scherp door zijn bril. Goddank, mevrouw Du Roy stond niet aan den
ingang van haar erf; als ze er nu maar voorbij waren, was het niets;
dan zou hij met Lucie den anderen kant om naar huis gaan.
Plotseling ontstelde hij. Ze waren nog slechts een paar huizen van het
nette erf der huizinge Du Roy verwijderd, toen plotseling zijn hond,
die hem als gewoonlijk ook nu was gevolgd, vooruitschoot, voor den
ingang van het erf stilstond, en kwispelstaartend zijn meester aanzag,
met een uitdrukking in den kop en in de geheele houding, welke volkomen
en onmiskenbaar het karakter droeg eener uitnoodiging om binnen te
gaan.
„Hier!” bulderde Van Brakel, harder dan noodig en netjes is, als men
met een dame wandelt. „Hier!”
Doch de hond stoorde zich er niet aan. ’t Huis, waar hij voor stond,
scheen hem lief, en hij holde ondanks de woede zijns meesters het erf
over en de trappen van de voorgalerij op.
Lucie was krijtwit geworden. Zij keek het erf op toen ze er
voorbijgingen; ze zag in de voorgalerij een vrouw in sarong en kabaja,
die op haar hurken zat en den hond streelde, en ze zag, dat die vrouw
den eenen arm in de hoogte stak en met de vingers groette op Indische
manier.
Er werd verder geen woord tusschen Van Brakel en zijn vrouw gewisseld.
Hij scheen nu te begrijpen, dat zij alles reeds wist en dat ze niet bij
toeval dien weg had gekozen. Nu en dan bekeek hij haar van ter zijde,
en dan deed hem die smartelijke trek op haar gezicht pijnlijk aan. Hij
durfde niets te zeggen. Zoo kwamen ze thuis, en toen zij in de kamer
ging om van kleeren te verwisselen, bleef hij achter, besluiteloos,
niet wetende wat aan te vangen. Hij hoorde zijn vrouw de bedienden
roepen, en bespeurde een op dat uur van den dag bijzonder groote
bedrijvigheid, welke niets goeds voorspelde. Zou ze heengaan en hem in
den steek laten? Zou het een publiek schandaal worden? Na eenige
angstige oogenblikken zag hij, dat het zoo’n vaart niet loopen zou: de
logeerkamer werd in orde gebracht. Wie de logé zou zijn, begreep hij.
Zijn positie in de huishouding werd daardoor voorloopig als vanzelf
aangewezen. Hij zag zijn kleeren de eene kamer uit- en de andere
indragen. ’t Hinderde hem zoo als ’t ware de deur te worden uitgezet in
zijn eigen huis, maar hij dacht niet aan eenig verzet. Als zij het dan
toch te weten moest komen, was het maar beter zóó, vond hij. ’t Was wel
hoogst onaangenaam, maar in ’s Hemels naam, er was niets aan te doen.
Hij kon immers niet anders! Indien hij die vervloekte schuld niet aan
mevrouw Du Roy had gehad, dan zou hij.... och, maar dan zou er immers
nooit iets zijn gebeurd, want eigenlijk hield hij alleen van Lucie, en
kon die andere hem hoegenaamd niets schelen. Het was niet anders. Hij
moest varen in het schuitje, waarin hij zat; ’t was onmogelijk iets
daartegen te doen, hoe miserabel het ook mocht zijn; à l’impossible,
dacht hij, nul n’est tenu.
En daar ophelderingen toch tot niets konden leiden, en hij geen
beterschap kon beloven, ging hij, ten einde buiten alle discussie te
blijven, maar weer de deur uit, tot het tijd was om te eten.
Geerling had het wel bemerkt. Hij zag zeer goed dat Van Brakel zich
onmenschelijk inspannen moest om aan tafel een vroolijken, lossen toon
aan te slaan; dat mevrouw Van Brakel koel en kort tegen haar man sprak,
maar tegen hem, Geerling, allervriendelijkst en voorkomend was; dat Van
Brakel dit laatste met geheimen angst en tegenzin gadesloeg.
