voor ons; wij zijn gedwongen wèl te blijven met tante Du Roy, maar het
is ten koste van zóóveel, dat het mij ten minste te zwaar wordt.”
Deze plotselinge wending van het gesprek sloeg Geerling geheel uit het
veld; maar de vertrouwelijke toon, waarop zij sprak, boezemde hem
belangstelling in. Hij wist niet wat te antwoorden.
„Zij is altijd zóó geweest,” ging Ceciel voort, in dienzelfden toon en
dicht bij Geerling voortschrijdend. „Reeds als jong meisje speelde zij
zoo’n rol. Later, toen ze met oom Du Roy trouwde, dacht de familie, dat
het beter zou gaan, maar ze bedroog hem ook, en na zijn dood.... nu,
dat ziet ge,” eindigde zij zuchtend. „Maar zij is rijk, en dat zijn wij
niet. Pa en ma hebben verplichting aan haar; dáárom moeten wij zulke
vernederingen ondergaan; daarom kwam ik van avond bij haar, terwijl ik
wist, dat er die gemeene Van Brakel was.”
Er waren tranen in haar stem, en, naar de beweging, welke zij met haar
zakdoek maakte, ook in haar oogen.
Het was, vond Geerling, uiterst moeilijk en zeer onverwacht. Hij had
alles eer verwacht, dan zulk een deugdzame métamorphose. ’t Viel hem om
den drommel niet mee! Zoo spraakzaam en vroolijk hij was, waar hij
meende dat steken los waren aan het kleed der braafheid, zoo onbeholpen
was hij, nu plotseling bleek, dat er geen torntje te vinden was. Want
de ongereptheid scheen hem onbetwistbaar. Aan een dom te kennen gegeven
eerbaarheid had hij geen geloof geslagen, maar de correcte en toch
eenvoudige wijze, waarop Ceciel hem met half bedwongen smart, de
familie-verhouding had uiteengezet, liet, naar zijn opvatting, geen
twijfel aan de waarheid toe. Adieu plaisirs! dacht hij met een zucht.
Dat Indië was me toch ook een land! Men sprak van avonturen! Hij wilde
dan wel eens weten, waar die te zoeken waren. Nu ja, Van Brakel bij die
weduwe van veertig jaar. Maar anders? Hij, Geerling, had tot nog toe
niet veel anders ontmoet dan Indische dames, die hem erg geblaseerd
toeschenen, en Europeesche, die zich erg in acht schenen te nemen.
Trouwens, er was, naar zijn opinie, al bitter weinig gelegenheid in een
land, waar de huizen bijna geheel open waren, zoodat het was alsof de
menschen op straat leefden, en waar men ten overvloede altijd een of
meer bedienden in het oog liep. En dan de warmte!
Terwijl hij zwijgend voortwandelde naast het mooie meisje, dat zich
bitter beklaagde over haar tante Du Roy, ging dat alles den
teleurgestelden jonkman door het hoofd. Neen, heilig dan Holland! Daar
kon men toch anders pret hebben! Hoe heerlijk leenden zich Amsterdam en
Den Haag voor allerlei genoegens, stille zoowel als luidruchtige. En
hoe welwillend waren er de burgermeisjes voor nette jongelui, die
trakteeren konden op mooie cadeautjes en lekkere snoeperij! Hij had
daar ook gewoond op gemeubileerde kamers. Maar wat was dat gezellig! De
jonge dochters van zijn hospes brachten hem ’s morgens zelf het ontbijt
op zijn kamer. Het hinderde immers niemand! Meestal trouwden ze toch
naderhand met iemand uit hun stand, zonder dat onbescheiden hanen naar
vroeger gekakel kraaiden. Hier in Indië kreeg men des morgens zijn
eigen ongewasschen huisjongen te zien, en als men een conquête wilde
maken, dan was dat heel gemakkelijk, mits men zich wilde bepalen tot de
„kleine vrouw” en men de hulp inriep van den zilveren standaard; het
bi-metallisme kwam dan vanzelf!
„Ik begrijp het nu,” zei Geerling met een zucht. „Maar u houdt mij ten
goede, dat ik het te voren niet begreep.”
„Och, ik neem het u niet kwalijk. De meeste menschen verdenken mij,
omdat ik het ongeluk heb een tante te bezitten, die zoo raar.... is.
