H. VAN BRAKEL,
Ing. B. O. W.
OORSPRONKELIJKE ROMAN
DOOR
MAURITS.
LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.
H. VAN BRAKEL, INGENIEUR B. O. W.
De lampen brandden in de achtergalerij, boven de nog gedekte tafel.
Vlug namen de bedienden de gerechten weg; ze hadden ditmaal haast; ’t
was immers de laatste arbeid des daags!
Het hoofd van Lucie zonk voorover op haar borst; haar oogen waren
dichtgevallen; zij kon zoo’n onoverwinnelijken slaap krijgen, ’s avonds
na het eten! Dan was het zoo rustig, zoo stil: de kinderen sliepen; de
huiselijke bedrijvigheid was ten einde.
Van Brakel had zijn lorgnet opgezet en las de courant. ’t Beviel hem
niet. Er stond weer iets in van den „strijkstok,” waaraan bij den
Waterstaat zooveel hangen bleef. Het doelde niet op hem,—volstrekt
niet; maar dan toch op zijn ondergeschikten. Hm! ’t was beter, dat die
kerels, dacht hij, wat amusanter couranten maakten, dan zich altijd te
bemoeien met eens andermans zaken.
Toen hij ’t blad neerlei en zijn stoel achteruitschoof, schrikte Lucie
wakker.
„Ga je uit?” vroeg ze, zich de oogen wrijvende.
„Ja, nog ’n uurtje naar de soos.”
„Ik ga naar bed.”
„Welzeker. Je bent moe.”
Hij zette zijn dienstpet op, nam een wandelstok uit een hoek en floot
zijn hond, die hem blaffend naar buiten volgde.
Toen Lucie haar buffet en haar dispenskast had gesloten, draaide zij de
lamp neer en ging naar haar kamer.
Het was er benauwd, en het rook er onfrisch.
Op een grooten divan stonden twee kodjongs, en daaronder sliepen als
rozen de tweelingen, waarmede zij den gelukkigen waterstaatsingenieur
op St.-Nicolaas aangenaam had verrast.
Drie jaren waren zij getrouwd, en ze had nu vier kinderen.
Hun aantal „beren” echter was legio.
Vooreerst kon Van Brakel als vrijgezel de eindjes reeds niet
samenknoopen, en wat Lucie betreft,—op de koffie-onderneming haars
vaders had men steeds het huishouden „gedaan” uit het werkkapitaal; dat
„stimmte”, altijd volgens Herr Drütlich.
Zij was een brave, ijverige huisvrouw; van dat de zon aan den hemel
kwam tot ’s avonds klokke acht, was ze in de weer; haar tweelingen
zoogde ze zelve, en ze zou, als een krachtige telg van Germaanschen
stam, in staat zijn geweest zeslingen te voeden en.... over te houden.
Zij had verstand van keuken en goedang-zaken, als de beste uit Europa
geïmporteerde huisvrouw. Zij zorgde goed voor haar man en haar
kleintjes. Als die maar „dik” waren, dan leefde ze, en haar stelsel van
vetmesten gelukte volkomen, ook wat haarzelve betrof; de gansche
familie zat terdege in het vleesch, en Van Brakel, schoon hem de
tweelingen aanvankelijk zwaar op ’t hart hadden gelegen, was geëindigd
met er trotsch op te zijn.
Wanneer bezoekers deze welgeslaagde proeven van multiplicatie-vermogen
bewonderden, en de „engelen van kinderen” ’t vel van de wangetjes
kusten, dan kon Van Brakel er bij staan met een gezicht, stralend van
zelfvoldoening; een gezicht, waarop als het ware een aanvraag stond te
lezen om een gezegeld en geregistreerd certificaat.
Sommige menschen, die wel wisten waar in dergelijke omstandigheden de
beroemde Abraham zijn geurigen mosterd haalde, glimlachten spottend;
maar de domme menigte kende den ingenieur groote verdiensten toe.
Doch welk een goed vrouwtje Lucie ook was,—twee eigenschappen miste
zij: ze was niet erg zindelijk op haar huis, en zuinig was ze evenmin;
stof zag ze niet gauw, maar ze schreef verbazend snel een bonnetje.
Dit eerste, en de eigenaardige geuren van de zuigelingen en van de
baboe, die vóór den divan op den grond lag te slapen, waren oorzaak van
de onfrissche lucht, die in het slaapvertrek heerschte. Zij merkte het
niet; ze was aan die soort van zaken gewoon; thuis, toen haar moeder
stierf, bleef ze met haar broertjes en zusjes achter, en nu die groot
waren, zat ze in een wip in haar eigen kindertjes.
Zulke fijne reukorganen kwamen op haars vaders onderneming ook niet te
pas, en als Van Brakel thuis kwam, en een sterken gemengden geur van
tabak en brandy buiten en binnen de klamboe verspreidde, dan had ze
daar zoo geen last van. Papa Drütlich begroette steeds het opgaan der
zon met zijn Frühschoppen, rookte er groote pijpen zware tabak bij, en
salueerde Morpheus met brandy kring en havana’s. Zoo’n „heerenluchtje”
hinderde haar niet; ze was het van kindsbeen af gewoon.
En Van Brakel was een goed man. Hij hield veel van Lucie; net zooveel
als toen ze nog geëngageerd waren. Voor geen geld zou hij haar ontrouw
zijn geworden; zij wist, dat ze voor hem de vrouw was, en hij kwam daar
altijd rond voor uit. Doch huiselijk van aard was hij niet, en hij werd
dat met elke maand minder. De sociëteit had iets wonderlijk
aantrekkelijks voor hem.
Sedert lang mopperde hij niet meer tegen den dienst. Men hoorde hem
niet meer afgeven op ongediplomeerde hoofdingenieurs en op projecten,
die toch nooit werden uitgevoerd. Hij ontplooide een grooten ijver in
het begrinten van wegen, het verven van gouvernements-gebouwen, het
witten en teeren van postloodsen. ’s Morgens vroeg kon men hem reeds
zien uitrijden in zijn bendy, hoe verder, hoe liever. Het mocht dan
waar wezen, dat hij geregeld elke maand te kort kwam, en hij zijn
„beren” even voordeelig zag groeien en dik worden als zijn kroost,—het
eenige wat nog strekken kon om er niet al te diep onder te raken was
een fatsoenlijk bedrag aan declaraties elke maand.
Fluitend en pratend tegen zijn hond, die al blaffende om hem heen
sprong, liep hij voort in den helderen maneschijn; zijn blonde haren
krulden om zijn pet en de schaduw van zijn gezette figuur dandineerde
op het witte zand van den weg.
Het was een gewone avond in de sociëteit, want er werd geen muziek
gemaakt.
De groote lokalen waren leeg. Uit de biljartzaal kwam het eentonig
getik der tegen elkaar loopende ballen. De kastelein, die de
verlichting uit zijn verdiensten moest betalen, was zoo vrij geweest de
lampen op „halve kracht” te stellen.
Er viel toch niets te verdienen op zoo’n avond!
Van Brakel ging door de lange voor- en binnengalerijen op het geluid
der biljartballen af. Daar ten minste was nog wat leven.
