Zij ging hem met haar nichtje vóór naar den stal. Geerling keek overal

rond, en raakte, liefhebber van „roerende goederen” als hij was, in een

oogwenk opgetogen. Hij putte zich uit in complimenten. Het was zóó

keurig! Alles zag er zoo magnifique uit! Net een mannetje, dacht ze, op

een der plaatjes in La vie parisienne, een tijdschrift, waarop ze

geabonneerd was en dat ze dolgraag las.

’t Waren mooie paarden, die de weduwe op stal had. Ze mocht er gerust

een complimentje voor hebben, wat de bezoeker haar trouwens niet

spaarde.

Toen hij zijn naam had genoemd, werd mevrouw Du Roy veel vriendelijker.

O, zij kende zijn familie heel goed; ze had zijn vader gekend, toen ze

nog jong was; ze kende zijn ooms en tantes, die allen in Indië waren

geweest, maar reeds voor jaren naar Amsterdam terugkeerden. Zij wist nu

meteen, dat hij geen gewoon geëmployeerde, maar een gefortuneerd

jongmensch was, en voor geld had zij eerbied. Na de bezichtiging der

paarden werd hem in de achtergalerij een stoel aangeboden en een glas

limonade met ijs gepresenteerd, dat hij gaarne aannam.

En daar hij den tijd had, of liever dien nam, als ’t hem conveniëerde,

bleef hij zitten praten, zich amuseerend met tante en nicht, die

waarlijk geen van beiden verwerpelijke schepselen waren, vond hij. Doch

de nicht won het toch verre in zijn oogen; ze leek sprekend op haar

tante, maar haar jeugd en frischheid had zij vóór. Hij maakte haar erg

het hof, en zij liet het zich gaarne welgevallen, zóó zelfs dat ze hem

vergunde den volgenden dag terug te komen om nog een glaasje limonade

te drinken.

Toen hij heenging en naar zijn kantoor terugwandelde, bespeurde hij dat

de gangen van Van Brakel hem veel minder interesseerden, dan den

vorigen avond, en het hem nog slechts weinig kon schelen in hoever deze

al dan niet mevrouw Du Roy frequenteerde.

Maar niettemin wilde hij zekerheid hebben, en toen het diner ’s avonds

bij de Van Brakels was afgeloopen, en de huisheer, als naar gewoonte,

dadelijk na de vruchten opstond om heen te gaan, stond Geerling ook op.

„Ik loop zoo ver met u mee,” zei hij.

„Goed,” antwoordde de ingenieur, wien het gezelschap maar half

aanstond. „’t Gebeurt anders niet veel, dat je na het eten nog trek

hebt om uit te gaan.”

„Neen, maar ik wil me er voortaan toch aan wennen.”

„Wordt je zóó’n sociëteitlooper?” vroeg Lucie.

Hij glimlachte en keek Van Brakel aan, die ongeduldig met zijn rotting

tegen zijn schoenen stond te slaan.

„Dat denk ik niet. De sociëteit kan mij niet bekoren. Ik doe het meer

om te wandelen.”

„Zoo, dus als gezondheidsmaatregel?”

„Voor de digestie behoef je het anders niet te doen,” zei Van Brakel

spottend: „je eet bijna niets.”

„Waarschijnlijk zal het uitgaan mijn eetlust bevorderen.”

Van Brakel vond het verduiveld lastig. Hij had mevrouw Du Roy beloofd

haar dien avond te bezoeken en nu was hij wel genoodzaakt eerst naar de

sociëteit te gaan om van dien Geerling af te komen. Maar daar liep hij

alle kans gelijmd te worden voor een partijtje, en het zou moeilijk

zijn zich daarvan af te maken.

Geerling had zeer goed den weerzin opgemerkt, waarmede de ingenieur

zich zijn gezelschap getroostte. Zwijgend wandelden zij voort.

„Ik heb van ochtend een niet onaardige visite gemaakt,” zei Geerling

eindelijk.

„Zoo?”

„Ja. Ik ben bij twee dames geweest en heb bij haar limonade met ijs

zitten drinken in de achtergalerij.”

Het was, vond Van Brakel, toch een kinderachtige kerel! Wat was dat nu

voor bijzonders, een glaasje stroop te drinken met twee dames! Hoe

flauw om zich daarop te beroemen. Nu, als hij eens bluffen wou....!

