Weer verliep een kwartier, en nog altijd strekte de angstwekkende

woestijn zich uit.

Maar eensklaps slaakten de drie mannen een luiden kreet.

De nevel, die zij reeds geruimen tijd ontwaard hadden, scheen zich

plotseling op te lossen, en wat zij daar op een vijftal kilometer voor

zich ontwaardden, sloeg hen met een verbazing, waarvoor zij geen

woorden konden vinden. Daar verhief zich wederom een bergmuur, maar van

een zoo ontzaglijke hoogte, dat hij op aarde vruchteloos zijn wedergade

zou zoeken.

Als een grijze muur verhief het zich tot een hoogte, die de

dertienduizend meter zeker te boven moest gaan, bijna volkomen steil,

en schijnbaar zonder eenige spleet, die het door brak.

Raffles had maar juist den tijd, den handel voor de snelheid over te

trekken, en tevens de richting te wijzigen, want de vaart was zoo

groot, dat de machine zeker tegen den rotsmuur verbrijzeld zou zijn

geworden.

Charly en Henderson staarden verbijsterd van schrik naar dit

natuurwonder, waarnaast zelfs het hoogste gebergte ter wereld, de

Himalaya, met zijn gemiddelde hoogte van acht duizend meter in het niet

zonk.

De „Duivel der Lucht” beschreef een bocht, en zoo ontzettend groot was

de snelheid geweest dat de vliegmachine juist langs den rotsmuur

scheerde.

HOOFDSTUK VII.

HET GEBIED DER VERGETELHEID.

Raffles greep met vaste hand het hoogteroer en dadelijk begon de

vliegmachine zich met weergalooze snelheid in de lucht omhoog te

schroeven, zij bereikte in eenige minuten een hoogte van vijfduizend

meter, en steeds hield het stijgen aan.

Spoedig werd de lucht zoo dun, dat de ademhaling moeilijk werd, en op

tienduizend meter hoogte moesten de zuurstofapparaten in gebruik worden

genomen, daar de ijlgeworden lucht niet langer voor de inademing

geschikt was.

Maar wat erger was, deze dunne lucht vermocht bijna de vliegmachine

niet meer te dragen.

De schroef moest met razende snelheid rondwentelen, en de stijging had

slechts langzaam plaats.

De „Duivel der Lucht” beschreef nu zeer groote bochten, en eindelijk

maakte Raffles zich gereed om den laatsten stormloop op het

ontzagwekkende gebergte te wagen.

Hij ging een tiental kilometers terug, steeds stijgend, liet de machine

keeren, en hield toen recht op een der laagste toppen van den bergketen

aan.

En het waagstuk lukte!

Met een snelheid, die nauwelijks meer dan honderd kilometer kon

bedragen, scheerde de vliegmachine rakelings over den kam van het

hemelhooge gebergte, op een hoogte van meer dan dertienduizend meter

die nimmer te voren door eenig luchtvaarder was bereikt.

Thans breidde zich een verrukkelijk schoon panorama voor de drie

reizigers uit.

Het scheen wel of de bergketen, die zij zoo juist overschreden hadden,

een bolwerk moest zijn, een aardsch paradijs, en bestemd om het te

beschermen tegen het binnendringen van profanen.

Overal verhieven zich bosschen, maar de boomen schenen van een lengte

te zijn, zooals die nergens elders ter aarde worden aangetroffen.

Breede stroomen stuwden hunne wateren door heerlijke weiden.

Ter rechter zijde scheen zich evenzeer een grijze rotsmassa te

verheffen, weinig minder hoog dan het gebergte, hetwelk de

luchtvaarders thans achter zich gelaten hadden.

Maar in het westen, zoover het oog reikte, breidde zich het

verrukkelijk schoone landschap uit.

De vliegmachine was snel gedaald, zoo snel als het zonder gevaar voor

den bloedsomloop kon geschieden.

