Van Brakel amuseerde zich de eerste dagen uitstekend met zijn

commensaal; zóó zelfs dat hij ’s avonds thuis bleef om met hem te

„boomen” en een glas grog te drinken. Maar de aardigheid was er gauw

af, en hij ging weer als vanouds ’s avonds na het diner naar de soos.

„Ik heb ook wel pleizier eens er heen te gaan,” zei Geerling, toen Van

Brakel de eerste maal ging.

„Nu, rijd dan mee. Speel je?”

„Neen; ten minste niet bij voorkeur.”

„Dus je kunt het toch?”

„Och ja, zoo’n beetje.”

Maar terwijl Van Brakel, met een glans van vergenoegen op het gezicht,

zich heen en weer bewoog op zijn stoel aan de speeltafel, als iemand,

die blij is dat hij zich weer „thuis” gevoelt, leek het Geerling erg

vervelend. Hij was er bij gaan zitten schrijlings op een stoel, hij zag

hoe er beurtelings werd gepast, gevraagd, in de „katoentjes”; in de

„beste”; hoe er gewonnen werd en verloren, remise en codille; hoe er

groot en klein casco en sans prendre’s werden gespeeld en hoe de fiches

van den eenen kant naar den anderen werden geschoven over het groene

laken,—het interesseerde hem niets hoegenaamd; zijn oogleden werden

zwaar.

„Zeg Geerling, ik zou nog een brandy nemen, als ik jou was,” zei Van

Brakel lachend. „Daar blijf je wakker van.”

De anderen lachten ook.

„Hij is als mijn vrouw,” ging de ingenieur voort; „die kan ook ’s

avonds om dezen tijd haar oogen niet openhouden.”

„Dat is de jeugd,” zei een in het spel vergrijsde; „hoe ouder men

wordt, des te minder behoefte krijgt men aan slaap.”

Men ging nog een oogenblik door op het thema, maar zat dadelijk weer

verdiept in het spel.

Geerling dacht over de woorden na, met een glimlach om den mond. „Net

als zijn vrouw!” Het was ongetwijfeld gezegd zonder boosaardige

bedoeling, want hij wist te goed, welk een door en door goed karakter

Van Brakel had, om hem in dat opzicht te verdenken. Toch vond hij de

uitdrukking opmerkelijk, en zelfs ongepast. Niet om hemzelven, maar om

de vrouw.

Den volgenden avond ging hij niet meer mee naar de sociëteit.

„Ik amuseer me er toch niet.”

„Neen, dat schijnt. Je valt er bij in slaap.”

„Het is saai andere menschen te zien spelen.”

„Meedoen vind ik natuurlijk veel pleizieriger, maar een interessante

partij mag ik toch wel zien.”

„Jij bent ook zoo’n geacharneerde dobbelaar,” zei Lucie op een toon,

die meer bewondering dan verwijt verried.

„Och, dàt niet; ik maak alleen heel graag een partijtje.”

„Nu, maak dan maar dat je weg komt.”

Hij kuste haar, en ging vroolijk heen. Daar Geerling nog bleef zitten,

hield Lucie hem maar gezelschap, schoon ze veel liever naar bed zou

zijn gegaan. Doch zij bestreed haar slaperigheid.

„Houdt u niet van ’n partijtje?”

„Zoo.... Bij gelegenheid en voor de grap. Ik kan me niet goed

voorstellen, hoe men zich er mee kan amuseeren.”

„De heeren in Indië zijn er over het algemeen dol op.”

„Ze spelen nogal hoog.”

„Ja, maar dat haalt niet bij vroeger. Ik heb ze als kind zien homberen

om een pikol koffie het fiche.”

„Het genoegen ontsnapt me ten eenenmale. Als ik speel, doe ik het

alleen voor tijdverdrijf, maar niet om eens anders geld te winnen. Ik

verlies nog liever.”

„Nu, ja!........ Neen, maar dien vind ik goed!” riep Lucie, luid

lachend. Dat was voor haar, op Java gewonnen en geboren, volkomen

onbegrijpelijk.

„Wezenlijk,” verzekerde hij. „Als ik bij het spel heb gewonnen, wat

trouwens zelden gebeurt, en ik zie iemand de beurs openen, er geld uit

nemen en dat naar me toe schuiven, dan heb ik een gewaarwording, alsof

ik me van iets meester maak, dat me niet toekomt.”