Hij trad binnen en knikte even met het hoofd een „goeden avond” in het
rond.
„Zoo,” zei de assistent-resident van politie, een vroolijk celibatair.
„Wat kom jij hier doen?”
„Ik kom eens zien of jullie je niet misdraagt,” lachte Van Brakel.
„Nou,” zei een ander ingenieur, die met den redacteur van een dagblad
aan het biljarten was, „we zijn altijd blij als we je rechtop naar huis
zien loopen.”
Men schertste, en critiseerde het spel, waarvan de spelers uitmuntend
geoefend waren, en men dronk er de eeuwige brandy-soda bij. Het was een
„vast clubje.” Van Brakel was het eenige getrouwde lid. Zijn collega,
de journalist en de assistent-resident hielden trouw den gehuwden staat
een „kleine vrouw” voor, waarop Hymen telkens verschrikt en beschaamd
de vlucht nam.
„Willen we?” vroeg, toen de partij uit was, een van de club, terwijl
hij met duim en vinger een beweging maakte, als wilde hij iets laten
tellen.
Zij glimlachten allen en keken elkaar aan; zij glimlachten, zooals
verstandige, goed ontwikkelde en beschaafde menschen doen, wanneer ze
willen overgaan tot iets, wat ze weten dat verkeerd is, dat strijdt
tegen hun beschaving, ontwikkeling en verstand; zij glimlachten als
menschen, die heel goed weten, welke in het leven de verboden vruchten
zijn, maar er zich niettemin in koelen bloede aan te goed gaan doen.
„Nog één keer, en dan nooit weer,” zei de assistent-resident.
Ze lachten nu luid, en al schertsend en lachend gingen ze naar een hoek
van de binnengalerij, waar het uitverkoren plekje was voor hun zonde.
De bedienden brachten hun glazen; de mandoor haalde het draaibord; elk
zette een „lapje” van tien gulden bij; men draaide.
Er werd weinig bij gesproken. Zij waren echte spelers; zij speelden
niet om het genoegen van het spel, maar alleen om te winnen. Een half
uur waren ze aan den gang, maar het hielp niet. De kans was zeer
grillig; ieder won op zijn beurt; er ging „niets om.”
„We konden best vijf en twintig zetten,” meende er een.
Men keek elkaar even aan en knikte goedkeurend.—Het scheen te helpen,
de kans richtte zich naar veine en déveine; er werd gewonnen en
verloren; de hartstocht werd opgewekt en met de grootste aandacht werd
de beweging van den draaienden wijzer gevolgd.
Uit de leeskamer der sociëteit, die met een deur in de binnengalerij
uitkwam, schreed langzaam een heer en ging voorbij het tafeltje der
spelers; hij groette zeer beleefd.
Van Brakel mompelde iets met saamgeknepen lippen, terwijl hij hem
woedend nakeek. „Het is nu de tweede maal, dat die ploert me dit
levert.”
„Misschien heeft hij er geen bedoeling bij,” zei zijn collega.
„Nu ja! Ik zeg je, hij doet het met opzet. Mij kan ’t niet schelen.”
„Mij ook niet.”
„Waar zeur je dan over? Kom, zet op!” viel de assistent-resident in, en
gaf met zijn dikke vingers een krachtigen zet aan het draaitoestel.
Van Brakel eindigde dien avond met een paar honderd gulden verlies,
maar het scheen hem niet te hinderen. Ook sprak men daar niet over.
Iemand, die over zijn verlies zou hebben gesproken of getoond zou
hebben, dat hij daar niet tegen kon, ware, althans in hun clubje, een
onteerd man. Of liever het was ondenkbaar, want dan kon hij tot dat
clubje niet behooren.
Men ging gezamenlijk biljarten om geld: een rijksdaalder per carambole;
dat was een billijk tarief.
Van Brakel won er een kleinigheid mee, maar het werd den spelers te
warm.
Nog één keer dobbelden ze, wat hem zijn biljartwinst weer afhandig
maakte, en met het slaan van tweeën gingen de vrienden naar huis.
Het was nog altijd een heerlijke nacht. Van Brakel’s hond was vroolijk
en blafte als een razende tegen de maan; maar de baas werd door
onaangename gedachten geplaagd.
Den volgenden dag was het traktementsdag. Verwenschte dag! Dat was nu,
naar zijn gevoelen, de ellendigste der geheele maand, terwijl het
eigenlijk de aangenaamste wezen moest.
Het was dan toch ook schandelijk van het Gouvernement om iemand van
zijn positie en zijn dienstjaren zóó slecht te betalen. Zelfs met de
declaratie-gelden kon men van zoo’n inkomen niet leven! Had hij een
paar honderd gulden meer in de maand, dan was er doorkomen aan. Nu gaf
het slechts een agglomeratie van beren, waaraan geen einde kwam. Men
kon er waarlijk het einde niet van zien.
Zóó wandelde hij naar huis in droevige stemming, het lot verwenschend,
dat hem als ingenieur B. O. W. in de klauwen had doen vallen van het
Indisch Gouvernement.
Hij had dan een geweldigen afkeer van rekeningen ten zijnen laste, en,
welk een goed en gemoedelijk man hij ook overigens was, zoo kon hij
buiten zichzelven geraken van woede, bij het zien van een mandoer, die
met een portefeuille of een trommel vol quitanties het erf op kwam.
Deze bruine broeders, wetende welke onwelkome verschijningen ze waren
bij den toean ingenieur, bogen als knipmessen nog vóór ze iemand zagen;
maar zóó vriendelijk konden ze niet wezen of Van Brakel zei, met een
paar groote oogen, tegen zijn Lucie:
„Daar heb je weer zoo’n smeerlap!”
Zij moest er om lachen. Haar gemoedelijke aard verloochende zich nooit.
Het was immers niets! „Als men niet kan betalen”, zei ze altijd heel
leuk, „dan zegt men maar lain boelan”. De tokohouders verdienden, vond
zij, toch genoeg.
Maar Van Brakel kon er niet tegen, en daarom zorgde hij steeds met den
maandelijkschen Grooten Verzoendag op reis te zijn om te zien naar de
dijkjes, de postloodsen en wat zich verder koesterde onder de vleugelen
zijner technische bekwaamheid.
Alles sliep toen hij thuis kwam; zelfs toen hij in bed stapte en zijn
gewicht de ijzeren staven van het ledikant deed knarsen, werd Lucie
niet wakker, maar bleef rustig voortslapen, haar dikke, blanke armen
boven het hoofd gekruist. Nog een oogenblik zat Van Brakel overeind,
bedenkend of hij haar wakker zou maken of niet.
Hij deed het niet, want „kasian,” dacht hij, „ze is zoo moe”.
Wèl was het reeds drie uren, vóór hij rustig insliep, maar dat belette
hem niet met het vallen van het ochtendschot weer op te staan. Zijn
ijzersterk gestel veroorloofde hem alles; wat een ander in de gematigde
luchtstreek doodziek zou hebben gemaakt, dat kon hij zich in de tropen
ongestraft veroorloven. Een uur later was hij reeds op weg naar „het
werk”, dat zes, acht palen van de hoofdplaats werd uitgevoerd.