Het gebeurde dikwijls tegenwoordig, dat Geerling samen met Van Brakel
uitging, maar het jonge mensch ging niet meer naar de woning van
mevrouw Du Roy; hij ging naar Ceciel, en zat daar tot elf uren, met het
meisje in de binnengalerij, in tegenwoordigheid harer moeder, die een
roman las.
In den laatsten tijd had hij zich zelfs meermalen ongunstig over
mevrouw Du Roy uitgelaten, en half en half te kennen gegeven, dat hij
Van Brakel’s handelwijze afkeurde.
„Is ze er achter?” vroeg hij, toen ze buiten kwamen.
„Het schijnt zoo.”
„Heeft ze dan niets gezegd?”
„Neen, maar als ik je alles vertel, zal je wel kunnen begrijpen, dat ze
’t weten moet.”
„Drommels, ja,” antwoordde Geerling ernstig. „Dat ziet er gek uit. Een
vrouw, die het zóó opneemt, is, dunkt me, veel erger, dan een, die
scènes maakt.”
Toen Van Brakel zweeg, vervolgde hij:
„Laat ik je een raad geven.”
„Och, wat....”
„Wezenlijk; je zult me toch niet wijsmaken, dat je die moeder Du Roy
prefereert boven je eigen vrouw?”
„Neen, waarachtig niet.”
„Welnu, wees dan ook niet dom. Ik vind er niets in, dat een getrouwd
man eens een dwaasheid doet. Men kan niet altijd braaf wezen! Maar laat
het gekheid blijven, en niet tragisch worden. Daarvoor moet je zorgen.”
„Ik kan niet.”
„Nonsens!”
„Dat is geen nonsens! Enfin, ik kan het je niet zeggen, maar laat me
asjeblieft met rust. Het is waarachtig al beroerd genoeg.”
Geerling haalde de schouders op. Bij zulk een humeur was het maar beter
te zwijgen, en met minachting voor den man, die zoo miserabel onder de
plak zat van twee vrouwen, vertelde hij Ceciel het gesprek.
„Ik wist het,” zei ze. „Hij heeft gelijk; hij kan niet. Zij heeft
finantiëel hem geheel in haar macht.”
„Zoo, is dat de quaestie?”—Hij dacht even na. Zou het haar misschien
genoegen doen, als hij zich royaal toonde; zou ze daardoor meer van hem
houden? Want daaraan was hem veel gelegen, en in zoover was hij gelijk
aan Van Brakel, dat ook hij onder de plak zat, wel op een geheel andere
wijze, maar niettemin er onder. Hij had reeds de toestemming harer
ouders, en hij had geschreven naar Holland, zoo gedecideerd, meende
hij, dat zijn ouders wel zouden inzien, hoe weinig zij vermochten,
indien zij wellicht bezwaren of andere plannen hadden.
„Zou het veel zijn?” vroeg hij voorzichtigheidshalve.
„Ik weet het niet; ik spreek tante in den laatsten tijd haast niet;
naar vroegere uitlatingen van haar te oordeelen, is het wel een duizend
of tien.”
„Als ik Van Brakel eens trachtte te helpen?”
Ceciel dacht een oogenblik na. Als haar aanstaande man—want ze was
zeker, dat ze hem daarvoor kon houden—Van Brakel hielp, vloeide het
geld terug in de kas van tante, wier erfgename zij vermoedelijk was.
Daartegenover stond, dat Geerling het geld kwijt was, want dat een
speler als Van Brakel het ooit zou terugbetalen geloofde zij niet.
„Wel,” zei ze, „ik raad het je niet aan. De man is niet te helpen, en
tante Du Roy is wel waard, dat ze eens een grooten klap krijgt.
Misschien leert het haar die schandelijke caprices af.”
„Volkomen juist. Ik zal het dus maar op zijn beloop laten.”
Eigenlijk was hij er blij om. Wat was zij toch een heerlijk meisje. Men
kon haar gerust voorstellen iets dwaas te doen; zij was veel te
verstandig het te permitteeren.