„Nu, dat is toch al heel dwaas,” meende Lucie. „Wat je eerlijk hebt

gewonnen, komt je ook eerlijk toe. Als je verloor, zou je evengoed

moeten betalen.”

Hij glimlachte om de eigenaardige argumentatie.

„Juist. Als ik roof neem ik geld, en als ik beroofd word raak ik het

kwijt.”

Zij vond hem erg gek.

„Op die manier,” zei ze, „kan men alles overdrijven. Dan is oorlog

voeren, jagen, visschen....”

„Zeker, mevrouw, het is alles rooven. Ik voer ook geen oorlog....”

„Ajakkes,” riep Lucie lachend, „hoe flauw!”

Daarmede was hij het eens; ze lachten samen en het was reeds tien uren

toen zij elkaar een goeden nacht wenschten en hij naar zijn paviljoen

retireerde. Zij vond hem met zijn malle theorieën een verbazenden

quibus, maar ze had zich toch wel om hem geamuseerd, en schoon ze

„verging” van den slaap, speet het haar niet, dat ze zoo „laat” was

opgebleven. Op die manier was het nog wel eens aardig een uurtje op te

blijven. Met Herman was ze uitgepraat en hij ook met haar; ze konden

elkaar niets nieuws vertellen; als hij thuis was, zat hij maar te lezen

in de courant, en dan viel ze vanzelf in slaap.

Geerling trok een langen rotanstoel naar buiten op het galerijtje voor

zijn kamers, stak een versche sigaar op, en keek droomerig in de

duisternis. Hij vond haar een aardige vrouw; veel aangenamer dan Van

Brakel als man. Zij was wel geen ingenieur, maar in sommige opzichten

vond hij haar ingenieuzer. En ze was een verduiveld knappe vrouw

bovendien. Als hij dááraan dacht, mocht hij Van Brakel hoe langer hoe

minder lijden.

Het was fataal, maar ’t was niet anders: de invloed van de honderd en

vijftig gulden ’s maands, die ze nu meer ontvingen dan vroeger, had in

geenen deele aan de verwachtingen der Van Brakels beantwoord.

Integendeel, het was of ze hoe langer hoe harder achteruitgingen. Tegen

het einde der maand was het voor Lucie een wanhopig tobben, en wat

Herman aanging, hij sukkelde aan de meest hardnekkige déveine, die een

speler tot wanhoop kan brengen. De door hem gedane toezeggingen van

betaling waren achtergebleven. Hoe het kwam, wist hij niet, en Lucie

wist het ook niet, maar enfin, het was zoo; zij hadden eenvoudig ’t

geld niet, en wat zij hadden willen voorkomen, gebeurde: er werd op een

deel van zijn bezoldiging beslag gelegd.

’t Hinderde hem geweldig. De hoofdingenieur Willert had hem er ernstig

over onderhouden, en hem in allen ernst aangeraden anders te gaan

leven.

„Het is mij,” had hij in een soort van wanhoop geantwoord, „onmogelijk

met mijn gezin van mijn traktement te leven.”

„Daar zijn er toch zooveel, die het moeten doen,” had de hoofdingenieur

gezegd, „en die toonen, dat ze het wel kunnen.”

„Dan hebben ze er meer slag van dan mijn vrouw en ik.”

„Misschien zou ’t juister wezen te zeggen, dat uw vrouw en u er niet

den slag van hebben.”

„Ook mogelijk.”

„De ingenieurs, die toekomen met hun traktement, zijn zoo zeldzaam

niet.”

„Hm!” zei Van Brakel schamper: „u hebt goed praten! ’n Groot traktement

en een klein gezin!”

„’t Is waar, we hebben geen kinderen. Maar ik heb met mijn kleine gezin

ook geleefd van de helft van uw inkomen, zonder dat ik te kort kwam.”

„Ik geloof het wel. Het is al veel naar dat men gewoon is te leven.”

„Men moet niet leven naar men gewoon is of zich heeft aangewend, maar

naar zijn middelen.”

„Enfin, dat kunstje schijn ik dan niet te verstaan.”

