begrijpt u dat ik mijn geld niet renteloos kan uitleenen.”
Renteloos! Wie sprak van renteloos! Neen, maar dat was zoo klaar als de
dag! Hij had het niet eens renteloos willen hebben. Integendeel, ze
moest een goede rente hebben, dat begreep hij opperbest, en in het
aangenaam vooruitzicht uit den momenteelen nood te worden geholpen,
weidde hij uit over de risico’s, die zij liep, wanneer ze hem geld
leende, dat het scheen alsof hij zichzelven beschouwde als de
incarnatie van insoliditeit.
„Ik zal je behandelen als mijn broer,” zei ze glimlachend en met een
coquette zijbeweging van het hoofd. „Maar ik kan je op ’t oogenblik
niet meer geven dan duizend.”
Alle moeilijkheden, die zich nog konden voordoen, waren voor het
oogenblik verdwenen. Hij volgde haar in een kamer, waar een kleine
schrijftafel stond, schreef er een schuldbekentenis, ingericht naar een
renteberekening van anderhalf percent ’s maands, en kreeg de belofte,
dat hij binnen drie maanden het bedrag te leen zou krijgen, dat hij
noodig had om van alle schulden vrij te komen.
Toen hij het huis verliet, drukte hij haar met groote innigheid de
hand. Als hij gedurfd had, zou hij haar gekust hebben, en al zag ze er
niet uit, alsof ze daar iets tegen had, hij durfde niet; maar in zijn
dankbetuigingen was hij zeer overvloedig, en in den toon zijner stem
trachtte hij instinctmatig die teederheid en dat gevoel te leggen,
welke hij berekend achtte op dit van nature toch reeds gevoelig
weduwen-hart indruk te maken.
Het geld zat in zijn borstzak; hij voelde er nog eens naar, toen hij
het nette erf afliep, in zooveel aangenamer stemming als hij ’t was
binnengegaan. Bij den uitgang keerde hij zich nog eens om en groette.
Zij stond in de voorgalerij en knikte hem vriendelijk toe; hij was,
dacht ze, bepaald een flink en knap man; een beetje gezetheid stond hem
goed, en dan vond ze zijn opgeruimd, vroolijk gezicht en zijn blonden
krullebol zeer aardig.
Hij dacht niet langer aan de weduwe Du Roy toen hij eenmaal op den weg
was. Alleen nam hij zich voor er niets van te zeggen tegen Lucie. Wie
weet of ze niet jaloersch zou zijn; de vrouwen zijn zoo raar! De
opzichter kreeg prentah zich hoegenaamd niet in te laten met het brugje
van „die dame.” Van Brakel zei de laatste woorden met opzet op een
toon, als sprak hij van een zeer voornaam mensch; dat de opzichter aan
zijn knevels trok om zijn lachen te verbergen, ontging den ingenieur;
hij had het veel te druk met eigen zaken om op ondergeschikten veel
acht te slaan.
’t Was waarlijk een buitenkansje; hij spoedde zich naar den tokohouder,
die beslag had gelegd, en betaalde een groot gedeelte, waarop deze per
telegram zijn aanvraag introk; des middags kreeg Lucie haar
huishoudgeld, en ’s avonds kwam hij welgemoed en met geld in den zak in
de sociëteit een partijtje maken.
