Lucie had een briefje gekregen van mevrouw Willert. „Het” was in orde;

de overplaatsing was telegraphisch bericht geworden; zij moest maar

dadelijk haar voorbereidende maatregelen nemen. Nu het zoover was, zag

ze er toch tegen op, en terwijl ze met den brief in de hand voor zich

uitstaarde, drong al de soesah en de moeilijkheid dier verre

overplaatsing naar een standplaats in het binnenland, zich aan haar

geest op; ze had daar eigenlijk geen lust in; een gevoel van

moedeloosheid en melancholie overviel haar, en zuchtend keek ze

droomerig naar de haar omringende omgeving; die was niet opwekkend; de

ondergaande zon was achter een dikke laag loodgrijze wolken gezonken,

die rustig aan den horizon lag en waartegen de kampong aan de overzijde

van den weg grauw en prozaïsch zijn breedgebladerde pisangboomen

afteekende; maar uit den dikken wolkenrand schoot een breede roode

lichtstroom, die in het zenith tot het teederste rose vervloeide, en

waarvan de weerschijn in het zuiden en noorden vreemde lauwe kleuren

tooverde, purper en violetachtig; de smalle sikkel der opkomende maan

kwam in die kleurenvermenging uit met een ziekelijk bleekgroen tintje.

En dit melancholische namiddagtafereel, snel wisselend met afnemende

lichtsterkte, werkte niet mede om de arme Lucie de toekomst met meer

hoop en opgewektheid te gemoet te doen zien.

Met een diepen zucht trachtte zij die neerslachtigheid af te schudden.

Komaan, het moest; het was ’t beste. En toen ze zich dat eenmaal goed

in het hoofd had geprent, zette zij haar bedienden aan het werk, en

liet de kisten en koffers voor den dag halen, die met stof en spinrag

overdekt in de bijgebouwen in een rommelkamer stonden.

Het viel Van Brakel op, dien avond, dat er leege kisten stonden bij de

achtergalerij. Wat zou er nog meer gebeuren? Zou zij heengaan en hem in

den steek laten? Maar dàt zou hij in geen geval toestaan. Doch wat zou

hij vragen?

Onder het eten verwonderde het haar zeer, dat hij niets zei; ze

verkeerde in de vaste vooronderstelling, dat zijn overplaatsing hem

bekend was, en haar verbazing steeg ten top, toen hij haperend vroeg:

„Moet er iets gebeuren met die koffers?”

„Ja, ze zijn schoongemaakt.”

„Anders niet?”

„Voor het moment niet.”

Het was niet de manier om verder te komen, maar hij durfde niet meer

vragen, want de antwoorden klonken allesbehalve aanmoedigend. En wat

zou hij ook zeggen? Hoe moest hij tot een nadere verklaring komen? Hoe

anders dan door zich tot het diepste te vernederen, en zonder in staat

te zijn beterschap te belooven. Het kon tot niets leiden. Hij zou tot

alles in staat zijn geweest; op zijn knieën had hij haar willen

smeeken, weer voor hem te zijn, wat ze altijd voor hem was geweest; hij

had haar bij al wat hem dierbaar was kunnen bezweren, dat hij nooit een

andere vrouw had liefgehad dan haar; dat zij nog de eenige was en dat

altijd zou blijven.

Wat zou het baten?

Het zou alleen teweegbrengen, dat hij haar opnieuw beloog en bedroog,

want hij kon immers van mevrouw Du Roy niet af!

Van Brakel was onrustig en zenuwachtig; hij vertrouwde de aanwezigheid

niet dier leege koffers. Den volgenden morgen stond hij ze al vroeg te

bekijken; de deksels stonden open, en de witte voering, met breede

blauwe strepen, die er zoo fonkelnieuw uitzag, en de nog zoo

zindelijke, haast ongebruikte riemen en grijze banden met roode

streepjes, zagen er reislustig en vroolijk uit. Ze brachten hem den

tijd in herinnering, toen hij met zijn jonge vrouw van Batavia kwam.

Welke heerlijke dagen! Toen homberde hij nog niet elken avond in de

sociëteit; dat was later gekomen. Toen speelde hij nog enkel maar met

Lucie.