„Dat verstaat iedereen als de goede wil er slechts is.”

„De goede wil is er zeker.”

„Dat moet ik betwijfelen.”

„Ei?”

„Zeker. Wanneer ik iemand des avonds grof zie spelen, dan geloof ik

niet aan zijn goeden wil om geregeld economisch te leven.”

„O, is het dàt? Ja, ziet u, daar spreek ik liever niet van, om niet in

onaangename quaesties te komen.”

„U kunt daarover met mij geen quaesties krijgen.”

„Daar ben ik nog zoo zeker niet van. Enfin, ik heb nu eenmaal een

afkeer van al wat naar bespieden lijkt....”

„Het was beter dat u een afkeer hadt van uw eigen leefwijze; daar zoudt

u veel verder mee komen, want die zal u ten verderve voeren; dat is

zeer zeker.”

Van Brakel was zoo bleek als een doek.

„Wilt u mijn leefwijze soms een handje helpen?”

„Och neen! Dat is onnoodig. Onthoud alleen goed wat ik u heb gezegd,

niet om u persoonlijk, want al doet u goed uw zaken, zoo heb ik

overigens weinig reden tot tevredenheid over uw houding en uw gedrag.

Maar ik vind het voor ’t corps hoogst onaangenaam, dat daarin heeren

dienen, die een leefwijze volgen, als de uwe.”

Van Brakel was woedend thuis gekomen en had alle duivels uit de hel

gevloekt over de bejegening, welke hij van „dien ploert” had moeten

ondervinden. Maar het kon hem nu ook niets meer schelen. Betalen? Geen

cent meer! Ze moesten maar allemaal korting vragen, dan konden ze

achter elkaar queu maken en ieder op zijn nummer aan de beurt

komen.—Zoo’n vent!—dat was de heer Willert—wat beeldde hij zich wel in,

de parvenu? Dat wou zich neerleggen bij een welopgevoed man van

fatsoenlijke familie! Zoo’n kerel, die in Holland achter de schaafbank

vandaan was gekomen, waar hij roggebrood at uit een zakje, en die hier

in Indië.... Ja, dat mankeerde er nog maar aan, dat zoo’n individu, dat

geen andere behoefte kende dan z’n body vol graan of rijst te proppen,

zich hier in Indië de luxe van „beren” had gepermitteerd!

Lucie schold als altijd mee. Wat hadden die nare, onverdraaglijke

menschen er toch aan dien armen Herman zoo te plagen en te

contrariëeren? Hij kon het toch waarlijk niet helpen, dat het

Gouvernement zoo slecht betaalde. Aan hem lag het waarlijk niet, want

hij deed zóó zijn best....

Geerling, die nogal dikwijls thuis bleef en aanvankelijk zonder andere

bedoeling dan tot tijdverdrijf, nauwlettend gadesloeg wat er alzoo bij

de familie Van Brakel omging, had heel spoedig gezien, waar de

huishoudelijke schoen wrong.

Het deed hem leed,—niet om Van Brakel, maar om Lucie. Hij mocht haar

gaarne, en hij behoorde niet tot de jongelui, die men doorgaans met den

naam van „fatsoenlijke” bestempelt, schoon hij in menig opzicht zeer

fatsoenlijk was. Mevrouw Van Brakel was in zijn oogen een wonderlijk

schepsel. Eerst had hij van haar wijze van doen niets begrepen; maar

toen hij er een beetje in huis was, zag hij duidelijk in, dat ze zich

soms vreemdsoortige vrijheden veroorloofde in haar zeggen en doen, die

alleen waren toe te schrijven aan een algeheele afwezigheid van

sexueele immoraliteit. Zij hield van Van Brakel, dien ze evenals haar

kinderen verwende en bedierf, en nooit scheen bij haar de gedachte aan

iets, wat op andere mannen betrekking had, te kunnen opkomen.

En hij, Geerling, vond dat Van Brakel zoo’n lot niet verdiende. Goed

was hij en bekwaam ook,—maar in het leven buiten de slaapkamer nam hij

van zijn vrouw weinig notitie, ja, verwaarloosde haar, en dat ergerde

den commensaal, die zag hoe Lucie altijd tobde met geldgebrek, zoodat

ze soms het noodige niet had om haar keukenmeid van passargeld te

voorzien.

