moest het nog overwegen, en hij had ook de zekerheid nog niet, dat het
waar was. Nu was het zijn vrouw niet zoozeer te doen om Van Brakel van
de plaats weg te krijgen. In tegenstelling van haar man mocht ze hem
wel, en hij was ook tegen haar altijd even beleefd en voorkomend
geweest.
Alleen vond zij zijn gedrag nu onvergeeflijk, en het was dááraan dat ze
een eind wilde maken, door Van Brakel eenvoudig zijn overplaatsing te
bezorgen, waarmede zij inderdaad alleen een goede bedoeling had.
Nu haar man had geweigerd, wist ze dat er een zware wijs zou opgaan om
hem van opinie te doen veranderen. Hij hield altijd zoo stijfhoofdig
vast aan eene eenmaal bij hem gevestigde meening. Toch kon zulk een
schandelijke toestand niet blijven voortduren. Zelve ingenieurs-vrouw,
trok zij het zich aan, dat er op de plaats in den betrekkelijk kleinen
kring van Europeesche ingezetenen op die manier over werd gesproken.
Eerst wilde zij naar Lucie gaan en haar waarschuwen. Doch wat was dat
moeilijk! Ze waren volstrekt niet intiem; ze zagen elkaar zoo weinig
mogelijk. En dan een bezoek te gaan afleggen om met zulk een
mededeeling te eindigen. Mevrouw Willert zag er tegen op: het idee
alleen maakte haar zenuwachtig. Neen, dàt was onmogelijk. Ten slotte
schreef zij het briefje met eenigszins verdraaide hand. Het kwam er ook
niet op aan, dacht ze, hoe het gebeurde,—als de arme, jonge vrouw maar
op een discrete manier tot het vermoeden werd gebracht, dat het met
haar man niet in orde was en zij hem in het oog moest houden. Toch woog
die anonieme brief haar zwaar op het gemoed, toen hij verzonden was, en
ze kon niet nalaten nog eens op de praatjes over Van Brakel terug te
komen toen des middags Willert van zijn bureau te huis kwam.
„Wel, heb je er niets nieuws van gehoord?”
„Je bedoelt van Van Brakel? Ja, ik heb het zoo stil mogelijk
onderzocht.”
„En....”
„Wel, ik had mij de moeite kunnen besparen van het langs een omweg te
doen. Het is waar, en iedereen weet het, zooals je van morgen zei.”
„Zie je wel! Zoo’n gemeene kerel!”
„’t Is treurig, dat is zeker.”
„En ge zijt nu niet van plan daar iets aan te doen? Wilt ge er je toe
bepalen het „treurig te vinden?”
„Ik heb je van ochtend al gezegd, dat ik er officiëel niets tegen kan
uitrichten, Hij zou me heel beleefd kunnen verzoeken mij niet te
bemoeien met zijn particuliere aangelegenheden, en hij is daar zeer
zeker brutaal genoeg voor.”
„Maar als ge eens een geheim rapport zondt naar Batavia?”
„Daar houd ik niet van. Ik doe ’t nooit.”
„Je kunt het toch zoo niet laten.... Als we zijn vrouw eens
waarschuwden?”
„Ik? Alsof ze mij dat in dank zou afnemen! Heb jij er misschien lust
in?”
„’t Is waar, Willert, maar iets moet er toch worden gedaan. Hoe denk je
over een brief?”
„Maar kindlief, hoe is het mogelijk? Wat zou dat voor een houding
hebben?”
„Ongeteekend....”
Daar stoof Willert op.
„Doe me één pleizier, hè, en laat het nu hiermee uit zijn. Ik begrijp
niet hoe je aan zoo iets schandelijks kunt denken. Een anonieme brief!
Wel foei, je moest je schamen!”
Schamen deed ze zich niet, want ze was overtuigd met een goede
bedoeling te hebben gehandeld, maar zij begreep wel, dat het zeer dom
zou zijn hem iets te vertellen. Indien hij ’t had goedgekeurd, zou zij
het dadelijk hebben gezegd; nu achtte zei het ’t verstandigst te
zwijgen. Willert kwam zelf op de zaak weer terug.