Toen Van Brakel dien ochtend de weduwe Du Roy zoo vroeg netjes gekleed
zag, kon hij niet bevroeden dat ze al uren aan het werk was geweest, en
dat, door een poortje achter haar huis, reeds tal van kleine zaken, die
te zamen een groote maakten, waren afgedaan. Te vier uren, als nog
iedereen sliep en er van eenig daglicht nog geen quaestie was, zat
mevrouw Du Roy bij een lampje in haar achtergalerij, en kreeg daar
bezoek van dozijnen inlandsche vrouwen, die met leege manden onder den
arm, bevreesd en onderdanig door het poortje binnenslopen. Ze kwamen
allen geld leenen en wel voor één enkelen dag; ze kwamen het kleine
bedrijf-kapitaal halen, dat dienen moest om rijst, suiker, stroop,
tabak enz. in te koopen, waarvan ze dan koekjes, limonade en strootjes
maakten en die met winst verkochten op den pasar aan koelies en wie
daar verder spijzen en dranken koopen. Des avonds, tegen het vallen der
duisternis, kwamen allen terug, en wie des morgens een gulden had
geleend, betaalde één gulden vijf en twintig cents. Op deze wijze
bracht die gulden er in het jaar een en negentig op, en mochten er al
eens enkelen niet aan de verplichte restitutie voldoen,—welnu, dàt kon
er wel af. Zij behoefde het reeds lang niet meer te doen, want zij was
rijk genoeg, maar ’t was een soort van gewoonte geworden, en het bracht
zoo „lekkertjes” op. En dan,—ze had soms groote onkosten, door haar
voortdurende ondeugende relaties. Het speet haar geweldig, dat ze zulke
neigingen had, maar het was niet anders; ze kon het niet laten; het
was, meende zij, meer een soort van kwaal, dan wel een fataliteit. Zoo
gaarne had ze daaraan ontsnapt en haar eenmaal goede reputatie
behouden; doch ’t ging niet, en ’t was of het met de jaren toe-, in
plaats van afnam. Nu weer die Van Brakel! Duizend gulden! Wel
beschouwde ze het geld als totaal verloren, als weg; weggesmeten in de
grondelooze beurs van een aartsdobbelaar, en toch,—zij, die voor een
halven gulden, die haar door een arme inlandsche vrouw te weinig werd
teruggebracht, in toomelooze woede kon losbarsten, glimlachte bij de
gedachte aan die af te schrijven duizend gulden, en, wat nog erger was,
aan het andere geld, dat deze aardigheid haar zou kosten. Wel, dacht
ze, ze zou er pleizier van hebben, en habis perkara!
De hoofdingenieur vernam het intrekken der aanvraag om beslag op Van
Brakels traktement met genoegen, schoon hij maar niet kon begrijpen,
waar het geld vandaan was gekomen. Maar niet van den Waterstaat oftewel
’s Lands Burgerlijke Openbare Werken, dat wist hij zeker, want daartoe
keek hij te nauwlettend toe, speciaal op Van Brakel.
Hij dacht er juist over, toen hij zijn kantoor binnentrad en een
opzichter hem namens den ingenieur een boodschap kwam brengen. Als
selfmade-man hield hij er veel van nu en dan met het ondergeschikt
personeel een praatje te maken.
„Ben jullie daar haast klaar?” vroeg hij, doelend op het werk aan den
weg.
„Ja meneer; nog maar ’n dag of vier. Als er ten minste niets moet
gedaan worden aan dat brugje.”
„Welk brugje?”
„Och, voor het huis van die mevrouw Du Roy.”
„Wat is er met dat brugje?” vroeg de hoofdingenieur verstrooid, zijn
brieven inziende.
„Het ligt niet goed voor het water, maar de ingenieur zegt, dat het zoo
moet blijven liggen. Mij is het wel.”
„Als de ingenieur vindt, dat het zoo blijven kan....” vervolgde Willert
nog steeds meer verdiept in zijn papieren, dan in het gesprek.
„Nu ja,” hernam de opzichter, „maar dat is het niet. Meneer Van Brakel
weet ook wel, dat het zóó niet deugt.”
Verwonderd zag de hoofdingenieur den man aan, zonder iets te begrijpen
van den verborgen zin zijner woorden.
„Het is maar,” ging deze voort, „dat meneer Van Brakel met die madame
Du Roy zulke dikke vrienden is.”
Willert fronste de wenkbrauwen en wierp den onbescheiden prater een
boozen blik toe.
„Zoo,” zeide hij droogjes. „Heb je niets anders? Niet? Ik ook niet.
Goeden morgen.”
Het had hem niettemin zeer getroffen. Zou het dan uit die bron wezen,
dat Van Brakel de middelen putte om voort te gaan met zijn levenswijze
en niettemin zijn schulden te betalen?