Pas op vijfduizend meter werden de zuurstof toestellen weder

opgeborgen.

Het ademhalen viel nog zeer moeilijk, en alle drie de mannen leden aan

duizeligheid.

Door den sterk verminderden atmospherischen druk was hun het bloed uit

de ooren en onder de nagels gesprongen.

Maar gelukkig keerde spoedig het evenwicht tusschen den druk binnen en

buiten het lichaam terug en Raffles en zijn metgezellen konden zich nu

beter oriënteeren.

Raffles zocht een plek om te landen, maar dit was zeer lastig, en

bovendien dacht hij er niet aan, zich moedwillig aan wie weet welke

vreeselijke gevaren bloot te stellen.

Hij besloot daarom de vliegmachine te sturen langs den binnenwand van

den onmetelijken rotskom waarin zich het geheimzinnige gebied van

Niassa scheen te bevinden, van de buitenwereld afgesloten door dezen

ring van ontzaglijk hooge bergen.

Hij besloot dus voorloopig niet lager dan vijfduizend meter te dalen,

en naderde nu den bergwand, dien de drie reizigers zooeven hadden

opgemerkt.

Trapsgewijze, als een trap met monsterachtig groote treden, ieder bijna

vijfhonderd meter hoog en bijna een kilometer breed, daalde het

gebergte hier naar de met groene bosschen bedekte vlakte af.

Deze terrassen waren bijna volkomen vlak, en daar zij uit graniet

bestonden, bedekt met dunne laag steengruis, boden zij een

voortreffelijk landingsterrein.

Raffles hield dus op een dezer terreinen aan, vloog eenige malen rond

teneinde zich te overtuigen dat de landing geen gevaar zou opleveren,

en daarop streek hij voorzichtig op een der terrassen neder, zoo dicht

mogelijk bij den steil oprijzenden wand van de volgende trede, zoodat

er nu van de vlakte zeer weinig te zien viel.

De drie mannen klommen uit het schuitje, met het geweer in de vuist

geklemd, terwijl hun hart luid klopte, daar zij bewogen werden door een

gevoel waaraan zij geen naam konden geven, vrees was het niet, het was

slechts een doffe beklemming.

Misschien werd deze teweeggebracht door de volstrekt geruischlooze

stilte welke tusschen deze ontzaglijke rotsen hing.

Zij waren hier beneden de sneeuwgordel, maar deze begon slechts weinige

meters hooger, en de zon wierp haar verblindend licht op de witte

rotspunten.

Maar hier, waar de vliegmachine was gedaald, was alles grijs, van een

kleur, welke de drie mannen nergens ter aarde nog hadden aangetroffen.

Nu zij dichtbij waren, zagen zij, dat de reusachtige treden toch niet

zoo volkomen regelmatig gevormd waren als zij oorspronkelijk gedacht

hadden.

Hier en daar gaapten geweldige holen, en ook groeide er een soort

Aloës, die zich met hun wortels in de smalle rotsspleten hadden

vastgegrepen.

Geruimen tijd stonden de drie mannen zwijgend bij elkaar, aangegrepen

door deze neerdrukkende, sombere stilte, en door het schouwspel van

deze monsterachtige terrassen van grijs graniet, met het stof der

eeuwen bepoederd.

De vliegmachine was niet ver van een der holen neergestreken, die in

den rotswand uitgehouwen waren.

Het was minstens twaalf meter breed aan de basis, en ruim veertig meter

hoog.

Nu trad Raffles op zijn beide metgezellen toe, en zeide terwijl hij

zijn stem onwillekeurig dempte:

„Wij zullen tot aan den rand van het terras gaan, misschien hebben wij

daar weder het uitzicht op de wonderschoone vlakte welke wij in de

lucht reeds ontwaard hebben.”

„En onze vliegmachine?” vroeg Charly.

„Wij zullen haar met ons meetrekken want het zou te gevaarlijk zijn

haar hier te laten, al kan ik werkelijk niet inzien welk gevaar ons

hier zou kunnen bedreigen.”