„Het is een gevaarlijk avontuur,” zei hij lachend. „Ik hoop dat het

geen verdere gevolgen voor je zal hebben.”

„Dat weet ik niet. Hopen doe ik het wel. Verbeeld je: ’t was een tante

en een nichtje. ’n Heel lieve tante en ’n allerliefst nichtje.”

„Zoo!” zei Van Brakel weer, maar ditmaal op een toon, alsof hij wilde

zeggen: houd nu den mond maar; de flauwiteit maakt me onpasselijk.

„Men zegt,” vervolgde Geerling op een bijzonderen toon, „dat er

gelukkigen zijn, die het voorrecht hebben de dames op aangenamer tijd

te bezoeken dan op den heeten middag; ten minste de tante.”

In de duisternis fronsten zich de wenkbrauwen van den ingenieur en zijn

hand omklemde den rotting met kracht. Wat wilde die kwajongen

insinueeren? Zou hij, die bij hem in huis woonde, weten....... Van

Brakel bedwong zich en vroeg op kalmen, onverschilligen toon:

„Hoe heeten die dames?”

„Het nichtje heet van haar voornaam Ceciel.”

„En de tante?”

„Nu ja!”

Het zweet parelde Van Brakel op het voorhoofd. Nog altijd hield hij

zich goed, en vroeg op verstoorden toon:

„Wat moet dat beteekenen?”

Maar Geerling was niet te overbluffen. Eerst lachte hij even, daarna

floot hij zacht, stiet Van Brakel aan met zijn elleboog en zei:

„Laat ons wèl zijn,”

Wat moest hij doen? dacht hij. Met genoegen zou hij ’t jonge mensch in

zijn stevige knuisten hebben genomen en hem een half uurtje op den

bodem van de kali hebben gehouden. Aan brutaal ontkennen viel niet te

denken. Hoe was het toch mogelijk? Nog geen vier malen had hij het

„genoegen” gehad een avond-visite te brengen ten huize van de weduwe Du

Roy, en reeds was alles bekend tot in zijn eigen huis.

„Hoe weet je het?” vroeg hij zacht en als het ware benauwd.

„’t Werd op ’t kantoor verteld.”

„Anders niet?”

„Welzeker. Eerst wilde ik het niet gelooven en sprak het tegen

omdat....”

„Jawel.... Verder?”

„Daarna hoorde ik het nog van verscheiden kanten.”

„Och, kom....”

„Op mijn woord. Je kunt me gerust gelooven; iedereen weet het.”

Van Brakel hield niet op, zich het gelaat met den zakdoek af te

wisschen.

„En.... wat wordt er gezegd?”

„Wel.... men vond het nogal dwaas.”

„Anders niet?”

„Ja, wat zal ik je zeggen? Hoe wil men er nog anders over oordeelen,

ten minste onder heeren? Het is immers geen schande!”

„Neen, dat zou te gek zijn.”

Goddank, dacht hij, dat men het alleen maar dwaas vond; dat zou het ook

geweest zijn, als die vervloekte geldquaestie....

„Och,” ging hij voort, „men kan alles zoo niet zeggen.”

„Neen.... natuurlijk niet.” Geerling dacht een oogenblik na. ’t Was

waar! Wie weet was mevrouw Van Brakel niet zelve de oorzaak, dat haar

man elders zijn troost zocht.

Doch Van Brakel had nog iets op het hart, dat er, nu het ijs in zoover

was gebroken, allernoodzakelijkst af moest.

„Zou je denken,” vroeg hij geheimzinnig en bijna fluisterend, terwijl

hij Geerling zoo dicht naderde, dat hun schouders elkaar raakten, „zou

je denken dat mijn vrouw er iets van vermoedde?”

„Wel neen! Hoe kom je op dat idee?”

„Als, gelijk je zegt, iedereen het weet....”

„Dan weet zij het niet. De meest betrokkenen komen altijd in de

allerlaatste plaats achter dergelijke zaken.”

„Dus je gelooft het niet?”

„Mijn waarde heer, ik zou in allen ernst durven zweren, dat ze er geen

flauw idee van heeft.”

„Dat is gelukkig; het zou verschrikkelijk zijn.”