Hij had elke gedachte aan iets anders dan een geregelde, fatsoenlijke
verstandhouding tusschen hem en haar laten varen. Ceciel had hem klaar
en duidelijk aan het verstand gebracht, dat zoo iets met haar
onmogelijk was, en Geerling was zóó verliefd geraakt dat hijzelf in
staat ware geweest die onmogelijkheid onder eede te bevestigen en het
in vrede of in strijd op te nemen tegen iedereen, die het niet met hem
eens was. In deze Don-Quichotte-periode ging het hem, al was hij in
Holland nog zoo „uit”-geweest, precies als ieder ander.
„Ik wou dat het antwoord maar kwam,” zei hij ongeduldig.
„Ik niet,” antwoordde zij met een zucht, die hem streelde.
„Hou je zoo weinig van me?”
„Dat weet je wel beter, maar ik vrees dat je oudelui hun toestemming
niet zullen geven.”
„Och kom! Wat kunnen ze er tegen hebben?”
„Heel veel. Tegen mij persoonlijk natuurlijk niets; ze kennen me niet
eens; tegen papa en mama ook niet, tenzij je ouders een rijke familie
verlangen.”
„Welnu?”
„Het is alweer tante Du Roy. Je oudelui en andere leden in je familie
hebben hier op de plaats gewoond, en natuurlijk kennen ze haar van haar
ongunstige zijde....”
„Maar lieve, beste Ceciel, wat hebben ze toch met dat mensch noodig! Ik
heb haar naam natuurlijk niet genoemd. Waarschijnlijk weten ze niet
eens, dat je aan die vrouw bent geparenteerd.”
„Alsof hun dit niet van hier zal geschreven worden! Denk je misschien,
dat men op je kantoor niet weet, hoe dikwijls je ’s avonds hier komt?
Hoeveel mailbrieven zouden er al verzonden zijn naar Holland met
particuliertjes over ons?”
Geerling kon het niet ontkennen. ’t Was volkomen waar, dacht hij, maar
’t was sterk, dat ze gedacht had aan zijn kantoor en aan de
mailbrieven.
„Nu,” antwoordde hij, „het moge zijn, zoo het wil. Wij trouwen met de
toestemming en anders zonder.”
„Het zou me zoo’n leed doen,” zei ze in vollen ernst, de handen over
elkaar leggend in de schoot, en met haar mooie oogen omhoogblikkend
naar ’t plafond, „het zou me zoo innig spijten, wanneer we op die
manier moesten trouwen. Ik geloof wel, dat het zou voorbijgaan, maar
toch had ik het liever anders.”
„Maar lieve Ceciel, er is immers nog niets....”
„Het zal komen, dat voel ik. Ik ben zeker, dat het komen zal. Wie weet
hoe? Wie weet hoe ik belasterd ben en wat je over me zult te hooren
krijgen.”
Hij nam een harer handen in de zijne en zwoer, dat wat het ook zijn
mocht en hoeveel kwaad ook van haar werd gesproken, het nimmer in hem
zou opkomen er een letter van te gelooven. Hij kende haar immers goed!
„Dat is het niet, Jules,” ging zij voort op denzelfden toon. „Als ik
dacht dat jij ’t zoudt gelooven, zou ik je niet willen hebben; als ik
niet overtuigd was van jou goede trouw zou ik je de deur wijzen. Eens
en vooral laat dat denkbeeld zelfs nimmer tusschen ons beproken worden.
Ik heb je alles gezegd, en ik verlang je vertrouwen, omdat ik er recht
op heb; het idee alleen van wantrouwen is beleedigend.”
„Lieve Ceciel, er is immers geen haar op mijn hoofd, dat er aan denkt.
Ik zei het alleen....”
„O ja, ik weet het immers wel! Maar wat ik van jou verg, kan ik niet
eischen van je familie; daar trouw ik wel in, maar ik trouw haar niet.”
„Laat ons geen zorgen hebben vóór den tijd. Wij weten er immers nog
niets van.”
Zij zweeg en glimlachte; zij wist het immers heel goed! Het antwoord
kon niet goed uitvallen; zij zou haar positie in de familie Geerling
moeten overwinnen; en dat zou ze, dáár voelde zij zich volmaakt voor
berekend. Het eenige, wat haar metterdaad hinderde, was het uitstel,
dat een weigering onvermijdelijk zou teweegbrengen. Uitstel leidde zoo
gemakkelijk tot afstel, en Geerling, hoe verliefd ook, was geen man van
geestkracht en volharding; dat zag ze heel goed in.