Maar in dat uur, welk een drukte en bedrijvigheid! Als Lucie sliep, dan
was ze moeilijk wakker te krijgen, doch eenmaal goed uitgerust
ontwaakt, scheen zij een voor den ganschen dag opgewonden uurwerk, dat
met een krachtige vaart afliep en ’s avonds stilstond.
Nog was de duisternis niet geheel geweken, toen reeds alles in rep en
roer was; de koffie werd gezet, de tafel voor het ontbijt gedekt, de
zuigelingen schreeuwden van den honger, de baboes liepen heen en weer
met vochtig en geïllustreerd beddegoed, de katten miauwden, Lucie gaf
met luide stem vier, vijf bevelen te gelijk aan de bedienden, Van
Brakel zocht vloekend een gesp voor zijn schoone pantalon,—het was of
met den nieuwen dag Satan was losgebroken, alsof het een huishouden was
van Jan Steen; kleine Wilhelm, het oudste zoontje, gilde als een
bezetene, omdat hij niet wilde baden, en de driejarige Lucie beet haar
baboe in de wang.
Zoo was na vier jaren van ongestoord huwelijksgeluk het „kleine
Paradijs”, waarover Lucie haar oude vriendin Louise Van der Linden met
zooveel enthusiasme had geschreven, toen ze nog pas kort waren
getrouwd.
Toen eindelijk Van Brakel vertrokken was, en de kinderen gevoed en
gereinigd met de baboes aan ’t wandelen waren, begon het eenigszins
rustiger te worden. Dan weldra snorden de naaimachines van Lucie en
haar mendjahit, welk eentonig en toch zenuwachtig geratel alleen werd
afgebroken door de meer of min onaangename besprekingen met weldra van
alle zijden opdagende Chineezen en rekeningloopers.
Het was een nare geschiedenis toch tegenwoordig. Vroeger kreeg zij elke
maand geld gezonden van haar vader, en dat was zoo heerlijk; Van Brakel
wist er wel zoo iets van, maar hij vroeg er niet naar, en zij kon met
dat geld soms zoo ongemerkt de leemten in de ménage aanvullen. Doch
daarvan was in den laatsten tijd geen sprake meer. Het was, schreef
Herr Drütlich, nu „die verdammte Kaffeelaus” zijn boomen vernielde,
niet meer mogelijk om haar etwas te zenden, en daar bleef het bij,
terwijl toch de uitgaven elken dag toenamen.
Na zijn tochtje, dat tot twaalf uren ’s middags duurde, reed Van Brakel
beslijkt en bestoven het erf op van de sociëteit. De Club-leden zaten
er reeds. Zijn collega, iemand altijd even net en bedaard, zoo in zijn
uiterlijk als wat zijn manieren betreft, zag hem opmerkzaam aan, toen
hij uit zijn voertuig stapte.
„Vindt je niet dat Braak erg achteruitgaat?” vroeg hij den
assistent-resident.
„Och, het gaat nogal. ’n Beetje vet, anders niet.”
„Je hebt hem vroeger niet gekend. Te Delft was hij een van de netste
kerels. En nu heeft hij hier in Indië iets verschrikkelijk ordinairs
gekregen.”
„Kom, dat is zoo erg niet!—Dag Braak, ’n paitje?”
„Dat was nog zoo ’n kwaad idee niet,” meende Van Brakel.
Zij bleven zitten tot tegen twee uren. Sommigen hadden zich tot weinig
consumtie beperkt: het waren de ambtenaren, die nog naar hun kantoren
moesten; maar Van Brakel en de assistent-resident, die toch maar naar
huis gingen, hadden een „slordig bittertje” gedronken.
Thuis vond hij Lucie met een van de tweelingen aan de borst, en bezig
een glaasje Spaanschen wijn te drinken, wat zoo goed was en zoo
versterkend; hij vond het erg gezellig en accompagneerde haar met nog
een weinig volksdrank, waarna zij aan tafel zwart Engelsch bier dronk
om zich te versterken en hij bruin Duitsch bier omdat hij het lekker
vond.
„Ik heb een brief gekregen van pa,” zei ze onder het eten.
„Zoo, hoe maakt hij het?”
„O heel goed.”
„En hoe gaat het met de Kaffeelaus?”
„Akelig! Geen driehonderd pikols van ’t jaar.”
„’t Is beroerd.”
„’t Is verschrikkelijk. Zoo’n mooi land!”
„En wat denkt hij nu te doen?”
„Ja, wat zal hij doen?”
Dat wist Van Brakel ook niet, en daarom zweeg hij maar liever.
Lang zouden ze geslapen hebben dien middag, zoo niet tegen halfvijf een
politie-oppasser was gekomen met een briefje van den
assistent-resident, die in vliegende haast meldde, dat hij per telegram
was overgeplaatst en in weinige dagen naar zijn nieuwe standplaats
moest vertrekken, omdat de overneming van den dienst daar geen uitstel
kon leiden.
„Kom, ik ga gauw baden,” zei Van Brakel tegen Lucie. „Je begrijpt, dat
wij hem in elk geval een heerendinertje moeten aanbieden.”
„Er is haast geen tijd toe.”
„Juist daarom wou ik er dadelijk werk van maken. Het moet gauw en goed
gaan. Hij is zoo’n fideele kerel, dat het al te gek zou wezen hem
zonder ’n kleine „fuif” te laten weggaan.”
Ondanks de verschrikkelijke haast kwam toch de overgeplaatste dien
avond in de sociëteit; Van Brakel had zijn lijstje reeds gereed; de
club deed mee, dat sprak vanzelf; verder de resident, eenige chefs van
handelshuizen, advocaten en ambtenaren,—zoo wat ’n twintig lui; meer
moesten er niet zijn, want dan werd het ongezellig. Het moest een fijn
dinertje wezen, dat stond vast; een der bedoelde chefs had welwillend
op zich genomen voor de wijnen en sigaren te zorgen, natuurlijk tegen
factuursprijs; dat deed hij altijd, en daarom was hij van dergelijke
partijen steeds een groot voorstander en nam hij volijverig daaraan
deel; een ander, die een groot huis bewoonde, had zijn lokaliteit ter
dispositie gesteld en het gratis gebruik zijner zilveren couverts
aangeboden; Van Brakel zelf had reeds ernstig onderhandeld met den
koek- en banketbakker, die, als hij behoorlijk nuchter was, in staat
geacht werd een goed diner te kunnen leveren, en althans in het bezit
was van goede menu’s.