Hij vond het ongelooflijk. Iedereen wist hoe goed hij en zijn vrouw
samen leefden; het denkbeeld aan een scheeven toestand op dat gebied
klonk bijna ongerijmd en dwaas. En de hoofdingenieur berispte in stilte
zichzelven, en beschuldigde zich, dat hij te veel toegaf aan zijn
mindere sympathie voor Van Brakel, dat hij daarom te spoedig gehoor
schonk aan de gemeene verdachtmaking door een praatziek ondergeschikte.
Hij wierp het idee van zich. ’t Was te erg.
’t Was een duistere avond toen Van Brakel precies zooals hij met hond
en stok gewoon was naar de sociëteit te stappen, zijn weg nam naar de
woning der weduwe om het tweede gedeelte te ontvangen van de som, die
zij hem zou leenen. Hij geneerde zich een beetje; toen hij dicht bij
het huis was, keek hij eerst voorzichtig overal rond, en sloop toen,
meer dan hij liep, het voorerf over.
Er was geen licht in de voorgalerij. Zou ze het vergeten hebben? Het
denkbeeld viel hem koud op het lijf. Hij had er immers op gerekend en
reeds voorlang beloften en toezeggingen gedaan. Aarzelend tikte hij op
de glazen deur; eerst zacht, daarna harder.
Hij zag een donkere schaduw gaan door de binnengalerij, de sleutel
knarste in het slot en de deur ging open. Er werd geen woord gezegd,
wat hij gek vond. ’t Was waarlijk of hij op een galant avontuur uit
was, in plaats dat hij kwam om geld te leenen.
„Bonsoir,” klonk het hem toe met zachte stem, en onwillekeurig
antwoordde hij op denzelfden gedempten toon, schoon er toch
vermoedelijk niemand was, die hem hooren kon.
Zij zweefde hem vooruit, de smalle gang door, tusschen de kamers, en
ging in hetzelfde vertrek, waar het kleine lessenaartje stond.
„Ga zitten,” vervolgde ze, altijd op dienzelfden half fluisterenden
toon.
Zelf nam ze plaats op een divan.
Het trof hem, dat ze hem geen stoel gaf, en ook, dat er iets
geheimzinnigs in haar wijze van doen lag en in de geheele omgeving. Het
licht uit een doffen ballon, die aan den zolder hing, was zacht en niet
veel meer dan schemerend.
Wel, hij zou de blijkbare bedoeling volgen en ook op den divan plaats
nemen, maar overigens, als zij verder strekkende plannen had.... dàt
nooit.
Het ontging mevrouw Du Roy niet, dat hij op een eerbiedigen afstand
bleef zitten.
„’t Is wel wat gewaagd,” zei ze, „dat ik zoo laat nog visite ontvang
van een heer.”
De opmerking scheen hem geruststellend. „Och, wel neen,” haastte hij
zich te zeggen.
Maar zij lachte hem uit. Nu, zij vond het dan wel, en ze zinspeelde
weer zoo eigenaardig, dat hij zich gevleid gevoelde en mee lachte.
„Wilt u ook iets gebruiken?” vroeg ze.
„Och, doe geen moeite voor mij. Laat ik het u niet lastig maken.”
De waarheid was, dat hij dorst had; hij behoorde tot de soort van
menschen, die altijd met succes te vinden zijn om iets te gebruiken. De
toon, waarop hij sprak, logenstrafte dan ook zijn woorden.
„Wat zal het zijn: ’n glas bier of wijn of brandy-grog?”
„’t Laatste ’t liefst... maar wezenlijk...”
Ze was reeds opgestaan om het noodige te halen; in een wip was ze
terug, en schonk hem in een groot glas de noodige cognac. Toen wilde ze
een fleschje apollinaris-water opentrekken, maar daartegen verzette hij
zich; dat zou hijzelf doen. Doch ze lachte, en wilde het fleschje hem
niet geven. Wat verbeeldde hij zich wel! Ze was zoo zwak niet. Hij
hield vol en trachtte haar ’t fleschje af te nemen. Lachend stoeiden ze
er om; al doende chiffonneerde hij haar een beetje; toen hij het
gewonnen had, viel zelfs haar kondé los.