Den geheelen dag waren hem die koffers niet uit de gedachte, en ’t werd

er niet beter op, toen hij, ’s middags thuis komende, zag dat er twee

gesloten waren. Hij voelde er aan en tilde er een op aan den eenen

kant; de koffer was zwaar gepakt. De bediende zei, dat mevrouw er witte

barang in had gedaan; goed dus van het huishouden. Het duurde langer

dan gewoonlijk dien dag vóór hij in zijn kamer zijn dutje kon pakken.

Eerst tegen vier uren sliep hij in en wel zoo, dat het reeds donker was

toen hij ontwaakte. Haastig baadde en kleedde hij zich; het was toch

reeds te laat om nog te wandelen. Daarom liet hij maar licht maken in

de voorgalerij, en nam de courant, welke hij het eerst opensloeg om

even de telegrammen in te zien.

„Overgeplaatst: Van Brakel, ingenieur bij de Burgerlijke Openbare

Werken....”

Hij keek als geloofde hij zijn eigen oogen niet, en las en herlas het

bericht; hij ijlde met de courant naar achter.

„Wil je dat eens even zien?”

Zij nam het blad papier, sloeg er een blik op, maakte een

onverschillige beweging met hoofd en schouders, en lei het neer, zonder

een woord te spreken. Maar Van Brakel barstte los. Hij had in den

laatsten tijd zoowat onder ieders plak gezeten en zich in alle

opzichten moeten ontzien; hij vreesde zijn vrouw, hij vreesde mevrouw

Du Roy, hij vreesde Willert en Geerling,—en dat alles zat hem

vreeselijk dwars in de maag; maar zóó zijn eigen overplaatsing in een

courant te lezen, zonder dat hij er iets hoegenaamd van wist, dàt was

te erg. Als ambtenaar had hij in geen geval zulk een bejegening

verdiend; integendeel, hij had altijd zijn plicht gedaan, en nooit was

er eenige aanmerking op zijn dienst te maken geweest. En dan zóó

behandeld te worden! Hij vloekte en tierde als een bezetene. Alles wat

hij had moeten verkroppen, gaf zich op een geweldige wijze lucht.

Hij had nog in stilte gehoopt, dat ze hem met een enkel woord zou

gelijk geven; dat ze evenals vroeger zou toegeven, dat hij een miskend

man was; maar het gebeurde niet, en toen zij bleef zwijgen, liep hij

kwaad weg, zeggende dat hij niet bleef eten, dat hij wel ergens anders

eten zou. Nu had hij geen rust; hij moest naar mevrouw Du Roy; die zou

ten minste zijn verontwaardiging wel deelen. Het was te bar van Lucie,

vond hij, in het overstelpend gevoel van het ongelijk hem aangedaan;

nu, ze moest het dan ook maar zelf weten. En snel voortgaande, bij

zichzelven toornige woorden mompelend tegen zijn hoofdingenieur, dien

gemeenen vent, stond hij plotseling stil. Die koffers, voor den dag

gehaald, schoongemaakt en reeds gedeeltelijk gepakt, maakten hem nu

althans zooveel duidelijk, dat zij het had geweten; daarom was ze ook

zoo volkomen onverschillig geweest, toen hij haar het bericht had laten

lezen onder de telegrammen.

Hij stormde bij mevrouw Du Roy het huis binnen.

„Heb je het gezien?”

„Neen, wat dan?” vroeg ze schijnbaar zeer verbaasd.

„Hier,” zei hij, haar courant van de tafel nemend en met zijn vuist op

de noodlottige plaats slaande, bijwijze van aanwijzing: „hier!”

Zij keek met Indische kalmte naar het bericht en toen naar zijn woedend

gezicht.

„Dat hadt ge me wel wat eer kunnen zeggen.”

Hij ving opnieuw aan met zijn gemoed uit te storten in heftige

bewoordingen; hij, hijzelf had het ’t eerst vernomen uit de courant.

„Och, kom!” zei ze sarcastisch.

„Je gelooft het niet! Dat kan ik me begrijpen; het is ook haast

ongelooflijk, dat iemand van mijn positie zóó wordt behandeld als een

kwajongen. En dat koopje heeft niemand anders me geleverd dan mijn

vrouw: de koffers stonden al gepakt.”