Het is heel ongelukkig, maar het is niet anders.”
Geerling kreeg medelijden. Wat drommel, als ze een fatsoenlijk meisje
was—en daaraan twijfelde hij nu niet meer—dan was het toch ook
vervloekt hard.
„Het is onaangenaam,” gaf hij toe, „doch u moet het u niet aantrekken.
Er is nu eenmaal niets aan te veranderen.”
„Helaas, neen!”
„Welnu, zet u dan er over heen. U bent veel te jong en te mooi om over
zulke dingen verdriet te hebben.”
„Het is juist dàt wat het erger maakt; indien ik oud was en
leelijk....”
„Neen, dat is waar!”
„U ziet bovendien aan uzelven, waartoe het leidt.”
Verlegen zweeg hij, en beet op zijn kneveltje.
„Of wilt u soms beweren, dat uw handelwijze van hedenavond voor mij een
vereerend blijk van vertrouwen was?”
„Drommels, neen, juffrouw Ceciel,” zei hij in verwarring. „U hebt
gelijk. Neem het mij niet kwalijk.... Als ik vooruit had geweten....
Maar u zult mij moeten toegeven, dat men niet alles te voren weten kan.
De schijn....”
Ze lei haar hand vertrouwelijk op zijn arm.
„Ge behoeft u niet te verontschuldigen, meneer Geerling. Ik weet het
immers wel, en ik neem het u niet kwalijk.”
Ze stonden voor de deur harer woning, die open was; er brandde nog
licht, schoon mama reeds naar bed was en alleen een bediende de wacht
hield.
Hij zag haar fraai gevormde blanke hand op zijn arm en hij zag ook haar
mooi gezichtje in het zachte licht. Heer in Den Haag, wat was het toch
eeuwig jammer, dat het nu dáárop moest uitloopen! ’t Was een beeldje,
vond hij.
„Ik zal toch,” zei hij, „het genoegen hebben u nog wel eens te zien?”
„Och waarom?”
„Wel.... wel....” het was satansch moeilijk er een behoorlijk antwoord
op te geven. „Wel, ik vind u zoo beminnelijk .... zulk een engel.”
Wat was het toch lastig tegenover zoo’n „fatsoenlijk” meisje geen mal
figuur te maken!
„Een engel,” zei ze glimlachend. „Een engel en.... te degradeeren.”
„Neen, waarachtig niet. In ernst juffrouw Ceciel, ik denk aan zoo iets
niet. Ik hoop dat u gelooft....”
„Ik weet het niet, ik weet niet of ik u kan gelooven.”
„Gerust. Laat mij u ’n visite komen maken bij uw oudelui.”
Ze scheen te aarzelen.
„Soeda, ik zeg ja noch neen, adieu.”
Zij stak hem de hand toe.
Heel graag had hij haar een kus gegeven, iets, vond hij, dat zelfs was
overeen te brengen met het fatsoen, doch hij deed er zelfs geen poging
toe.
In haar kamer zat Ceciel nog lang te pikiren. Zij was over zichzelve
tevreden. Als hij nu kwam, zou ze wel verder zien; kwam hij niet, dan
had zij zich in geen geval gecompromitteerd en kon hij niets dan goeds
van haar zeggen. Hij was haar meegevallen. Ze had wel eens meer van die
ontmoetingen gehad, en dan hadden de teleurgestelden altijd getracht de
vrije liefde te verdedigen, die voor te stellen als de onschuldigste
zaak ter wereld, en, ondanks al haar redeneeren, allerlei pogingen
aangewend om hun doel te bereiken. En als ze het vruchtelooze van hun
praatjes ten slotte inzagen, dan waren ze na de plechtigste
verzekeringen hunner liefde, heengegaan en nimmer teruggekomen.
Geerling had zich fatsoenlijker gedragen, dat stond vast. Of hij zou
terugkomen was niet te zeggen, maar zoo er ooit iemand épris was
geweest van haar, dan was het dit jonge mensch, meende zij.
