waren, klommen de drie mannen uit de machine, in welker onmiddellijke
nabijheid zij echter bleven.
Zij maakten uitnoodigende gebaren, en tenslotte verstoutten zich eenige
inboorlingen, langzaam naderbij te komen.
Naar allen schijn kenden zij het gebruik en de aanwending van
vuurwapens, en daar zij de geweren in de handen der vreemdelingen
zagen, begrepen zij, dat hun primitieve wapens hier toch geen
uitwerking zouden hebben. Eindelijk stonden zwarten en blanken
tegenover elkander.
Raffles wierp zijn geweer op den grond, ten teeken, dat hij met
vriendschappelijke gevoelens bezield was, en dadelijk volgden de
inboorlingen zijn voorbeeld, onder het uitstooten van vreemde kreten,
die zeker hun blijdschap en vertrouwen in de blanken te kennen moesten
geven.
Raffles trad een paar schreden naar voren, en legde zijn hand met een
vriendelijk gebaar op den schouder van een der Matabelen, die een
hoofdman scheen te zijn, te oordeelen naar de versierselen, waarmede
hij behangen was. Tot zijn verwondering zeide de inboorling in gebroken
Duitsch:
„Groote vogel welkom! Iwanda vriend van vreemdelingen!”
Raffles begreep dadelijk, dat deze lieden veel in aanraking geweest
moesten zijn met de Duitschers, voor de strijd in een ander deel van
Afrika hen ook hier verdreef.
Hij bediende zich van dezelfde taal, toen hij antwoordde:
„De vreemdelingen zijn ook uwe vrienden, Iwanda! Zij komen u geschenken
brengen, en hopen dat de goden van uw stam welgevallig op u mogen
nederzien.”
En op een wenk van Raffles haalden Charly en Henderson kralen, messen
en eenige bontgekleurde lappen uit de vliegmachine, welke hij begon te
verdeelen onder de Matabelen, die van blijdschap begonnen te dansen.
Raffles besloot, deze gunstige stemming aanstonds te benutten, om zijn
plannen te verwezenlijken en inlichtingen te vragen aan deze primitieve
lieden, die dolblij waren met een handvol kralen.
Hij trad weder op Iwanda toe, en zeide, terwijl hij hem doordringend
aanzag:
„Wil mijn vriend Iwanda een dienst bewijzen aan den blanken
vreemdeling, die met zijn grooten vogel is komen aanvliegen?”
Het opperhoofd knikte eenige malen snel met het hoofd, en zeide:
„De vreemdeling spreke, Iwanda zal hem gaarne zeggen wat hij weet!”
„Luister! Vele duizenden en duizenden jaren geleden werd uw land
bezocht door een vreemden volksstam, die hier den krijg kwamen brengen.
Tot hier drongen enkelen dier krijgers door. Zij bezochten de streken
ten Oosten van uw gebied, daar waar zich de zon boven de kim verheft!
Aan gene zijde der bergen! Kent gij de streek, en wilt gij ons daarheen
geleiden?”
Wat Raffles ook als antwoord verwacht mocht hebben, zeker niet de
handelwijze van het opperhoofd, en van diegenen onder zijne onderdanen,
die de in het Duitsch gestelde vraag van den vreemdeling begrepen
hadden!
Zij wierpen zich allen in het stof, bedekten het hoofd met beide handen
en hieven luide jammerklachten aan, terwijl zij zich heen en weder
wentelden.
De drie reizigers konden niet verstaan wat zij in hun eigen taal
zeiden, maar zij meenden te begrijpen, dat de Matabelen hun goden
aanriepen, en hun bescherming tegen het een of ander vreeselijk gevaar
afsmeekten. Eindelijk sprong Iwanda weder op, en riep sidderend:
„Vreemdeling, vraag dat nimmer weder! Gij weet niet wat gij doet! Die
streek aan gene zijde der bergen is vervloekt! Hij die er den voet zet,
is voor eeuwig verloren, nimmer keert hij weder! Daar huizen
monsters......”
Maar hij sprak niet verder.