Toen hij in de sociëteit kwam, sprak Van Brakel eerst een oogenblik
zeer geheimzinnig met zijn collega en den redacteur, waarop ze met hun
drieën gelegenheidsgezichten trokken, en zóó naar den
assistent-resident gingen, die met een anderen bezoeker zat te praten
en zich hield alsof hij van de opkomende aanstellerij niets hoegenaamd
had bemerkt. Van Brakel, die machtig veel van dergelijke voorbereidende
aardigheden hield, deed het woord, en gaf niet zonder ernst in toon en
gebaren, den assistent-resident te kennen, dat „eenige vrienden” bij
gelegenheid van zijn vertrek gaarne nog een avond aangenaam met hem
wenschten door te brengen, en dat zij daartoe den avond van overmorgen
wenschten te bepalen. Toen de assistent-resident had verklaard daar
niet tegen te hebben en er zeer vereerd mee te zijn, werd hem de lijst
der „deelnemers” overhandigd om als zijn speciale gasten daar nog bij
te schrijven, wie hij mocht verlangen.
Verbazend druk had Van Brakel het, en de arme man, die zijn huis en
zijn zilver had aangeboden, kreeg al dadelijk last van zijn offerte.
Men had een paar matroosjes weten te krijgen van het wachtschip,
aangezien er slechts één roep is omtrent de kunstvaardigheid van
Janmaat in het aanbrengen van versieringen met groen, vlaggen en
bloemen. En zoo was op den gewichtigen avond alles gereed.
Toen Lucie gehoord had, dat het zoo’n fijn diner was, had zij het tot
haar echtelijken plicht en met het oog op de ontwikkeling des vleesches
van haar echtvriend, wenschelijk geacht een goeden raad te geven.
„Jullie denkt er toch niet aan om acht uren, halfnegen te beginnen?”
vroeg ze.
„Natuurlijk. Dat was bepaald.”
„Het is zonde,” zei ze. „Je hebt dan nog weinig eetlust, en dat bij
zoo’n fijn diner.”
„Daar heb je gelijk in,” riep Herman, verrast over deze snuggere
vinding. „We konden best later.... maar hoe drommel krijgen we den tijd
om?”
„Wel doodeenvoudig. Je vertelt aan de lui, dat jullie pas tegen tien
uren, halfelf begint. Vóór dien tijd drink je ’n glas port en speelt
een hombertje.”
„Drommels, dat is een idee!”
„En dan niet te veel bitter drinken, Herman,” vermaande ze. „Dan proef
je er niets van.”
„Jij wilt met alle geweld maar, dat ik lekker zal eten,” zei hij met
een dankbaren blik, en gaf haar een kus.
„Natuurlijk! Zoo’n fijn diner! ’t Is zonde!”
En het geschiedde, gelijk het door Lucie was verzonnen. Tegen acht uren
kwamen in de feestelijk versierde voorgalerij een twintigtal heeren in
zwarte jas bijeen. Eerst stonden en liepen ze zoowat op en neer, al
pratend en lachend; daarna zetten ze zich aan de vijf speeltafeltjes,
waar ze zooveel mogelijk soort bij soort waren ingedeeld; de resident
zat aan het middelste tafeltje dicht bij de trap der galerij, opdat de
voorbijgangers vooral zouden kunnen zien, dat hij ’t feestje bijwoonde.
Het kostte den waren liefhebbers van het spel geen geringe moeite tegen
elf uren op te staan en te gaan eten. De mandoor van den kok-bakker had
reeds van tien uren af aan Van Brakel geseind, dat alles klaar was,
maar de ingenieur was en veine en speelde het eene „kleintje” na het
andere, zoodat hij maar net gedaan had, als had hij niets gemerkt.
Maar ten slotte was toch iedereen verheugd wat te kunnen eten, en
aangezien honger zelfs in Indië, ja misschien meer dan elders, de beste
saus is, werd de schildpadsoep zwijgend en met een soort van piëteit
genoten, en eerst de fijne Sauterne, die bij de visch werd gedronken,
had het vermogen de tongen een weinig te ontboeien.
Tot twee uren in den nacht zat men aan tafel, en toen men eindelijk
opstond, bleek uit de verrassende confidenties, die sommigen
„deelnemers” elkaar deden, schoon ze overigens in het dagelijksch leven
volstrekt niet intiem met elkaar waren, dat de verschillende
wijnsoorten haar invloed op de hersenen deden gevoelen.
Aan huiswaarts gaan dachten de meesten in het geheel niet. Slechts een
enkele sloop stilletjes het erf af, zocht onder de rijtuigen zijn eigen
véhikel en éclipseerde zoo op clandestine wijze, zonder iemand gegroet
te hebben, terwijl onder het naar huis rijden zijn hoofd alle
bewegingen van den wagen meemaakte, alsof het slechts door een
ijzerdraad met zijn romp was verbonden.
In de voorgalerij was men weer druk aan het dobbelen geraakt. Van een
behoorlijke homber-partij was geen quaestie meer. Vingt-et-un, dat was
het eenige, waartoe opgewektheid werd gevoeld.
Het duurde en duurde voort. Langzamerhand begon het te dagen; het
opdoemend licht teekende reeds flauw de omtrekken van ’t hoog geboomte;
de hanen in de kampongs kraaiden in koor. Herman Van Brakel zat nog te
spelen; hij zag bleek en zijn gezicht was nog meer opgezet dan
gewoonlijk; een groepje kijkers stond er om heen.
Het ochtendschot viel,—tot zoolang was er afgesproken, dat men zou
spelen, en toen bleek bij het afrekenen, dat Van Brakel omstreeks drie
duizend gulden had verloren.
Drie duizend gulden! Het was, vond hij, al een heel beroerd geval. Men
had echter niets aan hem kunnen zien, dat was zeker, en lachend had hij
gezinspeeld op de pikols koffie van zijn schoonvader, ofschoon hij zeer
goed wist, dat hij bij den tegen de Kaffeelaus worstelenden
Germaanschen ouden heer niet behoefde aan te komen met het verzoek om
een speelschuld van dien aard voor hem te betalen; Herr Drütlich, die
op dat punt soliede principes had, zou hem een Schweinhund genoemd en
naar den Teufel verwezen hebben.
Naar den duivel! Hm! dat zou hij misschien wel doen, maar niet in dien
zin.
Het was helder dag toen hij huiswaarts keerde, na in het feestlokaal te
hebben ontbeten met de restes van het diner. Zoo veel was zeker, dat
hij er zijn gezonden eetlust niet bij verspeeld had.
De dampen van den wijn waren verdwenen, en hij was, toen hij huiswaarts
keerde, zoo goed als ontnuchterd. Die Lucie ook, dacht hij, met dat
laat aan tafel gaan! Als zij dat niet had aangeraden, zou alles beter
zijn gegaan, en dan had hij wellicht veine gehad, terwijl nu ....
Enfin, zij had het goed gemeend, dat was zeker, en hij voor zich zou
haar niet onlekker maken door over het geval te spreken. Hoe hij aan
het geld moest komen, stond hem niet duidelijk voor den geest op dat
moment, maar dat het terecht zou komen betwijfelde hij geen oogenblik.
In Indië kwam immers alles terecht.
„Wel, heb je veel pleizier gehad?” vroeg Lucie, die al lang op was en
er frisch uitzag.
„Uitstekend. Heb jij je portie ontvangen?”
„Heerlijk, ik heb er aan gesmuld.”