„Ei, ei! En zou jij nu denken, mijnheer de ingenieur, dat je slim

genoeg waart om mij te foppen? Het is waarachtig anders niet onaardig

verzonnen! Heeft nu je vrouw het gedaan, die lieve, brave vrouw, over

wie ik nooit iets mocht zeggen! Heeft dat die nette vrouw van je

gedaan, die je met uitgerafelde boordjes en kapotte overhemden liet

loopen? Och kom, is dat beste, goeie mensch zoo slecht geworden? En wou

je mij dat mopje op de mouw spelden? Wel, Van Brakel, je bent toch niet

zoo dom als je er uit ziet, hoor! Het tegendeel is waar, je bent nog

veel dommer.”

„Ik geloof, dat je krankzinnig wordt!” riep hij woedend.

„Dat zou je wel willen, hè? Dan was je meteen op ’n gemakkelijke manier

van me af. Neen man, ik ben niet gek. Ik heb al lang gezien, waar je op

uit waart. En nu heeft je vrouw het gedaan, nietwaar? en jij wist

volstrekt van niets! Wel het is niet kwaad verzonnen, maar als je mij

wilt bedriegen, moet je vroeger opstaan; ik ben zoo’n domme gans niet

als zekere mevrouw Van Brakel. Als je dat soms hebt voorondersteld, heb

je het mis gehad.”

„Maar dat is geheel een mal à propos, dat.....”

„Dat.... dat.... weet je wat, meneer Van Brakel, dáár is mijn deur, en

voor het oogenblik heb je niet anders te doen, dan te zorgen, dat je er

zoo spoedig mogelijk uit komt.”

Het hielp Van Brakel niet of hij bij hoog of laag bezwoer, dat zij het

mis had; zij wilde naar geen reden luisteren en hield met nijdigheid en

smaad vol, dat het een gemeene streek van hem was.

„Maar je bent nog niet van mij af,” voer zij voort. „Dáár,” riep ze met

uitgestrekten arm naar de openstaande deur harer kamer wijzend, „dáár

liggen je schuldbekentenissen. Heb je geld om me te betalen, wat je me

schuldig bent?”

Mistroostig haalde hij de schouders op.

„Neen, hè! Natuurlijk! Zoo’n kale rot! Kom, maak maar dat je weg komt.

Tjies!”

Hij sprak geen woord meer en ging; hij was in zijn doen en laten te

veel „meneer” geweest voor een mevrouw Du Roy, en dat was in liefde

zoowel als in haat, iets dat ze altijd tegen hem had gehad. Hij stond

haar reeds lang niet meer aan, en ze had deze gelegenheid met beide

handen aangegrepen. Zij begreep heel goed, dat het waar was en dat de

overplaatsing door zijn vrouw was bewerkt; maar de gelegenheid was te

schoon om in onmin te raken, dan dat ze die ongebruikt kon laten

voorbijgaan; zij kon nu handelend optreden om zooveel mogelijk haar

geld en de rente binnen te krijgen. En ze was van hem af, wat ook

dringend noodzakelijk was, daar ze in den laatsten tijd al een paar

malen bezoek had gehad van een onderofficier, die haar veel beter

aanstond; die een beetje ruw was in zijn praten en in zijn manieren,

wat zij heerlijk vond; die haar grappen vertelde om te gillen van het

lachen; die veel opgewekter was en die bovendien een verandering

opleverde in het menu. En vooral naar dat laatste gevoelde zij steeds

een onweerstaanbaar, ziekelijk verlangen.

Toen Van Brakel vertrokken was, kleedde zij zich snel en liep naar de

woning harer zuster, waar ze alleen Ceciel aantrof.

„Ziezoo,” zei ze, „dat is uit.”

Het meisje zei niets, en vroeg niets.

„Die kerel verveelde me al lang. Foei, wat een naar sujet is dat.”

„Ik heb zijn overplaatsing gelezen.”

„Het komt net goed. Ik had er anders toch een einde aan gemaakt.”

„’t Zou beter zijn geweest er nooit mee te beginnen.”

„Zeg, zanik niet asjeblieft! Je weet heel goed dat je ook niet

altijd....”

„Bent u hier gekomen om ruzie te maken?”

„Wel neen,” zei mevrouw Du Roy, die een beetje bang was voor den

vinnigen toon en de pasklare antwoorden van haar nichtje. „Wel neen,

dat weet je wel beter, Ciel. Maar als ik Van Brakel niet had gekend,

hadt jij dien Geerling niet zoo netjes aan den haak kunnen slaan, zie

je. Is dat waar of niet?”

„Laat het zijn.”