„Er woont bij hem in ’t paviljoentje een zekere Geerling, een
jongmensch, dat op een handelskantoor is.”
„Ja wel, ik ken hem. ’t Is zoo’n overdreven net manneke.”
„Hm! Nu, die twee doen samen.”
„Hè?” vroeg mevrouw Willert. „Wat bedoel je?”
„Wel, die amuseert zich met een nichtje van die mevrouw Du Roy.”
„Och, zoo!”
Mevrouw moest in zichzelve lachen. Die Willert kon zich toch zoo
zonderling onbeholpen uitdrukken!
Het deed mevrouw Willert aan den eenen kant genoegen, dat ze geen
gevolgen vernam van haar anoniemen brief, schoon het toch pijnlijk was,
van de andere zijde beschouwd, daar zij weldra genoodzaakt zou wezen de
Van Brakels te inviteeren. Haar man was namelijk vijf en twintig jaren
in ’s lands dienst, en ofschoon ZIJ nu niet vond, dat dit een zaak was
om feestelijk te herdenken, stond hij er op; het kon hem niet schelen,
had hij gezegd; iedereen wist en mocht weten, dat hij als intellectueel
ontwikkeld man zichzelven gevormd had; daar was hij trotsch op.
’t Zou een groote partij wezen.
De ambtenaren, die onder Willert dienden, hadden besloten een cadeau te
geven. Er was een vergadering belegd; eerst hadden zich krachtige
stemmen verheven om nu eens niet te doen, zooals iedereen bij zulke
gelegenheden altijd deed; de discussie was lang geweest en hardnekkig,
tot ten slotte was besloten een pièce de milieu te geven en een
prachtalbum met de portretten, een besluit, dat het hart van den
eenigen photograaf ter plaatse van vreugde sneller deed kloppen, toen
hij het des avonds uit de courant vernam.
Het was voor de Willerts een drukke tijd. Van alle kanten regende het
gelukwenschen. Een klerk van den Waterstaat zat dag in, dag uit
adressen te schrijven op enveloppen om kaartjes p. r.; thuis hadden de
bedienden den moed geheel verloren; de sepèn en de binnenjongen hadden
plechtig verklaard, dat als ze zóó hard moesten werken, zij liever
brenti vroegen, een bedreiging, die mevrouw Willert met een portret des
Konings in wel gedepreciëerd, maar toch edel metaal wist te bezweren;
zijzelve was één en al bedrijvigheid en toen de groote dag dáár was,
gevoelde zij zich doodmoe en af; maar het huis was keurig ingericht om
feest te vieren.
Bij al die buitengewone bedrijvigheid had ze in het geheel niet meer
gedacht aan de Van Brakels, en toen ze hen in den stroom van gasten zag
binnenkomen, gunde zij zich geen tijd aan hen te denken, ja scheen haar
op dat gewichtig moment het geheele geval eigenlijk de moeite niet
waard.
„Dag mevrouw,” zei Van Brakel met zijn gewone bonhomie, „mag ik er u en
den hoofd-ingenieur nog vijf en twintig bij wenschen?”
’t Vloog haar door het hoofd, dat ’t jammer was, want hij was toch wel
een goeie, knappe man.
„Dankje,” zei ze. „Apropos Van Brakel, ik moet je in den loop van den
avond even spreken.”
„Heel graag, mevrouw. Mag ik dan meteen een quadrille verzoeken?”
„Ik dacht, dat je niet danste.”
„Het gebeurt me ook zelden; maar op deze partij....”
„Ah zoo!”
Hoe kwam het toch, dacht ze, dat haar man zoo’n hekel aan hem had. Hij
was wezenlijk niet onaardig.
Lucie zag er weer uit om te stelen; zij was niet alleen een knappe
vrouw overdag, maar ze was er nog kaarsmooi bij. Alleen: ze begon
alweder meer en meer haar figuur te verliezen; maar ’t was toch zoo erg
niet, dacht ze, of ze kon nog wel meedansen. Terwijl bij den aanvang
van het feest de dames in de binnengalerij stonden en zaten, en met
haar fraaie kleurrijke toiletten en haar blanke halzen en armen, het
licht nog lichter schenen te maken, hoopten zich in de voorgalerij de
heeren opeen, evenals een veelhoofdige zwarte massa, slechts gebroken
door witte dassen en vesten, en hier en daar bekroond door het
glinsteren van brilleglazen en het blinken van kale hoofden onder het
licht der kroonlampen.