Een zijner volgelingen, die zeker een hooge positie bekleedde, had hem
bij den arm gevat en zeide snel en fluisterend eenige woorden in de
taal van zijn land.
Iwanda zweeg plotseling, en keek schuw voor zich.
Na geruimen tijd hernam hij:
„Iwanda mag niets meer zeggen, vreemdeling! Zelfs er over te spreken is
gevaarlijk! Nimmer zal een der onzen u vergezellen naar daarginds! En
indien uw leven u lief is, keer dan aanstonds weder terug! Onnoemelijk
zijn de gevaren welke u daar bedreigen!”
Raffles begreep, dat hij niets meer uit deze inboorlingen zou krijgen.
Zij waren blijkbaar allen aangegrepen door een ontzetting, met geen
woorden te beschrijven.
Zij beefden over het geheele lichaam, en sommigen waren weggevlucht uit
de nabijheid van blanken die over zulke dingen durfden spreken.
Toch stelde Raffles nog een enkele vraag:
„Zeg mij dan slechts een ding, Iwanda! Wonen daarginds menschen?”
Het opperhoofd aarzelde even en antwoordde toen:
„Ja, er wonen menschen! Maar wie hen ziet—die sterft!”
„Het is dus wel zeker, dat geen uwer ons tot gids zou willen dienen?”
„Niemand, niemand, vreemdeling!” antwoordde Iwanda sidderend. „Onze
goden zouden hem verderven.”
Raffles wisselde een blik met Charly.
Voor beiden was het duidelijk, dat hier inderdaad een geheim moest
schuilen, welks aard zij vastbesloten waren te doorgronden.
Wilden de Matabelen hen niet helpen, dan zouden zij het zonder hun hulp
doen!
Ook Charly, die tot dusverre getwijfeld had, begon nu in te zien, dat
er achter deze onverklaarbare vrees van de inboorlingen meer moest
schuilen dan eenvoudig de schrik voor bovennatuurlijke dingen, hun bij
overlevering bijgebracht.
Er moest inderdaad iets bestaan, waardoor die vrees gemotiveerd was.
Voor de laatste maal wendde Raffles zich tot Iwanda.
„Wilt gij mij zeggen, of reeds vóór ons blanken hier zijn geweest, die
getracht hebben, de geheimen van gindsche streken te ontsluieren?”
Het opperhoofd knikte ernstig.
„Velen,” antwoordde hij. „En geen is teruggekeerd! wie eenmaal over de
bergen is getrokken, welke gij daarginds ziet verrijzen, die is des
doods!”
„Ik zeg u dank voor alles wat gij mij hebt medegedeeld, Iwanda!” zeide
Raffles. „Wilt gij mij en mijne vrienden voor dezen nacht een
onderkomen verschaffen?”
„Gij en uwe vrienden zullen onze broeders zijn!” antwoordde het hoofd.
„En keert dan terug, ga, van waar gij gekomen zijt!”
Raffles antwoordde niet, maar Charly en Henderson zagen een uitdrukking
van ontembare wilskracht op zijn gelaat.
Hij zou doorzetten, ook al zou het hem het leven moeten kosten!
De Matabelen wisten blijkbaar heel wat meer, dan zij wilden mededeelen,
maar hun vrees belette hun, en verbood hun misschien, de verhalen aan
blanken mede te deelen, welke zij bij overlevering van hunne voorouders
vernomen hadden.
Maar wat die inboorlingen met opzet verzwegen, dat wilden die drie
stoutmoedige Engelschen zelven gaan onderzoeken!
De vliegmachine werd met behulp van een aantal inboorlingen tot dicht
bij het dorp getrokken, voor het meerendeel bestaande uit rieten
hutten, hier en daar afgewisseld met een houten huis, dat wellicht
vroeger tot woonplaats van Duitschers had gediend.
De vrouwen hielden zich schuw op een afstand, maar de mannen waren
moediger, en ofschoon zij zeker nimmer van te voren een vliegmachine
hadden gezien, bekeken zij den „Duivel der Lucht” met eerbied en de
grootste verbazing.