Nauwelijks had Raffles deze woorden gesproken, of een luid gerucht deed

zich hooren, dat uit de richting van het rotshol scheen te komen, en

bijna op hetzelfde oogenblik vertoonde zich een gedrochtelijk wezen,

dat met den monsterachtigen kop bijna de bovenzijde van het hol

aanraakte.

De drie mannen slaakten tegelijkertijd een kreet van ontzetting.

„Een Allosaurus!” schreeuwde Raffles, die zeer bleek was geworden.

Inderdaad, op een afstand van ongeveer tachtig meter verscheen één dier

monsters, welke de hedendaagsche wetenschap reeds lang uitgestorven

waande.

Het bewoog zich voort op de sterke achterpooten, van drie machtige

klauwen voorzien.

De kop, als van een reusachtigen krokodil, de nek en de rug, evenals

het bovengedeelte van den staart waren met groenachtig glanzende, zeer

dikke schubben bedekt.

Het gedrochtelijke dier had nu zijn hol geheel verlaten, en richtte

zich nu op, om een blik om zich te werpen, uit zijn groote, een weinig

uitpuilende oogen, ongeveer tweemaal zoo groot als een paardenoog.

Zooals het daar nu in de houding van een kangoeroe op den staart

steunde was het monster zeker acht of negen meter hoog.

En nu zagen de drie reizigers, verstijfd van schrik, hoe de Allosaurus

de vliegmachine in het oog kreeg.

Het vreeselijke monster stiet een soort gebrul uit, dat geleek op het

getrompetter van een olifant, hurkte neder op de geweldige

achterpooten, en nam een ontzettenden sprong, die het veertig meter

verder weder deed neer komen, en waarbij het zich minstens 20 meter van

het terras verhief.

Nog één zulk een sprong, en de Allosaurus zou zich op de vliegmachine

geworpen hebben, welke het misschien aanzag voor een of anderen vijand,

misschien wel voor den Dimorfhodon of vliegende draak, een monster met

de vleugels van een vleermuis en den bek van een krokodil, waarin felle

tanden geplaatst waren.

Nog zulk een sprong en over het lot der drie indringers zou beslist

zijn.

Zij hadden alle drie hun geweer aan den schouder gebracht, mikten op

het hart van het monster, dat zich voor den tweeden sprong gereed

maakte, en drukten af.

De drie kogels troffen den Allosaurus op de juiste plaats.

Het geweldige monster maakte een grooten luchtsprong, die het tot dicht

voor de vliegmachine bracht, sloot zijn verschrikkelijke klauwen eenige

malen en bleef toen onbewegelijk liggen, met gebroken oogen, die echter

nu nog een angstaanjagende uitdrukking hadden.

Geruimen tijd bleven de drie reizigers zwijgend naar het monster zien,

niet in staat om uiting te geven aan hun gevoelens.

Henderson was de eerste die sprak.

Met trillende stem zeide hij:

„Dat zal niemand willen gelooven, Mylord, ook al zouden wij het onder

dure eeden bezweren!”

„Dat moet ik ook vreezen, Henderson,” zeide Raffles. „Ik kan mij nog

steeds niet voorstellen, dat het werkelijk geschied is, en dat wij

zooeven een dier geveld hebben dat al onze geleerden reeds

honderdduizenden jaren uitgestorven waanden. Maar kom, laat ons hier

niet blijven! Waarschijnlijk zijn ook die andere holen bewoond, en het

geluid van de schoten zou die vreeselijke monsters kunnen aanlokken.

„Wij zullen de vliegmachine tot aan den rand van het terras trekken,

want daar zijn wij veel veiliger.”

De drie mannen lieten geen tijd verloren gaan, maar rolden de

vliegmachine zoo snel zij konden over het terras naar den rand.

Het ging zeer gemakkelijk, want de oppervlakte van het terras was hard

en glad.