Nu en dan opende zich de massa en verleende doorgang aan nieuw
aankomende families, die de gastvrouw en den gastheer begroetten en
geluk wenschten; dan zagen de dames om naar haar kennissen, en voegden
zich daarbij, terwijl de heeren het gezelschap vóór vergrootten, waar
gerookt en een pousse café gedronken werd.
Eenige valsche tonen door het inlandsche muziekcorps ter plaatse
uitgestooten, waren het sein voor de danspartij. Mevrouw Willert had
liever de schutterijmuziek gehad, welke veel beter was, maar alle dames
die ze sprak, hadden eenparig verklaard, dat het veel lekkerder dansen
was op de „ronzebons”, en dus had zij de zoogenoemde ronzebons dan maar
geëngageerd.
Willert opende het bal met de vrouw van den resident, waarna de
resident volgde met de vrouw van den afdeelings-commandant, welke
laatste dame zich verschrikkelijk verongelijkt achtte, omdat de
Regeering de snoodheid had gehad te verklaren, dat de resident de
préséance had, zelfs al was de afdeelings-commandant een generaal, een
bepaling, welke ook terugsloeg op de positie van de wederhelften dier
autoriteiten. Mevrouw Willert had zich moeten excuseeren; zij kon
onmogelijk mede het bal openen, want er was juist een boodschap van
achteren gekomen, dat een reusachtige schaal met croquetten, die de
voorhoede zouden uitmaken van een wandelend souper, was verongelukt in
de goot, welk feit den leverancier van het souper, die voor de
bediening zorgde, zoo woedend had gemaakt, dat hij bezig was den
schuldigen inlandschen bediende halfdood te slaan.
Behalve dit en enkele kleine ongevalletjes, slaagde overigens het feest
uitmuntend; mevrouw Willert was daar zeer tevreden over, toen Van
Brakel haar kwam vragen voor de beloofde quadrille.
Toen de nummers hunner dansrijen in rust stonden, en mevrouw Willert
gevoelde, dat zij Van Brakel toch een verklaring schuldig was, overviel
haar een gevoel van spijt. Het was haar maar zóó ontvallen, in een
onbewaakt oogenblik; nu ze voor de noodzakelijkheid stond dezen jongen
man te kapittelen over zijn onzedelijk gedrag, schroomde zij te
beginnen, en wist eigenlijk volstrekt niet hoe ze het lastige en teere
onderwerp zou aanvatten. Ze was zelve wel niet zoo jong meer, maar toch
behoorde ze nog volstrekt niet voor een man van omstreeks dertig jaren
tot de „oude dames;” zij was nog zoo diep niet in de veertig, en
daarbij goed bestand gebleven tegen den „tand des tijds.” Zij keek zoo
eens in den spiegel tegenover haar aan den muur. Wel, ze had desnoods
best voor zijn vrouw kunnen doorgaan, vond ze, zonder dat het gek zou
gestaan hebben. Van Brakel was nieuwsgierig. Wat kon mevrouw Willert
hem te zeggen hebben? De gedachte, dat het over de „firma” Du Roy kon
wezen, kwam zelfs in het geheel niet bij hem op.
„U zei in ’t begin van den avond, dat u me wilde spreken”, ving hij
argeloos aan.
„Ja,” antwoordde ze een beetje verlegen, „dat is ook zoo. Maar ik kan
me heusch niet meer herinneren waarover.....”
„Neen,” lachte hij, met het onbezorgdste gezicht van de wereld, „dat
kan ik me best voorstellen. Op zulk een avond en bij zulk een drukte!”
Mevrouw Willert vond zichzelve kinderachtig; komaan, het moest er maar
uit! En een machtige overwinning op haar zenuwen behalend, zei ze
kortaf en snel achtereen:
„Ah ja! Nu weet ik wat het is... Er wordt over u gesproken... Men zegt
dat u zekere relaties hebt, die niet vereerend voor u zijn. Ik
wilde...”