Dien avond reed juist voor Geerling’s voertuig een andere wagen het erf
op bij Van Brakel, wat den commensaal zeer interesseerde; met nog meer
belangstelling zag hij er de vrouw des huizes uitstappen, heel alleen.
„U mevrouw?” vroeg hij. „Nog zoo laat uit geweest?”
„Ja,” antwoordde zij kortweg. „Ik wenschte u tevens nu maar te zeggen,
wat ik anders tot morgenochtend had aangehouden. U zult wel zoo goed
willen zijn zoo spoedig mogelijk een andere woning te zoeken.”
Hij stond er verstomd van.
„U is wel vriendelijk,” antwoordde hij geraakt. „Ik zal natuurlijk
voldoen aan uw verzoek, maar ik zou wel eens willen weten, wat daartoe
de aanleiding is.”
„Meneer Geerling,” zei ze van het hooge standpunt eener dame, prat op
haar ongerepte deugd, tegenover de vleesch geworden zedeloosheid, „het
staat u dubbel leelijk den onschuldige te spelen. Overigens kunt u niet
verwachten, dat iemand als ik over zulke verachtelijke dingen met u
spreek.”
Zij ging met meer drift, dan ze gewoonlijk aan den dag legde, het huis
binnen en liet hem staan.
Hij stond nog een oogenblik verbluft te kijken. Zoo iets had hij nooit
van haar verwacht. Welk een bejegening! En hoe volkomen onverdiend! Hij
was altijd beleefd en voorkomend tegen haar geweest; had haar zijn
kostgeld soms maanden vooruitbetaald, wanneer zij court d’argent was;
had nu zelfs getracht haar trouweloozen man terug te brengen van zijn
omgang met mevrouw Du Roy, en tot loon.... kreeg hij een standje en
werd op hoogst onhebbelijke wijze als het ware de deur uitgezet.
Doch hij wilde het er niet bij laten: den volgenden ochtend zou hij
haar om een nadere verklaring verzoeken, al begreep hij reeds heel goed
wat ze bedoelde. Natuurlijk had men haar verteld, dat hij, Geerling,
dat onschuldige lam van een Van Brakel op den „slechten weg” had
gebracht. ’t Was waarlijk om te lachen!
Zijn vooronderstelling was juist.
Lucie, niet wetend wat te doen, buiten staat een krachtig besluit te
nemen, en toch in geen geval lijdzaam de rol van publiek bedrogene
willende spelen, had zich, toen Van Brakel en Geerling waren
vertrokken, gekleed en was naar mevrouw Willert gereden, die vreemd
opkeek over het zeer onverwacht bezoek.
De bleekheid en zenuwachtigheid der jonge vrouw konden haar wel doen
raden, wat er aan de hand was; het deed haar pleizier, dat Lucie het te
weten was gekomen, en ook dat Willert uit was naar een vergadering,
zoodat ze samen ongestoord en vertrouwelijk konden praten.
„Wel, wat voert je zoo laat hierheen?” vroeg ze, als wist zij van den
prins geen kwaad.
„Ik kom u een verzoek doen.”
„Wat zeg je dat ernstig! Is het zulk een zaak van gewicht?”
„Ja, dat is het,” antwoordde Lucie met een bevende stem. „Ik wilde ....
ik had u .... gaarne willen verzoeken....”
Mevrouw Willert zag welk een moeite Lucie had om met haar verzoek voor
den dag te komen, en hoe zij streed om de tranen te bedwingen, die met
geweld te voorschijn drongen. Ze had medelijden met haar, en nam met
iets als moederlijke teederheid haar hand.
„Je wenscht, dat ik Willert zal vragen je man te doen overplaatsen,
nietwaar?”
„Ja,” zei Lucie, die voor een oogenblik geheel opging in verwondering,
„ja, hoe weet u dat?”
„Wel, ik heb ’t zelf al eens aan mijn man gevraagd; het is voor Van
Brakel hier niet goed op de plaats.”