Het deed hem pleizier, zei hij. ’t Was maar een aardigheid geweest. Hij
had het diner besteld en te gelijk aan den kok-bakker gezegd van een
enkelen schotel ’n beetje naar zijn huis te zenden; Mevrouw wou het wel
eens proeven. En de kok-bakker, die toen juist niet dronken was en dan
de goede eigenschap bezat een half woord te verstaan, had aan de
ingenieursvrouw een compleet diner, voor één persoon, gezonden,
waardoor zij zich vrouwmoedig had heengewerkt, schoon werkelijk de
laatste schoteltjes haar menigen zucht hadden gekost.
„Heb jullie nog gespeeld?”
„Natuurlijk. Behalve het eten hebben we niets anders gedaan.”
„Dobbelaar! En heb je niets gewonnen?”
Hij glimlachte malgré lui. Het was in zijn omstandigheden en op dat
oogenblik zoo zot te hooren vragen of hij gewonnen had.
„Een kleinigheid,” loog hij. „Een gulden of tien.”
„Beter zóó dan anders. Ga nu gauw naar bed, vent. Je hebt het met die
partij al zóó druk gehad de laatste dagen....”
Hij liet het zich geen tweemaal zeggen, en ondanks de drukkende
gedachte aan de drie duizend gulden, die hij niet bezat en toch binnen
tweemaal vier en twintig uren, volgens de heiligste en inviolabelste
afspraak, betalen moest, sliep hij rustig in, altijd door zichzelven de
verzekering gevend, dat het wel zou terechtkomen.
Lucie kwam eens naar hem zien. Het was nu juist geen mooi gezicht, dat
haar Herman al slapende opleverde. Zijn gezicht glom alsof het met vet
was ingewreven en hij snorkte allerakeligst. Maar zij was een te goede
getrouwde vrouw om hem zulke kleinigheden aan te rekenen, en sloot
zachtjes de jaloezieën, opdat hij in zijn slaap geen last zou hebben
van de zon, want ’t begon al erg warm te worden.
Op het erf voor zijn woning wandelde de hoofdingenieur Willert des
namiddags op en neer, met een der heeren, die het afscheids-partijtje
ter eere van den assistent-resident hadden bijgewoond. Een beminde
persoonlijkheid was de hoofdingenieur niet. Zijn ambtelijke bekwaamheid
werd niet betwijfeld; hij was als gewoon opzichter in ’s lands dienst
gekomen, en had zich door ijver en studie een weg gebaand tot zijn
tegenwoordige positie. Dat was een gunstig sociaal getuigschrift. Maar
men vond hem niet vriendelijk genoeg en niet aangenaam van humeur in
den omgang; wel had hij bij velen den roep van een braaf karakter en
een goede inborst, maar het groote publiek, meer oordeelend naar den
vorm dan naar den inhoud, mocht hem niet.
Ook Van Brakel droeg hem geen goed hart toe, te minder omdat hij
vermeende door dien chef bespied te worden. Hij, de hoofdingenieur, was
de man geweest, die zoo onverwacht in de sociëteit langs het
speeltafeltje was gekomen, waaraan de club zat te dobbelen, bij welke
gelegenheid Van Brakel het woord „ploert” had gebruikt.
Toen de bezoeker het verhaal deed van het wanhopig spelen van den
ingenieur en het cijfer noemde van diens verlies, schudde Willert het
hoofd.
„Ik begrijp niet hoe hij zulke sommen kan verliezen.”
„Och, dat is gemakkelijk genoeg; als hij zijn verlies maar kan
betalen.”
„Verliezen en betalen is bij mij één.”
„Maar niet bij alle menschen.”
„Bij Van Brakel wel. Hij is een lichtzinnig mensch, maar voor zoover ik
hem ken, acht ik hem niet in staat die schuld onbetaald te laten.”
„Waarachtig niet. Dat heb ik ook niet gezegd. Nu, adieu, ik wandel nog
een eind verder.”
Met de handen op den rug bleef de hoofd-ingenieur bedenkelijk staan
kijken in de lucht. Hij moest op Van Brakel een nauwlettend toezicht
houden, dat stond bij hem vast. Wel was hij van des ingenieurs
eerlijkheid volkomen overtuigd, maar hij had ook de zekerheid, dat de
man op weg was naar zijn ondergang, en tevens zou trachten zich hoe dan
ook op de been te houden.
Overplaatsen? Wat zou het baten? Wel werkte Van Brakel nu
zelfstandig,—maar er was toch nog eenige contrôle. In het binnenland
was het nog gevaarlijker. En zoo hij hier een dobbelaar was, dáár zou
hij ’t niet minder wezen.
Het speet hem voor Van Brakel, want ’t was een kundig man, die zijn
zaken verstond, en gemakkelijk en vlug werkte. Maar niettemin moest hij
hem scherp in het oog houden.
En hij dacht daar nog ernstig over na, toen Van Brakel eerst in den
namiddag ontwaakte, met een verschrikkelijken dorst, en door zijn luid
geroep om iets te drinken de oorzaak was, dat zijn tweelingen zich
verslikten.
De eerste teug ijswater werd hem vergald door de gedachte aan zijn
speelschuld.—Ja, ’t was Zondag-middag, en op het oogenblik kon hij toch
geen beslissende stappen doen. Toch scheen het hem onvermijdelijk toe,
dat hij iets deed, en onder den invloed dier overtuiging ging hij naar
zijn kantoorkamer, zette zich aan den lessenaar, nam een groot vel wit
papier en trok zeer netjes een hoogst eenvoudig „staatje”; daarna nam
hij uit een der laden een vrij dikken bundel onbetaalde rekeningen, en
begon die één voor één zeer regelmatig te boeken in het staatje; toen
hij daarmee gereed was, telde hij de kolom „Bedrag” samen, aldus zijn
beren als het ware kapitaliseerende; boven het totaal trok hij één
streepje en er onder een langere, dubbele horizontale streep.
Het zag er netjes uit, en als ’t een stuk in duplo ware geweest, had
hij het gerust naar zijn Departement kunnen zenden. ’t Is waar: het was
niet bemoedigend. Meer dan tweemaal zijn jaarlijksch inkomen! Dat kwam
van den laatsten post van drie duizend gulden, dien hij Dinsdag-ochtend
moest betalen.
Toch had Van Brakel een gevoel van voldaanheid, toen hij de „zaak” zoo
eens flink onder de oogen had gezien, en als hij ’t staatje aanzag, dan
dacht hij dat hij nog zoo’n slecht financier niet was, als hijzelf wel
eens meende. Behoedzaam sloot hij ’t mooie staatje weg en kleedde zich
om een eindje den weg op en neer te wandelen.
Dat hij „aangekeken” werd, viel hem niet op. De kracht der bazuin van
de Faam in een Indische plaats was hem niet goed bekend. Hij zou het
nooit hebben geloofd, dat de schoolkinderen, die hem langs den weg
groetten, wisten, dat hij den vorigen nacht een vrij aanzienlijke som
had verdobbeld. Oude lieden beantwoordden stijfjes zijn groet; jongelui
zagen hem met bewonderende blikken na; nu, vonden ze, mooi was het wel
niet, maar er was toch iets kranigs in.
