dat lukte niet.
„Nu ja, man,” zei Van Brakel met een slim gezicht, „daar weten we alles
van; jullie wordt allemaal rijk van de roegie, die je hebt in Indië, en
wij, Europeanen, worden straatarm van de oentoeng! Neen, ouwe heer, die
mopjes behoef je mij niet te vertellen hoor; jullie, Chineezen, kunnen
verduiveld goed rekenen; beter dan wij. En als je inschrijft, dan weet
je drommels goed wat je doet.”
„Soengoe mati.....”
„Psst!” floot Van Brakel hem in de rede: „laat ons er niet verder op
doorgaan; ik kan er toch niets aan doen, en het kan me ook niets
schelen.”
De Chinees vroeg hoe het den ingenieur beviel op diens nieuwe
standplaats.
„Och, ’t plaatsje is zoo kwaad niet, en er is werk genoeg, dat is
zeker. Het ligt niet aan het plaatsje....” eindigde hij zuchtend.
„Is u niet lekker, of de njonjah, of de kinderen?”
„Neen, wij zijn gezond.... Maar soesah, man, soesah! Denk je, dat jij
die alleen hebt?”
Hij lachte, de leverancier der materialen van het Gouvernement. ’t Was
hem alsof hij grond voelde. Doch hij schudde ongeloovig het hoofd; dat
kon niet zijn; iemand als de ingenieur kon geen geldelijke soesah
hebben, zooals hij, handelaar; de ingenieur had immers een vast
inkomen, en indien hij ergens geld voor noodig had, dan had hij immers
maar te spreken.
Van Brakel klemde de lippen stijf op één, alsof hij bang was, dat hij
tegen wil en dank op die manier spreken zou; hij trok de wenkbrauwen
samen, en zijn geheele wezen teekende verzet; onwillekeurig verhaastte
hij zijn tred, als wilde hij iets ontloopen, en al voortgaande ranselde
hij met zijn stok het gebladerte van den pagger, die langs den weg
liep, alsof daarin iets moest doodgeslagen worden.
De grijze wolkenmassa verdeelde zich en de zon schoot gloeiende stralen
op de vochtige aarde; de helle lichtstroom vroolijkte het landschap op
en deed de schuimende rivier er veel vriendelijker uitzien.