„Het is nu maar zaak te zien, dat ik mijn geld terugkrijg.”

„Ik geloof niet dat daarvan veel zal terecht komen.”

„Dat denk je maar.”

„Nu, wat wilt u doen?”

„Vooreerst begin ik met beslag te doen leggen op het vendu-accept.”

„En dan?”

„Daarna leg ik beslag op zijn traktement.”

„Doet u dat allemaal zelf?”

„Neen, daar bemoeit zich mijn advocaat mee. Ik heb er geen omkijken

naar.”

„Zoo.”

„En ik ga er dadelijk werk van maken. Anders visch ik nog achter het

net. Adieu!”

Ceciel liet het handwerkje rusten, waaraan zij bezig was, en dacht na;

zij dacht over dat beslag leggen op het vendu-accept. En de menschen

moesten een verre reis doen en in een vreemde plaats zich opnieuw

inrichten met hun huisgezin. Voor Van Brakel kwam het er niet op aan;

dien man mocht ze niet, maar het was toch erg, vond ze, voor de arme

vrouw; zij had Lucie slechts enkele malen gezien, maar ze voelde

sympathie voor haar. Zou er niets aan te doen zijn?

Zij zou het eens aan Geerling vragen.

Een tien minuten later kreeg deze een kort briefje:

„Beste Jules! Kan je niet even bij ons komen? Ik wou je graag

spreken.

Je Ciel.”

Hij was er in een wip, en zij vertelde hem de plannen, die mevrouw Du

Roy smeedde tegen de Van Brakels. Vrij kalm hoorde hij het aan.

„Ik heb het wel gedacht. Als je in zulke handen valt...”

„Maar is er niets tegen te doen?”

„Heel moeilijk.”

„Weet je niemand, die bijvoorbeeld hun goed ondershands zou willen

koopen?”

Hij lachte om het naïeve idee.

„Neen, hoe zou ik dat weten? Maar.... zou je zoo heel graag willen, dat

haar plan met dat accept mislukte?”

Zij knikte toestemmend.

„Welnu, laat het dan maar aan mij over; dan zal het gebeuren, al zou ik

’t zelf opkoopen.”

Ceciel deed wat ze anders nooit deed: ze sloeg haar armen om zijn hals

en kuste hem, dat hij schitterde van vreugde. Nu zou hij in staat zijn

geweest zich voor haar te ruïneeren.

„Ik zal er dadelijk werk van maken, weet je,” zei hij heengaande. „Ik

heb wel kasian met mevrouw Van Brakel al heeft ze me heel onaangenaam

en onrechtvaardig bejegend.”

Onder de bekoring der mooie oogen van Ceciel had Geerling iets beloofd,

dat hem zeer moeilijk viel na te komen. Op ’t kantoor zat hij den

volgenden dag er over te denken. Hij zou het doen, dat stond vast, maar

hoe? Hij was wel geen koopman in zijn hart, maar hij had toch eenig

verstand van zaken, en daarom zag hij ook wel in hoe de opkoop het

voordeeligst kon geschieden. Aan de kas durfde hij het geld niet

vragen. Er was met de laatste mail een brief gekomen van zijn vader,

waarin pertinent geweigerd werd toestemming te geven tot het huwelijk;

waarschijnlijk stonden daar nog andere instructiën ook in, want men had

hem vrij duidelijk te kennen gegeven, dat hij wat goedkooper moest

leven. Een weigerend antwoord wilde hij niet ontvangen, en dus zou hij

aan die deur niet kloppen.

Een akelig kantoor toch! Vuil en vies! Aan den eenen kant die smerige

monstertafel met een rooden lap bedekt alsof het een stuk van een

kermiskraam was, en aan de andere zijde de stopfleschjes met koffie met

etiquetten er op; voor de rest een half vergaan schutsel, oude

lessenaars en stoelen, alles verwaarloosd en krukkig. Wat deed hij toch

in zoo’n hok? Waarom dwarsboomde hem zijn vader? Hadden ze allen geen

geld genoeg? En dat was niet zoo maar een idee,—maar ’t was hoogst

reëel. Afgescheiden van de zaak, hadden de Geerlings een groot

persoonlijk vermogen.