Al voortwandelend ontmoette hij een paar kennissen, die met hem
opliepen.
„Ze hebben je leelijk te pakken gehad, hè, Van Brakel?”
„Ja, dat gaat vrijwel.”
Hij antwoordde op een toon, die voortzetting der conversatie over dit
onderwerp uitsloot. Er werd niet verder van gerept en over koetjes en
kalfjes sprekend, kwam hij weer terug bij zijn huis en ging er binnen,
eigenlijk blij dat hij van ’t gezelschap af was.
Hij had dien avond haast om naar de sociëteit te komen, wat Lucie niet
erg aanstond, omdat zij van plan was een visite te maken.
„Laat ik je er niet afhouden,” zei hij.
„Ik vind het vervelend alleen te gaan.”
„Dat behoeft ook niet, Lucie. Ik zal je brengen, en ik beloof je, dat
ik vóór elven kom om je te halen.”
„Maar kan je nu dien éénen avond niet uit de sociëteit blijven?”
„Tien avonden als je wilt, maar van avond moet ik dringend een paar lui
over een werk spreken. Ik heb hun gezegd te komen, en nu kan ik toch
niet wegblijven.”
Ze geloofde het. Hij kon haar, wat zijn loopen naar de sociëteit
betreft, altijd alles wijsmaken.
Zijn gezicht helderde op toen hij in het ruime lokaal kwam, waar een
eeuwige lucht van verschaalde spiritualiën heerschte. Er waren dien
Zondag-avond nogal bezoekers en daaronder ook een oud heer, chef van
een groot handelshuis. Er werd natuurlijk kaart gespeeld. Van Brakel
zorgde dat hij met den koopman in hetzelfde partijtje kwam; tegen
halfelf zond hij den wagen naar Lucie met de boodschap, dat hij haar
onmogelijk kon komen halen; hij zou wel nader zeggen, hoe dat kwam. Het
was alweer halftwee voor men „de laatste” speelde; daarna werd er
gesoupeerd, en de koopman bestelde paling in gelei met sla en andere
goede zaken; zij praatten en lachten, en besproeiden het soupertje met
een goed glas champagne. Toen meende Van Brakel, dat het rechte moment
was gekomen. Hij nam den koopman à part en vertelde hem in weinige
woorden, wat de quaestie was. Met de handen in de zakken hoorde deze
hem aan, knikte een paar keer met het hoofd, en zei toen met een
onbeschrijfelijk beschermend air de grand seigneur:
„Wel ja, ik zal je wel helpen. Kom morgen maar even op mijn kantoor,
dan zullen we dat dingetje wel in orde maken.”
De ingenieur had wel willen springen van vreugde. Hij drukte „den
vriend in nood” de hand en zei iets van groote verplichting enzoovoort.
„Kom,” zei de ander. „Laat ons nu nog een partij biljarten.”
Tegen vier uren gingen ze huiswaarts; ze hadden veel pleizier gehad; ze
wisselden shake-hands; ze hadden veel gedronken,—maar beiden waren van
die sturdy gasten, die letterlijk overal tegen konden.
„Nu, tot morgen,” zei de koopman, terwijl hij in zijn mylord stapte.
Het antwoord „Tot morgen” van Van Brakel, die in zijn bendy klom, klonk
als het summun van wat er hartelijks kan liggen in de menschelijke
stem.
Hij maakte Lucie wakker, maar ze was boos; ze verweet hem, schoon op
haar gewonen kalmen toon, dat hij haar een mal figuur liet maken bij
hun kennissen. Luid protesteerend, kuste hij haar. Hij kon het
waarachtig niet helpen; het was onmogelijk geweest, want..... en nu
vertelde hij haar de heele geschiedenis.
Neen, nu begreep ze ook, dat hij niet weg had kunnen gaan, terwijl zich
zoo’n schoone gelegenheid aanbood.
Hoe gelukkig, dat hij zoo gauw geholpen was! Zij zouden er anders
groote soesah mee gehad hebben. Van het bedrag was ze zoozeer niet
geschrikt; ze had in haar jeugd, als ze hier of daar op een onderneming
gelogeerd was, wel eens andere dingen gezien. Nu, dat was in zoover,
Goddank, dan alweer geschikt! Het verheugde hem innig, dat zij er ook
zoo over dacht; hij kuste haar nogmaals en kneep haar in de kuiten, die
ze lachend en flauwtjes protesteerend optrok. Geen wolkje was er meer
aan de lucht; geen zorg hoe groot of klein kon hen nu meer deren; ten
slotte sliep hij in, doodvermoeid van het vernieuwde nachtbraken, en
Lucie sliep waarlijk ook weer in, en werd met schrik wakker, door het
geschreeuw van de kinderen, toen het reeds lang dag was.
Van Brakel had zijn speelschuld betaald. Denzelfden dag, dat het
gebeurde, wist de geheele stad het. De meeste menschen waren er
verbaasd over, en zijn vrienden ook, maar zij hielden zich goed, en als
er over werd gesproken, zeiden ze maar, dat Van Brakel een speelbeurs
er op na hield, die verduiveld goed gespekt moest wezen, want hij had
anders altijd veine. ’t Was niet waar, maar het gezeur was er mee aan
een eind.
Slechts de tokohouders, die tot het oneindige lain boelan kregen op hun
rekeningen, waren recalcitrant toen ze hoorden van die drie duizend
pop, en ieder hunner besloot in stilte om het er niet bij te laten. Als
de ingenieur zóóveel geld kon verdobbelen, dan kon hij, meenden zij,
hen ook wel betalen.
Het leven ging zijn ouden gang met dit verschil, dat de Van Brakels
minder dan ooit konden toekomen, daar de koopman elke maand een deel
van het geleende moest terugontvangen. De ingenieur deed het
onmogelijke om hooge declaraties te maken, maar overigens ontzag hij
zich in niets, ging evenals vroeger elken dag naar de sociëteit en
dobbelde er met afwisselend geluk. Lucie deed op hare wijze haar best
als huisvrouw; de kinderen groeiden als kool, en zij.... groeide ook
als kool. Zij vonden het vooruitzicht op nieuwe vermeerdering van hun
gezin nu juist niet aangenaam, maar ze beklaagden zich niet. In dat
opzicht waren ze ouderwetsche principes toegedaan; ze vonden haar een
zegen, die verwezenlijking van de zeezand-theorie!
Er ontbrak hun niets dan een millioen, en het was heel ongelukkig, vond
Lucie, dat nu juist zij daarover niet beschikken konden, terwijl er
menschen genoeg waren met groot fortuin, die door hun levenswijze
duidelijk toonden, dat ze van hun geld geen gebruik wisten te maken, en
het dus ook niet waard waren.
Het was zeer slecht verdeeld in de wereld. Herman deed toch zoo zijn
best! ’t Was waar: hij ging veel naar de sociëteit en had sterk
uitkomende epicurische neigingen. Doch een man moest toch wat hebben.