Toen hij weer zoo iets merkte, hield hij het niet langer uit.

„Wilt u mijn kostgeld vast ontvangen voor de volgende maand?” vroeg hij

zonder erg. „Dan heb ik ’t niet langer te bewaren.”

Haar gelaat helderde op, als het ware, en zij deed geen moeite om het

te verbergen.

„Met heel veel pleizier.”

Hij nam ’t geld uit zijn portefeuille en telde het haar voor.

„Om je de waarheid te zeggen,” zei ze eenigszins verlegen glimlachend,

„kan ik het op het oogenblik heel goed gebruiken.”

Het deed hem pleizier, dat ze het zei.

„Zoo? Nu, als u bij gelegenheid disponeeren wilt, hebt u maar ’n enkel

woord te zeggen.”

Het viel dien dag al heel ongelukkig. Van Brakel, nog steeds onder den

invloed van het gesprek met zijn chef, begon aan tafel te schelden op

particulieren in het algemeen en tokohouders in het bijzonder, en daar

Geerling dat niet kon velen, stond deze op en zei: „Ik zal wel wachten

met eten, tot je hebt uitgeraasd. Wil me dan asjeblieft laten

waarschuwen,” en hij ging, na zich met een enkel woord bij Lucie

verontschuldigd te hebben, naar zijn kamer.

’t Malle figuur, dat Van Brakel maakte,—en hij voelde het—was niet

geschikt zijn humeur beter te doen worden. Kwaadaardig zag hij Geerling

na, en mompelde iets van: „Ook al zoo’n ploert! Misselijke kwajongen!”

Doch dat kon Lucie niet verdragen.

„Je moest je schamen!” riep ze, voor haar gemoedelijken doen zeer

heftig. „Je gedraagt je onbeschoft!”

„Wat is dat?” riep hij nu in lichterlaaie uitbarstend. „Begin jij nu

ook al! Dan is het uit!” En met geraas zijn vork en mes neerleggend,

schoof hij met een ruk zijn stoel achteruit, liep naar zijn kamer, nam

dienstpet en stok, en ging, van zijn hond vergezeld, de deur uit.

Met een vol gemoed bleef ze alleen zitten aan tafel, en keek met

weemoedigen blik naar de lekkere bloemkool en naar de saucijsjes, die

nog onaangeroerd op tafel stonden. Het was zonde van het eten! Och,

trek had ze er nu eigenlijk ook niet meer in, maar het was toch

„zonde”, en daar deze laatste huishoudelijke overweging bleef

zegevieren, liet zij Geerling verzoeken te komen.

„U moet het Van Brakel niet kwalijk nemen,” zei ze. „Hij heeft vandaag

zoo’n erg onaangenamen dag gehad.”

Geerling had wel willen en kunnen antwoorden, dat dit zijn zaak niet

was, maar hij bedwong zich en vroeg belangstellend:

„Er is toch niets ernstigs met hem gebeurd?”

„Och, ’t is voor het minst heel onaangenaam.”

Hij drong niet verder aan. Blijkbaar wilde zij het niet zeggen. Wat het

was, vermoedde hij wel half en half, maar het stond toch niet

behoorlijk zich nieuwsgierig te toonen naar aangelegenheden van

anderen.

Hij zweeg dus, en Lucie ook, die in elk geval de voldoening smaakte,

dat de commensaal de bloemkool eer aandeed, terwijl zijzelve daarin ook

niet te kort schoot.

Van Brakel was naar de sociëteit gegaan, en zóó goed was zijn boosheid,

toen hij daar kwam, reeds verdwenen, dat hij iets gevoelde als spijt.

Daaraan paarde zich het inwendig besef niet genoeg te hebben gegeten,

en aangezien het toch veel te vroeg was voor het gewone bezoek,

bestelde hij een klein dinertje en dronk er een lekkere flesch bij, ten

einde de hem overweldigende levenszorgen weg te spoelen.