Lucie sleet haar leven in een kalme eentonigheid, die haar echter niet
hinderde en waaraan ze gewoon was. In den laatsten tijd was het met den
berenstrijd zeer gunstig gesteld, en dat verheugde haar, hoe licht zij
overigens dien strijd ook tilde. Als ze geld te kort kwamen, dan had ze
maar te spreken, en Herman gaf het haar. Wat zou ze meer verlangen? Ze
behoefde tegenwoordig Geerling niet meer lastig te vallen, en dat was
te aangenamer, omdat hij van zijn kant niet meer zoo erg voorkomend en
gedienstig was. Hij bleef niet meer napraten als het diner was
afgeloopen, maar ging ook uit. Nu, dat deed haar pleizier, want dan kon
ze naar bed gaan. Maar toch had het haar aandacht getrokken. En wat
haar ook bevreemdde was het gedrag van Herman. Niet het feit, dat hij
tegenwoordig weleens thuis kwam als het ochtendschot viel,—een uurtje
vroeger of later in den nacht hinderde haar niet. Aan zijn
uithuizigheid was ze gewoon; niet aan zijn ingetogenheid. Doch ook
dáárover beklaagde zij zich niet; haar natuur was passief van aard. Zij
was een huismoedertje; en daar zij die bestemming meer dan voldoende
had bereikt, waren haar wenschen vervuld en vroeg zij ’t leven nog
slechts om een bescheiden deel van genot; veel zou haar niet eens
hebben gesmaakt.
Hoe Van Brakel aan geld kwam? Wel, ze dacht er nooit over na: het waren
zijn zaken; als zij maar kreeg wat ze noodig had, dan achtte zij zich
verder niet gerechtigd hem te vragen uit welke bronnen hij putte.
En toch overviel haar op zekeren dag een geweldige vrees.
„Dat is een leelijk geval met den ingenieur Enne, hè?” zei Geerling aan
tafel.
„Ja,” antwoordde Van Brakel, „’t spijt me voor hem; hij was ’n beste
vent en uitstekend op de hoogte.”
„Dat hoor ik algemeen zeggen. Het is geen kleinigheid ook.”
„Neen, vijf en twintig mille is een mooie som.”
Verwonderd keek Lucie haar man aan.
„Waar heb je het over? Wat is er gebeurd met Enne?”
„Hij heeft een tekort in kas,” zei Van Brakel.
„Je hebt me er niets van verteld.”
„Ik had het vergeten.”
„Er moet nogal aardig gestolen zijn, meen ik zoo,” zei Geerling, „want
het heele werk was maar twee ton.”
„Twee en een halve,” verbeterde Van Brakel.
„Maar dat doet er niets toe: het is en blijft een even beroerde zaak.”
Zij praatten er op door, doch Lucie zei geen woord meer. Er was haar
plotseling een verschrikkelijk denkbeeld voor den geest gekomen. Het
gebeurde haar niet elken dag, dat ze een eigen idee had, maar als dat
voorviel, dan overrompelde het haar ook geheel. Waarom had Herman haar
dat verzwegen, hij, die anders dadelijk al dergelijke dingen aan zijn
vrouw vertelde? Ver van het vermoeden, dat dit verzuim was te wijten
aan de omstandigheid, dat zij niet meer zoo geheel en al zijn vrouw
mocht heeten, zag zij een mogelijk verband tusschen die
achterhoudendheid en de ruimte van geld in de laatste maanden. Zij kon
niet eten; het was alsof ’t haar in de keel bleef steken.
„Hoe is het,” vroeg Van Brakel, toen ze haar vork neerlei, „smaakt het
je niet vandaag?”
„Neen, ik heb niet veel eetlust.”
„Heeft het verhaal van Enne dien bedorven?” vroeg Geerling zonder erg.
Zij trok de wenkbrauwen samen en zag den jongen man bijna angstig aan.
„Waarom vraagt u dat?”
Hij was er verwonderd over.
„Och, zoo maar. Het is heel onpleizierig, als men zulke dingen hoort.”
„Ja, het is verschrikkelijk!”