Geerling trok de wenkbrauwen op en keek hem verbaasd aan. Wat was dat

toch een rare kerel! Waarom zou dat nu zoo verschrikkelijk zijn? Het

zou een huiselijke scène geven, die, meende hij, weer voorbij zou gaan

en Van Brakel toch weinig kon deren.

„Zóó erg zou het niet wezen!”

„Dat zou het wèl, Geerling,” zei Van Brakel overtuigend, „dat zou het

wèl. Soedah, laat ons er maar niet verder over spreken. Bij gelegenheid

leg ik je dat wel eens uit.”

Het jonge mensch was er volstrekt niet nieuwsgierig naar. Wat kon hem

dat alles schelen? Hij had alleen ten doel in de gelegenheid gesteld te

worden zoo spoedig mogelijk in nadere relatie te komen met Ceciel, de

rest was bijzaak.

„Ga je er heen van avond?”

„Ik moet.”

„Neem me mee.”

„Och, ik zou wel willen, maar wat heb je er aan? Ceciel is er toch

niet.”

„Maar die woont toch in de buurt; me dunkt het is nog niet laat; haar

tante kon haar best nog voor een uurtje laten halen.”

Het was voor Van Brakel geen gemakkelijke taak. Daar hij niet begreep

onder welk motief hij op dit uur Geerling ten huize van mevrouw Du Roy

kon introduceeren, had hij het verzoek gaarne afgewezen. Wat zou zij

zeggen? Zou ze niet ernstig boos wezen? Aan den anderen kant zag hij

wel in, dat na de pas gedane confidenties, het gevaarlijk was ’t

dringend verzoek van Geerling te weigeren.

„’t Is een lastig geval,” zei hij. „Hoe kan ik je nu meenemen? Wat moet

ik als reden van je bezoek opgeven?”

„Reden? Wel niets. Ik zie wel, dat je aan je coup d’essai bent. Net als

ik heb gedacht. In een geval als het uwe, doet een man wat hij wil,

zonder er rekenschap van te geven.”

„Je hebt gemakkelijk praten,” zuchtte Van Brakel. Voor den drommel, hij

kon het jonge mensch nu toch ook niet gaan vertellen, dat hij bij

moeder Du Roy onder finantiëele verplichtingen stond.

„Wat gemakkelijk praten? Kom, wees nu niet kinderachtig en neem me mee.

Ik verzeker je, dat ik niet lastig of indiscreet zal wezen.”

„Heb nu nog een paar dagen geduld, dan ga ik er weer heen, en dan

beloof ik je, dat je meegaat.”

Maar de jonge Geerling wilde geen geduld hebben. Hij zag niet in dat

het ergens toe dienen kon. Als Van Brakel hem maar met een of ander

praatje binnenbracht, dan zou hij, Geerling, zijn „smoesje”, zooals hij

het zeer schilderachtig noemde, wel verder zelf maken.

De ingenieur hoorde hem met verbazing aan. Geerling sprak met de

zekerheid en het zelfvertrouwen van een man van ervaring, en dáárvoor

was hij toch nog te jong. Hij moest ten slotte wel toestemmen, schoon

het niet zonder zorg was, dat hij zijn commensaal meenam over het nette

erf en met hem ter zijde van het huis naar achter ging.

Mevrouw Du Roy kwam reeds met de loffelijkste bedoelingen hem uit de

achtergalerij te gemoet, toen ze verbaasd stilstond en met groote oogen

nu eens naar Van Brakel en dan weer naar het haar bekende jonge mensch

keek.

„Mag ik u meneer Geerling voorstellen?” begon Van Brakel eenigszins

stotterend.

„Niet noodig, niet noodig!” viel deze in, met den hoed in de hand en

een sierlijke buiging. „Ik had reeds het genoegen mij aan mevrouw en

aan mejuffrouw haar nicht voor te stellen, U neemt het mij hoop ik niet

kwalijk, maar toen ik van avond hoorde, dat meneer Van Brakel u voor

zaken moest spreken, kon ik de gelegenheid niet laten passeeren, maar

verzocht dringend hem te mogen vergezellen. Ik hoop, mevrouw Du Roy,

dat u het mij ten goede zult houden. De welwillende ontvangst, die mij

in uw charmante woning ten deel mocht vallen.... de aangename

conversatie.... de lieflijke persoonlijkheid van uw nichtje.... enfin

mevrouw: me voilà. Nogmaals: duid het mij niet ten kwade.”