Na ongeveer een kwartier hadden zij den rand bereikt, maar zij konden

nog steeds geen blik over de geheele vlakte werpen, want opnieuw

breidde zich een terras voor hen uit, bijna even breed als het vorige,

maar meer dan vijftien honderd meter lager gelegen.

Daar er niet aan te denken viel, langs den rotswand naar beneden te

dalen en de machine hier achter te laten, besloten de drie mannen zich

weder in te schepen en met de vliegmachine dat lager gelegen terras op

te zoeken.

Aldus geschiedde, en tien minuten later streek het zweeftuig opnieuw

neder.

Ditmaal landde Raffles met opzet ongeveer halverwege het terras, want

ook hier bevonden zich vrij veel holen.

Juist toen zij opnieuw waren uitgestegen, kwamen er tegelijkertijd

opnieuw drie geweldige monsters te voorschijn, die zich langzaam in de

richting van de vliegmachine voortbewogen.

Reeds wilde Henderson zijn geweer aan den schouder brengen, maar

Raffles weerhield hem, en zeide:

„Laat dat Henderson! De dieren die daar naderen zijn Iguanodons, en

volkomen onschadelijk. Al bereiken zij een lengte van zeven en een

halven meter, zoo zijn het toch goedige dieren, die zich uitsluitend

met planten voeden, ondanks hun angstwekkend uiterlijk. Zie maar, zij

blijven op een eerbiedigen afstand!”

„Maar zij gelijken toch heel veel op dien sinjeur van zooeven,” hernam

de reus, die veel liever het monster had willen neerschieten, naar het

scheen.

„Dat is ook werkelijk zoo, maar in plaats van haakvormige slagtanden

hebben deze dieren slechts platte maaltanden, en hun kop is ook veel

kleiner dan die van den Allosaurus.”

De vliegmachine werd opnieuw naar den rand van het terras getrokken,

maar niet zoo ver, dat zij uit de vlakte te zien zou zijn, en daarop

kropen de drie mannen op den buik naar den rand van het plateau.

Slechts met moeite weerhielden zij een kreet van verbazing.

Een schouwspel, zoo verwonderlijk, dat het hun bijna den adem benam,

vertoonde zich aan hun blikken.

Zij hadden het laatste terras van het bergmassief bereikt, en bevonden

zich hier op een hoogte van achthonderd meter boven de vlakte.

De bergwand was hier zoo volkomen rechtstandig, dat menschenhanden het

niet hadden kunnen verbeteren, en dat een met een steen bezwaard touw

nergens meer dan een centimeter van dezen wonderlijken muur zou zijn

afgeweken.

Op ongeveer duizend passen afstand van dezen rotswand verhief zich een

stad die op dit oogenblik door de felle stralen van de zon beschenen

werd, maar een stad zoo wonderbaarlijk, als zij nergens ter aarde

gevonden werd, en vreemder zeker, dan de stoutste verbeelding zich haar

had kunnen afmalen.

De huizen waren gebouwd langs den spiraalvormigen omgang van een

ontzaglijk grooten en breeden toren, zuiver rond, en die aan de basis

een doorsnede had van minstens drie honderd meter.

Dit ontzaglijke bouwwerk, uit graniet opgetrokken, was ongeveer

zeshonderd meter hoog en versmalde zich langzamerhand naar den top,

waar de doorsnede omstreeks tweehonderd meter bedroeg.

Rondom dezen toren, van den voet tot aan den top, kronkelden zich twee

wegen, een met een rechtsche, en een met een linksche schroefdraad.

Deze wegen waren dertig meter breed ongeveer, en van een marmeren

borstwering voorzien tot op een hoogte van iets meer dan een meter, en

welke op geregelde afstanden versierd was met standbeelden van een

wonderlijke schoonheid.

Aan den anderen kant van deze wegen waren de huizen gebouwd.