De drie reizigers kregen een onderkomen in een der houten huizen, en
werden op gulle wijze van voedsel voorzien, voornamelijk bestaande uit
een soort meelspijs, en een voortreffelijk soort brood, veel
smakelijker dan het in Europa bekende baksel.
Voorts zette men hun bananen en een smakelijke koek van roggemeel voor.
„Zouden wij hier nu rustig kunnen slapen?” vroeg Charly zacht, toen de
drie mannen alleen waren gelaten.
„Zonder eenigen twijfel!” antwoordde Raffles „De stam der Matabelen,
met name in deze buurt, is zeer zachtaardig, al zien zij er nog zoo
krijgshaftig uit met hun schilden en speren. Zij moeten nu en dan wel
strijden tegen een naburigen, oorlogszuchtigen stam, en hun wapens zijn
onontbeerlijk bij de voortdurende worsteling tegen het wilde gedierte.”
„Zijn hier leeuwen en tijgers, Mylord?” vroeg Henderson.
„Tijgers alleen in den vorm van Poema’s, vriend Henderson!” antwoordde
Raffles. „Maar leeuwen komen hier zeer veelvuldig voor, en van een
verbazende grootte waarvan wij ons, als wij de exemplaren in den
dierentuin zien, maar matig een denkbeeld kunnen vormen.”
De mannen beëindigden hun maal, en verlieten nu de hut, teneinde nog
een wandeling te gaan doen, alvorens zich ter ruste te begeven.
Het viel duidelijk waar te nemen, dat deze inboorlingen reeds in
aanraking waren geweest met blanken, die hen veel geleerd hadden.
Daarop wees het onderhoud van de wegen, de wijze van bebouwing der
velden, en ook sommige moderne landbouwwerktuigen, welke hier en daar
langs de kanten der akkers stonden.
De omstreken waren zeer schoon, het dorp grensde bijna onmiddellijk aan
een prachtig bosch van dadelpalmen, die hier een geweldige hoogte
bereikten.
Omstreeks acht uur, toen de duisternis reeds begon te vallen, keerden
de drie reizigers terug.
Zij zochten hun houten huis op, waar intusschen drie legers van droge
bladeren waren opgeslagen door de zorgzame inboorlingen.
Een uur later was alles in het Matabelen dorp in diepe rust.
HOOFDSTUK VI.
BUITEN DE GRENZEN DER KENNIS.
Maar eensklaps, omstreeks tien uur in den avond, weerklonk daarbuiten,
uit de richting van het woud, een machtig geluid, dat dadelijk geheel
het dorp in rep en roer bracht, een geluid, dat zelfs de moedigste deed
sidderen, het was het gebrul van den leeuw!
En dat gebrul werd herhaald en weerkaatst, het werd van een andere
zijde beantwoord! In een oogwenk waren Raffles en zijn metgezellen op
de been.
Zij grepen hun geweer, en snelden naar buiten.
De maan scheen helder, en men kon vrij goed zien, in dezen tropischen
nacht, met zijn schitterenden sterrenhemel.
Luid schreeuwend liepen de inboorlingen over het plein, dat zich aan de
grens van het dorp bevond.
Op een afstand van een veertig meter ongeveer begonnen de boomen van
het oerwoud.
En daar, tusschen de slanke stammen, glommen eenige valsch lichtende
punten, dat waren de oogen van minstens drie leeuwen, wier vormen vaag
zichtbaar waren.
Instinctmatig hadden de Matabelen zich om de drie blanken verdrongen,
van wier vuurwapens zij de kracht kenden.
Eenigen hunner waren voorzien van fakkels, waarmede zij gewend waren,
de wilde dieren af te schrikken, wanneer deze het dorp al te dicht
naderden, gedreven door den honger.
Aan de uiterste grens van het dorp lag een schaapskooi, waarvan de
lucht wellicht de leeuwen had aangelokt, en reeds verkondigde een
angstig geblaat den vreeselijken angst der opgesloten schapen.