Het scheen dien avond, dat zijn hardnekkige déveine voor een oogenblik

week. Althans hij won, en dit verdreef de laatste rimpels, die nu en

dan zijn voorhoofd nog plooiden. Opgewekter dan in langen tijd, ging

hij naar huis. Lucie sliep reeds, maar hij moest en hij zou haar wakker

roepen, want hij wilde haar, zoo redeneerde hij, zijn excuses maken,

iets wat hij best tot den volgenden ochtend had kunnen uitstellen,

indien andere minder lofwaardige plannen hem niet hadden aangezet haar

nachtrust voor zijn „excuses” te storen.

Den volgenden morgen verontschuldigde hij zich ook bij Geerling, en,

minder verlegen met het geval dan zijn vrouw, vertelde hij meteen wat

de reden was geweest van zijn booze luim.

„Het is een beroerde zaak,” meende Geerling ook, maar verder liet hij

er zich niet over uit. Ware het een vriend geweest, dan zou hij

getracht hebben hem te helpen, doch daaraan dacht hij thans geen

oogenblik.

Eenige maanden gingen voorbij zonder andere bijzonderheden, dan dat

Lucie meer en meer bij Geerling in voorschot raakte, en Van Brakel meer

en meer wegzonk in de schulden. Daarbij was zijn déveine weer krachtig

teruggekeerd; nog steeds bezocht hij trouw de sociëteit, maar het

kostte hem soms moeite, om, wat hij noemde een „behoorlijk partijtje”

te vinden, dat wilde zeggen een, waarin hoog werd gespeeld.

Men zag er tegen op met hem te spelen. Zijn déveine was hinderlijk,

omdat hij ’t spel voortdurend wilde forceeren, altijd vroeg en

overvroeg of er reden voor bestond of niet, en zoodoende zelf verloor

terwijl en omdat hij een ander het winnen niet gunde.

Hoezeer hij den naam had van een onverbeterlijk speler en er nauwkeurig

op hem werd gelet, was hij nog nooit op iets betrapt, wat hem ook maar

verdacht kon maken als ambtenaar. Zeer streng werd hij in stilte

gesurveilleerd, maar dàt wist de hoofdingenieur Willert zeker: wie ook

knoeiden met uitbestedingen of leverantiën of arbeidsloon; wie zich ook

lieten „smeren” door Chineesche aannemers voor de levering van balken,

grind of ander materiaal,—Van Brakel was daarvan vrij; in dat opzicht

was hij zuiver als glas, en welke zijdelingsche aanbiedingen hem ook

waren gedaan, hij had ze immer met verontwaardiging van de hand

gewezen.

Willert respecteerde dat ondanks zijn weinige sympathie voor Van

Brakel, en dit ging zóóver, dat hij van dezen opmerkingen en

aanmerkingen kon aanhooren, die een ander inferieur ambtenaar zich niet

had moeten veroorloven.

Zooals hij dat steeds gewoon was, ging Van Brakel op een ochtend vroeg

de deur uit. Even buiten de stad werd de weg in orde gemaakt; hij moest

eens zien hoe dat toeging, en hij wandelde er kalmpjes heen. Het was

een zware avond geweest. Na afloop van zijn partijtje, was men tot de

ontdekking gekomen, dat er een jarig was, en dit had geleid tot

felicitatiën en daarmede in onvermijdelijk verband staand drinkgelag.

Het was laat geworden. De klok sloeg slechts enkele slagen toen hij

thuis kwam, een weinig onvast ter been, en met een gevoel alsof zijn

hoofd het draaibord was, waaraan hij des nachts weer een honderd gulden

had verloren. Het was sterk, vond hij, en het trof nu net zoo beroerd,

dat het zijn laatste geld was, en de maand telde nog geen vijftien

dagen. Dien middag zou Lucie hem om geld vragen voor het huisgezin; ze

had het ’s morgens reeds gedaan, maar hij had haar met een praatje

afgescheept tot den middag.

Hoe heerlijk de frissche ochtend ook was, en hoe weldadig de koelte de

dampen verdreef van al de brandy en den wijn, die hem nog eenigszins in

den weg zaten,—toch luchtte het hem niet op.

Toen hij op het werk kwam, vond hij zijn opzichter in dispuut met een

Indische dame in sarong en kabaja, die haar recht verdedigde om een

brugje, dat zij had laten leggen van haar erf naar den weg, te behouden

zooals het was, terwijl de opzichter beweerde, dat het zóó onmogelijk

kon blijven en op staanden voet afgebroken en veranderd moest worden.