Zoo’n kwekkelaar! dacht ze, maar niettemin glimlachte ze, gaarne

gevleid als ze was.

„Komt binnen,” zei ze, hen voorgaand in de achtergalerij, waar de hond

van Van Brakel, die er thuis was, zich gemakkelijk op een rotanstoel

had uitgestrekt. „Wel, ik heb niets tegen uw bezoek, meneer Geerling;

alleen zult u het gezelschap moeten ontberen van Ceciel, want die is er

niet.”

„Helaas! zou daar niets aan te doen zijn?”

Verwonderd had Van Brakel stil geluisterd, terwijl hij zijn dienstpet

op zijn wandelstok zette en dezen in een hoek plaatste. Welk een

brutale vent was dat commensaaltje van hem! En dat scheen waarachtig

goed te gaan. Hij viel maar dadelijk met de deur in huis!

„Wel neen,” antwoordde mevrouw Du Roy. „Ik kan haar niet hier

tooveren.”

Zij was aan ’t smalle eind gaan zitten van de groote eettafel en

Geerling had familiaar een stoel genomen en was aan het hoekje bij haar

komen zitten, met zijn ellebogen op de tafel en zijn beide handen tegen

elkaar voor zijn gezicht.

„Ik weet niet of u tooveren kunt.”

Zij lachte.

„Wel, wel, zie ik er dan uit als een toovenaarster?”

„Dat weet ik niet. Het is al naar ’t geen men daaronder verstaat. Een

betooverend mooie vrouw als u, moet ook kunnen tooveren.”

Van Brakel fronste de wenkbrauwen. Niet dat hij zoo verliefd was op

mevrouw Du Roy, maar hij vond toch dat Geerling wel wat ver ging. Zij

zag, dat het den ingenieur niet beviel; dat deed haar innig veel

pleizier.

„Kom,” zei deze tot het jonge mensch, „zeg nu maar waar het op staat.”

„Dus er bestond een afspraak?”

„Dat nu niet. Maar hij is dol van Ceciel en nu is eigenlijk de heele

quastie, dat hij je wil vragen om haar nog ’n uurtje hier te laten

komen.”

„O zoo, is het dat!”

„Dat is het,” vervolgde Geerling spottend, „en u doet het, nietwaar? U

hebt wel medelijden met een armen jongen, die zijn hart heeft verloren

en zijn oog heeft laten vallen....”

„Schei uit,” riep ze lachend. „Als je nog verder gaat, schiet er op ’t

laatst niets meer van je over.”

Ze vonden het alle drie aardig en lachten een trio.

„Nu, ik zal eens zien. Beloven dat ze komt, kan ik niet. Het is de

vraag of de oudelui het willen hebben. Mijn zuster is soms heel lastig

van humeur.”

De zuster van mevrouw Du Roy en de moeder van Ceciel was volstrekt niet

lastig van humeur, en liet integendeel het meisje volkomen doen wat ze

wilde, gelijk zijzelve dat altijd had gedaan.

Toen het leitje van mevrouw Du Roy kwam, zaten moeder en dochter te

lezen; de vader, een gewezen scheepskapitein, was reeds naar bed; de

goede man had sedert vele jaren de vaste gewoonte, om als te acht uren

het diner was opgedaan, een bord soep te eten, daarna op te staan, zijn

vrouw en dochter een „goeden nacht, samen” toe te wenschen, om

vervolgens, zooals hij het noemde, „onder zeil” te gaan.

De beide dames zaten te lezen.

„Het is voor jou,” zei mama, ’t leitje aan haar dochter overreikend.

„Van wie?”

„Van tante Nel.”

„Wat wil ze?”

„Ze vraagt of je komt.”

„Nu nog? ’t Is al zoo laat.”

„Er is visite. Ze schrijft, dat er een zekere Geerling ook is.”