En daar, met een paar geweldige sprongen was een der leeuwen tot vlak
bij de omheining genaderd, welke de schaapskooi omgaf.
Maar niet die scheen in de eerste plaats de begeerte van het roofdier
te wekken, vlak bij de kooi liep een knaapje, dat zich blijkbaar het
gevaar niet bewust was, en waarschijnlijk in de algemeene verwarring
aan het oog zijner moeder ontsnapt was.
Plotseling slaakte Iwanda, die naast Raffles stond, een luiden,
smartelijken kreet.
Hij riep eenige woorden, welke geen der drie blanken verstond, maar aan
den toon begrepen zij alles, die kleine, zwarte knaap was een zoon van
het opperhoofd!
Iwanda had zijn boog gespannen, een onnut wapen op dien afstand!
Daar suisde de pijl reeds van het trillende koord!
De leeuw slaakte een kreet van woede en pijn, de pijl had hem aan een
der voorpooten gewond. Maar het roofdier liet zich niet weerhouden.
Het bukte zich, geeselde met zijn staart het zand, en maakte zich
gereed tot den sprong.......
Maar voor de leeuw zich had kunnen oprichten, kraakte er een
schot......
Het was Raffles, die gevuurd had.
De leeuw maakte een vervaarlijken luchtsprong, en stiet een vreeselijk
gebrul uit.
Toen plofte het neder, rekte de machtige klauwen in zijn doodstrijd, en
lag stil, de kogel had het monster de hersens vermorseld.
Iwanda snelde als waanzinnig op het kind toe, dat verbaasd, en
blijkbaar niet begrijpend wat dit alles te beduiden had, op dezelfde
plek was blijven stilstaan, greep het, tilde het in zijn armen en
snelde er mede terug.
Hij wierp zich voor Raffles op de knieën, greep zijn hand, en schudde
die, als of hij ze verbrijzelen wilde.
Maar het gevaar was nog niet geweken.
Een luid gebrul deed opnieuw de lucht trillen.
Twee leeuwen slopen nader, met den buik over het zand schuivend, met
zwiepende staarten, en fonkelende oogen.
De inboorlingen zwaaiden gillend met hun fakkels, in de hoop, de
roofdieren te verjagen.
Maar deze, door hun bloeddorst gedreven, lieten zich niet afschrikken
en kwamen snel nader.
De drie blanken hadden zich plat op den grond geworpen, en legden aan.
De schoten knalden.
Een der leeuwen was aangeschoten, maar niet doodelijk gewond, de tweede
was blijkbaar niet geraakt, want hij bleef doorsluipen.
En nu naderden van een geheel anderen kant nog een paar leeuwen,
grooter nog dan de anderen!
Vele inboorlingen namen gillende de vlucht, en gingen zich in hunne
hutten verschuilen, maar Iwanda dacht niet aan vluchten, hij spande
opnieuw zijn boog, mikte zorgvuldig, de pijl vloog met een zacht
fluitend geluid weg, en ging zich begraven in den nek van een der
leeuwen.
De punt drong diep in het vleesch van het roofdier, doch dit had
slechts tengevolge, dat zijn woede tot het uiterste werd geprikkeld.
Hij nam een ontzettenden sprong, die hem tot een paar meters van den
onvoorzichtigen schutter bracht.
Op dat oogenblik sprong Henderson op.
Hij had zijn geweer weggeworpen, en was slechts met zijn jachtmes
gewapend, waarvan het lemmet in het maanlicht flikkerde.
Hij wierp zich boven op den leeuw, in wiens hals de rieten schacht van
de pijl nog trilde, en stak hem het mes met reuzenkracht in het
lichaam.
De leeuw liet een gebrul hooren, dat mijlen in den omtrek moest worden
gehoord, en trachtte met zijn nagels zijn aanvaller te verscheuren.
Maar Henderson trok het mes uit de wonde, en stiet opnieuw toe.
Ditmaal doorboorde hij den leeuw het hart, het ondier wentelde zich om
en om, ploegde met zijn nagels het zand, en gaf den geest.