Van Brakel stond een oogenblik als verstomd over dien buitengewoon
rijken haardos; zoo iets had hij nog nooit gezien.
„’t Spijt me,” zei hij, „dat ik uw coiffure in wanorde heb gebracht,
maar als ik had geweten dat ik zulk prachtig haar zou te zien krijgen,
had ik het met opzet gedaan.”
„Het staat je nogal mooi!” zei mevrouw Du Roy en herstelde voor den
spiegel het dérangement, met zeer sierlijke buigingen harer gevulde
armen, waarom de fijne, doorzichtige kabaja sloot alsof ze er om was
gegoten.
Van Brakel dronk kalm zijn grogje en zag toe. Hij was nog volstrekt
niet in de stemming van een Don Juan, en hij had eigenlijk niets liever
gewild, dan dat ze hem maar gauw het geld had gegeven, opdat hij zoo
spoedig mogelijk naar de sociëteit kon gaan.
Toen ze klaar was voor den spiegel, ging ze rustig zitten.
„Ik heb nog eens gerekend,” zei ze met een zucht, „maar heusch, ik ben
wat voorbarig geweest. Het spijt me gruwelijk, maar ik zal u niet
kunnen helpen.”
„God, dat is verschrikkelijk,” stotterde hij. „U hebt ’t me beloofd, en
ik heb er vast op gerekend.”
„Ja, ik dacht eerst, dat het kon.... maar....”
„Laat me in ’s Hemels naam nu niet in den steek,” vervolgde hij. „Dat
zou nog erger wezen, dan dat ik laatst in het geheel niet door u was
geholpen.”
„’t Is jammer. Ik dacht geld te krijgen, maar de menschen laten mij ook
in den steek.”
Half wanhopig greep hij haar hand; zij liet hem begaan; hij bad en
smeekte; zij glimlachte medelijdend, maar toch met een bedenkelijk
gezicht. Het gaf hem hoop. Inderdaad, hoe „dringender” hij verzocht,
des te flauwer werden haar weigeringen.
Tot ze eindelijk toegaf, en hem den tweeden leeningstermijn
uitbetaalde.
Hoe ook haar gevoelig hart door medelijden en genegenheid was
vervuld,—haar „zaken” vergat ze niet, en Van Brakel moest behoorlijk
een nieuwe schuldbekentenis op zegel en met een renteberekening als de
eerste onderteekenen; hij deed het blindelings, en zonder te hebben
gelezen wat hij nu eigenlijk onderteekende. Hij leefde in een roes van
vreugde en wellust, die hem evenmin veroorloofde na te denken als in de
uren, waarop hij aan de speeltafel zat.
Maar toen hij te twee uren in den nacht naar huis wandelde, bleef hem
nog alleen getrouw het gevoel van geruststelling, dat hij ’t geld in
zijn zak had.
Overigens was hij mismoedig en bedroefd. De zwaarste verliezen hadden
niet zulk een drukkenden last op zijn geweten gelegd, als de
overtuiging dat hij den eersten stap had gedaan tot ontbinding van zijn
huwelijksleven en tot vernietiging van zijn huiselijk geluk.
Hij wandelde langs de sociëteit en keek met groote belangstelling uit
of er nog licht brandde; het was donker en bij die ontdekking zuchtte
hij diep. Als daar nu nog slechts gelegenheid was geweest om te drinken
en te spelen, dan had hij de onaangename gevoelens, die hem overmanden,
kunnen verdringen. Maar alles was even somber en duister. De hooge
witte muren in de straten der stad met de gesloten donkere
vensterluiken der kantoren en toko’s schenen wel graf-monumenten, en
het enkele flauwe lichtje van een der slapende wakers in de
voorgalerijen, was alleen in staat de eentonige, sombere duisternis nog
meer te doen uitkomen.