Hij nam zijn hoed en ging naar het kantoor van den Waterstaat. Dat was

daar heel anders: alles was even keurig en net en goed onderhouden; de

muren waren verblindend wit, op de zoldering en de deuren glinsterde de

grijze verf alsof ze er zoo pas was opgesmeerd; tafels, lessenaars en

stoelen blonken den binnentredende tegen van het politoer. En te midden

van dat kantoor troonde Van Brakel, die heel verwonderd was over het

bezoek.

Geerling keek eens rond, en toen hij zag dat er niemand anders was, zei

hij tegen Van Brakel, net alsof er niets tusschen hen was voorgevallen:

„Zeg, ik kom je kwaad nieuws brengen.”

„Ik zou wel eens willen weten,” antwoordde Van Brakel diep

neerslachtig, „wie mij goed nieuws brengen zou.”

„Ze wil beslag leggen op de opbrengst van je vendutie.”

„’t Kan me niet....” begon Van Brakel in arren moede te roepen, maar

hij bedacht zich. Het was, integendeel, verschrikkelijk, want hij had

dat geld dringend noodig.

Hij zuchtte luid.

„Wil ik je wat zeggen, Geerling? Ik wou dat ik dood was!”

„Ja, dat is nog zoo kwaad niet.”

Het viel Van Brakel niet mee. Metterdaad bleef hij heel graag leven, en

hij vond zichzelven een noodig en nuttig lid der maatschappij; hij zei

het zoo uit behoefte aan eenig medegevoel; maar dàt kwam faliekant uit.

„Ik weet waarachtig niet, wat ik doen moet.”

„Wel, daarover kom ik je juist spreken; je moet den boel ondershands

verkoopen.”

„Aan wien?”

„Dat weet ik nog niet. Aan een commissionnair bij voorbeeld.”

„Maar dan krijg ik er niets voor.”

„Neen dat zal wel; ten minste niet veel. Er zit niets anders op.”

„Laat ik me er nog eens op bedenken.”

„Ga je gang. Als je wilt, zullen we samen er een zoeken.”

„Heel graag,” verzekerde Van Brakel, die wel deze plotselinge

bereidwilligheid volstrekt niet begreep, maar er toch graag gebruik van

maakte, omdat hij wist hoe weinig slag hijzelf had van dergelijke

dingen.

Hij pikirde er over tot den volgenden dag, maar ’t hielp niet, en ten

slotte gelukte het hem zijn inboedel door de hulp van Geerling te

verkoopen aan een commissionnair, die er ruim de helft voor gaf van wat

het vermoedelijk op vendutie zou hebben opgebracht, en die contant

betaalde.

Daartoe waren ze thuis geweest; Lucie begreep wel, dat het ’t verkoopen

van het goed betrof, maar meer ook niet en zoolang de drie mannen in

huis waren, bleef zij onzichtbaar in de bijgebouwen.

„Ziezoo,” zei Geerling tevreden, „dat is afgedaan. Je bent eigenlijk

nog zoo kwaad niet af. Het is zuivere winst, want moeder Du Roy betaal

je toch haar duiten niet terug.”

„Natuurlijk doe ik dat wel.”

„Dan ben je ’n uil, mon cher.”

„Ik heb schuldbekentenissen geteekend.”

„Welnu? Je zegt maar, dat je de bedragen hebt voldaan par des services

rendus. Adieu!”

Van Brakel slikte het; hij was reeds aan slikken gewoon; de

moeilijkheden, waarin hij altijd zat, hadden de scherpe kantjes

afgesleten; hij was niet gevoelig meer. En hij tastte met welbehagen

naar het pakje bankbiljetten in zijn zak; dat was op zichzelf iets,

waarin hij geluk vond. Als hij maar weer wat gereed geld in handen had,

was hij een geheel ander mensch; dan scheen hem het leven veel lichter,

al maakte datzelfde geld, zooals nu, het ook eigenlijk veel zwaarder.

„Wel?” vroeg Ceciel toen Geerling binnenkwam.

„Het is al in orde.”

„Dat is vlug! Heeft het je veel geld gekost?”

„Och,” zei hij aarzelend, „niet erg.”

„Toe, zeg eens, hoeveel wel?”

Geerling kon zich niet goed houden; hij trok zijn mond samen en barstte

daarna in een schaterlach uit.

„Een kwartje voor een dos-à-dos.”

„Och!” zei ze ongeloovig.

Het was, vond ze, toen hij haar alles had verteld, heel verstandig van

hem, en zij bewonderde zijn slimheid. Maar in haar hart was ze wel een

beetje teleurgesteld.