Bijna tegelijkertijd legde Charly met een goedgemikt schot een derden
leeuw neer, en Raffles verwondde er één doodelijk.
De laatste leeuw deinsde af, en verdween onder luid gebrul tusschen het
geboomte.
Zoodra het schieten ophield, kwamen allen inboorlingen weder te
voorschijn, en hun vreugdegehuil vervulde de lucht.
Vier leeuwen lagen dood, en Henderson ging den vijfden met een
revolverschot in den kop afmaken.
Het geraas der trommen verstomde, waarmede de Matabelen de roofdieren
eveneens hadden trachten te verjagen, en de rust keerde spoedig terug.
Iwanda had Raffles bij den arm genomen, en voerde hem langzaam naar het
houten huis, waarheen hij door Henderson en Charly gevolgd werd.
De kleederen van den reus waren danig gehavend en hij bloedde uit een
vrij diepe wonde aan den arm, maar voor het overige was hij zoo gezond
als een visch, zoo als hij zelf zeide.
Iwanda maakte een gebaar, om de blanken tot zitten uit te noodigen, en
hurkte zelf neder op de mat, die voor den ingang op den leemen vloer
van de hut lag.
Hij keek Raffles een oogenblik zwijgend aan met zijn ernstige, zwarte
oogen, en begon toen:
„Luister, vreemdeling! Gij hebt zooeven mijn lievelingszoon gered, die
eenmaal mijn plaats moet innemen, als hoofd van mijn stam, Ik had hem
boven alles ter aarde lief. Hij is het licht mijner oogen. De dienst,
welke gij mij bewezen hebt, is niet te vergelden. Gij zoudt mijn leven
kunnen nemen, en het zou nog niet voldoende zijn. En daarom zal ik u
mededeelen, wat ik nog aan geen enkelen blanke heb gezegd, ook niet aan
hen, die mijn vrienden waren, en ons thans verlaten hebben. Gij zult
hooren wat u daarginds— — —aan gene zijde der bergen wacht!”
Het opperhoofd zweeg even en vervolgde toen op doffen toon:
„Gij hadt het anders nimmer zullen weten, maar verneem nu, dat
daarginds wonderen te aanschouwen zijn, grooter dan eenig
menschenverstand het zich kan uitdenken! Gij zult daar een stam vinden,
ouder dan eenige ter aarde, en die zijn gebruiken tot op dezen dag
onveranderd heeft behouden.
„Men noemde hen eertijds Egyptenaren. Gij zult er hunne bouwwerken
zien, machtiger dan de steenen heuvel, welke, naar mijn blanke vrienden
mij zeiden, gevonden worden in de nabijheid van de stad Caïro. Gij zult
er hun slaven aan het werk zien, voortgezweept door opzichters. Gij
zult er menschenoffers aanschouwen, gruwelijker, dan uwe verbeelding
het u vermag voor te spiegelen. Een plantengroei zult gij er aantreffen
wonderlijker dan menschenverstand kan bedenken. En ten slotte, zult gij
de onmetelijke wouden, de spelonken en de monsterachtig hooge bergen
bevolkt vinden door dieren, welke gij niet kent en ook nimmer hebt
kunnen aanschouwen, dieren, die den grooten olifant onzer wouden
aangrijpen en vermorzelen tusschen hunne sterke pooten, die den
aligator van den vader der stroomen, den Ganges, zouden verbrijzelen
als stroohalmen!”
Iwanda had zijn stem tot een heesch gefluister laten dalen.
De gebrekkige, Duitsche woorden kregen een zonderlinge, bijna
angstaanjagende beteekenis in zijn mond, zooals hij daar zat, zijn
zwart lichaam beschenen door den gloed van het kleine houtvuur, dat
tegen de nacht-koude was aangelegd.
De drie Engelschen hadden met stijgende verbazing toegeluisterd.
Iwanda sprak blijkbaar in de volsten ernst, en toch, was dit alles
inderdaad denkbaar, kon dit bestaan? Spotte het niet met alle
waarschijnlijkheid?