„Maar weet u dan....?” vroeg Lucie angstig.
„Zeker. Ik weet immers, evenals iedereen, dat je man haast elken avond
in de sociëteit zit te dobbelen.”
„Ja, dat is zoo.”
„Welnu, hij werkt zich er op die manier totaal onder.”
„Och, dat zag ik zoo niet in.... Bij mijn papa thuis werd ook veel
gespeeld met een hoog tarief.”
„Dat is heel wat anders. Bij ondernemers kan dat; hun heele bedrijf is
eigenlijk één loterij; goed of slecht weer scheelt hun duizenden
guldens; hooge of lage prijzen eveneens. En te voren weten ze volstrekt
niet wat ze krijgen zullen, en ze kunnen er hoegenaamd niets aan doen.
Maar bij een ambtenaar met een vast maandelijksch inkomen, is dat
anders; die moet niet dobbelen.”
„Er is toch niets met hem gebeurd?”
„Neen, maar als hij zoo voortgaat, is het t’ avond of morgen
onvermijdelijk. Hij dobbelt en verliest, en is toch altijd in den
laatsten tijd ruim in middelen. Ik vind dat je groot gelijk hebt, hoor,
door overplaatsing te wenschen. Het is hier op de plaats volstrekt niet
goed voor je man.”
Een rilling voer Lucie door de leden; het werd haar vreeselijk
duidelijk: Herman liet zich betalen.... O, dat was wel het
schandelijkste van alles! Onder den druk dier schande boog ze het
hoofd. Zij kon het niet langer uithouden; ’t was te erg.
Mevrouw Willert liet haar eerst een poosje uithuilen, richtte daarna
haar hoofd op, veegde de tranen van haar gelaat en kuste haar.
„Kom,” zei ze met meer aandoening, dan ze had willen doen blijken,
„wees zoo verdrietig niet, kind. Hij is het waarachtig niet waard.”
„Het is ook niet over hem; ik vind het zoo’n verschrikkelijke schande.”
„Ja, fraai is het zeker niet; maar er is voor ’t moment niets aan te
doen; dus houd je goed. Naderhand kan je ’t hem wel inpeperen.”
„Nimmer,” zei Lucie. „Ik wil niets meer met hem te maken hebben.”
Ze hadden elkaar niets verteld; de naam van mevrouw Du Roy was niet
over haar lippen gekomen, maar toch spraken ze er over in de volle
overtuiging, dat zij elkaar volkomen begrepen.
„Eigenlijk,” hernam mevrouw Willert, „is het nog zijn eenige excuus. Ik
dacht eerst, dat hij het had gedaan uit voorkeur, en daar begreep ik
niets van. Nu ik er meer van ben te weten gekomen, is het me
duidelijker geworden; het spel en de schulden hadden hem beet, en die
lieve jongen, die bij jullie in ’t paviljoentje woont, schijnt hem
gebracht te hebben, waar hij wezen moest.”
„Meneer Geerling?”
„Dezelfde!”
„God, God, hoe is ’t mogelijk?”
„Enfin, kindlief, ga jij nu rustig naar huis. Ik zal er Willert straks
over spreken, en ’t zou me al zeer verwonderen, als je niet heel
spoedig verhuisdet naar een gezonder klimaat.”
De gelegenheid om Lucie nader te interpelleeren deed zich voor Geerling
niet dadelijk voor, en hij moest zelf erkennen dat hij er niet hard
naar zocht.
’s Morgens scheen de zaak hem in een ander licht, en gevoelde hij zich
niet zoo geheel onschuldig als ’s avonds te voren. Hij was bijzonder
vroeg op en te gelijk met Van Brakel aan het ontbijt, die in ’t nauwe
éénpersoons-ledikant in de logeerkamer haast niet had kunnen slapen, en
dat juist terwijl hij voor zijn doen bijzonder vroeg was thuis gekomen.
Lucie deed als gewoonlijk haar huishouden, maar haar gezicht was zoo
bleek en stond zoo strak, dat Geerling volstrekt geen lust gevoelde om
met haar in pourparlers te treden.