Doch deze teleurstelling zou weldra vergeten zijn, uitgewischt door

grooter gebeurtenissen, waarbij zijzelve voor eenigen tijd door

iedereen besproken werd.

Juist op den dag van het vertrek der Van Brakels werd Geerling op ’t

kantoor aangezegd, dat hij op last zijns vaders onverwijld naar

Nederland moest terugkeeren.

Toen hij het Ceciel kwam vertellen, werd zij zoo wit als haar kleedje,

wat hij vol vreugde opmerkte en uitlegde als een bewijs van liefde voor

zijn persoon. Zij was er werkelijk hevig door verschrikt, want zij zag

haar ideaal om een fatsoenlijk huwelijk te doen, in het niet zinken.

Als hij in Holland was, zou het wezen: uit het oog uit het hart, en,

bewerkt door zijn familie, zou hij haar spoedig vergeten voor andere

meisjes in Holland.

„Dus ga je heen?” zei ze droevig.

„Neen, dat doe ik niet, Ceciel; dat weet je wel!”

„Maar je papa verlangt het immers?”

„O ja, papa verlangt het niet alleen, hij gelast het. Papa ziet in zijn

zoons niet anders dan ondergeschikte beambten, die men maar te bevelen

heeft; die op zijn aanwijzingen leven, trouwen, komen en gaan. Ik

bedank er voor. Nog ’n goed halfjaar en ik ben meerderjarig. Dien

korten tijd laat ik me niet op zulk een manier behandelen.”

„Je moet niet weerspannig zijn om mij, Jules; ik kan het denkbeeld niet

verdragen, dat je ongenoegen zoudt hebben met je familie om

mijnentwil.”

„Lieve Ceciel, maak je daarvan geen gewetenszaak.”

„Dat moet ik wel doen. Wat zullen je ouders van ons denken!”

„Het kan me niet schelen.”

„Alle schuld zal op mij worden geworpen.”

„Ceciel, wil je me weg hebben?”

Zij wendde het hoofd af en scheen met haar zakdoek een traan weg te

vegen. Hij nam een harer mooie handen en kuste die.

„Ik ga niet weg. Eenmaal heb ik het gezegd, en ik blijf er bij. Laat

mij maar begaan, Ceciel. Over een klein jaar zijn wij getrouwd, en dan

komt naderhand alles vanzelf terecht.”

„Maar als je vader nu wil dat je terugkomt?”

„Dan wil ik niet.”

„Ja maar....”

„Laat mij stil begaan. Het is enkel ’n quaestie van eenig duur geld. Ze

zullen me willen dwingen met de dubbeltjes. Ik moet eerst zien, dat ik

genoeg bijeenkrijg om tot mijn verjaardag te leven; daarna zeg ik, dat

ik er den brui van geef terug te gaan.”

Geerling had het oog op een Chinees; Ceciel dacht aan haar tante Du

Roy, maar zij wilde dien naam niet noemen. Toch zei ze:

„Laat dàt de moeilijkheid niet wezen. Als het daarom te doen was....”

„Ei, ei! Zou jij me dan kunnen helpen?” vroeg hij aangenaam verrast

door het denkbeeld, dat zij toch ook „iets” had.

„Misschien,” antwoordde ze met een slim glimlachje.

Doch hij zou die hulp niet hebben aangenomen, en hij kreeg ook

spoediger het geld dan hij had gedacht; zijn naam was goed, en ’t was

zoo bekend dat hij een rijk erfzoontje was!

Op ’t kantoor ging het minder gemakkelijk toe.

„Apropos,” zei hij tegen den chef, zijn bloedverwant: „je hebt me

gisteren verteld, dat papa mij zoo spoedig mogelijk naar Holland terug

wil hebben.”

„Ja, ik ben al bezig passage te bespreken.”

„Doe dat niet; het is noodelooze moeite.”

„Hè?”

„Ik ga niet.”

„Je moet!”

„Ik ga niet, zeg ik.”

„En ik zeg, dat je moet. Het is de uitdrukkelijke wil van den ouden

heer, en daarom moet je gaan!”

Maar Jules Geerling schudde het hoofd.

„De uitdrukkelijke wil van den jongen heer is, dat hij hier blijft en

dat doet hij ook.”