Haastig greep Ceciel het leitje. Drommels, die was er vlug bij, vond

ze, en ze glimlachte met groote zelfvoldoening. Ze zou gaan, zeker; zij

was er het meisje niet naar om zulk een schoone gelegenheid ongebruikt

voorbij te laten gaan. Geerling was iemand van fatsoenlijke familie en

hij had geld. Persoonlijk was hij haar volmaakt onverschillig. Zij was

niet amoureus van aard, en hoezeer zij ook op haar tante mocht

gelijken,—in dàt opzicht bestond tusschen die twee een hemelsbreed

verschil.

Het meisje sloeg een blik in het rond en zuchtte. Onder andere

levensomstandigheden zou zij zich de moeite niet hebben gegeven een

japon aan te trekken en tien huizen ver te loopen om een jongmensch te

ontmoeten, dat haar totaal onverschillig was. Doch als ze zoo rondzag

in de vierkante binnengalerij, waar ze met haar moeder zat, dan voelde

ze diep, dat ze niets onbeproefd mocht laten om zich te ontrukken aan

zulk een doodelijke omgeving. Buiten op den onbestraten Indischen weg

wierp een petroleum-lantaarn een flauw schijnsel, zoo flauw dat de open

vensters uit de helder verlichte galerij gezien groote zwarte vlekken

schenen. Geen rijtuig reed voorbij; slechts nu en dan zwiepte een

vervallen dogcar langs het huis. Nijdige muskieten gonsden om haar

ooren, of gingen op hun kop staan en staken de angels door het weefsel

der fijne kabaja in haar blanke huid. Het licht der lampen schitterde

in eentonige verblindheid op de witte muren en de marmeren bladen der

tafels, en reflecteerde in de grijs geverfde zoldering, waarvan de

breede, zwarte naden tusschen de planken en de veel te talrijke, niet

meskant bezaagde balkjes van slordigen bouw getuigden; alles

dilettanten-werk! Rond den rotanmat op den vloer, kwam een breede rand

roode tegelsteenen uit, door de vocht gevlekt en dof gevlamd en bij het

lamplicht in één toon uitloopende met den geteerden rand onder aan den

muur, waarboven zich in vuilgeel en vaalgroen allerlei fantastische

figuren van uitgeslagen vochtigheid teekenden. Zij zag dat alles nu

niet in zijn onderdeden, maar ze kende het al jaren, en ze onderging

den verschrikkelijken invloed der eentonigheid en der doodelijke

verveling van zulk een omgeving. Haar moeder zat tegenover haar een

roman te lezen en sprak geen woord. Zij was een goede vrouw, maar des

avonds na het eten las zij geregeld elken avond in een roman en hoe

ouderwetscher en hoe aandoenlijker die was, hoe liever. Soms zag Ceciel

een paar groote tranen onder haar moeders bril uitvloeien en teekenden

zich de trekken van den leeftijd door het medelijden scherper af op het

gelaat; als dan het meisje spottend vroeg: of het zoo erg roerend was,

dan kreeg zij slechts een afwijzend gebaar tot antwoord, en las mama

ijverig voort over de verschrikkelijke lotgevallen eener denkbeeldige,

arme, ongelukkige, verleide, verlaten en verstooten Clothilde of

Amaranthe of van een miskenden en gepijnigden door verdriet verterenden

Eduard of Adolf.

Zij wilde weg uit zulk een archi-saaie omgeving. Daar mochten haar

vader en moeder, die een vroolijke jeugd achter den rug hadden,

genoegen mee nemen, zij bedankte er feestelijk voor; zij zou niets

onbeproefd laten om weg te komen, mits op een hoogst fatsoenlijke

manier. Dat het verbazend moeilijk zou zijn, begreep ze. Bij haar

ouders kwam nooit iemand aan huis, zoodat er geen gelegenheid was met

anderen kennis te maken, en van de eigenaardigheden van tante Du Roy

was zij niet gediend; als ze niet van haar had moeten erven, zou ze er

nooit aan huis gekomen zijn.