„Dat is nu een mooie geschiedenis,” zei hij nijdig tegen Van Brakel,
toen zij naar achter was gegaan.
„Hoe dan?”
„Wel, je vrouw geeft mij van alles de schuld, en heeft me op
schrikkelijk onaangename manier zoo goed als het huis ontzegd.”
Van Brakel keek hem aan met een suf gezicht, maar hij zei niets.
„Je begrijpt,” vervolgde Geerling op denzelfden toon, „dat ik er geen
gras over laat groeien. Ik pak mijn boeltje en trek straks naar het
logement. Als ik nu nog hier aan het ontbijt ben, dan is het alleen
omdat ik je het een en ander wilde meedeelen.”
„Och kom,” zei Van Brakel vergoelijkend: „je moet dat zóó niet
opvatten!”
„Die vind ik goed!” riep Geerling met hoog opgetrokken wenkbrauwen en
vol verbazing. „Die vind ik verdomd goed! Moet ik dat zóó niet
opvatten, zeg je! Wel, jij bent een leuke kerel!”
„Wel neen. Doe maar net of je niks hebt gehoord.”
„Merci amice! Dank je feestelijk, hoor! Ik heb er genoeg van, ik ga er
van door. Wees jij gerust je eigen bliksemafleider. Ik bedank voor de
eer en het genoegen.”
Van Brakel glimlachte pijnlijk en loosde een zucht. Het was waar. ’t
Speet hem zeer, dat Geerling nu heenging, maar niet omdat hij van ’t
jonge mensch hield. Hij zag er tegen op nu met Lucie altijd samen te
zijn, en niets te hebben om een houding aan te nemen, dan de kinderen,
die erg verwend en lastig waren. Geerling was altijd een geschikte
figuur om tegen te praten en zoo, als men ’t liever niet deed tegen
elkaar.
„Het staat zoo gek,” zei hij nog. „Men zal er, God weet wat, van
zeggen.”
„Nu ja,” zei Geerling op een toon, die duidelijk te kennen gaf, dat
zulk een argument in den mond van iemand als Van Brakel geen de minste
waarde had.
„Het is niet om mij.”
„Zoo. Nu, mij kan het niet schelen. Ik zal Ceciel wel vertellen, wat er
van is.”
„Je schijnt dus nog steeds bij haar te komen?”
„Alsof je dat niet wist!”
„Neen, ik dacht dat je er mee waart geëindigd. Heb je werkelijk nog
altijd plan, die relatie voort te zetten?”
„Ik begrijp niet hoe je dat bedoelt,” zei Geerling koel en kort.
„Nu ja,” zei thans Van Brakel op zijn beurt.
Maar Geerling stoof woedend op. Hij verbood Van Brakel op die manier te
spreken over een fatsoenlijk meisje, dat het slachtoffer was van een
ongelukkige bloedverwantschap; dat paste hem, die daartoe op een
schandelijke manier het zijne bijdroeg, wel ’t allerminst. Wie iets zei
ten nadeele van dat meisje, wier naam hij zelfs niet in zulk een
dispuut wilde brengen, die kreeg met hem te doen, en die zou er
onderuit moeten komen, zoo hij een man was.
Van Brakel in doodsangst, dat zijn vrouw het zou hooren, trachtte
Geerling te kalmeeren, wat hem eerst met moeite en al zoete broodjes
bakkend gelukte. Maar inwendig was hij woedend. Zoo’n aap, zoo’n
uitgemergelde kwajongen, dien hij kon maken en breken, stond daar tegen
hem op te spelen en aan te gaan! O, als hij niet bang was geweest voor
Lucie, hij zou dat kereltje mores hebben geleerd.
Nog opgewonden ging Geerling naar zijn kamer, waar het weder
emballeeren zijner talrijke bibelots hem ruimschoots gelegenheid gaf te
bedaren. Toen hij klaar was, nam hij een bad, kleedde zich keurig
netjes en ging naar binnen, waar Lucie met haar naaister linnengoed zat
te herstellen.
„Ik wenschte u wel even alleen te spreken, mevrouw,” zei hij bedaard en
beleefd.
Zij zond de meid weg.