De ander zat een oogenblik verstomd; hij kon zich nauwelijks in het

geval denken; de wil van „den ouden heer” gold daar altijd voor wet op

’t kantoor. Niemand dacht er ooit aan om als „de oude heer” iets

gelastte, dat niet te doen. Niettemin gebeurde dat nu, en het teekende

op het gezicht van den chef verbazing, ergernis, medelijden,—alles te

gelijk.

„Hoor eens, ik geef je nog heden den tijd om na te denken.

Morgenochtend telegrapheer ik naar Holland.”

„Ik zou maar dadelijk telegrapheeren; tijd tot nadenken heb ik

wezenlijk niet noodig.”

„Maar hoe is het in Godsnaam mogelijk, dat je zoo roekeloos kunt zijn?”

„Ik ben dat volstrekt niet. Alleen laat ik me niet langer behandelen

als een kleine jongen, waarmede men doet, wat men wil.”

„Nonsens,” zei de ander, die zich boos begon te maken: „het is alleen

om die meid.”

Jules ging vlak voor hem staan en keek hem in de oogen, haast neus

tegen neus.

„Welke meid?” schreeuwde hij met opgeheven vuist.

Doodsbleek ging de chef zitten. Hij kon toch, meende hij, ten overstaan

van het personeel moeilijk met den opgewonden kwajongen een robbertje

gaan kloppen.

„Het is goed,” zei hij koel en uit de hoogte. „Je kunt nu wel naar huis

gaan; ik weet wat me te doen staat.”

„Ik ook, en ik wil je groeten,” antwoordde Geerling brutaal, terwijl

hij zijn hoed nam en ’t kantoor verliet.

Den volgenden morgen verscheen hij niet, en hij zond ook geen

boodschap; de dag ging voorbij en de daaropvolgende ook; de oude heer

had in antwoord op het telegram geseind dat Jules moest komen;

blijkbaar kon hijzelf zich ook van een besliste weigering geen

denkbeeld vormen; dàt was zoo iets ongehoords!

Een beetje ongerust over dat stilzwijgend wegblijven, zond de chef van

’t kantoor een bediende naar het logement; deze kwam terug met de

boodschap, dat meneer Geerling reeds een paar dagen te voren was

vertrokken, zonder eenig adres achter te laten. Hierover nog meer

verontrust, werd onderzocht in alle logementen en commensalenhuizen,

doch tevergeefs: niemand wist waar Geerling was; niemand had hem

gezien.

Daar waren de poppen aan het dansen! In minder dan geen tijd wist heel

de stad, dat de jonge Geerling spoorloos was verdwenen.

En de geheele geschiedenis kwam over de tong; hier zus, dáár zoo, maar

altijd meer in het nadeel der betrokkenen dan de werkelijkheid was.

De woede van den chef van Geerling’s kantoor keerde zich geheel tegen

„die meid”, en hij hield zich overtuigd dat de weerspannige zich bij

haar in huis ophield. In een booze bui ging hij naar haar huis, stormde

binnen en zag niemand, dan een baboe, die op den grond zat te naaien;

het was juist de tijd, waarop de familie rijsttafelde. Hij kreeg een

goed idee en gaf de meid een wenk.

„Toean Geerling ada di sini, ja?”

„Tida, toean,” zei ze, „tida ada.”

Nu ja, dacht hij, dat lesje was haar voorgezegd, en korte metten

makend, nam hij uit zijn portemonnaie een bankbiljet, dat hij haar voor

hield.

„Brapa itoe?”

De knappe, jonge baboe glimlachte en keek hem vriendelijk aan; zij

dacht aan iets anders, en zei gemaakt verlegen, haar heupen en

schouders heen en weer bewegend en haar hoofd neigend, op een zangerig

toontje:

„Barangkali, sepoeloe roepia, toean.”

Maar toen ze hoorde, wat meneer wenschte, was het uit. Ze moest zeggen

dat die jongeheer, die zoo perliep was op de nonna, daar aan huis was,

en hij was er niet, zoodat er ook geen de minste kans was om de tien

gulden te verdienen. Niet minder teleurgesteld stak de bezoeker het

geld weer bij zich, toen de portière, dicht gedaan om de warmte buiten

te houden, ter zijde werd geschoven en Ceciel, die binnenkwam, verbaasd

bleef staan; ze wist wie die bezoeker was, en wat hij kwam doen,

begreep ze.

H. van Brakel, Ing. B.O.W. · 第 8 / 16 段