Allen zwegen, en alleen het knetteren van de droge takken in het vuur
was verneembaar.
Toen vroeg Raffles:
„Wilt gij me zeggen Iwanda, wie dit heeft kunnen mededeelen, daar
immers alle die de bergen achter zich lieten, zijn omgekomen?”
„Lang, lang geleden, vreemdeling, zijn er eenige Matabelen als door een
wonder ontsnapt. Zij brachten hier de tijding van dit wonderbare, en
zij waren nog overtogen met de doodskleur hunner ontzetting en vrees,
toen zij het verhaal deden, vele maanden nadat zij hadden kunnen
vluchten. Want de lieden daarginds laten niemand ongestraft hun gebied
betreden, niemand, hoort gij?”
Raffles bleef diep in gedachten een oogenblik zitten.
Toen hernam hij, terwijl hij Iwanda de hand toestak:
„Wij danken u, opperhoofd der Matabelen, voor uwe woorden, wat gij
zeidet, is vreemd, duizend maal vreemd. En wij willen het onderzoeken!”
„Gij schrikt dus niet terug voor de ontzettende gevaren?” riep Iwanda
uit, terwijl zijn oogen hem bijna uit het hoofd puilden.
„Neen! Wij vertrekken morgen vroeg!”
„Dan mogen uwe Goden met u zijn!” zeide Iwanda op zachten toon, terwijl
hij opstond, en langzaam heenging, met gebukt hoofd, en hangende armen.
De drie mannen bleven alleen, ten prooi aan een ontroering, welke hun
borst deed hijgen, en hen deed verbleeken.
Wat zouden hun oogen zien?
Was het dus waarheid wat Otavius Numilus geboodschapt had?
Zij wierpen zich op hun rustbed van droge bladeren, maar het was hun
onmogelijk, den slaap te vatten.
Daartoe waren hunne gedachten te zeer vervuld van het wonderbaarlijke
verhaal, hun door Iwanda gedaan.
Zij stonden reeds om vier uur op, deden haastig hun maaltijd, en
maakten zich gereed om te vertrekken.
Iedereen in het dorp was even eens op de been.
Een somber klinkend geluid scheen de lucht te vervullen.
Het klonk als het geluid van een menigte trommen met een doek
overspannen.
„Wat beduidt dat geluid, vriend?” vroeg Raffles aan een voorbijgaanden
inboorling, één der weinigen die eveneens een weinig Duitsch sprak en
verstond.
„Het zijn de rouwtrommen, heer! Het is heden een rouwdag, omdat gij
over de bergen trekt!”
En de man liep langzaam verder.
Henderson keek hem een oogenblik verstoord na, en riep toen uit:
„Hoor eens hier Mylord! Ik heb er niets op tegen, als er om mij gerouwd
wordt, en die trommen klinken somber genoeg, maar daar mede kon men dan
toch wel wachten, tot ik goed en wel dood ben!”
Maar Raffles en Charly konden die luchthartigheid van den reus ditmaal
niet delen.
Die trommen klonken zoo vreeselijk somber en onheilspellend!
Nu eens zwol het geluid sterk aan, dan scheen het geheel weg te sterven
en niemand kon met juistheid zeggen, van waar het kwam.
De drie reizigers gebruikten een stevig ontbijt, en vervolgens gingen
zij afscheid nemen van Iwanda, die treurig voor zijn hut gehurkt zat,
en met zijn zachte oogen iets scheen te smeeken.
Maar Raffles en zijn metgezellen waren nu eenmaal vastbesloten, tot het
einde te gaan, al zou dat einde de dood zijn!
Zij stegen in de vliegmachine, en Raffles haalde den hefboom over.
De schroef begon te draaien, de „Duivel der Lucht” steeg snel, en
binnen enkele tellen was er van geheel het dorp der Matabelen niets
meer te zien, dan een donkere vlek op het gele zand.