Ceciel was nu de twintig gepasseerd; ofschoon ze niet onbesproken was

gebleven, was ze toch in waarheid een fatsoenlijk meisje. En dat

verkoos ze te blijven, want het was haar ernstig verlangen een

behoorlijk huwelijk te doen. Ze had zooveel modder zien dwarrelen in

haar familie, dat zij er een diepen afkeer van gevoelde. Trouwen wilde

ze met een man van fatsoenlijke familie; met iemand, die, als hij in

Europa kwam, zijn vrouw in nette kringen kon brengen, waar men

fashionabel en comfortabel leefde. Het kon haar niet schelen of hij

jong zou zijn of reeds van gevorderden leeftijd, mooi of leelijk, rijk

of niet bemiddeld, bruin of blond,—als hij voor zichzelf maar een

goeden naam had en zijn familie in Europa net en fatsoenlijk was. Tot

nog toe was het haar niet gelukt, en de vrees voor het lot van den

kieskeurigen reiger, die eerst niet wou kiezen uit den plas, omdat de

vischsoorten hem te ordinair waren, maar die zich ten slotte moest

behelpen met een vorsch, sloeg haar wel eens om het hart.

Want er was dikwijls genoeg aanzoek gedaan om haar hand, zooals te

begrepen was van een mooi meisje met geld. Maar ze bedankte voor een

man, aan wiens naam een verchristelijkt inlandsch geurtje was, of voor

een pursang met een Amsterdamschen of anderen plaatselijken tongval, of

voor een Indischen jongen met een omgekeerden naam. Van dat alles was

Ceciel niet gediend. Zij wist precies wat ze wilde; alleen was het haar

nog niet gelukt den waren Jozef te bemachtigen.

Geerling kon uitstekend in aanmerking komen. Zoowel in Europa, dat wist

ze, als in Indië was zijn familie in deftige burgerkringen geacht.

Bovendien had hij alles vóór: zijn fortuin, zijn jeugd, zijn uiterlijk,

zelfs ondanks wat geaffecteerdheid en dansmeesterachtige pedanterie.

Dat hij bij tante Du Roy kwam, en nog wel in den avond, was een veeg

teeken. Zij begreep wel, hoe hij daar was gekomen en dat was zoo goed

als een half mislukken harer plannen. Maar zij mocht, vond ze, de

gelegenheid niet laten voorbijgaan, te minder daar ze zelf volstrekt

geen gevaar liep er eer of deugd ook maar voor een greintje bij in te

schieten. Zij was een flink meisje met een helder verstand; er waren

een half dozijn jongelui op de plaats, waarvan de eerste de beste zou

geaccepteerd zijn, wanneer hij zich als ernstig pretendent had

aangemeld, en onder hen was ook Geerling. Maar zij vreesde geen

tête-à-tête met een hunner. Volstrekt niet! Ze was er zelfs zeker van,

dat geen hunner zich ongepaste vrijheden zou veroorloven.

Ceciel had een mooie lichte japon aangetrokken, een bloem in ’t haar

gestoken en was in een half uur bij mevrouw Du Roy, waar ze met een

vriendelijk gezicht binnenkwam, haar tante kuste, Geerling glimlachend

de hand reikte en Van Brakel, met een blik vol minachting, die hem

hoogst onaangenaam trof, in de gelegenheid stelde haar vingertoppen aan

te raken.

Geerling ijlde naar een stoel, en zette dien klaar voor Ceciel;

dadelijk schoof hij er naast en ving een druk discours aan, waarvan ’t

hem echter spoedig zwaar viel de kosten alleen te dragen.

Mevrouw Du Roy maakte voor de heeren een grog en veroorloofde zich

daarbij als in het voorbijgaan allerlei actes de possession tegenover

Van Brakel, nu eens door op zijn schouder te leunen, dan weer door hem

bij den voornaam te noemen. De ingenieur, nog in zijn leerjaren, keek

dan telkens onwillekeurig naar Geerling, alsof hij vreesde, dat die het

zien en hooren zou; maar deze lette alleen op de mooie Ceciel, terwijl

hij zich uitputte in aardigheden, en met gulzigen blik de som opmaakte

van haar bekende en vermoedelijke bekoorlijkheden. Zij was vriendelijk

en glimlachte hem tegen; maar uit de plooi kwam ze toch niet. De

dubbelzinnigheden verdroeg ze stil, en zij deed alsof zij niets daarvan

bemerkte. Soms deed tante Du Roy er aan mee, maar Ceciel sloeg er geen

acht op.

Zoo zat men een uurtje bij elkaar; de vrouw des huizes begon de

ongelegen visite vervelend te vinden; Van Brakel vond ze ergerlijk;

Ceciel zat op heete kolen, en zelfs Geerling, hoe ook opgetogen van

bewondering, bespeurde dat er iets gênants begon te komen in het

gezelschap.