En avant deux! klonk de luide, bevelende stem van den dansmeester; het
waren hun dansrijen, die aan de beurt kwamen.
Van Brakel, bleek, verstomd en in verwarring, bewoog zich voorwaarts in
een cavalier seul, terwijl mevrouw Willert een oogenblik heel alleen
bleef staan in haar rij, maar, zich bezinnend, met een zetje haar
cavalier achternastoof.
Toen ze weer op hun plaats terug waren, na de andere dansfiguur
geregeld te hebben meegemaakt, zei hij niets. Na afloop der quadrille,
bracht hij haar naar haar plaats, boog, mompelde iets van een
dankbetuiging en ging naar achteren. Voor hij zijn plaats aan zijn
speeltafeltje weer innam, ging hij naar het geïmproviseerde buffet en
trachtte met een flesch bier den kemel van mevrouw Willert door te
zwelgen, wat echter niet gelukte.
Dat was, dacht hij, weer die vervloekte kerel, die Willert, die z’n
vrouw had opgestookt! Wat duivel bezielde toch dezen man? Eerst had hij
hem bespionneerd, als hij ’s avonds mee poeterde om een lapje in de
sociëteit, en nu had de gladakker, dacht hij, waarschijnlijk hetzelfde
gedaan, als hij, Van Brakel, naar mevrouw Du Roy ging. Geheel ’t
gesprek vergetend met Geerling en diens mededeeling, dat de „geheele
stad” het wist, schold de ingenieur in gedachten zijn Vorgesetzte voor
al wat leelijk was.
Hij vertoonde zich niet meer dien avond. Wel zag hij mevrouw Willert
herhaalde malen in de achtergalerij, en dan voelde hij, als het ware,
dat ze naar hem keek, maar hij hield zich alsof hij het vreeselijk druk
had met de ingewikkeldste spelen, welke een hombreur in handen kan
krijgen, ofschoon hij tevens zoo gruwelijk slecht speelde, dat zijn
partners hem vroegen „of hij niet lekker was”, dan wel „of hij er nu
heelemaal niets meer van kon.”
Voor geen geld had hij de op die manier aangevangen conversatie met
mevrouw Willert hervat.
Zij, daarentegen, had dat gaarne gewenscht. Nu slechts het ijs gebroken
was, scheen het haar niet moeilijk meer. Inderdaad was ze met opzet
naar achteren gegaan om hem een wenk te geven; maar hij keek niet, en
ze vond het wel een beetje dwaas hem van zijn partijtje af te halen.
„Wel,” zei ze, toen ze weer bij de dansende paren terugkwam, tegen
Lucie, „amuseer je je nogal?”
„O uitstekend. Ik heb haast aldoor gedanst.”
„En hindert het je niet?”
„Och!... ’n beetje; maar soedah!”
„Wees maar voorzichtig, hoor!”
Lucie lachte vroolijk.
„Ik kan er wel tegen. Als ik in die omstandigheden was, heb ik er nooit
last van gehad.”
„Ik weet het niet; ik kan er moeilijk over oordeelen, want ikzelve heb
nooit in het geval verkeerd, maar het komt me toch nogal gevaarlijk
voor.”
Het jonge vrouwtje haalde met een onverschillig gelaat de dikke blanke
schouders op.
„Het kan me niet schelen; ik ben maar ééns jong, en daarvan moet ik
profiteeren.”
„Ga je gang, kind. Wat mij betreft, hoe meer hoe liever. Ik gun je erg
graag genoegen, natuurlijk in de eerste plaats op mijn eigen partij.
Heb je al wat gegeten?”
„Neen.”
„Kom dan mee. Ik heb in al de drukte ook nog niets gehad. Om je de
waarheid te zeggen, heb ik van agitatie den heelen dag haast niets
gegeten, en krijg ik een onaangenaam gevoel in mijn maag.”
„En om u de waarheid te zeggen, gaat het mij ook zoo. Daar ik me
kleeden moest, en dat ’n beetje lang duurde, heb ik Van Brakel maar
zonder mij laten dineeren.”