Vruchteloos trachtte hij zich door redeneering te overtuigen, dat het
niets te beduiden had; dat immers honderden en duizenden precies
hetzelfde deden en er niet minder om waren; dat het huwelijk zóó
opgevat een hors d’ oeuvre was; dat een man zulke kleine zijsprongen
niet ten kwade geduid konden worden; dat ze hem integendeel een zeker
cachet gaven en men wel een boerenlummel moest wezen om als man
voortdurend zekere éénkennigheid aan den dag te leggen; vruchteloos ook
beproefde hij het met zijn geweten op een akkoordje te gooien; zich
diets te maken, dat hij er hoegenaamd geen schuld aan had, want dat
onder zulke omstandigheden, iedereen had gedaan, zooals hij; zich te
bemoedigen door de voorstelling, dat hij feitelijk handelde in het
belang van Lucie, die zoo jong was, reeds zooveel doorstaan had, en dus
eenigszins gespaard diende te worden.
Het baatte hem niet.
Hij was van nature geen Lovelace. Als jong mensch leefde hij zeer
matig, niet uit principe, maar omdat zijn temperament hem niet voerde
tot buitensporigheid. Toen hij Lucie leerde kennen, had hij genegenheid
voor haar opgevat; niet een liefde, die voortkwam en leefde door het
contrast, maar integendeel, door zekere overeenkomst; beiden waren ze
blond en blank en kloek gebouwd; beiden waren ze gemoedelijk en
goedaardig; beiden kalm van aard, en middelmatig van geestesaanleg.
Als vrouw voldeed zij hem geheel, en hij was zoo volkomen tevreden met
haar persoonlijkheid, dat op partijen of in gezelschap de grootste
schoonheden, de pikantste en lieftalligste verschijningen hem koud
lieten als ijs.
De lust om het tiende gebod te overtreden was nooit bij hem opgekomen,
en voor hen, die toonden te lijden aan zulke lusten, was hij altijd
streng geweest. Hij had over hen, als ze ter sprake kwamen—en dat
gebeurt nogal eens in Indië, evenals elders—steeds onverbiddelijk den
staf gebroken. En nu had hijzelf zich zoo jammerlijk vergeten! Neen,
het hielp niet, dat hij ’t gebeurde voor zichzelven vergoelijkte, en
ook niet dat hij zijn armen hond, wiens vroolijk geblaf hem hinderde,
een schop gaf.
Het feit bleef, en drukte hem ter neer.
Wat hij verder zou doen of zou nalaten, wist hij niet. Als hij dááraan
dacht, werd het hem nog onaangenamer. En toch, tusschen zijn groote
spijt en zijn sombere, neerslachtige stemming, verrees telkens voor
zijn geest het beeld van de weduwe Du Roy met haar niet blanke, maar
sneeuwwitte huid, haar donkere oogen en ravenzwarte haren, haar
coquette bewegingen en eigenaardig glimlachje; en dan beschreef hij met
zijn stok een halven cirkel voor zich uit, alsof hij dat beeld met een
krachtigen slag op zij wilde slaan.
Geen oogenblik dacht hij aan de geldquaestie en haar oorzaken. Het kwam
niet bij hem op zich te beschuldigen als speler, zich voor te nemen den
wortel van het kwaad uit te roeien.
De inktvlek door hem op zijn trouwakte geworpen, was alles wat hij zag;
het eenige, dat hem tevens een vlek scheen op zijn eer en zijn geweten.
Thuis werd zijn wroeging nog grooter. In gewone omstandigheden geneerde
hij er zich niet voor een beetje leven te maken of Lucie te wekken als
ze sliep; thans sloop hij op zijn teenen naar binnen, draaide het slot
heel zachtjes om, en ontkleedde zich zonder gedruisch.
Zij sliep rustig door, z’n vrouw, maar hij kon den slaap niet vatten.
Wat hij had gedaan, kwam hem nu belachelijk voor. Als men zelf een
jonge vrouw heeft, die er goed uitziet, en dan.... een weduwe, die
misschien een kleine twintig jaar ouder is! Het was hem als kreeg hij
een kleur van schaamte over zoo iets onnoozels.
„Hoe is het, wordt je nooit wakker?”
Verschrikt sprong hij op; de zon stond aan den hemel en Lucie vóór zijn
bed.
„Ik.... ik.... schijn me te verslapen,” antwoordde hij stotterend.