En dan: wat werkte hij niet hard! Altijd was hij in de weer, en nu gaf
hij weer les aan verscheiden jongelieden, die zich voor landmeters- en
andere examens wilden bekwamen. Toch gingen ze hard achteruit. Niet
alleen werd het „staatje” met elke maand grooter, maar er bestond geen
goede verhouding tusschen het verminderen der bestaande posten en het
bedrag van die er bij kwamen.
„Heb je ’t gehoord?” vroeg Van Brakel, terwijl hij zijn morsige
schoenen op de mat wilde afvegen, maar het met voorname slordigheid er
naast deed: „heb je ’t gehoord? Er is een calicot-bal in de soos.”
„Dat moet erg pleizierig zijn.”
„Zeker, alle dames komen in sarong en kabaja. Katoen-achtiger kan men
het niet verlangen.”
„Wees nu niet flauw, Herman. Ik vind het uitstekend. Waarom moeten er
voor een gewone partij altijd zooveel onkosten worden gemaakt?”
„Wou jij soms in een katoen japonnetje gaan?”
„Ja natuurlijk.... Een calicot-bal, heb ik gelezen....”
„Is een gelegenheid om eenvoudige menschen te foppen.”
„Dat is nonsens.”
„Neen Luus, dat is het niet. Haast iedereen komt op zoo’n bal in
prachtig toilet, en als er dan naïeve lui zijn, die wezenlijk in een
katoentje komen, dan amuseeren de anderen zich daar kostelijk mee. Dat
zijn de arme drommels, die, gelukkig dat ze eens naar ’n bal kunnen
gaan, zonder dat het wat kost, de gelegenheid met beide handen hebben
aangegrepen.”
„Ajakkes, hoe hatelijk!”
Van Brakel lachte met wereldkennis.
„Het is niets dan de waarheid, Luus, en ik zou niet willen hebben, dat
die dames van den handel, die toch al zoo’n bluf slaan in groot toilet,
jou achter haar waaiers zaten uit te lachen, omdat je er waart met een
katoen jurkje.”
„Het zou mij wat kunnen schelen.... Bovendien, ik geloof dat je ’t je
maar verbeeldt.”
„Waarachtig niet. Die particulieren hier in Indië....”
„Ik zou maar niets van „die particulieren” zeggen, Herman. Wie zou je
laatst zoo maar dadelijk aan dat geld hebben geholpen, als het niet een
particulier was geweest?”
„’t Was ook wat.... voor hem,” protesteerde Van Brakel, maar hij ging
toch door naar zijn kamer om zich uit te kleeden, en onttrok zich aan
verdere discussie.
Het was een teer punt, het eenige waarover zij steeds gevaar liepen
twist te krijgen. Hij kon niet nalaten zijn ambtenaarshart van tijd tot
tijd te luchten over „die particulieren”, en zij kon dat niet velen,
want haar vader was zoo’n particulier, en zij had haar heele
jongedochtersleven bij en met particulieren doorgebracht.
Maar niettemin besloot zij het denkbeeld van in een calicot-kostuum te
gaan, te laten varen. Toch wilde ze er heen. Nu kon ze nog gaan. Sloeg
ze deze gelegenheid over, dan zou het wel weer een heel jaar duren
vóórdat ze zich kon vertoonen; dan had ze weer een kleine, die haar
thuis hield. Het stond dus vast, dat zij gaan zou, en daar zij geen
bruikbaar baltoilet had, bestelde ze er een, dat niet van katoen was.
Het kostte wel wat veel, maar kwam men over den hond, dan zou men ook
wel over ZEds. staart geraken.
En zij amuseerde zich uitstekend op het bal! Herman had gelijk gehad,
dat zag ze nu ook, en ze was blij met haar baltoilet, te meer daar het
zóó was gemaakt, dat dank zij ook de hulp van balein, niemand „iets”
aan haar kon zien.
Zij zag er wezenlijk goed uit, en daarvoor was ze ook jong genoeg. Haar
blanke huid en gevulde vormen; haar fraai aschblond haar, keurig netjes
opgemaakt, en mooie groote blauwe oogen trokken de aandacht van menig
man, en de opmerking „dat die mevrouw Van Brakel er verduiveld goed
uitzag”, werd dien avond verscheiden malen gemaakt; daarbij lag er over
haar geheele persoon als het ware een cachet van vrouwelijkheid, dat
meestal meer aantrekt dan strenge schoonheid; ’t was of die eigenschap
niet enkel sprak uit haar figuur, maar of men haar hoorde uit den toon
harer stem.
Geen dans bleef ze zitten. Niet alleen danste zij „dienst” met twee
aspirant-ingenieurs en een jonger collega van Van Brakel, maar ze werd
ook door velen gevraagd, alleen om het genoegen met haar te dansen. Wie
haar zóó zag, zou de mevrouw Van Brakel niet hebben herkend, die thuis
wel eens den geheelen ochtend kon rondloopen, een beetje ongewasschen,
een beetje ongekamd en met een beetje erg onzindelijke kabaja aan.
Eens kwam Van Brakel in den loop van den avond vragen, of ze ook wat
wilde gebruiken. Het was een noodelooze formaliteit, want onder het
dansen dronk ze nooit iets, uit vrees het te warm te krijgen. Voor de
rest was hij in de balzaal onzichtbaar. Zoo’n feest was voor hem gelijk
aan een gewonen speelavond met servituut van een lange jas.
Toen het bal was afgeloopen en de laatste bezoekers opstonden om heen
te gaan, kwam Van Brakel zijn vrouw uit de zaal halen; hun rijtuig
stond voor.
Hij zag er bijzonder vroolijk en opgewekt uit; al pratend en lachend
met een paar bekende families, scheen hij volstrekt geen haast te
hebben, hoe laat het ook was. Als Lucie het niet had belet door
eenvoudig afscheid te nemen, zou hij in staat zijn geweest er weer bij
te gaan zitten.
„Je bent ook zoo’n plakker,” zei ze, toen ze wegreden. Hij lachte.
„Zeg Luus, hoeveel heeft je nieuwe japon gekost?”
Zij aarzelde een oogenblik; ze kon niet ontkennen, dat ze eenig
zelfverwijt voelde.
„Honderd dertig.”
„Zoo, nu, ik heb van avond honderd tachtig verdiend; dat komt zoowat
overeen uit.”
„Kom....!”
„Wel, het is zoo’n wonder niet. Ik heb honderd en tachtig pop gewonnen.
’t Is betoel waar.”
Het was ook waar, en zij vond het heerlijk. Alweer een pak van haar
hart! Ten slotte dus, kwam die partij hun niet op een handvol geld,
maar ze verdienden er nog bij; dat idee bracht haar in een aangename
stemming, en zij vleide zich met welbehagen tegen hem aan. Ook Van
Brakel was recht in zijn humeur; hij sloeg zijn arm om haar heen en
zoende haar.
„Je zag er allerliefst uit van avond, Luus.”
„Vindt je?” vroeg ze met een zweempje coquetterie.
„A croquer,” verzekerde hij, en zij gaven elkaar een kus, die wat
innigheid en afmetingen betreft, herinnerde aan den tijd toen ze nog
als geëngageerde jongelui hun heil zochten achter de bloempotten van
dokter Van der Linden.