Zij gingen gearmd naar een der zijkamers. Van Brakel, die juist over
den middel-doorgang zat, zag ze in de verte gaan, en een onaangenaam
gevoel beving hem.
Daar zou zonder eenigen twijfel Lucie op de hoogte gebracht worden, en
daar zou haar, God weet wat nog meer van hem verteld worden; daar zou
je de poppen aan het dansen krijgen! Een pleizierig avondje!
En Van Brakel wischte zich het zweet van ’t voorhoofd; hij had bij
zulke gelegenheden altijd erg veel last van de warmte!
’t Zag er den volgenden dag akelig uit in het anders zoo nette huis van
den hoofdingenieur Willert. Toen mevrouw een inspectie hield over haar
meubilair, kon ze zuchtend de opmerking niet weerhouden, dat in een
geheel jaar de inboedel niet zoo leed als door één feest. Er waren
vlekken in den marmeren vloer, die er uit zag alsof al de gasten vuile
voeten hadden gehad, en die vol strepen was en krassen; de marmeren
bladen harer tafels, knapen en consoles zagen er ook verschrikkelijk
uit; haar achtergalerij geleek wel een verlaten kroeg, zoo morsig was
het van sigarenasch en de bij het openmaken van flesschen en het
inschenken van glazen gestorte dranken; op het gepolitoerde hout van de
speeltafeltjes teekenden zich uitgebeten kringen; hier en daar op den
grond verhief zich en bas relief een plat getrapt saucijzebroodje of
eenig ander eten, waarmede een gast een ongelukje had gehad en dat dus
de ware bestemming niet had bereikt; op het voorerf waren de randen der
gras- en bloemperken door de wielen van rijtuigen geheel verwoest.
Mevrouw Willert was woedend, en dit verergerde nog toen de sepèn haar
met een bedrukt gezicht kwam vertellen, dat het zilver niet compleet
was, maar dat hij het betoel niet helpen kon.
Toen Willert opstond met zware hoofdpijn door de veelvuldige toosten,
die hij, in het gewone leven haast een onthouder, had moeten
beantwoorden en bedrinken, was het eerste, wat hij zag, zijn vrouw, die
in wanhoop nederzat.
„Die doordrijverij van jou ook,” mopperde ze, „om dat malle feest te
vieren! Het is schande zooals mijn arm huis er uit ziet. Het kost niet
slechts een handvol geld, maar het is een ruïne voor ’t huishouden. Zie
me zulk een boel eens aan! En nog gestolen van het zilver ook... wie
weet door wien?”
Hij zei niets en ging stil naar de badkamer, bij zichzelven ook het
feest verwenschend, dat hij zich verplicht had geacht te vieren, dat
hij had doorgedreven tegen den zin zijner vrouw, en dat hem nu zoo
innig katterig had gemaakt, dat het met ziek zijn gelijk stond.
Zij dacht niet meer aan de Van Brakel’s. In geen dagen was mevrouw
Willert met iets anders bezig naar lichaam en geest, dan met het
herstellen van de schade aan haar huis en inrichting door dat feest
toegebracht, en eerst toen alles weer geheel in orde was en even keurig
netjes als altijd, gevoelde zij zich in staat aan dit feest terug te
denken, zonder verbittering of nijd.