Van Brakel gevoelde zich niet op zijn gemak. Het was hem thans
duidelijk, dat zijn vrouw had nagedacht; hij verweet zich zijn
onvoorzichtigheid, het was verkeerd geweest zich zoo coulant te toonen;
maar hij had het gedaan uit goedheid, om haar in zekeren zin schadeloos
te stellen; het moest haar ten slotte toch bevreemden, dat hij niet
meer klaagde over geldgebrek, zijn schulden betaalde enzoovoort. En nu
vreesde zij, dat hij zich ook had vergrepen aan ’s Lands gelden; dat
ook hij de verleiding niet had kunnen weerstaan. Hij wilde haar gerust
stellen. Bovendien was het een fraaie gelegenheid om een kranig figuur
te maken, en die mocht hij niet ongebruikt voorbij laten gaan.
„Wat hadt je toch daar straks?” vroeg hij toen ze alleen waren.
„Niets.”
„Dat is maar gekheid. Er was wel iets. Iets dat je erg hinderde, zoodat
je er niet van eten kon.”
„Och neen, het was niets.”
„Wees nu niet kinderachtig en vertel het me.”
Ze keerde zich naar hem toe, bleek en met de oogen vol tranen, sloeg
haar armen om zijn hals en zei weenend:
„O Herman, het is niets!”
„Een mooie manier om te bewijzen dat het niets is,” zei hij lachend.
„Wil ik je wat zeggen?” En zijn mond bij haar oor brengend, fluisterde
hij: „Je bent bang, dat ik evenals Enne mijn kas heb nagezien.”
Ze kon het niet ontkennen, al begon zij zich reeds over het vermoeden
te schamen.
„Nu,” ging hij voort, terwijl hij haar eerlijk gezicht in beide handen
nam en haar in de betraande oogen zag: „maak jij je maar niet ongerust,
hoor Luus. Bij hetgeen wij uitgeven is geen cent gestolen geld, noch
van ’t Gouvernement, noch van iemand anders.”
„Goddank!” zei ze en toen hij heenging—het was zijn avond bij mevrouw
Du Roy—kuste ze hem als het ware met dankbaarheid. Ze had niet verder
gevraagd; ze had ook niets verder willen weten. Of hij bij het spel had
gewonnen, of misschien een cadeau in geld had geaccepteerd van een
aannemer, of op welke andere wijze hij aan het geld kwam,—zij bemoeide
er zich niet mee. Als het dàt maar niet was. Want het eerste was
uitstekend, en dat was het laatste nu wel niet, maar daar waren er zoo
veel, die zich smeren lieten, zonder dat het hun ooit in eenig opzicht
nadeel had gedaan.
Terwijl Lucie zich gereed maakte om haar gewone nachtrust te nemen,
dacht ze zoo daarover na, en dribbelde van het eene vertrek naar het
andere. Zij nam één voor één de kleintjes eens op met een zekere
bedoeling, waaraan de slaapdronken kinderen als werktuiglijk voldeden.
Zij had nog honger, nu de brok van schrik uit haar keel was verdwenen;
ze ging nog even naar de achtergalerij, waar juist een bediende zijn
blaastalent aan het uitdooven der lampen wilde wijden. Er was nog wel
het een en ander in de kast, om de schade in te halen.
Een paar minuten later deed zij zich gemoedelijk te goed aan een
miniatuur hutspot, toen de looper van het postkantoor de brieven
bracht. Als ze naar bed was, schoof hij ze gewoonlijk maar onder de
voordeur naar binnen, maar nu de man licht had gezien, bracht hij ze
achter. Hij lei ze met een „Tabeh njonja, pos njonja!” op de tafel en
ging. Toen ze gegeten had, keek ze eens op de adressen, of er geen
brief van haar vader bij was. Doch dat was het geval niet.
Toch zag ze er een aan haar adres van een fijne vrouwenhand. Het
poststempel was van de plaats. Wat kon dat wezen? Lucie opende het
couvert; met verbazing zag zij dat de brief geen aanhef had en geen
onderteekening droeg.
„Mevrouw L. Van Brakel-Drütlich wordt in haar belang en in dat van haar
man ten dringendste aangeraden hem van zijn nachtelijke uitstapjes af
te houden. Het is nooit veel zaaks, wat mannen des nachts buitenshuis
doen, maar als mevrouw Van Brakel-Drütlich niet oppast, dan zal zij
vooral de grootste huiselijke onaangenaamheden krijgen, ten gevolge van
het uitloopen van haar man, die zich aan een slecht levensgedrag
schuldig maakt.”