„Kom,” zei het meisje opstaand, „’t loopt tegen elf uren, ik ga naar

huis.”

Mevrouw Du Roy loosde een stillen zucht van verlichting.

„Ja, kind,” zei ze, „anders krijgen we het met mama aan den stok.”

„Mag ik zoo vrij zijn?” vroeg Geerling zijn hoed nemend, alsof hij

vond, dat de vraag slechts voor den vorm was, en het antwoord niet

anders dan toestemmend kon wezen.

„Als het u genoegen doet,” antwoordde Ceciel. „Wat mij aangaat, is het

waarlijk de moeite niet waard. In vijf minuten ben ik thuis.”

Bij het heengaan groot betoon van hartelijkheid van den kant van

Geerling, met een blik aan Van Brakels adres, die duidelijk te kennen

gaf, dat ze nu beiden eigenlijk pas en bonne fortune kwamen; van de

zijde van Ceciel dezelfde onaangename teruggetrokkenheid tegenover den

ingenieur.

„Ik vind haar een onuitstaanbaar nest,” zei hij, toen de jongelui weg

waren.

„Wel, ’t is mijn schuld niet, dat je haar hier hebt ontmoet! Waarom

bracht je dien jongen mee? Je wist vooraf dat ’t er hem alleen om te

doen was Ceciel te ontmoeten.”

„Het is gemakkelijk gezegd. Ik kon onmogelijk van hem afkomen.”

Mevrouw Du Roy keek vreemd op.

„Niet van hem afkomen?”

„Neen. Hij woont bij mij in ’t paviljoentje.”

„Och, zoo.... en?”

„En hij vertelde me heel kalm, dat hij wist waar ik heen ging.”

Zij barstte los in toorn. Nog nooit had ze zoo’n gemeen babbelnest

gezien! Geen vinger kon men in de asch steken of Jan-en-alleman had er

’t zijne over te zeggen. Het was een schandaal! Het was beter, dat

iedereen zich maar bemoeide met zijn eigen zaken, dan had hij genoeg te

doen. Maar ze roerden liever bij een ander het vuil, opdat men den

stank van het hunne niet ruiken zou.—Op dat chapiter was ze volmaakt

thuis en eenmaal aan den gang, openden zich de sluizen harer

welsprekendheid en stortte zij in een eindeloozen woordenstroom de

fiolen van haar toorn over de plaats harer inwoning uit.

Van Brakel knikte nu en dan toestemmend, en sprak, waar hij er kans

toezag, een enkel hartig woordje mee. Zij had groot gelijk, vond hij;

het waren precies zijn ideeën; vroeger had hij nooit geloofd, dat er

zooveel kwaadsprekerij in de wereld bestond, maar nu was hij tot de

overtuiging geraakt, dat het zoo was.

„Maak je er niet zoo kwaad om,” zei hij vriendelijk tot mevrouw Du Roy,

die bleek zag van woede, wat haar volstrekt niet leelijker maakte. „Het

volk is het wezenlijk niet waard.”

„Dat is het ook niet,” stemde zij toe, de lampen in de achtergalerij

uitdraaiend, „maar ik kan mij er toch woedend om maken.”

„Het is een heerlijke avond,” zei Geerling toen hij met Ceciel het erf

afliep. „Een mooie donkerblauwe sterrenlucht. Hoe zoudt u er over

denken, als we eens een half uurtje gingen toeren?”

„U hebt niet eens een wagen.”

„Och, daar is gemakkelijk aan te komen, hier op den hoek bij den

rijtuigverhuurder.”

„Dank u. Ik ga regelrecht naar huis.”

„Toch niet.”

„Zeer zeker. Het spijt me, dat u tante hebt overgehaald, mij dat leitje

te schrijven.”

„Spijt u dat wezenlijk zoo erg?” vroeg hij verwonderd en teleurgesteld.

„Ja. Niet omdat ik u ontmoet heb, maar omdat ik daardoor in gezelschap

ben gebracht met dien Van Brakel.”

„Hij is toch zoo kwaad niet!”

H. van Brakel, Ing. B.O.W. · 第 4 / 16 段