„U hebt me gisteravond aangezegd, dat ik zoo spoedig mogelijk een goed
heenkomen moest zoeken, en u ziet dat ik aan uw verlangen dadelijk heb
voldaan.”
„Dat is maar goed ook,” zei ze snibbig. „Hoe eer hoe beter.”
„Ik begrijp wat de reden is van de beleedigende manier, waarop mij door
u de deur wordt gewezen.”
„Ja, dàt geloof ik wel.”
„En ik ben alleen hier gekomen om u te zeggen, dat uw man reeds lang
bij mevrouw Du Roy aan huis kwam, voordat ik het wist, en dat ik hem
meermalen heb aangeraden, zijn omgang met die vrouw te staken en er
niet meer aan huis te komen.”
Zij stond op en glimlachte met minachting.
„Juist, ik begrijp dat. ’t Was anders niet noodig mij met zulke
leugenachtige praatjes lastig te vallen. Ik ben te goed op de hoogte.”
„Mevrouw Van Brakel, ik geef u mijn woord van eer....”
„Ik dank u, meneer Geerling; ik heb uw verzekeringen of eerewoorden
niet noodig; ik weet er alles van. Als u mij niets meer te zeggen hebt,
dan groet ik u, en ik hoop u nimmer weer te ontmoeten.”
Zij was in zulk een opgewonden toestand geraakt, dat het onmogelijk
scheen haar tot een andere opinie te brengen.
Hij haalde de schouders op, maakte even een buiging en ging heen.
Het werden moeilijke dagen om te doorleven.
Lucie zag er slecht uit, al hield ze zich goed. Zij trachtte haar leed
te verzetten met werken en veel drukte en beweging te maken in huis.
Het gelukte haar een beetje. Maar somtijds viel ze op een stoel neer in
haar kamer en keek er versuft rond. Dan scheen het haar, alsof het een
droom was; alsof het niet mogelijk was, dat haar vreedzaam en rustig
huiselijk geluk in zulk een peilloos ravijn te pletter was gevallen.
Van Brakel zag ze haast niet. Als ze geld moest hebben, liet ze ’t hem
vragen, en dan gaf hij het. Ze ontving het met een rilling van
afgrijzen. Wie weet hoe hij aan dat geld kwam! O, als zij geen kinderen
had gehad! Hij vermeed haar. ’s Morgens heel vroeg ontbeet hij, en dan
zorgde zij, dat alles klaar stond, maar zelve verscheen ze niet in de
achtergalerij; daar kwam ze eerst, als zij de bendy hoorde wegrijden;
’s middags rijsttafelde zij met de kinderen zeer vroeg, en hij kwam
eerst tegen twee uren uit de sociëteit met een soms veel te zware
lading bitter in de maag; hij dronk zijn thee in de logeerkamer en zij
achter. In den vooravond ging hij uit en alleen ’s avonds te acht uren
ontmoetten ze elkaar aan tafel.
Zij zag hem niet aan, en als hij een enkele maal trachtte een woord in
het midden te brengen, gaf zij geen antwoord; zoo bemerkte ze ook niet,
dat hij er hoe langer hoe gemeener begon uit te zien, dat zijn gezicht
meer opgeblazen was dan anders en zijn oogen steeds rooder en
gezwollener waren, door het dagelijksch misbruik van spiritualiën, dat
al ’s morgens begon en meestal eerst des nachts eindigde. Hij bespeurde
wel, dat ze vermagerde en bleeker was dan ooit. En dat deed hem
zielsleed, zóó dat hij meermalen zijn uiterste best moest doen om niet
te schreien. Hij was zichzelven niet meer, dan alleen bij het spel. Een
„fijntje” om een gulden het fiche met een oploopenden pot of een
poeterpartijtje, dan wel een partij biljart om een ringit de
carambole—dàt was met een brendy-soda, nog het eenige, dat hem kon
ontrukken aan den invloed van het beroerde leven, en daarom zocht hij
er meer dan ooit zijn troost bij.
Of daar iets kwaads in stak? Het idee kwam zelfs niet bij hem op.
Integendeel, hij vond het onder alle omstandigheden bijna het eenige,
wat een mensch had.