Daar! dacht Lucie; daar kwamen waarlijk die ongelukkige geldquaestie en
de speelzucht van Herman weer in een anderen vorm op het tapijt; de
vrees voor finantiëele moeilijkheden was nauwelijks de deur uit of ze
kwam door ’t venster naar binnen.
Wat was het nu weer? Had hij weer veel verloren in de laatste dagen en
opnieuw schulden moeten maken?
Maar dan zou hij het haar toch wel gezegd hebben! Zij had hem nooit
aanmerkingen gemaakt. En bovendien: hij was tegenwoordig volstrekt niet
slecht bij kas. Hoe kon ze zich daarover ook bezorgd maken! Het was
lasterlijke verdachtmaking, anders niet. Wat ging het een ander aan of
hij wat laat in de soos bleef en daar gaarne een partijtje maakte? Het
was, vond zij, voor velen te wenschen, dat ze waren zooals hij. Een
oogenblik stond ze op het punt ’t briefje te verscheuren, maar daartoe
kwam ze toch niet. Zij nam het mee naar haar kamer en lei het tusschen
haar kabaja’s in haar kast. Meer en meer drong zich de overtuiging bij
haar op, dat het laster was, maar toch kon ze er niet van slapen.
Toen ze evenwel den volgenden dag Van Brakel zag, zoo kerngezond en
vroolijk als altijd, verdween ’t laatste spoor van bezorgdheid, en ze
besloot hem ’t maar te vertellen.
„Het schijnt,” zei ze lachend, „dat jij tegenwoordig fraaie stukjes
uithaalt.”
Hij stond verstomd en kreeg een kleur.
„Hoe.... bedoel je dat?”
„Ja, ja, je denkt maar dat ik van niets weet, omdat ik altijd thuis ben
en weinig menschen zie.”
„Wat bedoel je dan, Lucie?”
„Nu, houd je maar zoo onnoozel niet, ik weet het toch.”
Wanneer de klapperboomen op het erf een polka waren gaan dansen of zijn
paarden een lied van Schubert hadden aangeheven, had hij door verbazing
niet erger getroffen geweest kunnen zijn, dan thans. Ze wist HET toch,
en.... ze sprak daar zóó over, op luchtigen, lachenden toon!
„Zeg me dan toch, wat je meent.”
„Och niets, vent. Niets anders, dan dat ik een anoniemen brief heb
gekregen.”
Nu werd Van Brakel zoo wit als een doek. Zij had een anoniemen brief
gekregen!
„En?”
„O, hij is allesbehalve vleiend voor je; maar ik wil hem je toch wel
laten lezen.”
Hij liep haar na, naar haar kamer, en rukte als ’t ware het papier haar
uit de hand.
Een zucht van verlichting ontsnapte hem, en in een oogenblik was hij
weer meester van zichzelven. Hij knikte langzaam met het hoofd, haalde
de schouders minachtend op en lachte.
„Wel, het is heel mooi.”
„Wie zou het geschreven kunnen hebben?”
„Het is een dameshand,” zei hij, het schrift haast met welgevallen
bekijkend. „Weet je wat ik denk?”
„Nu, wat dan?”
„Dat de vrouw van een der leden van ons partijtje vruchteloos heeft
beproefd haar man thuis te houden en nu tracht de anderen tot
wegblijven te nopen, opdat haar man, bij gebrek aan medespelers,
vanzelf thuis blijft.”
„Hemel, dat is best mogelijk,” zei Lucie.
„Welzeker. Nu, als jij er op gesteld bent, Luus, wil ik ’s avonds wel
bij je thuis blijven zitten, als je me maar tot ’n uur of één
gezelschap houdt, want vóór dien tijd kan ik niet slapen.”
„Ik dank je hartelijk, hoor! Ga jij gerust in de soos zitten homberen;
ik moet veel te vroeg op, en ik heb het veel te druk om zoo laat naar
bed te gaan.”
Toen Van Brakel dien dag uitging, liep hij direct naar het postkantoor
en verzocht voortaan alle brieven voor hem of zijn vrouw maar aan te
houden; hij zou ze ’s morgens wel door een bediende laten afhalen.