Zij schitterden met een buitengewonen glans, hun voorgevels bestonden

uit zuiver zilver, de toegangsdeuren waren van bijzonder schoonen vorm,

en alle vensters waren volkomen rond.

De meeste dezer eigenaardige huizen hadden kleine luifels, eveneens van

zilver vervaardigd.

Op het platte dak van dezen wonderlijken toren, die tegelijkertijd een

stad was, verhief zich een tempel die alleen aan de zijde der drie

reizigers zeven en dertig poorten vertoonde, die uit louter goud was

opgetrokken.

Een onmetelijke koepel welfde zich over dezen tempel, gedragen door

veertig olifanten, allen van hetzelfde edele metaal vervaardigd.

Deze geheimzinnige stad stond te midden van een zeer groote grasvlakte

en een groot aantal wegen leidde er straalsgewijze naar toe.

Aan den voet had de tempel een groot aantal poortvormige toegangen,

waardoor men zeker het inwendige kon bereiken.

Geheel aan het einde van de grasvlakten verrezen een tiental pyramiden,

waarnaast die van Cheops slechts kinderspeelgoed moesten gelijken, want

zij waren minstens negenhonderd meter hoog.

Duizenden jaren was er aan deze gedrochtelijke voortbrengselen van het

menschelijke vernuft gebouwd.

De drie mannen hadden elkander een blik toegeworpen, vreezende dat zij

ten speelbal waren aan hallucinatie, dat zij droomden, dat dit alles

onmogelijk werkelijkheid kon zijn.

En toch, zij waren niet waanzinnig, wat zij daar zagen was

werkelijkheid, en geen Fata Morgana. De drie mannen hadden allen hun

verrekijkers te voorschijn gehaald, en brachten die voor het oog.

Zij konden nu nauwkeurig alle bijzonderheden van den wonderlijken toren

beschouwen, de versierselen, de bogengangen, en zelfs zagen zij zeer

duidelijk menschelijke wezens langs de breede wegen den toren op en

afgaan. Sommigen waren volkomen zwart van huidskleur, anderen bruin en

er waren er ook bij, wier kleur slechts een weinig gebruind mocht

heeten.

„Hoe zonderling! hoe ongelooflijk is dat alles,” mompelde Charly. „Ik

krijg den indruk, alsof dit alles zoo duizenden jaren moet zijn

geweest!”

„Niets belet ons om het aan te nemen, mijn jongen,” zeide Raffles. „De

lieden daarginds moeten een vrij hoogen trap van beschaving hebben want

je ziet dat zij voor het meerendeel niet naakt gaan maar witte of

gekleurde gewaden dragen die zeer veel gelijken op de gewaden der oude

Egyptenaren zooals wij die van bewaard gebleven steenteekeningen

kennen.”

Raffles richtte nu zijn kijker naar een andere plek, ver van de stad

gelegen, eveneens op een terras, misschien wel hetzelfde, waarop de

reizigers zich bevonden, en waar hij eenige beweging had meenen te

ontdekken.

Inderdaad, daar krioelde een hoop zonderlinge wezens dooreen, geen

apen, en toch ook geen menschen, geheel naakt, zwaar behaard en met een

langen staart.

Zij bevonden zich bij een op een open plek, te midden van een aantal

primitieve hutten en gebaarden blijkbaar opgewonden met elkaar.

Hoe zij daar gekomen waren mocht een raadsel heeten, want overal rees

de rotswand tot een hoogte van achthonderd meter loodrecht uit de

vlakte op.

Bijna drie kilometer verwijderd van de plek waar de drie reizigers zich

bevonden, spoot met geweldige kracht een bruisende waterval uit den

rotswand, die een breeden stroom voedde, welke om de zilveren stad

heenliep, en zich aan den gezichtseinder verliep te midden van

ontzaglijke wouden.