Hij kende haar wel, althans van reputatie. Zij was een vrouw van een

veertig jaren, groot en knap gebouwd. Ze moest haar man reeds zeer jong

hebben verloren, want weinig menschen onder de tijdelijk verblijf

houdende Europeanen, herinnerden zich haar anders te hebben gekend dan

als de weduwe Du Roy L’Exant, een mooie Fransche naam, die in vergulde

letters prijkte op of liever in een marmeren plaat aan den ingang van

haar erf. Er werd nog altijd veel over haar gesproken; iedereen wist

iets te vertellen, en nooit iets goeds.

Van Brakel had een hekel aan dat soort vrouwen; nog nooit had hij een

groet of woord met de beruchte weduwe gewisseld, en ook ditmaal had hij

geen plan daartoe. Doch hij was wel genoodzaakt zich in het geschil te

mengen.

Hij hoorde de klachten der weduwe aan en de bezwaren van zijn

ondergeschikte, en bekeek het brugje eens.

„Het zal ’n beetje veranderd moeten worden,” zei hij, „voor den afloop

van het water. Maar maak u dáárover geen zorgen. We zullen dat wel in

orde maken.”

„Heb ik er dan niet weer onkosten aan?”

„Neen, mevrouw,” zei hij op zijn gewonen goedigen toon: „’t zal zonder

dat wel gereed komen.”

„Nu, dan heb ik er niets tegen.—’n Kopje koffie, ingenieur?”

Hij keek eenigszins vreemd op bij het aanbod, en draaide een oogenblik

verlegen aan zijn knevels, terwijl hij schuin naar den opzichter keek.

’t Was nog vroeg, en onder zijn omstandigheden ook niet te verwonderen,

dat hij een razenden trek kreeg in een lekkeren kop koffie.

„Heel graag,” zei hij en volgde haar over het nette, goed onderhouden

erf. Zooals ze daar voor hem uitging, kon hij zich best begrijpen, dat

ze veel last van de leelijke sekse had gehad in haar weduwlijken staat.

Haar blanke huid, die door haar zwarte haren en oogen nog blanker

scheen, kon gerust met die der blondste blondine wedijveren, en menig

jong meisje mocht haar het nette postuur en de zekere cranerie in gang

en houding benijden. En netjes was ze! Onwillekeurig kwam hem zijn

vrouw voor den geest. Wat kon die des ochtends smerigjes door ’t huis

loopen! ’t Was pas zes uren en hoe keurig zag die weduwe Du Roy er uit

in haar kabaja met geborduurde strooken, waarover een donkerrood

fluweelen met zwart afgezet; in haar kostbare Solosche sarong, met haar

goud-geborduurde slofjes met vergulde hakken.

Het was een „kranig wijf” malgré tout, vond hij.

Zij gaf hem een stoel in de binnengalerij, waar het er ook alles even

net en zindelijk uitzag. De bladen der marmeren tafels glommen als

waren ze pas gepolijst, de Palembangsche wipstoelen en de fraai

gebeeldhouwde kasten blonken als spiegels. Eenigszins verwonderd zag

hij rond. Hij was dat zoo niet meer gewoon. Het deed hem denken aan den

tijd toen hij nog ongetrouwd was en te Batavia bij moeder Sleeks in het

commensalenhuis woonde, waar ook altijd zoo’n Hollandsche zindelijkheid

heerschte.

En hoe lekker was de koffie, hoe sterk en geurig! Hij had ze in lang

zoo niet gedronken.

„Ik maak u mijn compliment, mevrouw!”

„Is de koffie goed?”

„Ook over de koffie; die is heerlijk!”

„Komaan, dat doet me pleizier. En waarover nog meer?”

Wel, men mocht toch wel een aardigheid zeggen tegen een dame, vond hij,

en daarom zei hij:

„in de eerste plaats over uw persoon; u ziet er charmant uit.”

Heel goed ging het hem niet af; hij was in het complimentjes-maken

nooit een held geweest, maar in de laatste jaren was hij het geheel

ontwend.

Zij lachte zachtjes.

„Dat is een compliment in den vroegen morgen. Is er soms nog iets?”