Daar een kaart de reizigers van geen nut meer kon zijn, om deze
afdoende reden, dat er van deze streken nog nimmer kaarten waren
vervaardigd, hield Raffles de oogen strak voor zich uit gevestigd, en
stuurde hij recht op bergen aan, die op zeer grooten afstand tegen den
einder afstaken, en zeer grillig gevormd schenen.
Hij koos zijn hoogte zoo ver mogelijk van den grond, op bijna
vijfduizend meter, want op deze hoogte zou hij zeker het gemakkelijkst
over de bergen kunnen vliegen die den horizont leken af te sluiten als
met een gordel van graniet.
Bijna een half uur verliep, zonder dat er een woord tusschen de
reizigers gewisseld werd.
Allen waren doordrongen van de huiveringwekkende ernst van het
oogenblik.
Hun zenuwen waren zoodanig gespannen, dat het hun pijn deed.
De vliegmachine had in dit halve uur niet meer dan honderdvijftig
kilometer afgelegd, want Raffles had met opzet de snelheid zeer
aanzienlijk verminderd daar hij wenschte, dat niets van het landschap
hem ontgaan zou. De „Duivel der lucht” had gedurende eenigen tijd den
loop der Loangwo gevolgd, maar nu had men de rivier uit het oog
verloren.
Er kwam nog een zijstroom, en toen niets meer.
Het land scheen hier geheel verlaten te zijn, geen spoor van eenig
menschelijk leven, geen hutten, geen akkers, alleen woeste bosschen en
onmetelijke stukken dorre heide.
Raffles zag nu wel in, dat het onmogelijk zou zijn geweest, zelfs den
afstand tot aan den voet van het gebergte anders dan met de
vliegmachine af te leggen, tenzij met een geheele karavaan, rijkelijk
voorzien van levensmiddelen.
Hij wist voorts, dat de eerste bewoonde plaats in het westen Sitanda
was, en die plaats lag op ongeveer 800 kilometer van Maranda
verwijderd!
En wat daar tusschen was, wist niemand!
De vliegmachine naderde nu snel het gebergte, dat naar schatting
gemiddeld bijna vijfduizend meter hoog was, en dus tot de hoogste
gebergten der aarde mocht worden gerekend.
Raffles deed dus de machine nog meer stijgen, en om zes uur in den
morgen vloog zij over de toppen van de geheimzinnige bergketen....
Charly en Henderson bogen zich zoo ver mogelijk uit het schuitje,
waarvan zij het dak hadden teruggeschoven, om toch niets te verliezen
van hetgeen zich aan hun blikken zou bieden.
Zij zagen evenwel niets dan de kale bergtoppen, hier en daar zoo hoog,
dat zij met sneeuw waren bedekt.
De overtocht duurde geen tien minuten en daar de machine weder met de
grootste snelheid had gevlogen, moest het gebergte van geweldige
breedte zijn.
Nu hadden de reizigers de laatste toppen achter zich.
En een huivering beving hen bij wat zij thans aanschouwden.
Diep onder hen lag een woestijn, maar van zulk een verschrikkelijke
eenzaamheid dat zij zich het hart voelden toenijpen.
Geen zand, geen boom, geen struik, geen enkel stroompje water, hoe
klein ook. Zoover het oog reikte, niets dan grijze steenblokken,
sommige van een monsterachtige grootte, en vreemd gevormd, als
menschenhoofden, afgeslagen ledematen, versteende dieren van een
ongehoorde grootte.
Al deze steenen waren verspreid over een vlakte, die zich schier
eindeloos scheen uit te strekken, licht grijs, en waarop de zon
meedoogenloos brandde.
Geen zuchtje scheen de aardkorst hier te kunnen beroeren, en de hitte
daar beneden moest iedere beschrijving tarten.
Maar heel ver in het Westen leek een ijle nevel te hangen, die de
nabijheid van andere bergen verried.
Onverschrokken stuurde Raffles de machine hieropaan.
Met een snelheid van bijna 515 kilometer per uur suisde de „Duivel der
Lucht” over dit oord der verschrikking, waar geen enkele plant scheen
te kunnen leven, waar geen dier had kunnen ademen.