Het was ook waarlijk niet noodig geweest, dat zij zich met de
aangelegenheden van Van Brakel inliet. Er was niets meer dat Lucie niet
wist. Zij had zich wezenlijk vermaakt op de partij. Den volgenden dag,
toen zij vermoeid en met pijn in de beenen op een divan lag uit te
rusten, nadat ze tel quel het huishouden had gedaan, dacht ze nog met
genoegen terug aan het heuglijk feit, dat ze zoo flink had gedanst en
zulke prettige conversatie had gehad. Zij werd in haar herinnering
gestoord door een brief, dien haar baboe binnenbracht: een koelie had
dien afgegeven. En in dien brief stond ruw weg, dat haar man „het hield
met mevrouw Du Roy L’Exant;” het adres dezer „dame” stond er bij, en
verder, dat Van Brakel, twee avonden in de week, dat wel eens nachten
werden, bij die vrouw doorbracht. Lucie werd onder het lezen bevangen
door een koortsig gevoel van kou; ze twijfelde niet aan de waarheid;
zonder zich rekenschap te kunnen geven van het wáárom, besefte zij dat
dit niet gelogen kon zijn; het verband tusschen dezen ook ongeteekenden
brief, schoon van geheel anderen stijl en handschrift, en den eersten
was haar thans duidelijk. Het was waar: Herman bedroog haar. Allerlei
kleinigheden, die zij sedert eenigen tijd als terloops had opgemerkt,
kwamen haar thans voor den geest, als zooveel bewijzen, dat het waar
was: de eigenaardige geuren soms van zijn kleederen; kleine voorwerpen,
waarvan hij zich nooit een liefhebber had getoond, en waaraan hij nooit
behoefte had gehad, kocht hij zich tegenwoordig; zoo had hij, die
gouden sieraden voor een man altijd poenerig had genoemd, tegenwoordig
een gouden ring en gouden manchetknoopen; nu herinnerde zij zich, dat
hij vroeger weleens lachend had gezegd, dat de lui in de sociëteit
nooit later wilden blijven dan een uur of twee, en het gebeurde
tegenwoordig wel, dat hij tot vijf uren uit bleef. Waar was hij dan?
Zij had hem vertrouwd, ten volle; hij had haar alles ter wereld kunnen
wijsmaken, zonder dat zij ooit aan de waarheid zijner woorden zou
hebben getwijfeld.
En het was juist dàt wat haar zoo smartelijk trof; hij had dat
vertrouwen lafhartig misbruikt en de gemakkelijke gelegenheid
aangegrepen om haar voor te liegen en te bedriegen. Het scheen haar
toe, dat, als hij eerlijk was voor den dag gekomen met de verklaring,
dat hij niet langer van haar hield, maar van een ander, haar dit niet
zóó verschrikkelijk zou hebben aangegrepen, als thans.
Nadat zij zóó eenigen tijd doelloos starend op den divan gezeten had,
kwamen de tranen, en weende zij lang; toen de tranen de smart hadden
verlicht, volgde de verontwaardiging. Zulk een gemeene kerel, dacht ze;
zoo’n huichelaar, als hij was! Juist in den laatsten tijd had hij
allerlei attenties voor haar, en terwijl hij bij die andere vrouw kwam,
toonde hij zich tegenover haar soms zoo.... Neen, maar dàt zou niet
meer gebeuren; dàt in der eeuwigheid niet!
Zij zou hem nog niet toonen, dat ze alles wist; neen, ze wilde eerst de
zekerheid hebben; ze wilde overtuigd zijn, dat het waar was, en
tegelijk met het vaststellen van deze gedragslijn, kwam de wensch bij
haar op om die vrouw te zien; om te weten hoe het schepsel er uit zag,
dat er in was geslaagd Herman haar te ontrooven.
Van Brakel lette er niet op toen hij ’s middags thuis kwam, dat Lucie
er ontsteld uitzag en hem nauwelijks antwoordde, terwijl zij deed alsof
ze het met haar huishoudelijke bezigheden erg druk had. Den vorigen
avond, na afloop der partij bij Willert, had hij gevreesd, dat de bom
zou barsten, maar reeds onder het huiswaarts rijden zag hij, dat hij
zich weer had vergist en zijn vrouw van niets wist, hoegenaamd.
Nu ze wèl wist, bemerkte hij dat niet. Men ging aan tafel, en hij, die,
als naar gewoonte, in de sociëteit eenige bittertjes had genoten,
voerde het woord alleen en praatte over allerlei onbelangrijke dingen
en bemoeide zich met de kinderen, die, met weinig zorg opgevoed, alles
tegen hem zeiden, wat hun voor de kleine mondjes kwam, waarmee hij zich
dan kostelijk vermaakte.
„Ga je niet slapen?” vroeg hij, na het eten.
„Neen.”
„Nou, ik wel! Kom, ik zou ook maar een dutje pakken.”
„Neen, ik heb naaiwerk, dat af moet.”