„Het is alsof de natuur deze plek heeft uitverkoren, om er als in een

register alles te bewaren wat zij in den loop van duizenden eeuwen

gewrocht heeft!” mompelde Raffles peinzend. „Hier zijn overblijfselen

uit het steentijdperk, uit den tijd van het oude Egypte onder de eerste

koningen, uit den wordingstijd van de menschen en uit het oude Egypte

bijeen, en denkelijk zullen er nog talrijke wonderen zijn, welke wij

thans niet zien!”

„En de geweldige schatten, waarvan Numilus sprak?” vroeg Charly op

zachten toon.

„Ik denk dat deze zilveren stad ze bevat,” antwoordde Raffles.

Maar juist toen hij dit gezegd had, vertoonde zich op een der wegen die

naar de vreemdsoortige tempelstad voerde een optocht, die langzaam

nader kwam.

Aan dien kant bevond zich een bosch, en de eerste personen, welke den

stoet vormden kwamen juist onder de zware boomen vandaan.

Door hun kijkers konden zij dezen stoet zeer goed waarnemen, want hij

bevond zich op nauwelijks tien minuten afstand.

Het waren muzikanten, voorzien van vreemdsoortige muziekinstrumenten,

die daar te voorschijn traden, negers, en lieden van een anderen stam,

een weinig minder zwart, gekleed met een gestreepten lendendoek, die

van het midden tot de knieën afhing, het hoofd bedekt met een soort

kap, afhangend op de schouders, van dezelfde stof.

Zij droegen Cystrums, luiten, een soort harpen, langwerpige trommen, en

bliezen op groote bazuinen, zoolang dat zij ze onmogelijk alleen konden

torschen, en een helper noodig hadden, die het voorstuk op den schouder

droeg.

Het was een woeste, zeer eigenaardige muziek welke zij ten gehoore

brachten, een eindelooze passage, telkens opnieuw herhaald.

Deze muzikanten waren ongeveer tachtig in aantal en schreden langzaam

voort over den breeden weg, die van het woud naar de tempelstad leidde.

Zij werden gevolgd door een groote schare danseressen.

Velen daarvan waren gitzwart, en hun huid blonk als ebbenhout, maar

anderen waren bijna blank te noemen, of slechts zeer weinig gebruind.

Al deze vrouwen schreden, met de handen achter het hoofd

ineengestrengeld in rythmischen cadans voort.

Zij waren allen tot het midden naakt, en van daar tot op de enkels, die

met gouden ringen prijkten, daalde een doorzichtige gazen sluier af,

met kleine gouden loovertjes bestikt, en dien de wind telkens deed

opwapperen.

Sommigen droegen het gitzwarte haar los, en dan viel het tot bijna in

de holte der knieën, anderen hadden het opgestoken, en dan verdween het

bijna onder de gouden versierselen.

De danseressen werden op hun beurt gevolgd, door een schaar priesters,

in lange witte gewaden gekleed met gouden sandalen aan de voeten, en

het hoofd gedekt door een zeer hoog hoofddeksel in den vorm van een

afgeplat suikerbrood.

Na de priesters kwam een schaar jonge meisjes, bijna allen volkomen

blank, en allen zonder het minste kleedingstuk, hoe gering ook.

Zij liepen in gelederen van acht naast elkander, en waren met de polsen

aan elkander geketend.

Allen liepen zij met gebogen hoofd, ten getale van ongeveer

tweehonderd. Nu kwam een afdeeling slaven aanschrijden, allen zwart als

ebbenhout, en slechts gekleed met een smallen heupdoek.

Om polsen en enkels droegen zij breede gouden banden.

Een oogenblik meenden de drie mannen dat nu de optocht geëindigd was,

maar daar verschenen twaalf negers van reusachtigen lichaamsbouw, die

op hun schouders een rustbed droegen, met goud versierd, waarop een

vrouw lag uitgestrekt, de ellenboog in mollige kussens gesteund, en met

trotschen blik om zich heen ziende.