„Ja, dat overkomt je ook niet dikwijls. Ben je zoo laat thuis gekomen?”
„Wel neen! ’n Uur of twee.”
Zij lachte ongeloovig, en hij kleedde zich haastig om naar het werk te
gaan. ’s Middags ging hij niet naar de sociëteit, maar kocht in een der
toko’s een prachtigen armband. Hij wist niet waarom hij zoo plotseling
op het denkbeeld kwam, maar instinctmatig scheen hij te beseffen, dat
er een zoenoffer moest gebracht worden. Lucie keek verbaasd op, toen
hij zoo vroeg thuis kwam om te rijsttafelen.
Ze wierp een blik op de klok, vreezend dat ze zich vergist had in den
tijd, maar het was waarlijk pas halféén.
„Scheelt er wat aan, Luus?” vroeg hij bezorgd.
„Neen, hoe zoo?”
„Je ziet bleek, vind ik.”
„Toch niet. Er mankeert mij niets.”
Nu, het mocht wel, dacht ze. Hoe goed hij ook voor haar was, en hoe
volkomen hij haar in alles haar zin liet doen,—met oplettendheden van
dien aard had hij haar nooit lastig gevallen, en dikwijls, als ze zich
eens werkelijk onlekker voelde, had ze gewenscht, dat hij wat meer
belangstelling aan den dag had gelegd en maar niet gedaan had, alsof
hij niets merkte. Om de goede beweging niet in haar geboorte te
verstikken, begreep ze, dat het noodig was het idee harer bleekheid
niet geheel te verwerpen.
„Ik heb van ochtend een beetje hoofdpijn gehad, maar het is nu weer
over.”
„Je loopt ook altijd zoo in de zon op het achtererf.”
Wederom lachte zij. Wat hem toch scheelde? Het was zoo gek, bezorgdheid
van die soort bij hem waar te nemen.
„Ja, ja, lach maar; je zult nog wel meer lachen.”
„Waarover dan?” vroeg ze nieuwsgierig.
„Hier,” zei hij, op zijn jaszak kloppend, „hier zit het.”
Zij volgde hem in de kamer, terwijl hij haar lachend voorging,
aanhoudend op dien zak kloppend, wat een korten, doffen klank gaf,
waaruit men kon hooren, dat er een hard voorwerp in stak.
„Doe nu je kabaja eens uit.”
„Och, loop naar de maan met je malle kunsten.”
„Neen, betoel Luus, doe nu je kabaja eens uit.”
Zij deed het met een getrouwd sans gêne. Van Brakel opende het met
fluweel gevoerd zwart kartonnen doosje, dat, door een optisch bedrog
bij de fabricage, op leder geleek, nam er een prachtigen armband uit,
vatte haar rechterhand, sloot het sieraad om haar ronden pols, hield
dien een eind van zich af, en bekeek, met het hoofd achterover, vol
bewondering het een en het ander.
„Wat zeg je er van?” vroeg hij trotsch. Ze vond het prachtig, en het
roerde haar te meer, omdat zij wist hoe hij vaak met de geldelijke
omstandigheden en peine cruelle zat. Dàt vond ze nu juist zoo lief van
hem. En ze dankte hem met een ouderwetschen kus, die hem een nieuw
zelfverwijt bezorgde, maar zijn liefde voor Lucie nog meer aanwakkerde.
Hij liet haar dien dag letterlijk niet met rust.
„Kom, Herman,” moest ze ten slotte half boos zeggen, „wees nu toch niet
zoo mal. ’t Is waarachtig of we in de wittebroodsweken zijn.”
Die opmerking trof hem; er was, meende hij, iets van aan, helaas!
Gelukkig besefte Lucie dat niet.
En Geerling zag het met groote verbazing en ergernis, niet meer wetend
wat hij denken moest van Van Brakel; niet wetend of hij hem moest
houden voor een ploert, of voor een zwaar belasterd man.