Hoezeer hem deze maatregel een gevoel van gerustheid gaf, was hij toch
zeer ontstemd over dien brief. Wie zou de laaghartigheid hebben gehad
hem te verraden? Vruchteloos ging hij in gedachten hun kennissen na;
niet één harer rechtvaardigde het vermoeden, dat ze zoo boosaardig
wezen zou. Want hij zag er niets goeds in. Slechts een streven om twist
en tweedracht te zaaien, om een ongelukkig huwelijk te maken.
Bah! Wat had men toch een gemeene lui in de wereld!
Hij vertelde het aan mevrouw Du Roy, en deze ging een licht op. Het
hinderde haar reeds lang, dat Van Brakel in zulke goede termen bleef
met zijn vrouw. Niemand, dacht ze, kon twee heeren dienen, en dus kon
niemand het ook twee dames doen. Ze had al eens spottend daarop
gezinspeeld, en dan zag ze heel goed dat Van Brakel zich daarover boos
maakte; dat hij een houding aannam, alsof zij sprak over iets, waarover
zij niet spreken mocht. Ook hinderde het haar, dat hij altijd pertinent
weigerde een woord te zeggen over zijn vrouw. Een stil vermoeden had
ze, dat zijzelve eigenlijk niets anders was en bleef dan een
noodzakelijk kwaad, waarvan zich Van Brakel zekerlijk graag, hoe eer
hoe liever, zou afmaken, als hij maar kon; dat haar persoonlijkheid ten
slotte niets meer voor hem was, dan een verhoogde rente van geleend
geld. Zij kende mevrouw Van Brakel wel, en toen ze haar den eersten
keer zag in een toko—’t was nog vóór ze Van Brakel geld leende—toen had
ze met één oogopslag gezien, dat die blonde vrouw met haar eenigszins
onverschillig uiterlijk aantrekkelijke eigenschappen moest hebben.
Thans besefte zij dat levendiger dan ooit. Hoe schoon ze ook zelve was,
met haar zuiver profiel, haar fraaien lichaamsbouw en prachtige
haren,—ze voelde zich nog altijd overwonnen, en dat ontstemde haar
geweldig.
Van Brakel’s verhaal hoorde zij zwijgend aan, en het bevestigde haar
opnieuw, hoe hij voor moeilijkheden met Lucie terugbeefde, als voor het
ergste, dat hem kon overkomen. Zijn eerste angst, zijn vreugde toen hij
zag dat niets was ontdekt; zijn spoed om maatregelen tegen herhaling te
nemen,—zij gevoelde heel goed, waaruit dat alles voortsproot: zij
begreep, dat ze hem haast geen grooter dienst zou kunnen doen, dan door
te zeggen, dat ze genoeg van hem had en hij niet behoefde terug te
komen.
Een oogenblik had ze er lust in, maar zij verwierp het plan dadelijk.
Als ze daartoe overging, dan zou hij ook tevens weten, dat hij onder
haar plak stond; dan zou die genegenheid voor zijn vrouw op hem
gewroken worden, al zou het hem ook zijn betrekking kosten. Eigenlijk
was voor haar al veel van de aardigheid af. Van Brakel was haar in het
geheel niet meegevallen! Ze vond hem een man van geusurpeerde
reputatie; iemand die zijn krachtig uiterlijk en zijn antecedenten geen
eer aandeed. Had zij op het moment ander gezelschap op het oog gehad,
dan had ze hem met genoegen laten gaan. Dan, van de eenzaamheid was ze
zeer afkeerig.
„Zij is een gansje,” antwoordde ze lachend, toen Van Brakel zijn
verhaal eindigde.
„Ze kon toch de waarheid niet ruiken.”
„Dat niet. Maar iedere vrouw, die een man vertrouwt, is een domme gans
en waard dat ze bedrogen wordt.”
„Nu ja, da’s ook wat moois!” zei Van Brakel. Hij had haar graag het
bekende spreekwoord van den waard en diens gasten naar het hoofd
geworpen, maar hij durfde niet.
„Wat moois! Het is een waarheid die je bovendien zelf bewijst. Kijk
eens, Herman. Ik houd heel veel van ’n man, ja, maar het is gemeen
volk, zie je, en die er een bedriegt, verdient een stoel in den hemel.”