Zij was van een buitengewoone, vreemde schoonheid.

De wenkbrauwen waren ongewoon lang, slechts weinig gewelfd, en leken in

elkander te loopen.

De neus was dun, en zeer fijn gemodelleerd, de mond had volle lippen

die kunstmatig nog rooder waren gemaakt dan zij reeds waren.

De oogen waren amandelvormig, zeer groot en reebruin.

Op het gitzwarte haar was een soort van diadeem bevestigd en het

voorhoofd was omsloten door een gouden slang, met naar voren gebogen

kop.

De vrouw droeg niets anders dan een zeer dunnen sluier, achteloos over

de onberispelijk gevormde beenen geworpen.

Om haar hals hing een keten van zeer groote diamanten, en de borsten

waren beschermd door kleine schilden van goud, die met gouden kettingen

over de schouders en onder de oksels waren bevestigd.

Aan de geheele houding van deze vrouw was te zien, dat zij het bevel

moest voeren, misschien wel de koningin was in dit gebied der

vergetelheid.

Na de slaven met de draagbaar kwamen wederom priesters, en ten slotte

een groote afdeeling soldaten, bijna duizend man sterk, verdeeld in

troepen van tweehonderd man, die ieder door een bereden chef werden

aangevoerd.

Deze soldaten vormden zeker een lijfwacht, want zij waren prachtig

uitgedost, en geleken zeer veel op de oude Romeinsche zwaardvechters,

met hun gouden kuras, dat de borst en een gedeelte van het onderlijf

bedekte, het korte witlinnen rokje daaronder, dat tot halverwege de

dijen reikte, het blinkende korte zwaard, dat zij ontbloot over den

schouder droegen, en den grooten helm met zijn vleugels terzijde en het

zware vizier, dat hier echter niet van ijzer, maar van het zuiverste

goud was.

De vijf aanvoerders droegen, behalve het zwaard in de rechterhand een

korte spies, als teeken van hun waardigheid.

Deze stoet nu, schreed op de stad toe, en begon haar te beklimmen.

Het duurde vele uren, telkens zagen de drie indringers den optocht een

weinig hooger opnieuw verschijnen, totdat hij eindelijk den top van den

toren had bereikt.

Bijna op hetzelfde oogenblik gingen aan de voorzijde van den tempel

twee ontzaglijk groote deuren open, en nu konden Raffles en zijn

metgezellen in het binnenste van den tempel zien.

Daar stond, achter in een reusachtig groote zaal, een bronzen

afgodsbeeld, bijna veertig meter hoog, met een afschuwelijke

gelaatsuitdrukking, zes armen, en evenveel beenen, gekruist onder het

lichaam gevouwen.

Priesters bewogen zich rondom het beeld, en nu traden twee hunner naar

voren, en trokken een luik in den buik van den afgod open.

Dadelijk werd een felle gloed zichtbaar.

„Wat is dat toch Mylord?” vroeg Henderson fluisterend, „wat doen die

menschen daar?”

„Dat afgodsbeeld, Henderson, is het beeld van den God Baäl, en die

lieden daarginds gaan een menschenoffer brengen. De jonge meisjes welke

wij zooeven geboeid voorbij hebben zien leiden, zullen in het binnenste

van dat bronzen beeld verbrand worden!”

Charly en Henderson slaakten een kreet van woede en ontzetting, en de

jonge man riep uit:

„En moeten wij daarbij lijdelijk toezien, Edward? Moeten wij dat

afschuwelijke dulden?”

„Wat kunnen wij er tegen doen?” vroeg Raffles op doffen toon. „Wat

kunnen wij beginnen tegen die overmacht? En voor wij daarginds boven

zouden zijn, zou toch alles al achter den rug zijn.”

Plotseling gaf Henderson een schreeuw, en wees met uitgestrekten vinger

naar het afgodsbeeld.

Lord Lister No. 0328: Het raadsel van Niassa · 第 4 / 5 段