„Kom,” herhaalde hij op gerekten toon, en wilde haar meetrekken.
Maar ze weerde hem af. Op een anderen dag, nu niet. Nu moest ze iets
afmaken voor den kleinen jongen. Hij moest maar slapen gaan en een
beetje vroeg opstaan, want zij had wel trek in een wandeling dien
namiddag.
’t Viel hem wèl een beetje tegen, maar niet erg. Vroeger zou hij met
dat naaiwerk geen genoegen genomen en zich het recht voorbehouden
hebben zelf te oordeelen over den spoed van de verschillende
werkzaamheden, doch tegenwoordig luisterde dat zoo nauw niet.
„Roep me dan tegen vier uren,” zei hij.
„Als je dan maar dadelijk opstaat, anders ga ik alleen.”
Hij lachte er om.
„Nu, ik zie jou al wandelen, alleen!”
Lucie was zenuwachtig; toen hij zijn kamer was binnengegaan, liep ze
doelloos rond in de achtergalerij; nu en dan rolden haar tranen langs
de wangen, die ze snel afwischte, soms met haar zakdoek, dan weer
gedachteloos met een punt harer kabaja; tegen halfvier baadde zij, en
daarna wekte ze haar man. Van Brakel stond dadelijk op, greep, zooals
hij dat gewoon was, een handdoek en stormde met verwilderde haren en
een rood gezicht naar de badkamer, waar hij dan wel een half uur bleef
rondplassen om zich te verfrisschen en de laatste vapeurs van de
ochtend-bittertjes te doen verdwijnen.
Toen hij terugkwam, wandelde Lucie reeds gekleed op het voorerf.
„Wat heb je toch ’n haast,” riep hij haar toe. „’t Is pas kwart voor
vijven.”
„Ja, in den donker wandel ik niet.”
„Nu, ik zal me ook haasten, hoor! In een wip ben ik gekleed.”
Dat was hij ook, maar ten koste van menigen zweetdroppel, en toen hij
naar buiten kwam, scheen het effect van zijn bad reeds geheel verloren.
„Het is gruwelijk warm de laatste dagen.”
„Ja, het is erg warm.”
„Het baden brengt ook geen verfrissching.”
„Neen, het water is niet eens koel.”
’t Was het oude, eeuwige thema van Europeanen in Indië: de warmte, en
nog eens de warmte. Zoo spraken zij al voortwandelend over koetjes en
kalfjes, en hij lette er niet op, dat zij intusschen de richting
aangaf, en nu eens rechts, dan links omsloeg, terwijl hij achteloos
meeliep.
Plotseling stond hij stil. Als ze doorliepen, kwamen zij voorbij het
huis van mevrouw Du Roy, en dat wilde hij niet. Het zou te gek zijn!
Hij wist bovendien, dat als bij toeval die „dame” aan het hek stond,
zij in staat was de een of andere familiariteit te begaan.
„We moesten maar teruggaan.”
„Waarom?”
„Wel, we zijn al een heel eind opgeloopen; het is zoo warm.”
„We kunnen nog best een eindje wandelen.”
„Pff!... God, het is zoo vreeselijk benauwd, Luus! Laat ons toch liever
teruggaan.”
„Kom, kom! zoo erg is het niet. Het schijnt wel, dat je altijd alleen
naar huis verlangt als je met mij uitgaat.”
Na frappeerde hem wel die zonderlinge toon, waarop zij sprak en die
haar anders nooit eigen was, maar aan de ware reden dacht hij zelfs nu
nog niet. Hij had zich een min of meer bepaalde voorstelling gemaakt
van een mogelijke ontdekking door Lucie van zijner relatie met mevrouw
Du Roy; daar kwam een scène van, meende hij, met tranen en verwijten,
met de bedreiging, dat zij van hem wilde scheiden, en verder met een
eindeloos twisten en standjes maken.
Hij kon nu moeilijk weigeren verder te gaan, indien zij er zoo op
gesteld was.
„Hoe flauw!” zei hij knorrig. „Alsof ik niet altijd bereid ben met je
uit te gaan, wanneer en zoolang je maar wilt.”