Haar oogen lachten hem toe, en hij was woedend op zichzelven toen hij

voelde, dat hij onder dien half aanmoedigenden, half spottenden blik

een kleur kreeg. Maar bij vermande zijn kinderachtige verlegenheid.

„Zeker is er nog iets. U is hier allerliefst ingericht; nog nooit zag

ik een zoo keurig onderhouden inboedel.”

„Och ja! Ik heb niet anders te doen. Als het er bij mij niet netjes

uitzag, waar zou het dat dan doen?”

„Ja,” antwoordde hij zuchtend, „in een huishouden met kleine kinderen

is het eenvoudig onmogelijk den boel altijd proper te houden.”

„Vooral niet bij u.”

„Waarom vooral niet bij mij?” vroeg hij, denkend aan een hatelijkheid

op Lucie.

„Wel.... als men de kleintjes krijgt bij meer dan één te gelijk....”

Zij keken elkaar aan en lachten. Zulke zinspelingen deden hem altijd

goed en streelden zijn ijdelheid.

„Helaas, ja,” zei hij met een komieke uitdrukking van wanhoop, „’t Is

wel wat bar.”

„Nou, dat vind ik ook. Ik zou er voor bedanken.”

Van Brakel haalde de schouders op, bewerende dat er niets aan te doen

was; maar daartegen protesteerde zij; ’t was domheid, vond ze.

„Met dat alles,” ging hij voort, „is zoo’n snel toenemend huisgezin een

ware ruïne.”

„Ja, ik begrijp nog niet hoe het menigeen mogelijk is rond te komen.”

„Het is er dan ook naar.”

„Dat moet wel. Mijn hemel, ik ben maar alleen, en ’t huishouden kost me

toch veel. Nu kan ik het gelukkig betalen....”

Er vloog hem een idee door ’t hoofd. Zij had fortuin, dat was bekend.

Hij was reeds opgestaan, maar ging nu weer zitten.

„Ik wou dat ik het ook kon zeggen, maar daar zit juist de knoop. Indien

men geen achterstand had....”

Zij glimlachte. Nu, dàt kon zooveel niet wezen, meende zij. Maar hij

hield vol, schetste haar een beeld van zijn ellendigen toestand, en

daar ze met aandacht en belangstelling luisterde, zonder op haar gelaat

eenig spoor te toonen van de vrees, die gefortuneerden overvalt, als

niet-gefortuneerden hun nood klagen, omdat het einde meest een aanval

op de beurs is, ging hij verder, en rekende haar precies uit, hoe hij

alle moeielijkheden zou te boven zijn, indien hij maar een zekere som

kon krijgen, die hij dan geleidelijk zou kunnen terugbetalen.

Geduldig liet ze hem aan het woord, en daar al pratend zijn gezicht

verhelderde en hij er al minder en minder „katterig” begon uit te zien,

kwam ze meer en meer tot de slotsom, dat hij wel degelijk een flinke

knappe kerel was, wat ze trouwens altijd had gevonden. Ze kon hem wel

helpen aan dat geld, als ze wilde, maar om dat zoo ineens te

doen,—daarin had ze weinig zin.

„Het is,” zei hij, „tegenwoordig moeilijk geld te krijgen, als men het

noodig heeft.”

„Och, dat is het altijd, meneer Van Brakel; het is altijd moeilijk te

krijgen, wat men wil hebben. Maar onmogelijk is ’t daarom niet.”

Hij zuchtte diep.

„Ziet u er de mogelijkheid van in?”

„Misschien wel.”

Wat drommel, meende de ingenieur, zij was slechts een vrouw, en ze

waren alleen; waarom zou hij niet recht op het doel afgaan!

„Zoudt u me kunnen helpen?” vroeg hij snel. Toen het er uit was, voelde

hij zich aanmerkelijk opgelucht.

Zij trok een eenigszins bedenkelijk gezicht; ze moest haar lachen

inhouden. Wat een rare ochtendvisite! Een man, dien ze voor het eerst

in haar leven sprak—gezien had ze hem dikwijls—dronk bij haar koffie,

vertelde en passant zijn moeilijke omstandigheden, en vroeg haar geld

te leen.

H. van Brakel, Ing. B.O.W. · 第 2 / 16 段