Daarna gichelden ze samen, zeiden: „Wat zijn we toch kinderachtig,” en
gingen netjes rechtop zitten, gelijk bij getrouwde menschen, die reeds
vier kinderen hebben, te doen gebruikelijk is.
Die gewonnen honderd en tachtig gulden deden dienst dien avond! Lucie
zag het denkbeeld om nu en dan eens „wat” te laten maken, minder donker
in, en Herman werd er door bevestigd in zijn reeds lang vaststaande
meening, dat het homberen „een schoone zaak” was.
Thuis haastte zij zich haar japon los te maken, luid zuchtend van
verlichting toen met een dof geluid de sterk gerekte en gespannen stof
zich weer tot haar natuurlijken toestand inkromp.
„Dat is toch zoo’n genot!” zei ze.
Hij lachte er om en plaagde haar er mee, met allerlei zinspelingen; en
zij, die zich in zulk een tête-a-tête allerminst behoefde te geneeren,
gaf hem zijn plagerijen met interest terug.
Die goede honderd en tachtig gulden! Zoo weinig, en toch, helaas!
zooveel.
Maar er moest verandering in komen. Het hielp op den duur niet, dat Van
Brakel den rekeningen-dag ontvluchtte, noch dat Lucie met de grootste
kalmte de quitanties terugzond. Er werd gedreigd; ernstig gedreigd met
aanvragen om beslag op zijn traktement, en dat moest vermeden worden.
Naar het „staatje” keek hij reeds lang niet meer om. Er was toch geen
bijhouden aan, en dan: het bracht hem maar van streek en bedierf zijn
humeur, zonder dat het iets hoegenaamd hielp.
Hij zat in sombere gedachten daarover verdiept aan de kletstafel in de
sociëteit, en dronk er weemoedig een bittertje bij, haast niet
luisterend naar het gepraat van een jong handels-geëmployeerde, die pas
uit Europa was gekomen, maar, van invloedrijke en gegoede familie
zijnde, dadelijk bekwaam was geoordeeld voor een vrij goede positie.
„Ik wou,” zeide deze eindelijk, „dat ik maar bij een nette familie
inwoning kon krijgen. Weet u niemand, die genegen is voor ƒ 150.— ’s
maands, iemand een paar kamers en te eten te geven?”
Langzaam wendde Van Brakel het hoofd naar hem toe en keek hem eenige
oogenblikken als verwonderd aan.
„Misschien wel. Ik heb er nooit aan gedacht en mijn vrouw ook niet.
Maar we hebben een paviljoen op ons erf met twee kamers. Als mijn vrouw
er niet tegen heeft, zoudt ge wellicht bij ons kunnen komen.”
„Als het kon, heel graag.”
„Wel, ik ga nu naar huis en zal er mijn vrouw over spreken. Heeft zij
er geen bezwaar tegen, dan schrijf ik u van middag.”
„Heel graag; hoe gauwer hoe liever, want het leven in een logement ben
ik niet gewoon. Voor een maand of zoo gaat het goed, maar niet op den
duur.”
Het was een uitkomst! Dáár had hij nu waarlijk niet aan gedacht. Het is
waar dat ze bij hun trouwen vast besloten hadden nimmer commensalen in
huis te nemen, en dat het paviljoentje tot nu toe voor niet veel meer
dan berghok van kisten, koffers enz. werd gebruikt, maar dat was in een
wip te veranderen, en dat hij nog had getwijfeld aan de toestemming van
Lucie, was slechts poera-poera geweest. Zij wist ook wel, dat de nood
drong.
Nu, ze had er vrede mede niet alleen, maar ze was er blij om. Dadelijk
moest het paviljoentje schoon gemaakt en van meubelen voorzien worden,
die, een beetje erg duur, wel op krediet te krijgen waren.
Zoo iemand meer of minder in de ménage, wat zou het kosten? Honderd
vijftig gulden ’s maands daarentegen—daarmee konden ze dit en dat....
En ze somden de wonderen elkaar op, die zij successievelijk met dat
bedrag meer per maand zouden kunnen doen, en ze zaten elkaar en
zichzelven te bedotten met open oogen, en ze misrekenden zich in hun
illusoire voorstelling omtrent dezen geldelijken bijslag op een
gruwelijke manier, tot eindelijk het luchtkasteel compleet was.
De jonge Geerling kwam en bracht groote kisten mee vol bibelots en
snuisterijen, waarmede hij de twee kleine kamers zoodanig volpropte,
dat men er geen schrede kon verzetten, zonder gevaar te loopen iets te
breken, terwijl er geen plekje aan den muur was, waar niet de eene of
andere fraaiigheid hing.
Dat was, volgens zijn opinie, gezellig.
Lucie, die hij inviteerde om eens te komen zien, hoe hij zijn kwartier
had opgeschikt, stond verbaasd over de vele kleurige kleinigheden, die
gezamenlijk den vertrekken zulk een eigenaardig aanzien gaven, evenals
zij verbaasd had gestaan over Geerlings geheele persoonlijkheid.
Zij was gewoon de heeren der schepping te zien in witte pantalons en
dito jassen of korte zwarte jasjes, en ook overigens gekleed met een
eenvoud, daarmede geheel in harmonie.
Geerling liet zich elken dag kappen, hij had zeer lage schoentjes aan
met zwarte lintjes gestrikt, en gekleurde zijden sokken; hij droeg
roomkleurige vesten en zalmkleurige jasjes, overhemden en boorden met
gekleurde strepen en balletjes, dassen met moesjes en franjes, en
stroohoeden met breede gekleurde linten er om; hij had een lintgouden
horlogeketting, en aan zijn vingers droeg hij lange nagels en gouden
ringen.
Met dat alles was hij een jongmensch met goede manieren en een goede
opvoeding, met een beetje pedanterie en veel radicalisme in zijn
denkbeelden, maar in elk geval zijn conversatie waard.
Waarom hij naar Indië was gezonden, wist hijzelf niet goed. Om het geld
behoefde hij het niet te doen; dat had hij meer dan genoeg; den handel
zou hij toch niet leeren, want hij had er hoegenaamd geen pleizier in,
en te Parijs, ja zelfs te Amsterdam vond hij het leven veel aangenamer
dan op Java.
Maar ’t was de wil geweest zijns vaders, en daar hij minderjarig was,
heette die wil een wet.
Op het kantoor, waar zijn zwager, een ijverig en bekwaam koopman, aan
het hoofd der zaken stond, liet men hem juist zoo veel en zoo weinig
doen, als hij goed vond, en maakte niemand er aanmerking op, als hij
elken middag een paar uren uitging. Er was gezorgd, dat hij een
„werkman” naast zich had, die deed, wat hij liet liggen.
Het kon hem overigens niet schelen. Als hij meerderjarig was, en dat
duurde nog hoogstens een jaar, ging hij toch weg om nimmer weer terug
te komen. Tot zoolang, stelde hij zich voor, zou hij de geweldige
verveling van het Indische leven wel kunnen bekampen; tot zoolang zou
hij het wel uithouden.