Twee priesters hadden een der naakte jonge meisjes gegrepen, die thans

van hun boeien ontdaan waren, en hen met geweld naar de deur van den

helschen laaienden oven gesleurd, het volgende oogenblik was de

ongelukkige verdwenen, en de drie reizigers verbeeldden zich, dat zij

hier haar jammerklachten konden hooren.

De koningin, steeds op haar sponde uitgestrekt, leek glimlachend toe te

zien.

Maar dit was meer dan drie Europeanen konden verdragen.

„Dan maar met de vliegmachine!” schreeuwde Raffles. „Misschien zal onze

verschijning alleen wel voldoende zijn, om hen op de vlucht te jagen!

Ik ben overtuigd dat zij, zoodra wij verdwenen zijn, opnieuw zullen

beginnen, maar dan zullen wij al thans geen getuigen van dat

afschuwelijke schouwspel zijn.”

De drie reizigers scheepten zich onmiddellijk in, en laadden hunne

geweren, eenige seconden later begon de schroef te wentelen, de

vliegmachine schoot over het terras en verhief zich daarna in de lucht,

om recht op de tempelstad aan te sturen.

In minder dan vijftien seconden was de afstand afgelegd, en onvervaard

liet Raffles de machine midden tusschen de doodelijk ontstelde menigte

neerdalen. Velen hadden zich op den grond geworpen maar het meerendeel

nam in allerijl de vlucht, gillend en met de handen boven het hoofd

geheven, de priesters, de slaven, de danseressen, het gevolg van de

koningin en ook de ongelukkige jonge meisjes, die aan den God Baäl ten

offer hadden moeten worden gebracht.

Alleen de soldaten trachtten zich een oogenblik te weer te stellen,

maar een paar goed gerichte geweerschoten brachten zulk een

ontsteltenis en bijgeloovige vrees te weeg, dat de geheele legermacht

op de vlucht sloeg.

Binnen enkele oogenblikken was er boven op den toren geen levend wezen

meer te bespeuren, alles had de vlucht genomen voor deze bovenaardsche

verschijning, deze vuurspuwende draak.

De tempel was geheel verlaten.

Op eenige meters van den ingang lagen te weerszijden twee geweldige,

zuiver ronde kogels, van klinkklaar goud, en blijkbaar massief, want

Henderson kon ze nauwelijks verrollen. Zij moesten ieder minstens drie

honderd kilo wegen.

„Wij zullen deze fraaiigheden als aandenken medenemen,” zeide Raffles,

„maar wij zullen verstandig zijn, en ze aan niemand laten zien, want

men zou ons toch voor bedriegers houden.”

Met vereende krachten werden de gouden kogels aan boord van de

vliegmachine getild. Juist toen dit geschied was klonk er van de vlakte

een onbeschrijflijk gehuil, en toen de mannen naar beneden keken zagen

zij het geheele dal als het ware overdekt met honderdduizenden en nog

eens honderdduizenden zonderlinge wezens, sterk behaard, en allen met

pijl en boog, knuppel of steenen bijl gewapend.

„Holbewoners,” zeide Raffles lakoniek. „Zie, zij gaan den toren

bestormen, de schoone koningin heeft hen zeker op ons afgezonden, wij

zullen zoo verstandig zijn en dat leger van een half millioen hier niet

afwachten, want zelfs voor onze moderne geweren is die overmacht te

groot. Kom vrienden, laten wij ons inschepen, en uit deze oorden

vertrekken, en er voorloopig vooral niet over spreken, daar men ons

misschien in een gekkenhuis zou opsluiten.”

Een oogenblik later zweefde de Duivel der Lucht weder boven dit gebied,

zoo vol wonderen en geheimen, terwijl daar beneden een woedend gehuil,

gelijkend op het rauwe geblaf van hyena’s, uit honderdduizenden kelen

opklonk.

Dat was de afscheidsgroet uit het Land der Vergetelheid..........

Lord Lister No. 0328: Het raadsel van Niassa · 第 5 / 5 段