Het vervulde hem met afschuw haar zóó te hooren spreken. Was dat nu
taal voor een vrouw? Enfin, het was er dan ook een vrouw naar!
„Laten we er niet verder over spreken. Het is Goddank alweer voorbij.”
„Goddank?” zei ze spottend.
„Ja zeker.”
„Heere, heere, wat zit je er toch over in, dat zij het zal te weten
komen!”
„Natuurlijk.”
„Zoo, vindt je dat natuurlijk? Weet je hoe ik het vind? Ik vind het
laf.”
Zij stond vlak voor hem, met haar gezicht dicht bij het zijne, ’t Was
of haar oogen gloeiden van kwaadheid; haar lippen zagen wit en om haar
mond vertoonden zich de trekken, die haar leeftijd markeerden. Van
Brakel werd niet boos; hij bezag haar met aandacht en vond haar
leelijk.
„Kom,” zei hij kalmeerend, „maak geen ruzie; wat heb je daaraan; het
dient immers nergens toe?”
Zonder te antwoorden ging ze haar kamer binnen en dronk een glas water.
Wat een kerel! Ze had hem een lafaard genoemd, en hij gaf haar niet
eens een klap! Hij zei: „Maak geen ruzie; wat heb je er aan.” Wat waren
mannen toch voor wezens! Als hij haar een pak slaag had gegeven, zou ze
hem gerespecteerd en liefgehad hebben.
Nu verachtte zij hem; maar zij zou ’t hem wel inpeperen!
Toen ze weer achter kwam, was hij aan de tafel gaan zitten en las in
een courant.
„Je hebt eigenlijk gelijk,” zei ze, „waarom zouden we ruzie maken?”
Het deed hem maar half genoegen; hij had wel gewenscht, dat het tot een
vreedzame scheiding ware gekomen; tot een soort van modus vivendi,
waarbij zij zich van haar kant verbond hem noch om geld noch om
genegenheid lastig te vallen; wat dan van zijn kant zou komen, stond
hem niet recht duidelijk voor den geest.
Maar zij dacht daar niet over; ze had geheel andere plannen, en ze had
ook geduld genoeg om te wachten tot het geschikte moment dáár zou zijn
om die plannen uit te voeren.
Hij had er geen oogenblik langer aan gedacht, de hoofdingenieur
Willert; toen hij den opzichter den mond sloot, meende hij inderdaad,
dat de man lasterde. Van veel had hij Van Brakel kunnen verdenken, maar
daarvan niet. Zelfs toen eenige weken later zijn vrouw met een
verslagen gezicht vroeg:
„Heb je dat gehoord van dien Van Brakel,” had hij met eenige ergernis,
vermoedende wat het wezen zou, gezegd:
„Neen, ik heb niets van hem gehoord.”
Willert had zoo zijn eigenaardige opvattingen. Het scheen hem toe,
alsof men hem door kwaadsprekerij in het harnas wilde jagen tegen
iemand, die zijn sympathie niet had, en daartegen moest hij zich
verzetten.
„Het is anders geen geheim, de heele stad weet het.”
„Maar kindlief, wat weet dan de heele stad?”
En nu volgde het verhaal, dat, eenige overdrijving daargelaten, groote
overeenstemming opleverde met de werkelijkheid. Het viel niet te
loochenen, vond Willert, dat, zóó bezien, het een schijn van waarheid
had. Ware mevrouw Du Roy arm, dan zou hij het denkbeeld dadelijk hebben
verworpen; maar juist de omstandigheid dat zij gefortuneerd was,
sterkte de verdenking.
„Ik weet niet,” zei Willert, „of ik het kan onderzoeken. Met welk recht
kan ik mij in die zaken mengen, als ik er officiëel niet mede in
aanraking kom?”
„Je kunt toch wel zorgen, dat hij wordt overgeplaatst.”
„Ja.... zie je.... ook dat vind ik niet gerechtvaardigd. Als ambtenaar
is hij hier zeer goed op zijn plaats.”
„Kom, kom,” zei mevrouw, die, waar het zulk een aangelegenheid betrof,
het zwak had van alle dames en het officiëele niet van het particuliere
wist te onderscheiden, „dat is maar gekheid. Hij is hier niet op zijn
plaats. Een ingenieur, die zulke dingen doet, moet weg.”