Want de vlugge Faam had reeds de ronde gedaan. Van den opzichter, die
had verteld welke „dikke vrienden” de ingenieur Van Brakel, als speler
algemeen bekend, en de beruchte weduwe Du Roy, óók algemeen bekend, in
den laatsten tijd waren, had het gerucht zich verspreid tot bij de
hoogste ambtelijke ingezetenen en de notabelste particulieren, reeds
lang vóór de thans geldende reden daartoe bestond. En het was gelijk
geweest aan den rollenden sneeuwbal, welke ten slotte aangroeit tot een
reusachtige massa. Dat het gerucht ditmaal bij de werkelijkheid bleef,
was louter toeval; het was er zonder die werkelijkheid niet minder om
geweest.
Eerst had Geerling, toen hij ’t hoorde op zijn kantoor, het met
verontwaardiging tegengesproken; doch toen hij het van meer kanten
vernam, had het ook bij hem ingang gevonden; hij achtte er trouwens Van
Brakel niet te goed voor.
Dan, tegenover het betoon van liefde, dat hij dien dag opmerkte, stond
zijn verstand stil.
De jeugdige commensaal der Van Brakels wilde er het zijne van hebben;
dat had hij zich bepaald voorgenomen. Hoezeer hij dikwerf werd gekweld
door een meer en meer toenemende begeerte, had hij zich steeds geheel
weten te beheerschen; hij moest Van Brakel’s huisrecht eerbiedigen,
vond hij, en hij mocht diens vertrouwen niet schenden. Misschien zouden
die overwegingen den doorslag niet gegeven, noch zijn houding en gedrag
bepaald hebben, als Lucie een andere vrouw was geweest; als hij in haar
doen en laten tegenover hem ook maar eenig spoor van behaagzucht had
kunnen ontdekken. Doch het even natuurlijke als correcte in haar
houding, overigens gepaard aan een zekere onverschilligheid, hield hem
terug van alle andere, dan een zekere vriendschappelijke familiariteit.
Zij had, hij wist het, in Van Brakel het meest onbegrensd vertrouwen,
dat een vrouw kan stellen in een man. Hoe zou zij zich houden, als
bleek, dat het vertrouwen misplaatst was geweest? Hij was er
nieuwsgierig naar. Zij zou verdriet hebben, dat was zeker. Welnu, dan
was ook zijn rol als trooster aangewezen.
Hij zat dien avond te midden zijner bibelots op zijn gemak een havana
te rooken, en dacht er over na. ’t Was juist iets, vond hij, om de
gruwelijke verveling te verdrijven. Maar het moest netjes en met
overleg worden aangevat. Indien Van Brakel onschuldig bleek, zou hij,
Geerling, hem niet trachten te hoornen; anders wèl, en dan zou hij zijn
plannetje zorgvol overleggen. Lang dacht hij er over na, tot hij zich,
glimlachend en vergenoegd, de handen wreef, zijn sigaar wegwierp en
achter de klamboe verdween.
„.... Neem me niet kwalijk, mevrouw....”
De weduwe Du Roy keek vreemd op toen den volgenden dag een keurig net
gekleed jongmensch haar erf opkwam. Ze had juist bezoek van haar
nichtje Ceciel, een veel belovende jonge dame, wie het echter, ondanks
haar goed uiterlijk, nog jongen leeftijd en aardig vermogen, niet was
gelukt een „geschikten” man te vinden, die haar tot vrouw begeerde.
„Wat is er van uw dienst?” vroeg mevrouw Du Roy vrij bits; zij hield
niet van zulke jonge lieden, vooral niet als die een beetje
„indringerig” waren.
„Ik had gehoord, dat u ’n span sandelwoods te koop had.”
„Dan heeft men u verkeerd ingelicht. Mijn paarden zijn niet te koop.”
„O.... zoo!.... U neemt ’t niet kwalijk, mevrouw....”
Eenigszins verbluft door de korte, onaangename manier, waarop de vrouw
des huizes hem bij zijn gemaakte boodschap te woord stond, wilde
Geerling met eene buiging retireeren; maar Ceciel gaf haar tante een
wenk.
„Niettemin kant u de paarden wel eens zien, als u er pleizier in hebt.”
„Heel gaarne.... Als u het permitteert....”